Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815.

Part 6

Chapter 63,855 wordsPublic domain

Zij zou dezen avond voor de eerste maal na hare terugkomst de rol van mistress Beverleij vervullen: Kemble, een zeer goed treurspelspeler, was Beverleij: de overige rollen werden allen uitgevoerd door de eerste en voornaamste personaadjes van den troep.--Troep? dit woord zal mogelijk sommigen fijnen ooren min of meer kwetsen; ik bezig het echter met voordacht, omdat het mij het meest gepaste voorkomt.

Na het voorstuk werd Jean Bart gegeven, een uit het Fransch vertaald stukje; want zeer vele van onze melodrames worden te Londen gespeeld, en maken daar, niettegenstaande den nationalen hoogmoed en eigenliefde der Engelschen, den grootsten opgang.

De Ekster, onder anderen, is op de drie voornaamste tooneelen dezer stad gegeven, en heeft drie maanden lang den grootsten toeloop gehad. Een jong tooneelspeler, die de rol van eenen onnoozelen vervulde, trok mijne aandacht bijzonder tot zich: hij had een ongedwongen, boertig en natuurlijk spel, en heette, zoo als men mij zeide, Liston. Tusschen het voor- en nastuk wandelden wij, eenige oogenblikken, in eene soort van gang of galerij, die tamelijk naauw was en veel geleek naar onze zoogenaamde kagchelkamers, maar die verre na niet aan het fraaije van de zaal beantwoordde. Ligtelijk zal de lezer raden, dat men, bij het uitgaan van den schouwburg, niet meerder orde en geregeldheid en even min betere voorzorgen van de politie aantreft, dan bij het inkomen. De koetsen redden zich uit het gedrang, dank der breede straten! en de voetgangers, dank den zijpaden en der vlugheid hunner onderdanen!

"Welnu," zeide mijn vriend, bij het uitgaan, "wat dunkt u van ons tooneel? Hoe is het u bevallen?"

--"Hm! wel!"

--"Dit wel komt niet regt uit de borst!"

--"Wat zal ik u zeggen? Aristoteles en Euripides, Boileau en Racine hebben mijnen smaak en mijne wijze van beschouwen veranderd en misschien bedorven. Ik kan mij niet vermaken met mij in hetzelfde bedrijf bij Stukely en Beverleij gebragt te zien, dan eens in een dobbelhuis, en dan weder bij Beverleij. Tot dertienmaal is het tooneel in dit stuk veranderd. Onze gedrochtelijke melodrames zijn meesterstukken bij de Engelsche treurspelen, uitgezonderd de Cato van Addison, welk stuk den Engelschen echter niet bevalt, omdat er te veel orde en regelmatigheid in heerscht. De kleeding, de decoratien en al de overige toestel zijn even zoo keurig en voldoende, als men in Frankrijk zoude kunnen verlangen. Wat uwen acteurs en uwer actrices betreft, neem het mij niet kwalijk, mijn vriend! dezen verwijderen zich te zeer van de natuur door dezelve al te nabij te volgen, of liever, zij stellen haar zoodanig voor, dat de nabootsing onaangenaam en wanstaltig wordt. Kan het u, bij voorbeeld, treffen, Beverleij als eenen razenden Roeland over het tooneel te zien vliegen, en zich op den grond te wentelen, om de hevigheid der smarten uit te drukken, welke hem het ingenomen vergift veroorzaakt? Geeft het vreesselijke gegil zijner vrouw, wanneer zij het lijk van haren man ontwaart, en het stuiptrekkend hikken en snikken, waarop zij den aanschouwer vergast, geenen allerslechtsten smaak te kennen? Geenszins wil ik aan sir Kemble en miss O'Neil de bekwaamheden ontzeggen, noch den lof ontnemen, welken geheel Engeland hun beiden toezwaait, maar, mijns bedunkens, zijn zij zeer verre verwijderd van hetgeen Larive en mejufvrouw Raucourt voorheen waren, en hetgeen Lafont en mejuffer Georges nog heden bij ons zijn.

Eenige dagen later ging ik insgelijks den schouwburg van Drury-Lane bezoeken; doch ik wil er liefst niets van zeggen, omdat ik ten naastenbij dezelfde aanmerkingen zou moeten herhalen, welke ik over dien van Covent-Garden gemaakt heb.

Betreffende de Opera, deze was nog niet geopend; doch daar ik het plan heb, om nogmaals, gedurende dezen winter, eenige weken in Londen door te brengen, zal ik er alsdan mijnen geachten lezers rekenschap van kunnen geven, indien het verhaal van mijn eerste verblijf gelukkig genoeg geweest is, om hen eenige oogenblikken te hebben bezig gehouden.

Intusschen zijn deze drie tooneelen de voornaamste in Londen. Er zijn nog wel eenige andere schouwburgen van minder belang; maar al hadde ik den tijd gehad, om dezelve te bezoeken, zou ik er echter hier niet van gesproken hebben. Wanneer men met Achilles begint, mag en moet men niet met Thersites eindigen.

XII.

DE STRATEN EN HUIZEN.

"Welke is de naaste weg naar Portland-street?"

Dit was de vraag, welke ik alle dagen deed, als ik tot mijnent terug wilde keeren. Echter deed ik dezelve nooit aan hen, die ik op den weg ontmoette; wijl men reeds meermalen het kwaadaardig vermaak genoten had, van mij eenen geheel anderen koers op te geven; maar altijd vroeg ik in den eenen of anderen winkel, waar ik ook altijd te dezen opzigte zeer vriendelijk en welwillend ben behandeld geworden. Overigens was ik den weg niet kundiger bij mijn vertrek, dan bij mijne aankomst.

Hierover moet men zich geenszins verwonderen; want op de straten van Londen kan men het gezegde van Ovidius, wegens de Zee-Nijmphen, toepasselijk maken.

...... Facies non omnibus una, "Non diversa tamen, qualem decet esse sororum."

Zij zijn allen lang, regt en breed, met een voetpad op zijde, en de huizen alle gelijkvormig gebouwd. Ook vindt men op alle hoeken winkels of kassen, welke ieder in hunne soort geene verschillendheid aan het gezigt opleveren. De muren schijnen met eene vale, doffe kleur bestreken, hetwelk geenszins het gevolg der kunst is; maar welke kleur zij zeer spoedig aannemen, ten gevolge van de aldaar niet zeldzame dikke nevels en den zwarten kolendamp, waarop de geheele stad, ten minste negen maanden van het jaar, gastvrij onthaald wordt. Voeg hier nog bij, dat de namen der straten, alhoewel op bordjes met zeer groote letters geschreven, meestal onleesbaar zijn; wijl dezelfde damp, welke zicht aan de muren hecht, ook hen met dezen klevenden walm bezoedelt. Des avonds vooral is het volstrekt onmogelijk, die namen te lezen; wijl de wijze, waarop de straten te Londen verlicht zijn, nergens anders toe schijnt te dienen, dan om, zoo als Milton zich te regt uitdrukt, de duisternis zigtbaar te maken.

Ik zal echter niet zeggen, dat er gebrek is aan lantaarns; doch geenszins kan ik er het woord lichtende bijvoegen. Van vijftien tot zestien schreden zijn de straten aan weerszijden er mede voorzien; en zij hangen in het lange bezijden het voetpad aan ijzeren staven; maar het licht, dat zij van zich geven, is zoo gering, en verspreidt zoo weinig helderheid, dat men het zeer gevoegelijk bij het afschijnsel dier insecten kan vergelijken, welke in eenen donkeren, zoelen zomernacht den glans ten toon spreiden, waarmede de natuur hen heeft uitgedost. Geloof echter niet, dat men deze hooggeroemde zijpaden, waarvan niet weinig gesproken wordt, zoo maar doodgerust kan betreden, zonder de vreesselijkste gevolgen van de minste afgetrokkenheid te moeten duchten. Wel is waar, dat men het gevaar van paarden en rijtuigen niet te vreezen heeft, maar men heeft desniettemin al zijne oplettendheid noodig, om zich voor andere gevaren te hoeden, waardoor men, bij iederen voetstap, bedreigd wordt. Bij voorbeeld, de kruiwagens der uitventers, de vaten der melkboeren, die volkomen aan onze waterdragers gelijk, en met het krieken van den dag tot des avonds te zeven ure, door de gansche stad op de been zijn; de vrachten van allerlei soort, waarmede de dragers langs de straten zwieren; de schoppen en bezems der straatvegers, de manden der bakkers en gebakverkoopers; de planken, de gereedschappen en de werktuigen, waarmede de verschillende ambachtslieden heen en weder loopen, en bovenal de metselaars met hunne kalkbakken. Maar hoed u, in 's hemels naam, voor de ladders der lantaarnopstekers: dezen loopen, zoo haast de avond begint te vallen, als gek en dol door de stad, met hunnen ladder op schouder, van lantaarn tot lantaarn, ten koste van het gevaar, om alles onder de voet te werpen, wat zich op hunnen weg bevindt. Intusschen is deze haast zeer verschoonbaar wegens de groote menigte lantaarnen, die ieder in zijne wijk te verzorgen heeft.

Echter is het geenszins voldoende, slechts vooruit te zien! O neen! men mag wel op beide zijden, ja zelfs van achteren, oogen hebben. Let ook vooral wel op, waar gij uwe voeten zet; want voor ieder huis wachten u twee gapende afgronden. Al de voetpaden zijn hol; wijl de kelders daaronder loopen. Een rond of vierkant gat, van ongeveer tien of twaalf duim omtreks, midden in het voetpad, is de deur, waardoor men den benoodigden voorraad van steenkolen opdoet. Indien dit gat, bij toeval, op uwen weg open staat, en gij er ongelukkig met de voeten in raakt, kunt gij, met het grootste gemak van de wereld, een been breken. Doch dit is nog niet met al; maar indien de ijzeren tralie of de houten deur, waardoor men in den kelder komt, op het oogenblik van uw overgaan niet gesloten is, loopt gij zelfs gevaar van den hals er bij in te schieten; hetgeen zeker nog al iets van belang is!

Welnu, men gaat ten minste op deze zijpaden droogvoets, zal de lezer denken. O ja, wanneer het namelijk droog weer is; maar, wanneer het tegendeel plaats heeft, zijn zij eenen duim hoog met slijk en vuilnis bedekt, en noch de straatvegers noch de eigenaars der huizen denken er aan, om den doorgang van deze modderpoelen te zuiveren. Ook ziet men de mannen altijd in laarzen of slopkousen, terwijl de vrouwen zich reeds in de verte, door het klateren harer beslagene slijkschoenen doen hooren, waarmede hare voeten gewapend zijn, en die, met hooge hielen voorzien, over hare andere schoenen worden aangedaan.

De gewone breedte der straten staat gelijk met die van de Saint Louis au Marais, te Parijs: sommige anderen, bij voorbeeld, de Oxford-, Haymarket-, Portman-street, enz. zijn wel zoo breed als de Boulevard des Italiens. Doch men moet hier wel degelijk van uitzonderen het gedeelte der stad, de City, genaamd, hetwelk geheel uit kleine, naauwe en in en door elkander kruisende straatjes en steegjes bestaat, die zamen eenen doolhof vormen, waaruit men, eenmaal aan het dolen zijnde, zich niet gemakkelijk kan redden. Echter vindt men daar ook, even als elders, steeds de gewone voetpaden, die nogtans zoo smal zijn, dat men er onmogelijk regt door op kan voortgaan, en die derhalve den doortogt veeleer stremmen dan bevorderen. In het midden van den weg is de standplaats der huurkoetsen, en dikwijls vindt men de breedste straten daarmede zoodanig bezet, dat eene menigte van aankomende en terugkeerende rijtuigen er ter wederzijde niet langs zouden kunnen geraken, zonder hunne toevlugt te nemen tot de voetpaden, die veelal twaalf tot vijftien voet breed zijn.

Nogtans moet men toestemmen, dat men er niet, even als te Parijs, ieder oogenblik getrapt, geschopt, gedrongen, geduwd en met de ellebogen tegen de ribben gestooten wordt. Dit komt gedeeltelijk vandaar, dat het een algemeen aangenomen gebruik is, om, naarmate men van een zeker punt afkomt, de regterzijde van het voetpad te houden, terwijl zij, die u tegenkomen, altijd hunnen weg ter linkerzijde vervolgen: daarenboven vindt men ook nooit te Londen dat verbazende aantal voetgangers, hetwelk men in de straten van Parijs ontmoet. Uitgezonderd, in dat gedeelte der stad, de City genaamd, hetwelk digt bij de beurs is, levert Londen een volmaakt gezigt op van de voorstad Saint-Germain; en zeer vele andere wijken wedijveren met de stilte en eenzaamheid, welke in onze vreedzame Marais heerschen.

Dezelfde eentoonigheid, die men aan de straten opmerkt, heeft ook, met opzigt tot de huizen, plaats; want het eenigste onderscheid tusschen het paleis van een' der voornaamste Lords en de woning van eenen koopman in kolen, bestaat hierin, dat het eerstgenoemde grooter is, en bij gevolg eene meerdere uitgestrektheid beslaat.

Bijna al de huizen zijn drie verdiepingen hoog, de keuken onder den grond, waar de kok zijn vast verblijf en zijne woonplaats heeft, en waar derhalve de beef-steaks en puddings gereed gemaakt worden, niet medegerekend. Ook heeft men bij de woningen der grooten noch stalling noch koetshuizen, en de prachtigst gekleede Lady moet, zelfs bij het ongunstigste weder, uit hare koets stijgen, om, aldus het voetpad overstappende, hare woning te bereiken, wanneer haar rijtuig na de eene of andere voorstad terugkeert, waar geheele straten gevonden worden, die alleen uit stallen en wagenhuizen bestaan. De Engelsche vrouwen dienen dus eenen geruimen tijd tevoren het oogenblik van haar uitgaan te bepalen, opdat haar rijtuig inmiddels kan besteld worden.--Beminnelijke Fransche dames, aanbiddelijke schepsels, wier waarde men des te sterker gevoelt, naarmate men verder van u verwijderd is: gij, wier bekoorlijk en levendig ongeduld geene minuut toevens tusschen de geboorte en bevrediging uwer wenschen gedoogt; wat zou er van u worden, indien gij, bij het opstaan, reeds ernstig moest overdenken, welk tijdstip van den dag het u zou kunnen invallen, een toertje te rijden?--

Doch laat mij tot de huizen terugkeeren, welker eenvormigheid ten klaarste aantoont, dat de Engelsche bouwmeesters hunne verbeeldingskracht en denkvermogen juist niet al te sterk behoeven in te spannen. Geene versierselen van buiten, geene verschillendheid van gedaante: de openslaande kruisramen, op de Spaansche wijze, zijn hier geheel onbekend: de met kleine ruitjes versierde vensters worden op- en nedergeschoven, zoo als men er hier en daar, in Parijs nog wel eenige aantreft in huizen uit de eeuw van Lodewijk XIII. Een ijzeren hek, ten naastenbij eene halven mans lengte hoog, dat tot op het voetpad uitloopt, bezet de huizen rondom, en laat den aankomende niet meer dan den benoodigden doortogt tot eene smalle deur, welke den ingang opent, en op welke een klein koperen plaatje is gespijkerd, waarop de naam van den bewoner te lezen staat. De trappen zijn, over het algemeen, zeer smal; in een woord, de geheele verdeeling der huizen is gebrekkig en gedrongen ingerigt, en verre na zoo gemakkelijk niet als in Frankrijk; en zoo men er al rijk gemeubelde vertrekken aantreft, zal men er echter vergeefs dien smaak, die kieschheid, dat bevallige zoeken, hetwelk, bij uitsluiting, alleen te Parijs gevonden wordt.

Wat der slaapkamer der Engelschen betreft, deze is het heilige der heiligen; men zou het onwelvoegelijk achten, u dezelve te laten zien, evenzeer als de vraag ongepast zou zijn, om er in toegelaten te worden; en ik geloof niet, dat het meerder moeite zou kosten, in het bed van eene Engelsche vrouw, dan in de slaapkamer van eenen Engelschen man den toegang te erlangen.

XIII.

* * * * * *

"En waarom geeft gij dit hoofdstuk geenen titel?"

--"Waarom, mijn waarde lezer? wel, omdat de titelfabrijk boven alle verbeelding moeijelijk aan den gang te houden is. Menig schrijver heeft minder moeite, om zijn werk te vervaardigen, dan om den behoorlijken titel er voor te vinden. Vooreerst moet de titel het onderwerp, dat men behandeld heeft, wel doen kennen, ten tweede moet hij de nieuwsgierigheid opwekken, en ten derde moet hij het bekoorlijke der nieuwheid niet ontberen, drie eigenschappen, welke niet ligt met elkander te vereenigen zijn. Intusschen had ik, na eenige ernstige uren overwegens, er reeds drie gevonden, die mij voorkwamen al deze vereischten te bezitten, en nu vond ik mij met niets meer verlegen, dan met de keuze: terwijl ik tevens bij mij zelven de opmerking maakte, dat somtijds eenige jonge lieden van eene vurige verbeeldingskracht, en beminnaars van eene te levendige schilderij, op het zien alleen van een' dezer titels, zich zouden kunnen vleijen, in deze afdeeling iets te vinden, hetgeen ik nooit voornemens was geweest er in te plaatsen, en dus, bij het einde, ontevreden zouden geweest zijn, dat zij hunnen smaak niet voldaan gezien hadden; of wel, dat een of ander beminnelijk wijsneusje of bedilstertje, deze mijne Vijftien Dagen in een gezelschap voorlezende, zoude meenen, deze geheele afdeeling te moeten overslaan, uit vreeze van er dingen in aan te treffen, welke zij liefst alleen voor zich wilde weten. Ik besloot dus, den titel geheel en al weg te laten, en terstond tot den inhoud zelven over te gaan."

Op zekeren avond had men mij in de Leaden-Hall-street, omtrent anderhalf mijl ver van mijne woning gelegen, op de thee gevraagd; want de geëerde lezer moet weten, dat men hier op de thee, even als bij ons op eenen maaltijd, verzocht wordt. Nu had ik echter volstrekt geene vrees, van aan het dwalen te zullen geraken, terwijl ik, om naar mijn huis terug te keeren, eenen hoek uitgezonderd, slechts regt toe regt aan had te loopen. Omstreeks half elf nam ik mijn afscheid, en keerde geheel vreedzaam en nuchter, wijl de theedampen mijne hersens geenszins beneveld hadden, naar mijnent terug, toen mij eensklaps in de straat Cheapside drie lieve jonge meisjes den weg afsneden. Eene dezer nachtmadeliefjes voerde het woord, en zeide, dat het haar toescheen, dat ik zeer koud was, en stelde mij derhalve zeer beleefdelijk voor, tot harent te komen, waar ik een goed, lekker, vuurtje zou vinden, om mij te warmen. Ik antwoordde haar, dat ik geenen tijd had, om van hare vriendelijke uitnoodiging gebruik te maken. Intusschen hadden de twee andere Nimfen zich reeds van beide mijne armen meester gemaakt, inmiddels de spreekster, die er het snoepigst uitzag, altijd voor mij bleef staan en ten sterkste op haar vriendelijk verzoek aandrong.

--"Maar mijn hemel! lieve kindertjes, gij weet denkelijk niet, dat ik reeds vijf en veertig jaren oud ben? Wat wilt gij toch?"

--"Kom, mijn schatje!" zeide eene der twee anderen, "laat ons in dit koffijhuis gaan: wij kunnen er eene vrije kamer nemen, en zullen, onder een kommetje punch, wat lagchen en praten."

--"Lagchen? Ach! lieve meid, gij brengt mij daar in eene groote verzoeking; want ik heb nog niet gelagchen, zoo lang ik in Engeland ben; maar--"

Wel nu, lezer! wat zou ik hier doen? en wat zoudet gij gedaan hebben? drie tegen een!--O ja, ik begrijp u; maar--ja wel is het koud! Kunt gij u dan geen paar groote zwarte oogen verbeelden, die, even als ik, uw antwoord radende, zich zedig naar den grond rigten? Zij onttrekken zich derhalve aan uwe nieuwsgierigheid--maar wacht slechts, ik zal u het vermaak bezorgen van dezelve te bevredigen. Reeds had men mij het middel aan de hand gedaan, om zich aan de opdringende beleefdheden van dit slag van juffertjes te Londen te kunnen onttrekken. Ik tastte dus in mijnen zak en liet haar, bij het flaauwe lantaarnlicht, een drieschellingsstuk in de oogen blinken, met verzoek, het geringe niet te versmaden, maar daarvoor op mijne en hare gezondheid te drinken; en, zonder mijne verdere verschooning af te wachten, dat ik onmogelijk van de partij kon zijn, waren zij in een oogenblik uit mijne oogen verdwenen.

De geheele Cheapside en Holborn-street langs ontmoette ik nog een aantal soortgelijke lievertjes, die alle willens schenen te zijn, mij dezelfde aanbiedingen te doen; doch ik schermde zoodanig met de voeten, en sloeg mijne armen, voor de koude, gedurig dermate in elkander, dat geen van haar mij durfde staande te houden.

In de Broad-Saint-Bloomsburij komende, had ik wederom eene nieuwe vertooning. Het getal der vrouwlieden van denzelfden stempel was wel niet minder, maar ik trof hier een geheel ander slag aan: zij waren lang na zoo goed niet gekleed als de vorige, en hare vuurroode gezigten en verwilderde oogen, alsmede hare schorre stemmen verkondigden genoegzaam den trap van dronkenschap, waarop zij zich bevonden. Een beschonken man is een onaangenaam voorwerp; hij maakt echter geenszins dien hatelijken, afkeerigen indruk op ons, welken eene beschonkene vrouw veroorzaakt; maar het afschuwelijkste beeld, dat de dronkenschap immer kan voorstellen, is, wanneer zij zich vertoont in jonge meisjes van vijftien tot twintig jaren.

Eindelijk bereikte ik de Oxford-street, en nu stapte ik gerust en bedaard voort; want ik kende het regtsgebied, waarop ik mij bevond. Echter ontmoet men in deze straat, even als in anderen te Londen, zoodra de lantaarnen zijn opgestoken, een aantal meisjes, geheel alleen, of twee en twee wandelende, en altijd zeer haastig gaande, als of zij gewigtige zaken te verrigten hadden. In het voorbijgaan geven zij een lonkje, een stootje met den elleboog, vragen, hoe laat het is, of vernemen naar den weg; doch nooit zullen zij zich aan iemand opdringen, zoo als dit mij in Cheapside-street gebeurde.

Het getal dezer gedienstige schepselen is in Londen oneindig grooter dan in Parijs; ja men zou bijna moeten gelooven, dat zij een vierde gedeelte der vrouwelijke bevolking van de geheele stad uitmaken. Maar ongelukkig, driewerf ongelukkig de vreemdeling, die, door de koude bevangen, toestaat, dat zij hem verwarmen! Het gevaar daarvan is nog aanmerkelijk grooter, dan te Parijs, en hij mag wel tevreden zijn, zoo hij, bij zijn vertrek, niets anders dan zijne beurs of zijn horologie verloren heeft.

Zij, die eenigzins fortuin gemaakt hebben, en vermogend genoeg zijn, om zich behoorlijk te kunnen kleeden, gaan hare bekoorlijkheden in de schouwburgen ten toon spreiden. Het getal dezer gelukzoeksters is niet gering: zij bezetten gewoonlijk, en bijna zonder uitsluiting, de achterste bank van al de rangen der loges, hetgeen den jongen meisjes van geboorte en fatsoen, die aan de zijde harer moeders op de eerste of tweede bank zitten, gelegenheid verschaft, om, door even om te zien, haren ganschen handel te beöogen, en hare gesprekken met de niet zelden halfdronkene lichtmissen van woord tot woord te verstaan, zoo dat zij, op deze wijze, al ligt eenen gevaarlijken indruk van zedebedervende en verpestende grondbeginselen ontvangen.

De meeste dezer ligte troepen verschijnen echter eerst tusschen het voor- en nastuk, dewijl men in de Londensche schouwburgen dan slechts half geld behoeft te betalen.

XIV.

HET BRITSCHE MUSEUM.

Op zekeren morgen kwam mijn vriend C... mij afhalen, om mij het Britsche Museum te laten zien, hetwelk alleen des maandags, woensdags en vrijdags open staat.

"Ha! Ha!" riep ik uit, toen ik het ontwaar werd, "zie daar iets nieuws! zie daar dan eindelijk eens groote deuren, een fraaij voorplein, aan beiden zijden vleugels, trotsche kolommen, snij- en beeldwerk, en een prachtig gebouw met eenen schoonen tuin! Inderdaad, zoo dit alles niet bewalmd en beslagen ware, zou ik mij kunnen verbeelden, te Parijs verplaatst te zijn."

"Dit huis--"zeide hij"--is door de erfgenamen van den hertog van Montaigu aan de bestuurderen van het Museum verkocht geworden voor de aanmerkelijke som van tien duizend pond, dat is 240,000 livres Fransch. Deze hertog, die omtrent het jaar 1680 gezant in Frankrijk was, nam het besluit, om in Londen een paleis te doen bouwen in eenen beteren stijl, dan tot dusverre daar gebruikelijk was. Te dien einde liet hij van Parijs eenige bouwkundigen en werklieden komen, welke dit, hetwelk gij daar voor u ziet, gesticht hebben."

"Ha! nu verwonder ik mij niet langer!" zeide ik, terwijl wij ons nog in het voorportaal tusschen de kolommen bevonden. Doch toen wij dit doorgegaan waren, hield men ons tegen, en bragt ons in eene groote zaal gelijkvloers, waar wij in een zeer groot boek onze namen en woonplaatsen moesten opschrijven. Deze voorzorg had, zeide men ons, het doel, om te verhoeden, dat er niets kon weggenomen of gestolen worden; hetgeen buitendien zeer moeijelijk zou geweest zijn; want uitgezonderd de standbeelden, welke men zeker niet gemakkelijk in den zak zou hebben kunnen steken, is alles wel degelijk achter slot en grendel.

Tien zalen, meerendeels gelijkvloers, bevatteden Grieksche, Romeinsche en Egijptische oudheden, stand- en borstbeelden, vazen, kandelaren, mumiën en verdere zeldzaamheden, waaronder men waarlijk kostbare voorwerpen vindt. Onder anderen trok een klein marmeren vrouwenhoofd mijne aandacht bijzonder tot zich, dewijl het hoofdhaar uit een los stuk was gehouwen, hetwelk men, even als eene pruik, kon afnemen en weder opzetten; eene zeldzaamheid, welke ik nergens heb aangetroffen.