Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815.
Part 8
Ja, lezer! na eenige uren. Wij waren te vijf ure gaan aanzitten, de vrouwen waren reeds voor zes ure opgestaan, en wij verlieten echter de tafel niet voor half negen, om in eene andere zaal thee te drinken. Doch zoo ver zijn wij nog niet.--Na het vertrek der vrouwen werd het gesprek eenigzins levendiger. Ik, wiens tong in de tegenwoordigheid van eene lieve, bevallige vrouw steeds vlugger en losser wordt, vond het zeer vreemd, dat dezelfde reden eene tegengestelde uitwerking op het spraaklid der heeren Engelschen te weeg bragt. Maar welhaast ontdekte ik, dat aan de wandelende carafe de levendigheid van het onderhoud voornamelijk was toe te schrijven. Door het al te sterk liefkozen dier carafe, scheen echter ook de grootste aandrift langzamerhand te verkoelen: het was, als of de oogen toe wilden vallen, en de tongen dik werden, tot het voortdurend gebruik der madera ons in den vorigen staat van stilzwijgendheid terugvoerde.
Reeds lang had ik bemerkt, dat, van tijd tot tijd, de eene of andere gast van tafel opstond, zich achter eene gordijn begaf, daar twee of drie minuten vertoefde, dan weder terugkwam, en bij het gezelschap zijne plaats hernam. Ik begreep niets van deze handelwijze; doch toen eindelijk mijn vriend C..., naast wien men mij geplaatst had, insgelijks als de anderen, dit toertje gemaakt had, vroeg ik hem, zoodra hij weder zat, zachtjes, wat dit toch beteekende? "Ga er slechts heen," zeide hij, "dan kunt gij het zelf zien, en mogelijk zult gij er niet boos om zijn"--Om mijnen nieuwsgierigheid te voldoen, ondernam ik het korte reisje, ging achter de gordijn en vond....! maar hoe nu aan mijne bescheidene en kiesche lezers, zoo als de Franschen altijd met opzigt tot de bewoordingen zijn, het voorwerp uit te drukken, dat zich aan mijne oogen opdeed? ja, welk eene benaming er aan te geven?--Er is echter geene bevallige dame, die dit meubel niet dagelijks gebruikt, of die hare kamenier niet zou beknorren, zoo zij het, bij het naar bed gaan, niet in hare slaapkamer vond, en die het, des noods, niet met den regten naam zou durven noemen. Ik hoop dus, niets te wagen, met te zeggen, dat ik daar vond staan eenen grooten waterpot. En inderdaad, de kruik gaat zoo lang te water, tot zij eindelijk vol wordt! zegt Figaro; en derhalve kan men geen vier of vijf uren aanhoudend drinken, zonder dat de natuur hare schatting eischt. En waarom toch, lezer! zou men eener even zoo natuurlijke behoefte, als eten en drinken, niet trachten te voldoen, zonder tijd te verliezen, zonder zich aan koude bloot te stellen, en zonder het vertrek te verlaten? Evenwel geloof ik, dat dit gebruik tot eene meerdere volkomenheid zou kunnen gebragt worden. Na eene lange zitting schijnt de gang van tafel naar de gordijn aan sommige gasten nog te ver. Onder anderen merkte ik eenen op, die al struikelende zijne plaats zocht te hervinden, doch die zijn doel juist niet langs een regte lijn en zonder eenige zijpassen kon bereiken. Ik hoop dus, dat door den tijd, die alle dingen verbetert! (dank zij den aanleg tot volmaaktheid van het menschelijke geslacht!) de Engelschen een dezer nuttige, of, om beter te zeggen, noodzakelijke meubels onder den stoel van ieder hunner gasten zullen doen plaatsen, even als men een wijnglas voor hen op tafel zet; want deze twee artikels zijn in hunne bijeenkomsten zoo onontbeerlijk voor elkander, als de klepel voor de klok. Deze mode in trein te brengen, zou een overheerlijk plan en eene voortreffelijke speculatie zijn voor eenen koopman in waterpotten.
Eindelijk zochten wij de dames weder op, uitgenomen een der gasten, die aan tafel ingeslapen was, en welken men het raadzaamst oordeelde in zijne rust niet te storen. De koffij en thee waren op het oogenblik gereed. De koffij was volkomen gelijk aan die, welke ik reeds eenmaal in Londen geproefd had; doch de sterkte en smaak der thee vergoedden rijkelijk het gebrekkige van de koffij. De thee dan was bitter van sterkte, zoo dat ik mij genoodzaakt zag, er eene driedubbele hoeveelheid suiker in te doen, om haar te kunnen drinken. Bij de thee gebruikte men brood en boter, koekjes en eenige andere versnaperingen. Ook schonk men mij een tweede kopje in, zonder te vragen, of ik nog meer begeerde? Ik haastte mij dus, deze medicijn spoedig door te slikken, en naauwelijks was mijn kopje ledig, of het werd ten derde male gevuld.
Hier kwam mij een oude manier van regtspleging te binnen, te weten, om den beschuldigden, wien men eene bekentenis wilde ontwringen, eene zekere hoeveelheid water te doen drinken. Daar ik vreesde, tot dezelfde proef veroordeeld te zijn, vroeg ik zachtjes aan mijnen vriend C..., of hij mij geen middel aan de hand kon doen, om mij van dezen zondvloed te redden.
"Zoo lang gij uw lepeltje in het schoteltje laat liggen," zeide hij, "zal men u niet overslaan, doch leg het in uw kopje, en men zal u niet meer inschenken." Ik haastte mij derhalve, de eenige plank te grijpen, welke mij van verdrinken kon redden, en waarlijk, zij bragt mij in eene veilige haven: mijn kopje werd, tot hartelijke blijdschap van mijn verhemelte, den geheelen avond niet meer gevuld.
Veel sprak men over de jagt en de staatsbelangen, inderdaad gewigtige en belangrijke onderwerpen voor de vrouwen, welke men geene meerdere opmerking aan de thee-, dan aan de eettafel verwaardigde. Eindelijk werd te elf ure het avondmaal aangekondigd.
Dit was een mengelmoes van oesters, koud vleesch en gebak; en tot mijne groote verwondering, zou ik uit het spoedig verdwijnen van het opgedischte, zoo ik niet van het tegendeel ware overtuigd geweest, besloten hebben, dat men noch het middagmaal gehouden, noch, onder het theedrinken, zoo tamelijk gepeuzeld had.
Nu werd er brandewijn, gin, rum, warm water en suiker rondgediend, waarvan ieder, naar welgevallen, eene grootere of kleinere hoeveelheid nam, en die zelf, naar zijnen zin, gereed maakte. Eindelijk scheidden wij des nachts te een ure, allen een weinigje aangezet, en den slaap ten hoogste benoodigd.
Wacht u echter wel, lezers! het woordje allen ook op de vrouwen toe te passen. Dezen zijn in Engeland, in het algemeen, ja bijna geene uitgezonderd, van eene bewonderenswaardige matigheid met opzigt tot den wijn en de sterke dranken, hetgeen des te vreemder moet voorkomen, wijl het vochtlievend voorbeeld der mannen haar ligtelijk smaak in deze voorwerpen zou kunnen doen krijgen. De Fransche schrijver, die in het jaar achttien honderd en vijftien door de drukpers het publiek heeft verteld, dat de Engelsche dames zich, even als hare mannen, dagelijks in den drank te buiten gaan, heeft haar opzettelijk en met voordacht gelasterd, of wel, heeft, gedurende zijn verblijf, geene andere verkeering gehad, dan met zulke dames, die bij avond en des nachts in den omtrek der kerk van Sint-Gilles haar fortuin zoeken.
Men verhaalt, dat eene, geenszins aan dit gebrek verslaafde, dame op zekeren avond bij toeval meer gedronken had, dan zij verdragen kon, en zoodanig beschonken was, dat men haar in bed moest dragen. Den anderen morgen maakte haar echtgenoot, geheel in het zwart gekleed, haar zijne opwachting.--Goede hemel! riep zij uit, mijn vriend! geen onzer bloedverwanten was immers ziek, zoo ver ik weet; over wien rouwt gij?--"Over uwe eer, mevrouw! die gij gisteren avond bevlekt, en mogelijk voor altijd verloren hebt!" antwoordde hij. Nu zwoer deze dame plegtig, nimmer weder wijn of sterken drank te zullen gebruiken; en men verzekert, dat zij haar woord nooit verbroken heeft.
XVIII.
DE SHERIFS.
Op zekeren dag bevond ik mij in de Citij, digt hij de Sint-Paulus-kerk, in Pater-Noster-Row. Juist was ik bezig met, in eenen der talrijke boekwinkels, waarvan deze straat grimmelt, een nieuw werk te koopen, toen een onverwacht geluid van een groot getal instrumenten mijne ooren trof. Op mijne vraag, wat deze soort van concert beteekende, werd mij gezegd, dat het de twee nieuwelings verkozene sherifs (regters) waren, die op het stadhuis (Guild-Hall) den eed gingen afleggen. Oogenblikkelijk begaf ik mij naar Cheapside, welken weg de optogt moest nemen, en bespeurde, bij die gelegenheid, dat er te Londen niet minder gapers, dan te Parijs, zijn. De straten waren opgepropt met een volkje van allerlei slag, maar men zag noch wachten noch geregtsdienaars, om de menigte in bedwang te houden; het volk zelf scheen zich van dezen pligt te kwijten, en de rust bleef volkomen ongestoord, waarvan, naar mijne gedachten, de ruimte en breedte der straten gedeeltelijk de oorzaak waren.
Het geleide werd vooruitgegaan door een twintigtal muzijkanten, allen op blaasinstrumenten spelende. Hierop volgde een man op een paard, dat moedig en snuivende voortstapte, terwijl de ruiter in zijne hand eenen vergulden stok hield, die veel naar eenen schepter, of ten minste naar eene koopmansel geleek; zijn kleed was van rood scharlaken, met breede gouden belegsels, en op zijne schouders prijkte ter wederzijde eene kolonels-epaulette: zijn hoofd was met eenen kolossalen, driepuntigen en rijk met goud geboorden hoed bedekt, en zijn post bestond in de plegtigheid van het feest te regelen. Achter hem kwamen twaalf rijtuigen, ieder met eenen magistraatspersoon (alderman) bevracht, en deze werden gevolgd door de geheel vergulde en ontzaggelijk groote koets van den Lord-Major. De dissel en de bok van den koetsier waren, even als het achterste gedeelte van de koets, met gesneden en rijkelijk verguld houtwerk dermate overladen, dat het mij onmogelijk is, er eene behoorlijke beschrijving van te geven; doch alles was tevens zoo stevig, massief en verkwistend zwaar, dat men van de afbraak der koets, wat het hout betreft, gemakkelijk een klein huis zou hebben kunnen bouwen. Nu kwamen eindelijk de koetsen der twee nieuw verkozene sherifs. Deze waren wel minder prachtig, dan die van den Lord-Major, maar des te netter en doelmatiger. De koetsiers dezer drie rijtuigen zuchtten intusschen onder den last van vervaarlijk groote vlassen pruiken zonder poeder, en met verscheidene verdiepingen van krullen voorzien, die er of aan vast gebreid, of ten minste er op genaaid waren. Op deze gekoetsierde pruiken, of, om mij beter uit te drukken, op deze gepruikte koetsiers volgde een twintigtal lakkeijen te voet, in groot liverei, wier wit zijden kousen mijne ziel met medelijden vervulden; wijl de modder en slijk het wit zoodanig hadden veranderd, dat men het bijna voor zwart, ten minste voor grijs zou gehouden hebben. De achterhoede van dezen optogt bestond wederom uit eenen troep van twintig muzijkanten. Voorts werd mij verhaald, dat, na het afleggen van den eed, de eene dezer regters in een der voornaamste logementen van Londen eenen grooten maaltijd geeft, en dat, eenige dagen later, de andere dezen pligt insgelijks moet vervullen.
Het aanschouwen van dezen plegtigen optogt deed intusschen mijne nieuwsgierigheid ontbranden om eenige bijzonderheden te weten, welke ik den weetgierigen lezer thans zal mededeelen; wijl hij misschien hetzelfde verlangen ontwaart, en het zoo gemakkelijk niet zou kunnen bevredigen.
De regering bestaat uit den Lord-Major, twee sherifs (regters, of bijzitters), vijf en twintig aldermans (schepenen) en twee honderd zes en dertig raadsheeren, of vroedschappen.
De Lord-Major wordt door het volk uit de aldermans verkozen. Men benoemt er twee, uit welke de algemeene vergadering, bestaande uit den aftredenden Lord, de aldermans en raadsheeren, eenen nieuwen Lord-Major benoemt. Zijne aanstelling is slechts voor een jaar; echter is hij eigenlijk het hoofd, en eenigermate zelfs de ziel van de geheele regering.
De bediening der sherifs, welke insgelijks door het volk verkozen worden, vervalt ook met het jaar. De Lord-Major is voorzitter, en als de keuze gedaan is, roept hij den nieuw verkozene uit, onder het drinken van een glas wijn, op de gezondheid van den sherif, die of die, een penseeltrek, welke vooral niet vergeten moet worden bij het schetsen der Engelsche zeden en gebruiken. Overigens veroorzaakt deze benoeming zeer vele onkosten aan hem, die er het voorwerp van wordt: ook mag men er zich geenszins aan onttrekken, zoo men geene boete van vierhonderd pond (9,600 livres) wil betalen. Deze regters staan aan het hoofd der regtspleging. De aldermans worden op dezelfde wijze verkozen, doch hunne benoeming is levenslang. Zij vervullen het beroep van vrederegters in de stad Londen, en verscheidene regtsvergaderingen zijn uit hen samengesteld.
De raadsheeren eindelijk worden door de bijzondere wijken der Citij benoemd, welke in twee honderd zes en dertig afdeelingen gesplitst wordt. Zij zijn ten naastenbij hetzelfde, als de algemeene vergadering van den raad te Parijs, met dit onderscheid echter, dat hunne magt en hun aanzien veel verder is uitgebreid. Het stadhuis (Guild-Hall), waar de kiesvergaderingen gehouden worden, is een groot Gothisch gebouw. Het is ook daar, dat de plegtige inwijding van den nieuwen Lord-Major jaarlijks den negenden November met een groot feest gevierd wordt, op hetwelk ongeveer duizend personen van beiderlei sekse genoodigd worden, en waarbij gemeenlijk een paar duizend flesschen wijn hare ontlasting vinden.
Ik heb mij altijd bediend van de uitdrukking de Citij van Londen: men moet echter dit geenszins met het woord stad verwarren, waarvan de Citij slechts een derde gedeelte uitmaakt. De regenten, van welke ik gesproken heb, kunnen buiten de Citij geen gezag, hoe genaamd, uitoefenen, en het overige gedeelte van Londen wordt, even als de andere steden en dorpen van het koningrijk, bestuurd.
XIX.
DE VUISTVECHTERS. (BOKSERS.)
Slechts zeer weinige menschen brengen den dag door naar het ontwerp, hetwelk zij den vorigen avond gevormd hebben. Aan den eenen kant wederstreeft ons bijna altijd in onze voornemens het register van onvoorziene toevallen, hetwelk zoo vruchtbaar in deszelfs geheelen omvang is; terwijl, aan den anderen kant, onze eigene wispelturigheid ons niet zelden een welberaamd besluit doet opgeven, om een ander te volgen, hetwelk een louter toeval deed geboren worden. In een woord, wanneer wij het onderscheid tusschen willen en doen, beramen en uitvoeren, naauwkeurig gadeslaan, dan zullen wij ons meestal in de slotsom onzer ontwerpen jammerlijk bedrogen vinden. Men denkt, zich, bij voorbeeld, in den schouwburg te vermaken, en men geeuwt er: men waant, veel leerzaams in het een of ander Genootschap van Wetenschappen te zullen hooren, en men sluimert er zachtkens in: men vervoegt zich in het een of ander gezelschap, op hoop van een geliefdkoosd voorwerp te ontmoeten; men is er, en zij komt niet:--men is voornemens, eener lieve jonge vrouw een bezoek te geven, en men treft haren ouden echtgenoot aan.
Evenwel moet men ook toestemmen, dat het toeval, onze ontwerpen verijdelende, ons dikwijls veel beter dient, dan wij ons hadden kunnen verbeelden; en hij, die ter goeder trouw eenen blik op het verledene wilde terugwerpen, zou ongetwijfeld moeten bekennen, dat hij een groot gedeelte van het wel slagen zijner ondernemingen, hetwelk zijne eigenliefde aan het wel beramen van zijne plans wil toeschrijven, veeleer aan het bloote geval te danken heeft.
Even zoo was ik aan het lot het gezigt van een schouwspel verschuldigd, dat wel niet zeer aanlokkend voor eenen Franschman, doch des te belangrijker voor een volk is, hetwelk meer vermaak vindt in de geestverschijning in Macbeth, en in de ijsselijkheden in Koning Lear, dan in de verteederende droefheid van eene Iphigenie, en in de zachte tranen, welke de wegslepende moederliefde van eene Andromache uit de oogen doet vloeijen. Doch de beschouwer is dikwijls genoodzaakt, zijne oogen op voorwerpen te vestigen, welke hem met afschrik vervullen; even als de ontleedkundige door het ontleden der lijken lessen verzamelt, om de smarten der lijdende menschheid te verligten.
--"Ziedaar eene waarlijk lange inleiding!"
Maar vergeet tevens niet, op te merken, waarde lezer! dat het de eerste is, waarop ik u vergast; en indien zij u al min of meer verveeld hebbe, bedank mij dan ten minste, dat ik niet al mijne hoofdstukken, even als vele dagbladschrijvers gewoonlijk hunne tijdingen beginnen, met eene voorrede heb aangevangen, die meestal zoo weinig betrekking heeft tot het onderwerp, dat behandeld zal worden, als de zeden van Londen naar die van Parijs gelijken. Doch daar het uw wil is, zal ik eenige aanmerkingen, welke ik hier eigenlijk nog te maken had, in mijne pen houden, en mij spoeden, om tot de zaak zelve te komen.
Het paleis van den Prins Regent van Engeland ligt bijna in het midden der stad, in Pall-mall.
Men heeft het voornemen, van dit punt, in eene regte lijn, eene groote en zeer fraaije straat, in de lengte een aanzienlijk gedeelte der stad doorsnijdende, tot aan New-road te leiden, en dus met Regents-Park te vereenigen.
Een gedeelte dezer onderneming heeft men ook reeds ten uitvoer gebragt, en deze nieuwe straat, welke Portland-place genoemd wordt, en voorzeker de schoonste van geheel Londen zal zijn, maakt omtrent een vijfde gedeelte dezer hoofdstad uit, en zal ten naastenbij drie kwartier uurs lang zijn. New-road, hetwelk in het Fransch zoo veel, als Nieuwe Aanleg beteekent, is in een der uithoeken van de stad gelegen, digt bij het Regents-park, of het Park van den Prins Regent.
Op zekeren morgen, niets te doen hebbende, ging ik al vrij vroeg uit, met het voornemen, om het nieuwe plantsoen in Regent's-park, dat nog niet in volle orde is, te bezigtigen. In den Nieuwen Aanleg gekomen, zag ik op zekere hoogte, Primrose-hill genaamd, van verre in het veld, eene groote menigte van mannen en vrouwen, en tegelijk een aantal menschen, die, dwars overstekende, uit al hunne magt naar hetzelfde punt liepen. Hier bleek het weder, dat ik, even als zij, een echte afstammeling van onze goede moeder Eva was: ik vergat het doel mijner wandeling, en liet mij door den Daemon der nieuwsgierigheid naar dezelfde zijde heen slepen.
De bonte menigte bestond uit lieden van allerlei stand en rang der beide seksen: eene welgekleedde dame stond naast eenen kruijer of lastdrager, en een opgeschikte modezoon tusschen eenen hoop van vischwijven en bedelaarsters. De aanschouwers vormden eenen ongemeen wijden kring, in wiens midden een man van eene Herculische gestalte bezig was, met zich van zijne das, zijnen rok, en zijn vest en eindelijk van zijn hemd te ontdoen, waarna, tot mijne groote verwondering, het baaijen onderhemdje hetzelfde lot onderging, zoo dat ik nu zeker vooronderstelde, dat broek en kousen de uitgetrokken plunje zouden navolgen; doch dit gebeurde niet. De oogen en wangen der zedige Ladij's, welke dit schouwspel met hare tegenwoordigheid vereerden, schenen, tot mijne uiterste verbazing, noch te blikken, noch te blozen op het gezigt van eenen man, die tot aan zijn midden moedernaakt voor haar stond. Weinige oogenblikken hierna konden zij een dubbel genoegen smaken; want een ander kampvechter, die zich buiten den kring ontkleed had, kwam nu, vol drift, door de menigte heen dringen, om zijne partij te ontmoeten. Ieder was door twee mannen vergezeld, die bestemd waren, om ruimbaan voor de kampioenen te houden en hen, des noods, te ondersteunen. De laatst gekomene was intusschen veel kleiner, dan de eerste, maar zijne spieren en pezen, die borst, rug en armen bekleedden, verkondigden den aanschouwer, dat de natuur hem voor zijne kleinere gestalte rijkelijk schadeloos had gesteld door het geschenk van buitengewone ligchaamskrachten.
Na veel moeite gelukte het mij, plaats te vinden onder de echte liefhebbers, en wel in den eersten rang, naast eenen bejaarden Engelschman, die zeer oplettend was op al, wat er voorviel, en wien ik verzocht, mij te onderrigten, wat deze bijeenkomst eigenlijk beduidde, en wat er gebeuren zou.
"Gij zijt een vreemdeling," zeide hij, "uwe vraag--alleen zou mij dit ontdekt hebben, indien uwe uitspraak u niet reeds verraden hadde.--Gij zult zien boksen, maar ik vrees, dat wij niet veel pleizier zullen hebben; want deze knapen zijn juist niet van de voornaamsten; het zijn twee ambachtslieden, die gisteren toevallig verschil gekregen, en hier tijd en plaats bepaald hebben, om hetzelve te beslechten. Maar wacht! let op! let op! zij beginnen!"
"Tien guinies tegen zeven op Tom!" schreeuwde een jong mensch, die eenige schreden van ons af stond, uit al zijne magt.
Tom was degene, die het voordeel der grootte had.
"Ik houd de zeven guinies op Dick!" riep de Engelschman, die naast mij stond.
En op het oogenblik kwamen de twee kampvechters met geslotene vuisten op elkander af, en trachtten, wel vijf minuten lang, elkander duchtige vuistslagen toe te brengen, welke zij echter beide met veel vlug- en vaardigheid wisten af te keeren.
"Het zijn kinderen der natuur, ongeleerde vechters!" zeide mijn buurman; "er heerscht noch kunst noch overleg in hunne wijze van boksen."
--"Heeft men het hier dan zoo ver gebragt, dat men de kunst van vuistvechten naar grondregelen uitoefent?"
--"Zonder twijfel! Even als in de schermkunst, hebben wij hier leermeesters in deze wetenschap, en het is gemakkelijk te zien, dat deze twee menschen zich weinig geoefend, of ten minste slechte meesters gehad hebben."
Op dit oogenblik bragt Dick, met eenen uitgestrekten arm, zijner partij Tom eenen, zoo wel gerigten, vuistslag onder de laatste rib toe, dat die als een os ter neder stortte.
Middelerwijl de twee secondanten van Tom hem oprigtten, zeide ik tegen mijnen buurman: "ziedaar uwe weddingschap gewonnen!" In het denkbeeld verkeerende, dat door den val van den eenen der strijders het gevecht geheel geeindigd was.
"Gewonnen! riep hij, och, mijn vriend! zoo ver zijn wij nog niet. Tom zal het zoo gemakkelijk niet opgeven: het gevecht eindigt niet, voor dat een van beiden bekent, overwonnen te zijn."
--"En waarom heeft Dick zich dan niet van zijn voordeel bediend, en zijne partij gedwongen, zijne nederlaag te bekennen?"
--"Dewijl deze soort van gevecht, even als iedere andere, naar regt en wetten behandeld wordt, en men zijnen neergevelden vijand geene slagen mag toebrengen."
Intusschen was Tom weder op de been gekomen, en had den aanval hernieuwd. Eenige oogenblikken daarna liet hij zijne vuist zoo onzacht op het kakebeen van Dick nederglijden, dat deze, op zijne beurt, insgelijks den grond kuste, terwijl een stroom van bloed, met eenige tanden, uit zijnen mond vloog.
Na eenen korten stilstand hernieuwde men het gevecht. Dick, zich houdende, als of hij nogmaals eenen aanval op de ribben van zijne partij wilde doen, drukte, door eene vaardige wending, onverwachts zijne volle vuist zoo onzacht op den regter kijker van zijnen vijand, dat deze, tegen wil en dank, het, door deze persing opgezwollene, venster gesloten moest houden.
"Niet slecht!" riep mijn buurman, "niet slecht!" Doch naauwelijks was het tweede niet slecht! over zijne lippen gegleden, of Tom onthaalde den neus van Dick op eene zoo allergeweldigste stomp, dat uit beide neusgaten twee bloedfonteinen sprongen, terwijl Dick ruggelings op den grond nedertuimelde. Nu snelden zijne twee secondanten vaardig toe, reinigden zijn gezigt met sponsen van het bloed, en rigtten hem op, ter hervatting van dit moorddadig gevecht.