Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815.
Part 7
Wat der Egijptische oudheden betreft, deze waren meerendeels door de Franschen bijeenverzameld ten tijde van hunne landing en hun verblijf in Egijpte. Ten gevolge der kapitulatie van Alexandrie, in September 1801 gesloten, is deze verzameling in het bezit der Engelschen gekomen.
In twee dezer zalen vond ik verscheidene werktuigen en gereedschappen, die weleer den Romeinen tot huisraad zouden verstrekt hebben: bij voorbeeld armbanden, oor- en vingerringen, halssieraden, vazen, kandelaren, lampen, spiegels en verdere toestel.
Bovenal verdient hier genoemd te worden eene groote menigte Etrurische vazen van verschillende gedaanten en onderscheidene grootte; doch het kostbaarste stuk is, buiten tegenspraak, de prachtige vaas, welke, gedurende twee eeuwen, het paleis der Barberini's te Rome versierd heeft, en thans in Engeland algemeen den naam van den Portlandsche Vaas voert, dewijl zij, door verloop van tijd, in het bezit van den hertog van Portland is gekomen. De grond van deze vaas, die juist geenen grooten omtrek heeft, is een schoon donkerblaauw, en de beelden, waarmede dezelve versierd is, zijn van de fraaiste zilverkleur; derzelver fijnheid en kunstbewerking kan men zich naauwelijks verbeelden. Dit gedeelte bezigtigd hebbende, kwamen wij in den gang terug, en bereikten, langs eenen breeden en gemakkelijken trap, de eerste verdieping, die de voornaamste partij van het geheele gebouw is. De plafond van deze zaal was niet minder prachtig geschilderd, dan die van eene tweede, welke wij vervolgens bezigtigden. De eerste stelde Phaëton voor, verzoekende zijnen vader, ten bewijs van zijne goddelijke afkomst, de zonnepaarden te mogen mennen, en de tweede den val van dezen vermetelen jongeling.
"Ziedaar een overheerlijk schilderwerk!" zeide ik tegen mijnen vriend C..., "en hetwelk, niettegenstaande deszelfs oudheid, zeer goed bewaard is gebleven."
"Neem er uwen hoed voor af!" hernam hij; "het is een kunstgewrocht van onzen landgenoot Lafosse, wiens meesterachtige penseel het Invalidenhuis te Parijs zoo uitmuntend versierd heeft."
Ik beken, dat ik een heimelijk genoegen ontwaarde, toen ik zag, dat men het schoonste, hetwelk ik tot dusverre in Londen had aangetroffen, aan eenen Franschen kunstenaar verpligt was.
Ook waren de vloeren dezer zalen heerlijk ingelegd. Twee Engelschen, die zich hier tegelijk met ons bevonden, beschouwden dit werk zeer naauwkeurig, en schenen er ongemeen door getroffen; hoogstwaarschijnlijk, wijl zij nooit iets dergelijks gezien hadden; want al de vloeren in Londen bestaan slechts uit regte en in de lengte aan een gevoegde planken.
Er zijn slechts vijf kamers met voorwerpen uit de natuurlijke historie, en nog zijn dezelve niet zeer groot. De kamer, waar de zeldzaamheden tot het rijk der delfstoffen bewaard worden, verdient opmerking, wijl zij, boven de andere, in volledigheid uitmunt; hoewel zij volstrekt niets betekent, in vergelijking met het overheerlijke kunstkabinet, hetwelk de kenner met zoo veel verrukking in de munt te Parijs beschouwt. Toen ik de verzamelingen uit het dieren- en vogelenrijk, met die in den kruidtuin te Parijs vergeleek, dacht ik onwillekeurig aan kleine kinderen, welke men afzonderlijk aan een tafeltje plaatst, terwijl het overige gezelschap eenen wel voorzienen disch bezet.
In eene zesde zaal werden de wapenen, werktuigen, gereedschappen en kleedingen der Zuidzee-eilanders, der Amerikaansche Wilden, Hottentotten, Kaffers en andere volken bewaard.
Nu was de bezigtiging der boekverzameling, die bovenal mijne nieuwsgierigheid opwekte, aan de beurt. Maar hoe zeer verwonderde ik mij, dat ik slechts vijf vertrekjes aantrof, welke de geheele boekerij bevatteden. Ook ontging mijne verwondering een' der boekbewaarders niet, die mij deed opmerken, dat in deze vijf vertrekken slechts de handschriften bewaard werden, doch dat de gedrukte werken in zestien andere kamers geplaatst waren, maar dat men ze aan het publiek niet liet zien; omdat het gezigt van een aantal boeken, in kassen en op planken geschaard, noch leering, noch vermaak aan den beschouwer kan opleveren.
Om dezelfde reden zouden de Engelschen, naar het mij voorkomt, insgelijks de moeite wel kunnen sparen, om hunne vijf kamers met handschriften te laten zien. Met het gezigt toch van deze zamengebondene papieren kan men even min den bezigtiger, leering of vermaak verschaffen.
Ook verhaalde hij mij, dat er nog een kabinet van gedenkpenningen was, alsmede eene teeken- en graveerzaal; maar dat men een bijzonder verlof moest hebben, om er toegelaten te worden, uit vreeze, dat men iets zou wegkapen.
Voorts verzocht ik hem, mij te zeggen, of er onder die handschriften ook iets van de Grieksche Anthologie, en van de werken van Aristophanes gevonden werd? waarop hij de vriendelijkheid had, de lijst der boeken na te slaan, en mij te berigten, dat er verscheiden op stonden.
Ik verzocht, om ze te mogen zien.
"Hartelijk gaarne wenschte ik aan uw verzoek te kunnen voldoen," hernam hij; "doch om een gedrukt werk of handschrift te mogen inzien, moet men zich, bij geschrift, tot den opperboekbewaarder vervoegen, en aan hem door een' der bestuurderen van het Museum worden voorgedragen: en zoo er dan geene redenen van weigering bestaan, kan een der boekbewaarders u het gevraagde boek of handschrift ter lezing overgeven."
Het Britsche Museum, dacht ik bij mij zelven, heeft veel overeenkomt met den schat van eenen gierigaard, of met de verzen van Lefranc de Pompignan, waarover Voltaire zich dus uitdrukt:
"Sacrés ils sont, car personne n'y touche."
In een woord, al deze omstandigheden benemen iemand den lust, om naar deze zoo hoog hangende druiven te trachten. Daar ik nogtans eens wilde zien, hoe ver dit verbod, om de schatten der wijsheid en geleerdheid in Engeland te naderen, zich zou uitstrekken, deed ik eene schriftelijke vraag aan den heer opperboekbewaarder, doch verzelde dezelve niet met eene aanbeveling van een der bestuurderen, en zulks om de eenvoudige reden, dat ik de eer niet had van een' dezer heeren te kennen. Evenwel ontwikkelde ik hem de oorzaak, waarom ik de door mij opgegevene handschriften wenschte in te zien. Deze bestonden hier in, dat ik eenige duistere plaatsen, welke mij in al de gedrukte uitgaven van eenen zekeren auctor niet wel gesteld schenen, met het handschrift wilde vergelijken.
Ik ontving echter geen antwoord, iets, hetwelk ik, om de eer en wellevendheid der Engelsche natie op te houden, liefst wil toeschrijven aan den korten tijd, dien ik mij nog in Londen ophield. Mogelijk vind ik, bij een volgend overtogtje, daartoe eene betere gelegenheid.
XV.
DE ENGELSCHE WELLEVENDHEID.
"Uwe Londensche kooplieden," zeide ik, op eenen zekeren dag, tegen mijnen vriend, "zijn juist niet zeer wellevend. Kom ik ergens in eenen winkel, dan schijnt men mij naauwelijks op te merken; men geeft mij tamelijk onverschillig hetgeen ik gevraagd heb; wel te verstaan, wanneer men niets beters te doen heeft; en het is waarlijk bijna, of mij eene gunst wordt bewezen, als men mijn geld in ruiling voor de waren aanneemt."
--"Gij doet mij verwonderd staan! Niets evenaart de beleefdheid onzer kooplieden, dan misschien de zucht, om hunne winkels en magazijnen te ledigen, en wederom met nieuwe goederen aan te vullen. Hier heeft gewis een misverstand, of eene bijzonderheid plaats. Kunt gij mij geene daadzaak opnoemen?"
--"O ja! dezen morgen nog was ik bij eenen boekverkooper, bij wien ik reeds verscheidene werken gekocht heb, met oogmerk, om nog het een en ander uit te zoeken. Juist hield hij zich met eene dame bezig; en ik was niet onbeleefd genoeg, om hem te vergen, haar te laten staan, en mij te helpen. Doch achtervolgens kwamen er nog vijf of zes andere personen in den winkel, die allen voor mij geholpen werden. Eindelijk gunde hij mij het woord, nadat ik ruim een half uur met het lezen der titels van zijne netjes gerangschikte boeken had doorgebragt, en hij volstrekt niets anders te doen scheen te hebben. Echter had hij mij wel zien inkomen; dewijl ik hem zeer beleefd gegroet en zelfs mijnen hoed op de toonbank nedergelegd had.
"Ha, ha! Daar zijn wij er! Altijd en eeuwig Fransch! Onze kooplieden zijn gewoon, de achting en oplettendheid, welke zij aan hen, die in hunne winkels komen, verschuldigd zijn, af te meten naar het voorkomen van gewigt, dat de koopers zich zelven weten te geven. Ga slechts in een' der voornaamste winkels van geheel Londen, om het een of ander, ter waarde van slechts eenen halven schelling te koopen; doch houd uwen hoed op, spreek op eenen hoogen toon, veins, de grootste haast van de wereld te hebben, en gij zult u niet alleen geholpen zien, maar zelfs zal men u met de meeste beleefdheid en een aantal buigingen tot aan de deur geleiden. Nimmer zult gij eenen Engelschman, in eenen winkel komende, zijnen hoed zien afnemen, al stond ook de schoonste en welgekleedste vrouw achter de toonbank; iets, hetwelk, buitendien zeer zeldzaam in Londen is, waar de vrouwen zich niet veel met de winkelnering bemoeijen. Ook zal hij zulks evenmin doen, wanneer hij op deze of gene publieke plaats komt. Reeds meermaals heb ik opgemerkt, dat bij uwe verschijning in een koffijhuis of op ander publieke plaatsen aller oogen op u gevestigd waren; want naauwelijks hadt gij de deur bereikt, of, wip! was de hoed naar beneden. Zie daarentegen eens eenen Engelschman binnenkomen: deftig als een paauw stapt hij daar henen, ziet, met den hoed op het hoofd, driest naar alle zijden om, groet zijne vrienden en bekenden, welke hem onder het oog vallen, met eenen ligten hoofdknik, gaat vervolgens zitten, of hij er te huis hoorde, en zet alsdan den hoed af, zoo dezelve hem mogt hinderen. Gisteren morgen, mijn beste! hebt gij nog eenen ergen mispas (vergeef mij deze uitdrukking!) gemaakt, welke uwe hoedanigheid van Franschman alleen kan verontschuldigen. Ongetwijfeld herinnert gij u, dat wij in Picadillij sir Robert D... ontmoet hebben, bij wien wij morgen zullen eten. Hem aansprekende, hebt gij uwen hoed afgenomen, en hem derhalve in de onaangename noodzakelijkheid gebragt, om deze lastige beleefdheid op dezelfde wijze te beantwoorden, hetgeen hem ligtelijk eene verkoudheid op den hals kan halen."
--"Het is goed, dat ik dit weet, en ik verzeker u, dat mijn hoed voortaan op mijn hoofd als gespijkerd zal zijn.--Maar indien mij nu eens, bij geval, eene dame van mijne kennis ontmoet; is het dan insgelijks onwellevend, den hoed af te nemen?"
--"Dit maakt een groot onderscheid, mijn vriend! Immers kan zij uwe beleefdheid met eene kleine buiging beantwoorden, welke haar geene verkoudheid zal veroorzaken. Indien zij zich echter met u wil onderhouden, zal zij u zelve aanspreken; zoo niet, dan eischt de wellevendheid, haar niet te zien, ten minste u te houden, als of gij haar niet bemerktet."
--"Zeer wel! slechts nog eenige lesjes; en gij zult eenen echten Engelschman van mij maken."
--"Dewijl gij toch begeert, in de Engelsche manieren onderrigt te worden, moet ik u nog waarschouwen, dat gij u nimmer moet veroorloven, om, ten minste, zoo gij u niet bij zeer goede vrienden of bekenden bevindt, aan het vuur te raken of de kaars te snuiten. Doch om op het artikel van den hoed terug te komen; geenszins is het gebruikelijk, bij het afleggen van bezoeken, met den hoed in de hand of onder den arm in het vertrek te komen, waar het gezelschap bij een is; men moet denzelven in het voorvertrek nederleggen."
--"Ik versta u! Men komt binnen, als om een buurpraatje te houden.--Het zal nu wel gaan! ziedaar mij, ten minste wat der behandeling van den hoed betreft, grondig onderwezen! Ik zie wel, dat de heeren Engelschen het kapittel van den hoed volgens Aristoteles door en door bestudeerd hebben, waarvan Sganarelle bij Molière gewag maakt."
XVI.
DE SPECULANT.
"Ik moet niet vergeten"--zeide ik tegen mijnen vriend C... den anderen dag, toen ik hem afhaalde, om naar sir Robert D... te gaan, waar wij het middagmaal nemen zouden--"u rekenschap te doen van een zeldzaam bezoek, dat ik dezen morgen gehad heb. Gij moet dan weten, dat ik eenige malen bij eenen zekeren boekverkooper hier in de stad geweest ben, die mij verscheidene nieuwe werkjes bezorgd heeft, en met wien ik zelfs overeengekomen was, na mijne terugkomst in Frankrijk eene geregelde briefwisseling te onderhouden. Daar hij derhalve wist, dat ik mij met de letteroefeningen bezig hield, kwam hij heden morgen bij mij, om mij het buitensporigste voorstel te doen, waarvan ik ooit heb hooren spreken."
"Ik kom," zeide hij, terwijl hij twee groote rollen papier in 8vo uit zijne zakken haalde, "u eenen zeer voordeeligen voorslag doen. Zie hier een werk, dat ik onlangs gedrukt heb: het is uit het Hoogduitsch vertaald, en van eenen zeer bekenden en hooggeachten schrijver, wiens werken echter nimmer in het Engelsch, ja zelfs, zoo ik het wel heb, ook niet in het Fransch vertaald zijn geworden. Een Fransch schrijver, die thans veel opgang maakt, heeft daaruit niet alleen de grondstof, maar zelfs ook eene groote menigte van kleine bijzonderheden ontleend, waarmede hij een boekdeel heeft opgesierd, hetwelk hij in Frankrijk als een werk, geheel van zijne vinding, heeft uitgegeven. De aanteekeningen, waarmede deze vertaling verrijkt is, toonen al de plaatsen aan, welke de Fransche schrijver in beslag heeft genomen; en daar dit werk van dien schrijver door geheel Frankrijk verspreid is, geloof ik, dat eene Fransche overzetting van dit, hetwelk ik u hier aanbied, veel fortuin zou maken. Ik doe u derhalve het edelmoedige aanbod, om mij dertig pond te geven (720 francs), waarvoor ik u dit uitmuntend werk zal laten, terwijl ik mij tevens verbind, deze overzetting niet uit te geven, voordat de uwe geheel klaar is, opdat gij geene mededinging behoeft te vreezen. Daar gij een mijner kalanten zijt, geef ik u de voorkeur; want gij moogt u verzekerd houden, dat verscheiden Fransche boekverkoopers in Londen dit voorstel met verrukking zouden aannemen.
"Uw voorstel is, buiten twijfel, zeer aanlokkend, mijn waarde vriend!" antwoordde ik hem; "maar ik kan er geen gebruik van maken. Daarenboven moet ik u doen opmerken, dat in Frankrijk de letterdieverijen voor geene doodzonde gerekend worden, en dat men er nog nooit iemand om gehangen heeft. Voor eenigen tijd heeft men, wel is waar, veel geruchts gemaakt over de uitgave van de Conaxa, onder den naam van Les deux Gendres; maar de reden hiervan is, dat de schrijver van dit laatste stuk de onvoorzigtigheid heeft gehad, om zich den haat van een groot aantal zijner medebroeders, het genus irritabile vatum, op den hals te laden. Doch nooit is er een woord gerept van de School der Zeden, een stuk, bijna woordelijk uit het Engelsche tooneelspel School for Scandal, van Sheridan, overgenomen, evenmin van de Jeugd van Hendrik den Vijfden, waarvan de inhoud, de rangschikking, ja de kleinste bijzonderheden getrokken zijn uit een Hoogduitsch werk van Meissner, onder den titel van Skitzen und Erzählungen uitgegeven. De voornaamste verandering, welke de Fransche schrijver heeft gemaakt, is, dat hij Hendrik den Vijfden de rol laat spelen, die in het oorspronkelijke stuk aan uwen koning Karel den Tweeden is toegedeeld geworden. Maar hoe zou men een werk willen vertalen uit eene vertaling? Dit zou immers even zoo goed zijn, als eene oorspronkelijke schilderij naar eene kopij te vervaardigen; men zou er de hand des meesters niet meer in kunnen ontdekken."
--"Laat ons elkander wel verstaan: ik bedoelde, dat gij het oorspronkelijke Hoogduitsche werk zoudt vertalen."
--"Gij hebt dit dan?"
--"Neen, maar gij moest het ontbieden."
--"En waarvoor, mijn waarde vriend! zou ik u dan de dertig pond betalen?"
--"Maar de aanteekeningen, mijnheer! de aanteekeningen!"
--"Zouden, om u de waarheid te zeggen, een weinigje te duur betaald zijn; wijl zij nu volstrekt geen ander nut zouden kunnen aanbrengen, dan mij het spoor der navolging aan te wijzen, hetgeen ik gemakkelijk zelf zou kunnen ontdekken."
En nu verliet hij mij, zijne twee aangebodene deelen met zich nemende, welke hij, volgens zijn zeggen, eenen anderen ging aanbieden.--"Welnu, mijn vriend! wat zegt gij van die grap?"
"Hieraan erken ik het Engelsche genie, dat altijd en op alles speculeert. De handel is de ziel en het leven van eenen Engelschman, het zij hij waakt of droomt. Hoor slechts twee Engelschen spreken, en in tien minuten tijds zal het woord speculation u herhaalde malen in de ooren klinken. Het plan, bij voorbeeld, dat uw boekverkoper de edelmoedigheid had u voor te slaan, moge misschien voor u niet voordeelig zijn geweest; maar gij zult toch wel willen bekennen, dat het uitmuntend voor hem was. Gij herinnert u dien Engelschman nog wel, die, nu drie dagen geleden, met ons aan tafel zat? Hij heeft veel gereisd, en geenszins die dwaze vooringenomenheid voor zijnen landaard, welke hunne trotschheid met de sterkste kleuren schetst. "Er is," zeide bij tegen ons, "volstrekt geen middelstand in Londen. Zonder de voorname lieden uit, en al de overigen zijn uwe onderdanige dienaars, of, om mij beter uit te drukken, de dienaars van uwe guinies en banknoten. Ieder burger, die slechts eene kamer te missen heeft, meubelt en verhuurt dezelve, en wordt derhalve, ten gevalle van uwe beurs, uw kok en bediende." En dit is in vollen nadruk waar. Vandaar die kwakzalverij, welke gij bijna in alle winkels hebt moeten opmerken. Aan het eene huis, bij voorbeeld, hangt een bord met een opschrift, dat gij in geenen anderen winkel te Londen zoodanige waren tegen zulken geringen prijs kunt bekomen; aan het andere vindt men ieder uitgestald artikel met het Engelsche woord Only! in groote letters, versierd, hetgeen zoo veel zeggen wil, als: nergens anders te bekomen!
De eene koopman laat een' van zijne bedienden, met eenen langen staak, aan welken van boven een bord is gehecht, met de bekendmaking, dat in zijn magazijn-alleen deze of dergelijke goederen tegen dien matigen prijs te koop zijn, de geheele stad doorkruisen. Een andere wederom laat kaartjes aan zijne vrienden, te weten, aan iederen voorbijganger, uitreiken, waardoor hij bekend maakt, dat hij voornemens is, zijnen winkel uit te verkoopen, en dus de goederen, welke hem nog overig zijn, voor halven prijs aanbiedt. Intusschen is hij even min van zins, zijnen handel op te geven, als gij er aan denkt, om denzelven te beginnen. Dit alles is Engelsche speculatie. In een woord, de eerste gedachte van eenen Engelschman, bij zijn ontwaken, de laatste bij zijn inslapen, de beelden, welke hem zelfs droomende voor den geest zweven, zijn plannen en speculatien.
XVII.
HET ENGELSCHE MIDDAGMAAL.
Het onderhoud, mijn waarde lezer! hetwelk ik u in het vorige hoofdstuk heb medegedeeld, bragt ons aan het huis van sir Robert D... Onze hoeden, rottingen en overrokken in de voorkamer afgelegd hebbende, geleidde men ons in eene zaal, waar zich reeds een aantal gasten bevond. Sir Robert bood ons zijner vrouw en dochter aan, een jong meisje van achttien jaren, ongemeen lief en bevallig; en vervolgens, op dezelfde wijze, aan ieder ander lid van het gezelschap, ons tevens van hunne namen en hunnen rang, en hen wederkeerig van de onze onderrigtende. Dezelfde plegtigheid werd, bij de aankomst van iederen nieuwen gast, herhaald. Dit is een algemeen aangenomen gebruik te Londen. De heer van den huize neemt u (onverschillig, in welk eenen kring gij komt) bij de hand, en biedt u, met staatsie, aan ieder lid van het gezelschap aan.
Behalve zijne dochter, had sir Robert nog eenen zoon van zeventien jaren, die echter thans met zijnen gouverneur in Italie was; om, zoo als ieder welopgevoed Engelschman verpligt is, de reis op het vaste land te doen; hetgeen trouwens, naar mijn oordeel, niet wel is over een te brengen met die algemeene minachting, welke dit volk zich aanmatigt tegen ieder, die niet van hunnen landaard is. Doch de wispelturigheid, of het niet gelijk blijven met zich zelven, (l'inconséquence) kan hun-alleen juist niet te laste gelegd worden; en misschien zou het van ons zeer onbillijk zijn, hun dezelve te verwijten.
Het was ongemeen guur en koud weer, iets, hetwelk wij, al hadden wij er ook minder gevoel van gehad, toch niet ligtelijk zouden hebben kunnen vergeten; want ieder binnenkomende gast had de oplettendheid, om ons dit koude nieuws te herinneren. Men moge eenen Engelschman ontmoeten, wanneer men wille, het eerste woord, dat van zijne lippen rolt, is altijd: Hoe vaart gij? het tweede: Een fraaije morgen! Een sombere middag!--Een kouden avond! Een duistere nacht! Zoodat een Engelschman, met regt, een wandelend weerglas kan genoemd worden.
Dan ter zaak! Ons gezelschap bestond uit veertien personen, vijf vrouwen en negen mannen, toen men ons kwam zeggen, dat het eten opgedischt was.
De meeste voorname en rijke Engelschen houden er tegenwoordig Fransche koks op na; want bijna allen, die in Frankrijk geweest zijn, stemmen daarin overeen, dat onze keuken de hare verre te boven streeft. Maar sir Robert D... is een Engelschman van den ouden trant, die zich aan de voorvaderlijke zeden en gebruiken houdt, en volstrekt er niet van zou afwijken. Het verstaat zich derhalve van zelf, dat het geheele middagmaal volkomen, en zonder de geringste afwijking, op zijn Engelsch was ingerigt. Om den eetlievenden lezer te voldoen, zal ik er hem eene kleine schets van trachten te geven.
Op het midden der tafel prijkte, als hoofdschotel, een vervaarlijk groot stuk gekookt pekelvleesch. Aan de eene zijde stond een kalfs- en aan de andere zijde een schapengebraad, terwijl twee schotels met visch de flank formeerden, en de vier hoeken met aardappelen, kool, wortelen en ingelegde snijboonen, alles in zuiver water gekookt, bezet waren. In het tweede bedrijf was de hoofdpersonaadje eene gebrade gans, tusschen eenen insgelijks gebraden haas en twee hoenders, en nu werd de flank gemaakt door twee schotels sla, den een' met selderij en den ander' met cichorei, terwijl op de hoeken eene appel- en kersentaart, een plumbpudding en een rijstpudding den lekkertand uitnoodigden. Vervolgens werd er nog eene kaas opgezet, en eindelijk werd het tafellaken afgenomen en eenige schoteltjes met appelen en andere versnaperingen opgebragt; ook schonk men thans een goed glas wijn; want, het drinken van eenige gezondheden uitgezonderd, had men tot dusverre zeer weinig wijns gebruikt, maar zich meestal bij het bier gehouden.
De wijn wordt hier niet, als in Frankrijk, in flesschen opgebragt, maar in kristallen carafes, die voor den gastheer worden nedergezet. Zich zelven schenkt hij het eerst in, geeft vervolgens de carafe aan hem, die naast hem zit, en in deze volgorde doet zij de ronde om de tafel, tot zij ledig is, welk gebrek men echter zorgt door eene nieuwe spoedige vulling terstond weder te herstellen.
Het onderhoud, gedurende den maaltijd, welke gelukkig zeer bespoedigd werd, was uitermate doodsch en vervelend. De voornaamste stof verschaften een lekker malsch gebraad en een stuk goed gekookt vleesch. Ook bespeurde ik geene de minste oplettendheid voor de aanwezige vrouwen. Ja, ik kon mij schier niet verbeelden, dat er vijf vrouwen tegenwoordig waren, van welke er ten minste drie in ieder land voor schoon zouden gehouden zijn, en de oudste, de vrouw van den huize, slechts zeven en dertig jaren telde.
Na het afnemen der tafel en het gebruik van het eerste glas wijn, stond zij op, en verzocht der andere dames haar te volgen; doch wij mannen bleven met de carafe portwijn voor ons zitten, die, bij herhaling, de ronde om de tafel deed, en eindelijk, na verloop van eenige uren, door eene met madera afgelost werd.