# Vitaulium: Hofwyck en Spaansche Wijsheit

## Part 9

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/vitaulium-hofwyck-en-spaansche-wijsheit-10975/index.md

[1] Hel-ste, helderste, scherpst. [2] Ben er. [3] Eerst «Delfland». [4] ondergrond. [5] De scheiding. [6] zwijgend. [7] Geen vrucht dragende. [8] Met eist beplante. [9] Vatbaar, vruchtdragend. [10] Des, daarvan. [11] onredelijk. [12] verg. boven in III en IV. [13] In zijn oorspronkelijke beteekenis van slecht. [14] Achter, o, voorraad. [15] Overleg. [16] Heel, gaaf. [17] Den weg bijster, mis. [18] kinder- [19] Anders paddestoelen. [20] Versta: in den tweeden en derden graad. [21] vooruitzicht. [22] Stadje. [23] verdeeld. [24] Versta: fidei commis, gelijk H. zelf aangeeft. [25] Voor wassen, groeyen. [26] beveelt. [27] zonder. [28] Van schuld kwijten. [29] David. [30] De bekende Toonbrooden. [31] geholpen. [32] dulden, toegeven. [33] lijden. [34] Ophoudt met staan. [35] asch. [36] brandstapel. [37] Verg. nog 't Liesbosch bij Breda. [38] Prins Frederik Hendrik, als Baron van Breda. [39] Voor woud. [40] toelonken. [41] Anders troepen. [42] Hofmeester. [43] Middaguur. [44] Van de zee omgeven [45] Thans wordt. [46] Tot hei wordt, verdort. [47] Ontnomen. [48] Versta: zijn geweven tapijtbehangsel. [49] Eerst: schilferen en vellen. [50] niet vangen. [51] wil er. [52] De bekende Utricia Ogel, aan welke hij meer dan één dichtjen wijdde. [53] Onverzoenlijk is. [54] bij. [55] Een scheeven mond trekken. [56] bekennen. [57] Zie zijn Bijbelstof, enz. [58] De, naar de kerkelijke overlevering, met pijlen doorschoten Sint Sebastiaan. [59] weigerde, begaf. [60] Anders trilt. [61] De van den Bosch, wel te weten. [62] jacht. [63] Versta: halsbrekend werk. [64] Thans in springen er ontaard; verg. boven dient er, enz. [65] blaar. [66] By, voor. [67] De haagsche bouwmeester. [68] Jacob van Campen. [69] Huygens--als men ziet--deelde in 't Renaissance-vooroordeel zijner dagen tegen de zoogenoemde Gothiek. [70] Eerst: voor mijn lusten. [71] Uit-rooide, uitgroef. [72] Ge-, ontmoeten. [73] Thans niets. [74] Dwaallichtjens. [75] toenaam. [76] iemand's. [77] Versta: de Natuur. [78] Plank. [79] Anders: verg. 't Hoogd. sonst. [80] worden. [81] eerst: sy viel. [82] De scheepspomp. [83] planken. [84] Voor sie om de volgende stomme h. [85] Thans voor 't verlengde reiziger in ongebruik geraakt; men mocht er echter 't vrouwelijk reizeres voor 't wanhebbelijk reizigster wel van gaan bezigen. [86] Thans morgen, gelijk worden voor werden. [87] Omdat G. s d. [88] Opgelegde taak. [89] Voor dacht, gelijk broght voor braght, enz. [90] Gebeurt, gelukt. [91] kracht. [92] Voor veilig. [93] Als steeds voor na. [94] afgetobt. [95] Denkt, dat ik mij honderd jaar ouder heb gesteld. [96] Beschutters. [97] sa Prinsen heerlijkheid en slot. [98] Perziken. [99] Eerst confituren. [100] Voor veiliger [101] Eva, in 't Paradijs. [102] monden. [103] niets. [104] wordt. [105] mist. [106] Bonte, veelkleurige. [107] Onschuldige. [108] spijst. [109] Tering naar nering. [110] geprezen. [111] Ongerepte groen. [112] Versta: de zingende vogeltjens. [113] Verstellen. [114] Beuk. [115] Toespeling op zijn bekende Hekeldicht. [116] De bekende haagsche straten. [117] Versta: in den pas geeindigden 80 jarigen vrijheidsoorlog. [118] Versta: het Engelsche, na de onthoofding van Karel I. [119] Die van Engeland, Schotland, en Ierland. [120] De bekende zaal op 't Binnenhof. [121] Eerst: mijn. [122] Thans toen. [123] De Apostel Paulus. [124] Zacheus, de tollenaar uit het Evangelie. [125] Eerst: En 't moeyelick geweld van schrale winterwinden Te weeren van myn Plein. Daer heb ick my verpraet: Sy syn nu hondert jaer, en overlangh in staet. [126] nabij. [127] Scheuren. [128] kleinigheid. [129] Paddestoel (Duivelsbrood). [130] Zoo, indien. [131] Onbetaste. [132] Versta: bitter. [133] erken. [134] onverkwikkelijk. [135] Versta: tegen zijn heeren in verzet. [136] 1618. [137] schuw. [138] behalve. [139] verschillen, schelen. [140] dwaallicht. [141] door en door. [142] harde [143] Eenvoudige. [144] knarbeentjens. [145] Versta: den dood met zijn seis. [146] Als een rosmolen. [147] camperfoelie. [148] Thans veelal tot belachte verzwakt. [149] bloem (eig. madelief). [150] Anders tier. [151] Voor landwaart. [152] git. [153] Borstlap. [154] Het later zoo beruchte Groenezootjen. [155] verwenscht. [156] tusschenbeiden. [157] Voor als er. [158] Voor een mensch. [159] zoo. [160] Versta: 't zilvergeld. [161] Eerst: al dat hy derft. [162] palei, pijn paal; versta: met dwang. [163] geweten. [164] stugge. [165] Versta: de schuinsche richting, waarin zich de zoogenoemde Raadsheeren in 't schaakspel bewegen. [166] wedergâ (verg. 't fransche en engelsche Pair). [167] Voor veilig. [168] Het vijftal zijner spruiten. [169] dobbelsteen. [170] Niets tegen. [171] Keeren. [172] Goud-of zilver-geld. [173] macht. [174] vrolyk moê-gemaakt. [175] nasmaak. [176] Vereenzaamde. [177] effen. [178] Heen-en-weêr varen. [179] Het schuit-jagertjen. [180] Anders bladen; [181] overroemen. [182] Die in Haarlem en Leiden. [183] Schippers-plattelandsch voor bruggen. [184] Als of ik die stond aan. [185] Lui en ledig. [186] Koutte, keuvelde; verg. 't fr. causer. [187] Af, van. [188] Voor men. [189] Truweel, truffel. [190] Trezoortjes, geldkistjen. [191] leelijk. [192] Denken, peinzen. [193] Daar 't niet zoo te ramen is, of men vindt zich van de eene of andere zij belaagd. [194] Bekrachtigen. [195] alles. [196] Zijn keur voldaen. [197] Verklapt, versnapt. [198] zotten. [199] Meen, stel. [200] toereiken. [201] lage. [202] Bij manier van doen. [203] Versta: muts van sabelbont. [204] Kabinetjens met goudleeren behangsel. [205] Versta: zijn achterpoort, achterste. [206] Met geweld onderdrukken. [207] Toen hij er in 't gevolg van Aersen van Sommelsdijck, geweest was. [208] Zonder gespannen pees. [209] Versta: vier beeldjens. [210] Anders ketting, keten. [211] Thans wordt. [212] Beproefd. [213] Meer dan kunst. [214] Thans steeds in den verlengden vorm reiziger gebezigd, doch waarvan men 't vrouwelijke reizeres wel voor 't wanhebbelijk reizigster mocht aannemen. Zie boven. [215] geldbuidel. [216] 't Is de moeite van 't helen niet waard. [217] blik. [218] Ruilen (verg. 't Hoogd. tauschen). [219] overtind. [220] Uitdraagster, opkoopster. [221] gerechtsdiender. [222] Versta: die Van «Diogenes, den wijze, Die woonde in een Vat», als 't bekende liedjen luidt. [223] Morgen middag. [224] Versta: de polderweî. [225] Vischnet. [226] In den zin van varen. [227] Versta: met vuur geheet, in zinspeling op dat, met de beddepan verwarmd. [228] Fraaye krullen. [229] Verstijfd. [230] Naar 't oorspronkelijke geslacht van 't Lat. fenestra; later, door verschepping der d verkeerdelijk onzijdig geworden, gelijk feest, beest, enz. [231] Thans niets. [232] Plunje, kleêren. [233] Blijkens het thans gesloopte huis te Nieuwburg, waar in 1697 de vrede van Rijswijk gesloten werd. [234] Niet, met Bilderdijk, met quoth in verband te brengen, maar als geluidnabootsend woord te verstaan.

SPAENSCHE WIJSHEIT.

Vertaelde Spreeckwoorden.

VOORBERICHT.

Een' goede handvol Spaensche Spreeckwoorden hebb' ick uyt een grooter hoop gelesen, naerse my in haer' Tael bevielen, ende in de mijne bevallick schenen uytgesproken te konnen werden. Daer een van beiden gebrack, sagh ick geen voordeel te doen; want wie soude my danck weten, dat ick slechte wijsheit van over Zee haelde, of treffelicke sinnen soo pijnelick uytstamerde, dat mijne Landslieden van d' eene walghden, van d' andere verschrickten, ende van geene sulcke woorden hare Spreeckwoorden wilden maecken? Om voorts de uytgesifte soo veel gangbarer te maken, ende aen den man te helpen, hebb' ickse in Rijm gekleedt; gelijck men Pillen verguldt, en bittere Schellen in Suycker Backt. In Spaensch hebb' ick 'er weinige soo gevonden: 't en zij men voor Rijm neme sekeren wilden byklanck[1], die meest onder alle Volcken in hare Seghswoorden daer voor uyt gaet, neffens een' Voet-maet emmers soo los en ongeregelt.

Ben ick niet bedrogen, Rijm en Vaste Voet-maet salse niet bedorven hebben. Emmers slot van geluyd is het Oor aengenaem en, de Maet daer by, de Memorie niet ondienstigh. Staende dan soo nauw op de Waerheit, als my doenlick is geweest, hebb'ick er nochtans wat aen moeten klampen, daer ick al te korte woorden gevonden hebbe, ende die ongepaert ende ongerijmt. Dat, hope ick, sullen sy my ten besten houden, die het Ambacht verstaen, ende mijne moeyte niet laecken, als met aenwijsinge van beter, daer ick geerne voor buygen sal.

Wat de saecke belangt, wijse Lieden sullen 't niet voor onnut tijdverdrijf aen sien, dat ick my hier stucksgewijse aen te kost hebbe geleght. Andere moeten weten, dat Oude Spreeckwoorden de Algemeene Wijse Waerheden der Volckeren zijn. Sommige ontwijffelick ter Wereld gebracht door uytstekende Lieden, sommige door 't gemeen; beide met een' aeloude toestemminge bevestight, ende sulcks noch heden ende naer desen met eerbiedinge aen te sien. Hoort hoe de Wijsheit van eertijds[2] daer af heeft gesproken: «De Spreucken ende Keuren van ervarene, oude, ende voorsichtige Lieden, schoon sy niet bewesen zijn, moeten wy niet min gade slaen als Bewijsen; want dewijle sy ervaren van gesicht zijn, sien sy de grond der dingen in.»

Soudemen den anderen slagh verachten, daer tegen seyde deselve wijse Man: «Soo daer onder vele Mannen alle niet even kloeck en zijn, nochtans kan 't gebeuren, dat sy t' samen komende[3] beter zijn als die, niet als eenige in 't bysonder, maer alle in 't gemeen; gelijck het in de Maeltijden gaet, daer yeder wat toebrenght, tegens de gene die door éénen bekostight werden. Want, alsoo sy vele zijn, heeft yeder een gedeelte van Deughd ende Voorsichtigheit; ende de menigte te samen komende werdt als een Mensch met vele Voeten, vele Handen, ende vele Sinnen. Even eens gaet het in saecken van zeden ende verstand; waerom dan oock vele beter oordeelen». Wat van den oorsprongh zij of niet (want de Ouden hebben sommige Spreeckwoorden ge-eert als uyt den Hemel gedaelt), de lange onverbrokene toestemminge, daer ick af gesproken hebbe, als op onendelicke proeven gevest, staet voor alle bewijs van hare waerde. Laet my daer by voegen, daer mede sy my verlieven, dat yeder Spreeckwoord een Sneldicht is, en heel veel stofs in heel weinigh omslaghs begrijpt. Soo meene ick, is het al geseght, daerom[4] Spreeckwoorden allen lief ende welkom behooren te zijn; want wie en gevalt het niet liever met een' once Gouds, als met een lomp stuck Loods te betalen, of betaelt te werden? Ofte, als Erasmus[5] de gelijckenis maeckt: Wie isser sijn Verstand machtigh, die niet meer wercks maeckt van Peereltjens, hoe klein sy oock zijn mogen, als van eenige groote Rots-steenen? ende gelijck, volgens Plinius, in de kleinste Dierkens meer mirakels van de Nature is, als in den grootsten Oliphant, mits mense ten nauwsten insie; soo gebeurt het mede in dingen de Letterkunst aengaende, dat somtijds de kleinste den meesten geest hebben. Soo dan yemand het Spreeckwoord wat gerings acht te wesen, laet hem gedencken, dat die dingen niet na hare grootte, maer naer hare waerde geschat moeten werden».--Endelick, wie en smaeckt sijn Bericht niet beter in dry woorden, als in dertigh? Ende soo is het tijd dat ick ophoude.

Noten:

[1] De zoogenaamde, in 't Spaansch gebruikelijke assonance. [2] Bij monde van den Griekschen wijsgeer Aristoteles, in zijn Zedekunde (Ethika Nikom.), VI. 12. [3] vereenigen. [4] Thans zou men hier waarom stellen. [5] In zijn Adagia of Spreeckwoorden.

SPAENSCHE WIJSHEIT.

Vertaelde Spreeckwoorden.

1 Eet weinigh, of eet veel, Dry Droncken zijn uw deel.

2 Een beetje dat geworght[1] wil zijn, Vereischt een' spoorslagh van den Wijn.

3 Op Bruyloften of Kinder-maelen En gaet niet, of men doe u haelen.

4 De Borse leêgh, 't Gebouw in staet, Maeckt menschen wijs, maer wat te laet.

5 't Geheim betrouwt goê Vrienden niet: Het is uw' schuld, soo 't haer ontschiet.

6 Wanneer een' Weldaed is versocht, Is s'als geveilt en als gekocht.

7 De Heeren en d'Aprillen Bedriegen wie sy willen.

8 Een goede Raed op aerde Is alles boven waerde.

9 Goed gereed Geld in de hand, Buyten swarigheit van Pand.

10 Een hondert Jaer vervoeren[2] De Koningen tot Boeren; In hondert Jaer en thien Kanm' een' Boer Koningh sien.

11 Als eens hondert Jaer verby zijn, Sullenw' all' te samen vry zijn.

12 My dunckt, levende Papisten[3] Eten min dan doô verquisten.

13 't Is van des Roskams wetten: Op een jongh Peerd moetm' een oud Ruyter setten.

14 Spint onse Vrouw noch grof noch fijn, Soo moet de Kat gegeesselt zijn.

15 Heer al-beschick! beraed u, Ghy geesselt maer de schaduw.

16 Het loon getelt, Den Arm ontstelt[4].

17 Wilt ghy dat uw Handwerck spoê, Ambachts-man? bidt en slaet toe.

18 Verstopt[5] uw' oude Kleêren maer, Soo raeckt ghy soetjens door het jaer.

19 Daer niet en is, Gaet soecken mis.

20 Moet gh' over een wijd Water gaen, Soo maeckt u altoos achter aen.

21 Haest u niet te snel, Selden ras en wel.

22 Hoogh opgehaelt, Is laegh gedaelt.

23 Kout Water en warm Brood Is aller buycken dood.

24 't Peerd op sijn Water wat gedraeft, Is even of ghe 't Haver gaeft.

25 Van Water eens gestort Raeptm' altijt wat te kort.

26 Maeckt u 't werck quijt, Het is hoogh tijd.

27 Daer is geen quaed brood In hongers nood.

28 Veel Rechters in verscheiden landen Sien na de Voeten in de Handen. (Geschencken van Hoenderen).

29 Jocken is een van de saecken, Die men op haer soetst moet staecken.

30 Gemeene[6] pijn in 't Hoofd Werdt[7] etende verdooft.

31 Een Dochter die niet veel en deught, Geld en een Man, so haest ghy meught.

32 Hy loop' soo langh hy wil, den Haes, In 't ende werdt[7] de Windhond baes.

33 By avond komt de Wolf gegaen, En vloyt den Esel in de Maen.

34 's Avonds veel en al, 's Morgens niet met al.

35 's Avonds goed Gerecht, 's Morgens quaed gevecht.

36 De Kloeke negen, Te Bedd' gelegen.

37 Het komt seer naer op een[8]: Een spade Gift of geen'.

38 Een Sweetvos, wat gh' hem doet, Is eer dood als vermoedt[9].

39 Die ter Jacht meent wat te vangen, Blijft in 't Net wel selver hangen.

40 Den Vos, die niet wil waecken, En valt niet in sijn kaecken!

41 Het goede moet ghy soecken, 't Quaed wacht[10] uyt alle hoecken.

42 Die geen arbeid moed'en wordt, Krijght in 't lang, of krijght in 't kort.

43 't Conijn ontgaen, Te laet beraên.

44 Door die of dese straet, Siet maer, met wie ghy gaet!

45 Eens anders Goed Erft op geen bloed.

46 Den Huysman met veel Mesten Heeft niet altoos van 't besten.

47 Uw Dochters kind schickt warmkens in de kluys, Schoondochters kind wat Broods, en uytten huys.

48 Indien gh'een vroom Man siet, Vraeght naer sijn afkomst niet.

49 'k Wenschte, dat ick woonen most, Daer een Ey vijf Stuyvers kost.

50 Daer de Tanden seer doen, Wil de Tonge weer doen.

51 De Wetten moeten gaen Soo 't Koningen verstaen[11].

52 Leert staegh den Vromen by zijn, Ghy werdt soo vroom als sy zijn.

53 Laet Gecken en laet Winden Den vryen deurtocht vinden.

54 In quade Wegh is 't naeste, Datm' er sich wat door haeste.

55 Om Sout in Zee; Daer is het reê[12].

56 Die Doctor, Advocaet, of Biechtvaêr wil bedriegen, Bedrieght sich selfs met liegen.

57 Goed Brood en goed Gerecht Kost voor een niewen Knecht; Maer binnen Jaer en dagen Niet als goed Brood en slagen.

58 Den Jongen, die Brood eten wil, 't Is sonde, dat m'er Loock aen spill'.

59 Leert u besigh maecken Met uw eigen saecken.

60 't Magh vroegh of laet zijn, April wil quaed zijn.

61 Die u Capoen ter tafel dient, Heeft Bout en Vleugel bey verdient.

62 Die niet veegh is noch verwesen, Kan schoon water wel genesen.

63 Daer 's geen betrouwen aen Dien gh'eens quaed hebt gedaen.

64 Eén Alchimisterij gaet vast: Veel Renten, en niet veel verbrast.

65 Door den Vijfden[13] werdt bewesen, Wat het voor een Maend sal wesen.

66 Hebb' ick mijn Rocksken av'recht aen, Het magh soo blijven gaen en staen[14].

67 Doet geen beloften aen den rijcken, Den armen wacht u uyt te strijcken.

68 Als Trompetten slaen, Gaet het kacken[15] aen.

69 Wijst eens uw keucken aen uw Schoonsoon en uw Vercken, Sy sullen 't beid' haest mercken.

70 Mint een, die u niet en mint, Spreeckt, daer ghy geen spraeck en vind; 't Een en 't ander is maer wind.

71 Wascht uw handen, God sal geven Daer s'af leven.

72 De Wijsheit en het Minnen Hoort tot verscheiden sinnen.

Min en verstand Is tweederhand.

73 Vrienden in schoon weêr, Tegen wind niet meer.

74 Vriend van al en vriend van geen, Is meest al een.

75 Een vriend om sijn gemack, Een Swaluw in een Dack.

76 My dunckt, des Winters Sonneschijn En Schoon-soons liefd' één dingen zijn.

77 In Leêgheit opgevoeyt, In Ouderdom vol moeyt[16].

78 't Is goed te seggen _Trouw_[17] en _Min_, Maer laet het Woord gegeven zijn, En laet de saeck beschreven zijn[18], Het end valt arger als 't begin.

79 Een Vader mint; De rest is wind.

80 De Liefde, Geld, noch groote Pijn En konnen niet verborgen zijn.

81 De Min, den Hoest, en 't Vyer noch meer Ontdecken yedereen sijn Heer[19].

82 Een Herberghs liefd', en anders niet, Soo veel te minnen alsm'er siet.

83 Weest of dood of veer[20]; Daer 's geen liefde meer.

84 Gaet de Roskam gins en weêr, Somtijds slaet hy in het zeer.

85 Soo wy de Geit van rots op rotse sien, Soo springht de Geew van desen Mond in dien[21].

86 Laet ons in de Waerheit weyen, Als Saletten vol Klappeyen.

87 Hondje! keer, Volght uw Heer.

88 Laet ick maer warm zijn toegerust, En laetse lacchen die het lust.

89 Men moet sich niet vergapen Aen 't keurelickste[22] Wapen: 't Is 't mannelick gemoed, In d'Oorlogh, dat het doet.

90 Eer sal een Nachtegael uyt zijn gesongen, Als praet ontbreken sal op Vrouwentongen.

91 Versiet u, eer ghy trouwt, Van Huysingh wel gebouwt, Van Land daer wat kan groeyen, En Wijngaerd om te snoeyen.

92 Vóór den tijd een groot gedruys, Als de slagh komt, niemand t'huys.

93 Eer eene dusend jaer Zijn w'alle kael van Haer.

94 Yder een in sijnen handel[23] Liever Moerbey als Amandel.

95 Eer dat ghy trouwt, siet in den wind: 't Is geen knoop, die men licht ontbindt.

96 Prijst noch lastert niet, Eer ghy kent en siet.

97 't Vleesch van een Sot[23] Is eer verrot, Als in den Pot.

98 Niewe daden, Niewe raden.

99 De Koning dood, Het Rijck in nood.

100 Het oude woord en kan niet missen: In onklaer Water is goed vissen.

101 Naer een Pot die ziedt, Komt de Vliege niet.

102 Dat Been is voor den mond Van eenen andren Hond[24].

103 _Mompeer_[25] magh wel bewaren; _Mon fils_ en kan niet sparen.

104 Het Hout doof, dat geroockt heeft, De man dood, die 't gestoockt heeft.

105 Tot malle Praetjens hooren Een paer gestopte Ooren.

106 Tot veerthiendagens Brood te breken, Behoort een honger van dry weken.

107 Leert hoogh en laegh op alle Veêlen, En danst al, dat de Tijd wil spelen.

108 Moet ghy de Kunst met schreyen halen, De Vreughd sal 't in de winst betalen.

109 Die niet kan Naeyen en wil Snijen, En kan in 't ambacht noyt bedijen.

110 Vraeght men u te ras, Antwoordt op uw pas.

111 Let op, een groote Jagers Door[26], Daer light noyt groote Mishoop voor.

112 De Dochter heet ick wel getrouwt, Die Schoon-moêr noch Nicht en behouwt.

113 't Is een recht welsprekend Man, Die sich selfs bered'nen[27] kan.

114 't Is uw Vriend, wie dat ghy zijt, Die u van gerucht bevrijdt.

115 't Gaen is gesond Op effen grond.

116 't Zij een leur, het zij een seur[28], Die men schenckt en heeft geen keur[29].

117 Dien den Hemel heil wil geven, Krijght wel Biggen van sijn Teven.

118 Dien gh'uw geheim hebt uytgebrocht, Dien hebt gh'uw Vryigheit verkocht.

119 De Kies die seer doet, Is 't die om veer moet.

120 Die bouwt of trouwt, Sijn Bors verkout.

121 Dien sijn Degen en sijn Hert Niet genoegh zijn om te vechten, Sal niet sonderlings[30] uytrechten, Schoon een Lans sijn Wapen werdt.

122 Die geen Brood te veel en heeft, Hoeft geen Hond, die met hem leeft.

Die niet veel Broods en heeft te breken, En hoeft geen Honden aen te queken.

123 Die niet en heeft, Die niet en beeft.

124 Die veel wil waecken, Doorgrondt veel saecken.

125 Wilt gh' een' Booswicht sien verlegen, Brenghter anderhalven tegen.

126 Neemt uw Kleed, Ghy zijt in 't sweet.

127 Rood in den Morgenstond sal 's Avonds Water zijn; Rood in den Avondstond, des Morgens Sonneschijn.

128 Tot Wapenen en Geld Goed' handen van geweld.

129 't Vyer brandt, naer 't Hout Komt uyt het Woud[31].

130 Ploegen onder 't vriesen Doet het gras verliesen.

131 De Merrie met een Veulen Gaet niet recht na den Meulen.

132 't Peerd, dat kreupel is in 't gaen, Moet wat vroeger op de baen.

133 Een ouden Ezel met een kreupel been, Een ros Man en een Duyvel, is al een.

134 Den Ezel die aen velen hoort, Werdt van de Wolven eerst vermoort.

135 Den Ezel die daer graest in ander Lieden weiden, En komter sonder vracht van Hout niet uyt te scheiden.

136 Daer kan geen arger Sieckte wesen, Als niet te willen zijn genesen.

137 De Maeltijd komt te kort, Daer 't al gegeten wordt;

Genoegh en isser niet, Daer heel niet overschiet.

138 't Is seker een swack Man, Die niet eens dreigen kan.

139 Naer een sijn Voeten plant, Ontdeckt men sijn Verstand.

140 Soo schielicken geval komt een[32] somtijds te vooren, Als na de Merckt te gaen en keeren sonder Ooren.

141 Des Sondaghs siet de Vrouw Als 't Koren in de Douw.

142 Een Boer in 't midden van twee Advocaten, Is of twee Katten om een Visken saten.

143 Soo werdt[33] er somtijds uyt Een Edelman een Guyt.

144 Hoe grooter Visch, hoe grooter leugen, Hoe visch en leugen beter deugen[34].

145 Geeft ghy te veel Broods aen uw Knecht, Hy dwinght u, dat gh' er Kaes op leght.

146 Tot hier toe is 't geen nood: Men eet noch Bruylofts brood.

147 't Is in de Keucken al van 't mal, Men braedt niet en men droopt' er al.

148 't Isser meê gemaelt, Rijdt gh' al eer ghy zaêlt

149 Ghy zijt noch qualick uyt den dop, En setgh' alreeds 't Zeil in den top?

150 Hoe schoon de logen zij versonnen, In 't einde werdt sy overwonnen.

151 Hoe hoogh den Arend vliegen kan, Het Valckstuck werdt' er meester van.

152 De Vijl, hoe scherp sy bijt', Werdt wel een tandje quijt.

153 Offer uw Hond mack uytsiet, Bijt hem in sijn lippen niet.

154 Al houdt men my voor geck, Ick wil med' in 't gespreck.

155 Al zijt ghy oud en wijs in velen, Laet u noyt goeden raed vervelen.

156 Al zijn de Ringetjens verlooren, De vingertjens staen, daerse hooren.

157 Dry die malkandren helpen willen, Zijn machtigh ses Mans wicht te tillen.

158 De Vrienden, d' Oly, en de Wijn, Elck moet wat oud van jaeren zijn.

159 Nat en geseept te voren, Soo goed als half geschoren.

160 Dryverwigh in den Baerd, Verrader in den aerd.

161 Daer 's geen Barbier bynaer, Als geck of kaeckelaer.

162 Het buyckje goed gevoedt, Het slaepen in den Voet.

