Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815.
Part 9
Thans scheen Dick al zijne pogingen aan te wenden, om het linker oog van zijne partij in denzelfden toestand als het regter te brengen. Het kwam mij dus voor, dat Dick, alhoewel niet sterk voor de broederschap ingenomen, echter des te krachtdadiger de gelijkheid betrachtte, tot welk einde hij telkens de vrijheid nam, om zijne vuist met het linker oog van Tom in aanraking te brengen, en hetzelve, op deze wijze, gelijkvormig aan het regter te maken. Daarbij scheen hij volstrekt ongevoelig voor de slagen, welke hij ontving, en niet eens te merken, dat stroomen bloeds uit zijnen mond en neus ontsprongen, toen het hem eindelijk gelukte, het voorgestelde doel te bereiken, en het andere oog van zijnen vijand insgelijks te treffen en te sluiten, zoo dat deze rampzalige nu te regt kon gezegd worden blind geslagen te zijn, welke kunstbewerking in Engeland bij het edele boksen den uitvoerder den grootsten roem verschaft. Dan daar, helaas! in het menschelijke leven het grootste geluk veelal door rampen is verzeld, ontving de oculist gelijktijdig van zijnen lijder, ter betaling voor de opgedrongene kuur, eenen zoo hevigen slag op den hartkuil, dat hij zelf ten derdemaal op den grond nederplofte.
Nu dacht ik ten minste zeker, dat de strijd geëindigd was. Tom, wiens luiken digt geslagen waren, scheen mij door dit kleine beletsel buiten staat, om zich te verdedigen, en dus veel minder in staat, om den aanval te kunnen doen; en den, op den grond uitgestrekten en naauwelijks adem kunnende halen, Dick was het, mijns oordeels, insgelijks onmogelijk, het gevecht te hervatten. Maar ik bedroog mij nogmaals.
De secondanten van Dick kwamen andermaals bij hem, wiesschen hem op nieuw het bloed met sponsen van het gezigt, drukten hem citroensap in zijnen mond, verkwikten den sterk beschadigden neus insgelijks met eenige droppelen van datzelfde vocht, en trachtten hem te overtuigen, dat hij met een weinigje moed en standvastigheid ongetwijfeld overwinnaar moest worden; wijl hij zijne tegenpartij geheelenal blind had geklopt; en zij bragten het inderdaad ook zoo ver, dat zij hem overeind kregen, en door hunne aanspraak weder met nieuwen moed bezielden.
Gedurende dezen tijd bleven de vrienden van Tom geenszins werkeloos. Een ligte lancetsteek onder beide de oogen, deed het daartusschen gedrongen bloed over de wangen loopen, en verminderde in zoo verre de ontsteking, dat de lijder een weinigje kon zien.
Nu vielen zij met vernieuwde woede, als twee tijgers, op elkander aan, en eene menigte van vuistslagen, wederzijds gegeven en ontvangen, bragt zulk eene hoeveelheid bloeds te voorschijn, dat de beide vechters er geheel mede bedekt waren.
En zelfs vrouwen konden op dit afgrijsselijk schouwspel hunne teedere oogen vestigen! oogen, welke zich nimmer moesten openen, dan, om tooneelen van vermaak en stille vreugde te beschouwen! "Helaas!" zeide ik bij mij zelven, "zijn deze, welke ik hier ontmoet, Engelsche--zijn deze wel Europesche vrouwen?--Zijn het niet veeleer vrouwen (vrouwen, zeg ik!) neen, vrouwelijke monsters uit de horden der Kannibalen, die met wellust rondom de vlammen dansen, in welker midden zij den ongelukkigen gevangene, langzaam bradende aan eenen paal, van een scheuren, en deszelfs geblakerde leden met de lillende ingewanden tot een smakelijk voedsel nuttigen!"
Doch, terwijl ik mij in deze en dergelijke overdenkingen verdiepte, gaf de ongelukkige Tom, door eenen laatsten hartslag ter nedergeveld, groote gulpen bloeds over, en alle moeite, welke zijne secondanten, eenige minuten lang, aanwendden, om hem op de been te houden, vruchteloos bevonden zijnde, behield zijne tegenpartij het slagveld, en werd, met eenige tanden in den mond minder, een paar bont en blaauw geslagene oogen en eenen gebroken neus, door zijne vrienden juichende als overwinnaar weggeleid.
Twist of oneenigheid is echter niet altijd de aanleidende oorzaak van deze vuistgevechten, o neen! er is een aantal boksers van beroep, die om geld deze moorddadige kunst uitoefenen, en in dat geval is eene beurs met twintig, dertig of vijftig guinies tot eenen prijs voor den overwinnaar bestemd. De eene of andere rijke en aanzienlijke Lord laat in zijn park eenen ruimen omtrek met palen en touwen afsluiten, welke tot het slagveld voor de kampvechters verstrekt, en waar zij ongehinderd hunne vlugheid, kracht en bekwaamheden kunnen ten toon spreiden. Alsdan worden er belangrijke weddingschappen aangegaan, en welgelukzalig zij, welken het te beurt valt, de eer te genieten, om in het vermaak van dit bekoorlijk schouwspel te mogen deelen, even als in vroegere tijden vorsten en edelen de ridderspelen met hunne tegenwoordigheid vereerden.
En dan durft men de Romeinen nog van wreedheid beschuldigen; wijl hunne oogen zich in den strijd der zwaardvechters konden verlustigen! Dit oorlogzuchtige volk, onder de wapenen geboren en in den krijg opgevoed, zag immers in die gevechten slechts het afbeeldsel van den oorlog, en daarenboven was ieder burger soldaat. De vechters zelve waren bezield met de zucht tot roem. Als een hunner, na zich dapper gekweten te hebben, op het punt stond van den doodsteek te ontvangen, gaven de aanschouwers dikwijls hun verlangen te kennen, dat de ongelukkige mogt gespaard worden, ten welken einde zij hunne handen opstaken, met hunne doeken wuifden en somwijlen met een onstuimig geschreeuw de vrijheid van den verwonnenen eischten.
Maar welk een belang toch kan een laag en hatelijk vuistgevecht verwekken, gedurende hetwelk de aanschouwers zich met niets anders schijnen bezig te houden, dan met pogingen, om de verwoedheid der razende vechters aan te moedigen, tot eindelijk een hunner bijna levenloos nederstort? En dit is nogtans een der meest geliefkoosde vermaken van het volk, dat zich, bij uitzondering, het denkende noemt.
XX.
ENGELSCHE ZINDELIJKHEID.
Op eenen zaturdag wandelde ik met mijnen vriend C... door de stad.
"En met welk voornemen?" zal men mij mogelijk vragen.
Zie hier mijn antwoord.--Plaats u slechts, waarde lezer! op den eenen of anderen morgen, zonder u de moeite te geven van naar Londen te reizen, bij de Pont-Neuf, te Parijs, en doe dezelfde vraag aan alle voorbijgangers, namelijk, met welk voornemen zij zijn uit gegaan?
Een advokaat zal u zeggen:--"Om voor eenen mijner kliënten te pleiten." En het is integendeel slechts, om de vijftig Louis d'or te verdienen, welke hij zich vooruit heeft doen betalen.
Een arts zal u antwoorden: "Om eenen mijner lijders te bezoeken." Maar geenszins zal hij er bijvoegen, dat dit bezoek hem rijkelijk zal betaald worden.
Een dagbladschrijver zal u vertellen: "om eene proef te corrigeren." En het is juist om de eerste letter van zijnen naam, waarachter hij zich verschuilt, te gaan uitkrabben onder het een of ander artikel, in hetwelk hij eenen zekeren schrijver al te hard is aangevallen, en voor wiens onverzoenlijke wraakzucht hij thans beducht is.
De koopman zal u diets pogen te maken, dat hij "eenen zijner handelvrienden, wiens zaken wat schuinsch zitten, gaat ondersteunen." Maar hij verzwijgt u, dat zijn voornemens is, tegen gereed geld voor een derde der waarde den ongelukkigen de goederen, welke hem nog overig zijn, af te woekeren.
De krijgsman zwetst u voor: "Mij roept eene zaak van eer!" En het is eene danseres van de Opera, met welke deze zaak van eer moet beslist worden.
De schoone Agnes, die, u antwoordende, hare tintelende oogen zedig naar den grond slaat, zegt, met den grootsten schijn van waarheid: "Ik ga de mis hooren in de naburige kerk." Maar het looze meisje weet, dat zij eenen jongen vriend zal vinden, welken zij daar eene bijeenkomst heeft toegestaan.--Dat oude grootje dweept u, met een uitgestreken gelaat, voor: "Ik ga, in de vreeze des heere, een heimelijk liefdewerk verrigten." Maar het is, om aan vijf of zes schijnheilige klappijen van hare kennis een schandelijk nieuws mede te deelen, hetwelk haar, ten nadeele van eene harer beste vriendinnen, den vorigen avond verhaald is geworden.
Indien ik nu zelf op uwe vraag antwoordde, waarde lezer! zoudet gij immers kunnen vermoeden, dat ik u insgelijks mijne ware beweegredenen wilde verbergen, of dat ik er u slechts een gedeelte van ontdekte. Heb derhalve de goedheid, om u te vergenoegen met datgene, hetwelk ik mij in gemoede verpligt acht ter uwer kennis te brengen, en u te bepalen bij de uitwerkselen, zonder al te diep in derzelver oorzaken te willen doordringen; want deze aangeborene zucht, hoe natuurlijk en verschoonbaar dezelve ook zij, is meermaals de bron van duizende dwalingen en misslagen voor het menschdom geweest. Ja men kende...... Doch ik bemerk, dat ik mij van mijnen weg verwijder, en dat ik, dus voortgaande, in plaats van hetgene ik te Londen gezien en gehoord heb, te verhalen, mij ongevoelig in wijsgeerige bespiegelingen zou verdiepen. Derhalve ter zake!
"Welk eene verwonderlijke zindelijkheid heerscht er in dit land!" zeide mijn vriend C... "Ziet gij wel aan alle huizen de dienstmeisjes met hare emmers, bezems, luiwagens, dweilen, sponsen en zandbakjes? Zij zijn bezig met de trappen, van den zolder tot aan den kelder, te schuren, en zij eindigen met den huisdrempel. En dit wordt alle zaturdagen op nieuw herhaald. Wel nu, wat zegt gij er van?--Doet men dit te Parijs ook?"
"Maar te Parijs," antwoordde ik hem, "worden bij zeer vele lieden de trappen niet alleen geschrobd en geboend, maar zelfs met wassen lappen gewreven; gij zult mij dus gaarne toestemmen, dat dit tegen het Engelsche wasschen, waarvan gij zoo veel ophefs maakt, wel kan opwegen. Wat der zindelijkheid betreft, mijn beste! dan moest gij eens in Holland zijn, daar zoudt gij andere staaltjes aantreffen: daar wascht men zelfs de muren der huizen van buiten. Ik moet u daarenboven ronduit verklaren, dat ik mij in het geheel niet met geestdrift voor de Engelsche zindelijkheid vooringenomen gevoel. Gij, mijn vriend! beschouwt slechts het vernis der schilderij, maar geenszins derzelver innerlijke waarde.
Onder dit gesprek wees ik hem eenen tappersjongen aan, die, huis aan huis, zijne pinten bier rondbragt, welke hij naast elkander op eene, tot dit gebruik geschikte, plank geplaatst, in zijne hand hield, Aan ieder huis, waar hij kwam, nam hij, voor het aankloppen, eene teug uit het pintje, hetwelk hij moest overhandigen, zoo dat hij, dus doende, middel vond, om zijnen dorst of snoeplust te bevredigen (indien het nemen van eenen slok bier snoepen mag genoemd worden) zonder dat de hoeveelheid van het vocht uit de pinten aanmerkelijk verminderde.
Op het zelfde oogenblik zag ik een kind van omtrent acht of negen jaren met een stuk boter in de hand, dat hij waarschijnlijk voor zijne ouders gehaald had, en waarvan hij, het papier opligtende, gedurende den weg, den omtrek met zijne tong belikte, dat het een lust was.
Eindelijk zagen wij vlak tegenover ons eene melkboerin op een' harer emmers zitten, en die, bemerkende, dat haar rok gedeeltelijk in den anderen emmer hing, denzelven er zeer voorzigtig uitnam en in dien emmer uitwrong, om toch geenen droppel van het vocht, dat zij verkocht, te verliezen.
"Ziedaar!" zeide ik, "het toeval biedt ons, gelijktijdig en juist van pas, drie sprekende voorbeelden van de Engelsche zindelijkheid aan! Wel nu, wat zegt gij er van?"
--"Dat dit niets bewijst! Men kan uit bijzonderheden geene gevolgtrekking tot het geheel maken."
--"Ik heb u ook niet slechts eenen trek aangewezen, maar wel drie, in dezelfde straat, en op hetzelfde oogenblik, en mijn geheugen herinnert mij nog een aantal anderen.--Of kunt gij deze vrouw zindelijk noemen, die, den eersten morgen na mijn ontwaken, in mijn verblijf, dat ik thans nog bewoon, mij, nadat zij eerst mijn vuur aangemaakt, en de zwarte kolen met de handen aangevat had, het ontbijt bragt, zonder zich afgewasschen te hebben, en zich insgelijks gereed maakte, om mijn bed te schudden, hetwelk ik echter nog gelukkig voorkwam, door haar, bij wijze van een komplimentje, te zeggen, dat de heldere blankheid van haar gelaat een sterk kontrast met hare zwarte handen opleverde? Is het misschien ook een beginsel van zindelijkheid, dat de menschen, bij welke gij inwoont, toen ik u, op zekeren dag, terwijl zij zaten te eten, afwachtte, mij gul en hartelijk eene teug bier uit het pint aanboden, hetwelk gedurig de ronde om de tafel deed, zonder dat een der drinkenden er om dacht, den mond met een servet af te vegen, en zulks om de natuurlijke reden, wijl niemand een servet had?"
--"Alles enkele voorbeelden! Gij beoordeelt de Engelschen, als zeker reiziger de Fransche vrouwen schetste. Deze, te Calais ontschepende, teekende in zijn zakboekje aan, dat alle Fransche vrouwen zoo rood als vossen waren, dewijl de kasteleines der herberg, waar hij was afgestapt, rood haar had."
--"Gij bedriegt u. Ik zeg niet, dat alle Engelschen morsig zijn; maar ik betwist hun den roem van algemeene zindelijkheid, met welke men hun zeer ongepast in Engeland vereert, en ik durf beweren, dat de Franschen, wat dit artikel betreft, hun geenszins, uit den weg behoeven te gaan. Maar nog iets; indien de bijzondere bewijzen u niet kunnen overtuigen, indien gij mij tegenwerpt, dat alle voorbeelden, welke ik heb aangehaald, slechts het lage gemeen betreffen, dan zal ik u eenige algemeene trekken opnoemen, en wel onder lieden van den eersten rang in de maatschappij."
"Goed, hier wacht ik u, mijn vriend."
--"Zeer wel, let slechts op!--Gij weet, dat, als men, zelfs in de eerste huizen, thee gaat drinken, dezelve op een prachtig geschilderd, en met goud of zilver versierd blad, in het keurigste en kostbaarste porselein, wordt voorgediend. Maar hebt gij tevens nooit uw oog gevestigd op die spoelkom, welke half vol warm water op den hoek van het blad is geplaatst?--Hebt gij er nooit op gelet, dat ieder, na zijn kopje uitgedronken te hebben, hetzelve in die kom van het overschot en van eenige, daar in nog overgeblevene, theebladen gaat zuiveren? Is dit niet even eens, als of ieder beurtelings uit hetzelfde kopje dronk? Neen! zoo zeer ik met vermaak uit een kopje of schoteltje zou willen drinken, hetwelk met een paar lieve koralen lipjes in aanraking was geweest, met even zoo veel tegenzin en afkeer zou ik er mij van bedienen, indien het in hetzelfde water was afgespoeld geworden, hetwelk de restjes van eenen dronkaard, of van eene tandelooze bes ontvangen heeft; want eigenlijk is dit geen reinigen, maar wel degelijk bemorsen.--Ja, mijn vriend! doorzoek vrij, als gij kunt, de kleedkamer van de pronkzuchtigste vrouw, of van de rijkst onderhouden wordende maitresse; ga bij de voornaamste behangers en in de eerste modewinkels, en gij zult bevinden, dat eene Fransche vrouw, van welk eenen stand ook, er niet volledig alles zou aantreffen, wat zij noodig heeft, om zich geheel naar haren zin van meubelen te voorzien.
--Hebt gij reeds onze lieve en beminnelijke landgenoote, welke wij gisteren door ongesteldheid te bed vonden, vergeten, en die zich ongelukkig bezeerd had bij het vervaardigen van een stuk huisraad, dat zij in geheel Londen niet vinden kon? En op wat wijze zult gij de fraaije manier, om het neuzenmerg op te halen en in te slokken, verdedigen?--Eene gewoonte, welke onder alle klassen plaats heeft, en vandaar oorspronkelijk schijnt te zijn, dat de zindelijke heeren Engelschen nooit iets uitspuwen, uit vrees van hunne tapijten te bederven, en ook zeer zelden eenen zakdoek gebruiken, uit voorzorg van denzelven morsig te maken.
Ja zelfs schijnt de regering dezer stad het nuttige en noodzakelijke der zindelijkheid niet genoegzaam in het oog te houden; want gij zult mij toch wel willen toestemmen, dat de straten hier zeer slecht schoon gehouden worden, of laat ik liever zeggen, dat zij altijd zeer vuil en morsig zijn. Het is waar, men veegt, bij de eene of andere dwarsstraat, een klein plekje schoon, om van het eene voetpad op het andere te kunnen komen, en dit werk wordt gemeenlijk nog door eenen bedelaar verrigt, die, in de eene hand den bezem houdende, de andere geopend en uitgestrekt den voorbijgangers aanbiedt. Doch wilt gij de straten dwars oversteken, om aan de overzijde te komen, dan moet gij tot aan de waden door modder en slijk stappen, of weder terugkeeren, tot gij aan een dezer paadjes komt, waarvan ik gesproken heb, en welke veel overeenkomst hebben met eene plank over eene moddersloot.
--"Genoeg! om 's hemels wil, genoeg!" zeide mijn vriend C...; "gij zoudt eindigen met mij te betogen, dat Londen de tempel der morsigheid is!"
--"Dan zoudt gij in eene tweede dwaling vervallen. Mijn voornemen is geenszins, Londen in het overdrevene van morsigheid te beschuldigen, maar slechts te bewijzen, dat men ongelijk heeft met de Engelsche zindelijkheid zoo hemelhoog boven de onze te verheffen. Men moet, om gezond over de zaken te kunnen oordeelen, ze van zeer nabij zien, en met oplettendheid onderzoeken; want het gaat met de meeste dingen, welke wij in het eerst verbazend bewonderen, even als met menige vrouw, die in de verte met al de bekoorlijkheden en frischheid der jeugd schijnt uitgedost te zijn, maar die, bij iederen stap, met welken gij haar nadert, iets van hare bevalligheid verliest, en eindelijk zelfs leelijk zou kunnen genoemd worden.
XXI.
DE WANDELING.
"Helaas! nog al veroordeeld, om eenen zondag te Londen door te brengen! welk een verdriet! Geene andere publieke plaats staat open, dan de koffijhuizen, die juist niet in mijnen smaak vallen, en de herbergen, waar gerookt wordt, en welke ik verfoei! Geen bezoek kan men afleggen! Ha! ik kan echter eene predikatie gaan hooren! Eene predikatie... de hemel beware mij! ik vergenoeg mij gaarne met de eerste, welke ik gehoord heb.--Komaan, laat ons een hoofdstuk bijeen flansen, en het de verveling doopen. De verveling is immers eene ziekte, welke al de inwoners van Londen bekruipt, en die mogelijk eenigen mijner lezers, bij het doorbladeren van dit boekje, mijns ondanks, ook zal bevangen."
Ik nam derhalve een groot vel schrijfpapier, en schreef boven aan met groote letteren: Een en twintigste Hoofdstuk.--De Verveling. Reeds was ik bezig met eene inleiding te ontwerpen toen ik mij op den schouder voelde tikken. Ik keerde mij om en zag mijne vriend C...
"Wel!" zeide hij, "wat denkt gij van daag te doen?"
"Ach!" antwoordde ik met eenen zucht, "hetgene men te Londen op zondag kan doen. Ziedaar!" vervolgde ik, hem mijn vol papier onder de oogen houdende.
"Smijt het in het vuur!" hernam hij: "het is een heerlijke winterdag, niet te koud, geen wind; komaan, laat ons in Hyde-Park gaan wandelen; dit zal onzen eetlust opwekken, en wij zullen alsdan dezen middag der tafel eer kunnen aandoen."
Ik liet mij niet lang bidden; wij begaven ons terstond op weg en kwamen, na omtrent een uur wandelens, aan dat vermakelijke park, door de poort van de Oxford-street. Zonder medelijden liet mijn vriend mijne voeten de lengte van het geheele park meten, en toen vroeg hij mij: "Welnu! hoe vindt gij deze wandeling?"
"Overheerlijk! Ik zou er mij geen denkbeeld van hebben kunnen vormen! Maar in ernst! Hoe toch kunt gij vooronderstellen, dat deze plaats mij zou kunnen behagen? Een wijd uitgestrekte grond, van eenen onregelmatigen omtrek, bedekt met een dun en dor groen, waartusschen het oog hier en daar eenige wijd en zijd verspreide boomen aantreft, even als men in de Lijbische zandwoestijnen, van tijd tot tijd, eenige oasen ontwaart, en in wiens midden, tot volmaking van dit fraaije tafereel, een magazijn van stof ligt!--Voorts is dit treffend geheel doorsneden met eene soort van lanen, vol modder en slijk, die tegenwoordig gelukkig stijf bevrozen is, en waar honderd wandelaars, even als wij, hunne verveling medebrengen, den tijd trachten te dooden, en van welke men te regt zou kunnen zeggen:
"Rari nantes in gurgite vasto!"
--"Wat het dorre en weinige gras betreft, dat komt, wijl men der zeissens hier al te dikwijls bezigheid verschaft."
--"Wat raakt mij de oorzaak? ik beoordeel de uitwerkselen."
--"En verdient deze schoone gracht, welke men het Slangen-kanaal noemt, ten minste uwe verwondering niet?"
--"De nabijheid van de Theems vermindert aanmerkelijk het schoone van dit kanaal.--Maar ik zie daar eenige jonge lieden schaatsen rijden: ik dacht niet, dat het ijs reeds sterk genoeg was."
--"Gisteren reed men hier al. Wel is waar, er kwam een gat in, waarin wel vijftien menschen gevallen zijn; doch er is slechts één verdronken."
--"En waarom zet men niet een paar schildwachten uit, om te beletten, dat iemand op het ijs komt, voor dat het dik en sterk genoeg is?"
--"Wat zou er dan van de Engelsche vrijheid worden?"
--"Het is waar, ik dacht er niet om.--Welaan! laat ons dit betooverend verblijf verlaten."
--"Wij zullen eerst de tuinen van Kensington nog bezigtigen; want wij zijn er zeer digt bij."
Zoo gezegd, zoo gedaan; en nu moet ik mijnen waarden lezer ronduit bekennen, dat ik hier waande, mij in eene andere wereld getooverd te zien. Eene wijde uitgestrektheid van de schoonste boomen, welke het oog naauwelijks overzien kan, met fraaije lanen doorsneden, bood hier den liefhebbers eene bekoorlijke wandeling aan, welke in den zomer overheerlijk moet zijn, en alsdan ook de bijeenkomst is van alles, wat in Londen aanzienelijk en voortreffelijk mag genoemd worden. Maar gij vindt er niets, om u te verfrisschen of te verkoelen; noch ijs, noch limonade, noch zelfs een glas bier; niet eens eenen stoel, om uit te rusten: men treft er geene andere zitplaatsen aan, dan eenige, op eenen grooten afstand van elkander geplaatste, banken, even als men die heeft in ons Luxembourg of in de Tuilleries, waar de Invaliden en nieuwsgierige ledigloopers gewoonlijk hunne bijeenkomsten hebben.
Wij wandelden den tuin rond, en het was reeds half vier ure, toen wij denzelven verlieten. Nu moesten wij nogmaals Hyde-Park oversteken, om in de stad te komen. Maar hoe groot was mijne verwondering! Ik bevond mij als in eene andere wereld. Misschien wel vijf- of zesduizend personen, van onderscheiden rang en stand, wandelden te voet in het binnenste gedeelte van het park; terwijl het in de dwarslanen krielde van rijtuigen, koetsen en paardrijders, en dat bijna in zulk eene menigte, als in onze wandeldreven te Long-Champ.
--"Spijt het u nu wel, gebleven te zijn?" vroeg mijn vriend; "wat zegt gij nu van Hyde-Park?"
--"Dat de decoratiën veranderd zijn, maar dat het tooneel altijd hetzelfde blijft. Ik verbeeld mij, eene groote kamer te zien, die wel prachtig en rijk gemeubeld, doch welker vloer oud en morsig is, en welker zoldering en lambrizering sedert lang niet zijn opgeschilderd."
Nogtans moet ik der waarheid hulde doen, en bekennen, dat dit gezigt niet geheel onbelangrijk was, ook kan men er alle zondagen, van drie tot vijf ure, gebruik van maken. Met genoegen beschouwt men een aantal jonge lieden te paard, van beide seksen, die hunne moedige en dartele rossen met zwier en bevalligheid berijden; terwijl men, aan den anderen kant, wederom eene menigte van rijtuigen ziet, welke in smaak en pracht met elkander wedijveren. Niet minder verlustigt zich het oog in de wandelende en rijdende dames, van welke sommigen den bekoorlijksten luister van het natuurlijk, eenvoudig schoon ten toon spreiden, welks gemis anderen wederom door pracht van opschik en sieraden trachten te vergoeden. Wij hielden ons eenige oogenblikken op, om dit schouwspel naauwkeurig gade te slaan, hetwelk, hoe schoon ook, mij toch eindelijk zou verveeld hebben. Mijn vriend wist echter aan deze vervelende eentoonigheid, door het verhalen van sommige bijzonderheden en voorvallen, eenige afleiding te geven.