Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815.

Part 5

Chapter 53,922 wordsPublic domain

--"In het algemeen legt men hier nimmer des avonds bezoeken af, ten minste, zoo men niet verzocht is, of verwacht wordt; of het moest al bij zeer goede vrienden zijn. Maar op eenen zondagavond--dit zou nog tienmaal erger wezen. Ieder blijft ten zijnent, in den schoot van zijn gezin en in die bekoorlijke werkeloosheid--in dat dolce far niente, hetwelk het grootste geluk aan eenen anderen nabuur van het Fransche rijk oplevert. Slechts in eenige huizen, welke meer op goeden smaak, dan op orde en geregeldheid mogen roemen, waagt men het, op zondagavond gezelschap te ontvangen, en dan nog bepaalt zich het geheele vermaak van dien avond in een weinig muzijk. Eindelijk, om u te bewijzen, met welk eene gestrengheid men hier den zondag eert, zal ik u eenvoudig zeggen, dat zelfs de bakkers hunne werkzaamheden moeten staken. Indien gij derhalve een liefhebber van versch brood zijt, zult gij u van daag met geduld tot het vasten dienen voor te bereiden."

--"Laat ons gaan, mijne partij is gekozen, ik zal mij in huis opsluiten, en, om dezen avond stichtelijk te vieren, hem doorbrengen met eenige brieven naar Parijs te schrijven."

--"Wilt gij heden avond het Vondelingshuis met mij gaan bezoeken? Gij zult daar eenen uitstekenden predikant aantreffen."

--"Hartelijk dank! De beste zaken der wereld verliezen hare waarde, als men er te veel gebruik van maakt."

IX.

DE BRAND.

"Brand! Brand! Brand!" was de verschrikkelijke noodkreet, die mij des zondags nachts, omstreeks twaalf ure, uit het bed dreef, waar ik mij kort te voren had in gevleid. In de grootste haast trok ik mijnen nachtrok aan, en vloog naar mijne voorkamer, die op straat uitzag. Terstond opende ik een venster, en zag de vlammen uit de schuiframen slaan van het naast belendende huis. Reeds was de eigenaar van het huis aan onze andere zijde, alhoewel minder van den brand hebbende te vreezen, dan wij, druk bezig met zijn huisraad en goederen te bergen: ik kon dus geenszins de gerustheid begrijpen, welke in dat huis heerschte, waarvan ik een gedeelte bewoonde. Die goede menschen slapen, dacht ik, of zij kennen het versje niet:

Tunc tua res agitur, paries cum proximus ardet.

Wanneer het huis uws buurmans brandt, Dan is uw' schade voor de hand.

Dezer spreuk getrouw, begon ik alarm te blazen, en deed de twee schellen, welke mijne kamers versierden, de een na de ander, hare ware bestemming gevoelen.

Welhaast kwam mijne gastvrouw (eene goede sloof, die alle dagen mijn bed maakte, zonder er immer, mijnenwege, de waarde voor te ontvangen) op het hevige geschel aangevlogen, en vroeg zeer bedaard, "wat belieft u, mijnheer?"

--"Wat mij belieft? u waarschouwen voor het gevaar, dat wij loopen. Ziet gij dan niet, dat het huis hier naast in brand staat?"

--"o Ja! wij weten het: mijn man en ik waren nog niet te bed, ik kwam er u juist van verwittigen en u tevens raden, uw goed in uwen koffer te pakken; want ligtelijk zou de brand tot dit huis kunnen overslaan. Ja, somtijds kunnen er wel twee, drie, vier huizen verbranden, eer men de vlam kan blusschen."

--"Maar hoe kunt gij zoo bedaard en gerust zijn?" zeide ik tegen haar, terwijl ik mijn goedje bij elkander zocht; "en waarom maakt gij zelve geen gebruik van den raad, dien gij mij gegeven hebt?"

--"O! wij hebben niets te vreezen; ons huis is geassureerd: onder uw venster kunt het teeken zien, dat zulks aanduidt. Ik kan er dus niets bij verliezen, ook is het reeds zeer oud; en brandt het al af, welnu, het zal mij, tot eenen penning toe, vergoed worden."

--"Zeer wel, wat het huis betreft; maar uwe meubelen?"

--"Zijn ook geassureerd; ik heb dus in het minste niet te vreezen. Slechts heb ik een klein pakje linnengoed klaar gemaakt, waarmede wij ons, in den uitersten nood, kunnen redden."

--"Assureert men hier te Londen dan alles?"

--"O ja, zelfs het leven. Gij kunt u voor zestig, zeventig of tachtig jaren doen assureren: komt gij voor den bij de assurantie bepaalden tijd te sterven, dan betaalt men het verschuldigde, volgens akkoord, aan uwe erfgenamen."

--"Allerliefst! Dan zullen de vrouwen ook zonder twijfel assurantie kunnen nemen op dezelfde gezondheid, dezelfde liefde en dezelfde toegevendheid van hare mannen, welke de eerste huwelijksmaand, bij u de honigmaand genoemd, in het algemeen kenschetsen?"

--"De assuradeurs hebben deze onderneming nog niet durven wagen: zij zouden al te veel gevaar loopen."

--"Alles hangt af van den prijs, waarvoor men overeenkomt. Betaalt men de assuranties hier nog al hoog?"

--"O neen! Men geeft nog niet eens ten volle een half ten honderd."

Gedurende dit onderhoud had ik, met deze goede vrouw, mijnen koffer en reiszak gepakt: met de grootste bedaard- en koelbloedigheid had zij mij in deze bezigheid geholpen. Daar ik nu tamelijk gerust kon zijn, begaf ik mij aan het raam, en zag nog maar eene brandspuit; doch op hetzelfde oogenblik kwam er eene tweede.

"De twee eersten," zeide zij, "komen altijd spoedig; want de voorste krijgt eene premie van dertig en de volgende eene van twintig schellingen."

Intusschen kwamen kort daarna nog verscheidene andere spuiten. Zij konden overvloedig en zeer gemakkelijk water pompen; want door al de straten der stad loopen buizen of pijpen, ter aanvoering van hetzelve; en voor eene guinie jaarlijks, heeft de eigenaar in zijn huis eene kraan, welke hem ten vollen van water voorziet. De gansche stad langs ziet men steenen, waarin een gat geboord is, in hetwelk men, met den daartoe geschikten sleutel eene kraan omdraaijende, het water ten naastenbij zes duim hoog kan doen springen. Des zomers bedient men er zich van, om de straten te bevochtigen, en des winters, om ze schoon te maken, en, ingeval van brand, voor de spuiten.

"Het komt mij intusschen voor," zeide ik, "dat de spuitgasten meer pogingen aanwenden, om de belendende huizen te beveiligen, dan om het vuur van het in brand staande te blusschen."

--"Natuurlijk!" antwoordde mijne waardin; "het is ook schier onmogelijk, een huis te redden, dat eenmaal heeft vuur gevat; dewijl de brand meestal te ver gevorderd is, eer men hulp kan toebrengen. Ook zijn onze meeste muren slechts twee steenen dik, en de voornaamste bouwstof der huizen bestaat uit houtwerk."

--"Zoo! En is er dikwijls brand te Londen?"

--"Door elkander geslagen rekent men, dat er iederen dag een huis afbrandt."

--"Maar op dezer wijze moeten de brandassuradeurs zich in den grond boren."

--"In het geheel niet. Zij worden rijk, en in plaats, dat de brand hun nadeel doet, vermeerdert hij hun fortuin."

--"Dit is eene wonderspreuk, die ik niet versta, en die mij moeijelijk te bewijzen schijnt."

--"Ik zal het u begrijpelijk maken. De vrees en de menigvuldige voorbeelden vermeerderen dagelijks het getal dergenen, welke hunne huizen doen verzekeren. Ik wed, dat gij morgen vroeg al de eigenaars van huizen in deze straat, die deze voorzorg nog niet genomen hebben, met drift naar het assurantiekantoor zult zien loopen, en ik verzeker u, dat onze buurman, dien gij daar zoo druk ziet dragen en slepen, in dat geval de laatste niet zal zijn."

Op dit oogenblik stortte het dak van het brandende huis in, en de vlam scheen hare woede te verdubbelen.

"Hemel, als er slechts niemand van het huisgezin is omgekomen!" riep ik uit.

"Neen!" zeide zij. "Ziet gij daar in die straat, vlak tegenover den brand, dien man niet in den bruinen overrok, met de armen over elkander tegen den muur leunen? Deze is de eigenaar: zijne vrouw, meid en drie kinderen zijn bij hem; en zij waren de eenige bewoners van het huis."

--"Ik kan dus de moeite wel sparen van u te vragen, of het huis geassureerd was: hunne geruste houding en bedaardheid zijn er mij borg voor. Deze man brengt mij intusschen eenen ouden wijsgeer te binnen, die, zijn huis ziende branden, zich koelbloedig met de grootste tegenwoordigheid van geest aan den brandenden afval warmde; dewijl, zoo als hij zich uitdrukte, dit het laatste nut was, dat hij er van kon trekken."

Toen eindelijk de spuitgasten verklaarden, dat zij het vuur meester waren, dat het gevaar voorbij was, en zij tevens voor de naburige huizen instonden, keerde mijne goede vrouw naar hare slaapkamer terug. Wat mij betrof, daar ik in hare zorgeloosheid niet konde deelen, bleef ik nog tot drie uren op, en ging niet te bed, voor dat ik mij door het vertrek der spuiten ten volle verzekerd hield, dat er volstrekt geen gevaar meer te duchten was.

--"Het is, ja, eene schoone zaak, zulke brand-assurantien; dacht ik bij mij zelve, toen ik mij weder te bed begaf; doch zij kunnen tevens veel aanleiding tot ongelukken geven, door de eigenaars der aldus verzekerde huizen al te zorgeloos te maken, en hen de noodige behoedzaamheid tegen de gevolgen van het vuur te doen verzuimen. Ja, zou zelfs de een of andere deugeniet zijn huis, zijne koopwaren en zijnen inboedel niet ver boven de waarde kunnen doen assureren, en vervolgens zelf den brand er in steken, om dus, op de schandelijkste wijze, een onregtvaardig voordeel te bejagen?"

Deze aanmerking deelde ik, den anderen morgen, mijner gastvrouw mede, en zij gaf mij ten antwoord, dat eensdeels op deze misdaad de dood stond, ja, dat er voor achtien maanden nog een zeker persoon, die zich hieraan schuldig had gemaakt, was opgehangen; en ten andere, dat de brand-societeit, alvorens assurantie te geven, huis, goederen en inboedel deed waarderen, en het regt had, om telkens, wanneer het haar goed dacht, deze schatting te doen herhalen.

Dit antwoord voldeed mij slechts ten halve; want daags na de schatting, dacht ik, kan men immers het beste en voornaamste gedeelte der goederen en meubelen aan kant maken; in een woord, geene waardering, hoe hoog ook aangeslagen, zou mij die verregaande onverschilligheid kunnen inboezemen, welke ik bij de Engelsche, wier bezittingen geassureerd waren, opmerkte.

Het moet dus wel waar zijn, dat het goede op dit ondermaansche altijd door het kwade vergezeld wordt.

X.

DE SCHELLEN.

"Kent gij het Schellen-Eiland?" zeide ik, op zekeren dag, tegen mijnen vriend, terwijl wij zamen door de stad wandelden.

--"Neen! Of bedoelt gij, met opzigt tot de schellen, een eiland, even als het Eiland der Lantaarnen, waar de vrolijke Panurge zijn leven reddede."

--"Juist! Het Schellen-Eiland is een oud, afgesleten en reeds sedert lang vergeten zangspel, doch welks titel Londen mij herinnerd heeft; want de titel-alleen is alles, wat ik van die Opera weet. Deze stad mag waarlijk wel de Schellen-Stad genoemd worden; en de reden, dat men de schellen niet aan de deuren vindt, is buiten twijfel, wijl zij zich met eene wandeling door de stad vermaken."

--"Neen, het is, omdat de meeste Londensche uitventers, niet tevreden met u de ooren door hun vreesselijk geschreeuw te verdooven, er, ten overvloede, nog eene schel bijvoegen, ten einde des te beter de algemeene opmerking tot zich te trekken, en dus doende hunne koopmanschappen aan den man te brengen.--Dit kind, dat gij daar ziet met die groote toegedekte mand op het hoofd, waarvan het evenwigt door de toppen zijner linker vingeren wordt bewaard, terwijl hij met de regterhand eene groote schel doet klinken, en welks piepende stem en schelle toonen u het trommelvlies schijnen te zullen breken, verkoopt, bij voorbeeld, koekjes, om in de thee te doopen, welke de Engelschen na den maaltijd nuttigen. Gindsche vrouw, die met moeite dien grooten, met een oud vloerkleed bedekten, kruiwagen voortstuwt, waaraan eene soort van klok is vastgehecht, is eene appelenverkoopster. Deze man, die, niettegenstaande hij aan iederen arm eenen zwaren korf heeft hangen, nogtans zijne schel kan doen klinken, is een koopman in taartjes en pastijtjes.--Die andere, die op zijde van dat, met twee oude knollen bespannen, karretje, zijn klokje doet hooren, is de vuilnisman; want te Londen smijt men het vuilnis niet, zoo als te Parijs, op de straat, maar men legt het hier of daar in huis in eenen hoek neder, en men ontdoet er zich van, als men door het zoo even vermelde klokkenspel de nadering van het voertuig ontwaart, dat met de wegruiming van hetzelve belast is. Let slechts eens op! ziedaar juist eene meid; die hem eenen korf vol overgeeft, welken hij in zijn karretje ledigt."

--"En wat zijn dat voor twee menschen, welker hoeden rondom met papieren behangen zijn, waarop, naar het mij voorkomt, groote geschrevene letters staan, en die beurtelings eenige onverstaanbare woorden brullen, en dan wederom op eenen koehoren blazen, welk geluid nog tienmaal erger is, dan al het geklank der schellen?"

--"Het zijn liedjeszangers en uitventers van nieuwstijdingen. Met groote letters schrijven zij op de papieren, welke hunne hoeden bedekken, den korten inhoud van het nieuws, hetwelk hunne tijdingen bevatten, ten einde, langs dezen weg, hunne waar, naar hunne meening, des te beter te slijten. Zoodra de avond valt, hebben zij eene brandende toorts, om het opschrift op hun hoofd te verlichten. Ook liegen zij even zoo onbeschaamd als uwe uitventers van nieuwstijdingen te Parijs, en verhalen zeer omstandig en op eenen verzekerenden toon gebeurtenissen en voorvallen, welke men zeer verwonderd is in het geheele blad niet te kunnen vinden, hetwelk zij den nieuwsgierigen nog wel voor eenen schelling (vier en twintig stuivers Fransch) in de hand stoppen, daar men het aan het expeditie-kantoor zelve voor zeven pences, of veertien stuivers, kan bekomen."

--"Nog al een schelletje! Wat is dat nu weder voor eene figuur met zijnen rooden rok, die in de eene hand, naar het schijnt, eenen ledigen zak heeft, en met de andere op de maat klinkt, en wel op eene geheel andere wijze dan zijne kameraden, de overige kooplieden?"

--"Dat is geen koopman, maar een, die brieven aanneemt, om ze op den post te bestellen. Door dat geluid geeft hij zijne nabijheid te kennen, en tegen betaling van eene pence voor iederen brief, belast hij zich voor den post met alle, welke men hem ter hand wil stellen."

--"Hij zal dus niet veel fortuin maken: er zijn hier immers eene menigte van brievekassen, aan welke men, daar het niets kost, buiten twijfel de voorkeur zal geven."

--"Dit is zoo; maar de brievekassen zijn niet langer open, dan tot des avonds te vijf ure, en van vijven tot zessen doen de bestellers hunne ronde. Indien gij zelfs na zessen nog eenen brief hebt, waar haast bij is, kunt gij hem tot zeven ure toe nog op het postkantoor kwijt worden, en tegen betaling van zes pences voor iederen brief, worden zij nog in het maal gesloten. O mijn vriend! Londen is eene heerlijke stad! Alles is daar berekend, om--"

--"om geld te winnen!"

XI.

DE SCHOUWBURG.

Ons onderhoud over de schellen bragt ons bij den schouwburg van Covent-Garden, waar wij dezen avond een vertooning van Beverleij, in het Engelsch den Speler genaamd, zouden bijwonen.

"Waar zullen wij onze plaats nemen?" vroeg mijn vriend C.

"--Mijne plaats is bij verkiezing altijd in het orchest: men kan daar volmaakt goed hooren, en heeft tevens een uitmuntend gezigt op het tooneel en op de aanschouwers."

"--Er is geen orchest in de Engelsche schouwburgen. Slechts een parterre of bak. Hetgeen men hier het orchest noemt, is, bij uitsluiting, geheel alleen voor de muzijkanten geschikt; en hoe vol het ook zijn moge, nimmer doet men deze heeren, zoo als te Parijs meermaals geschiedt, hunne plaats verlaten: het publiek zou zulks volstrekt niet dulden."

"--Laat ons dan in den bak gaan zitten, mids wij er geen al te slecht gezelschap aantreffen."

"--Slecht gezelschap in den bak? Wees daarvoor niet bang. Tegen drie en een' halven schelling de plaats, behoeft men niet te vreezen, Jan Rap en zijnen maat te zullen ontmoeten; dat volkje bezet de galerijen. Derhalve in den bak, mijn vriend, ten minste," voegde hij er schertsende bij, "zoo gij, na eenige oogenblikken, niet van besluit veranderd zijt?"

Tot aan het tooneel genaderd, zagen wij eene menigte van wel omtrent drie honderd personen, zoo mannen als vrouwen, allen zeer wel gekleed, die zich onderling duwden en stootten, en bij afwisseling verdrongen, even als de baren van eene verbolgene zee. Uit het midden van deze zoo zaamgepakte menigte hoorde men somwijlen een half gesmoord geluid; want die zich eenmaal in dezen drom bevindt, kan er zich met geene mogelijkheid weder uitredden.

"--Wat beteekent deze oploop?" vroeg ik mijnen vriend.

"--Het zijn de vaste klanten van den bak. Dezen drom moeten wij met handen en voeten, zoo goed wij kunnen, trachten door te boren: komaan, dat gaat u voor! pas slechts op uw horologie en op uwe goudbeurs: de Londensche zakkenrolders geven den Parijschen niets toe. Laat ons ten minste ons best doen, om dit vermaak niet duurder, dan met eenen gescheurden rok, te betalen."

"--Een oogenblik, als het u belieft. Moet men ook zoo dringen, om in de loges te komen?"

"--Geenszins, want men betaalt daar zeven schellingen, en buitendien zijn de meeste plaatsen daar reeds besproken."

"--Laat ons dan liever in eene loge gaan.--Maar waarom houdt de politie geen beter toevoorzigt? een dozijn soldaten zou voldoende zijn, om de orde te bewaren, en men kon....."

"--Politie! Soldaten!--Altijd en eeuwig Fransche denkbeelden en begrippen!--Vergeet gij dan, dat gij in een vrij land zijt? Twintig personen mogen in dit gedrang versmoord worden; doch zoo zich slechts een soldaat liet zien, zou men hem zeker steenigen."

"--Dus bestaat de Engelsche vrijheid gedeeltelijk in het voorregt, om zich plat te laten drukken?"

"--Maar men heeft immers de vrijheid, om er zich niet aan bloot te stellen, en niet in den schouwburg te gaan, of, zoo als wij zullen doen, in de loge plaats te nemen."

Nu kwamen wij door eene andere deur aan den ingang der loges. Bij het inkomen der zaal werden, in eene soort van een voorportaal, de kaartjes uitgegeven.--De kaartjes! ziedaar al wederom eene Fransche benaming!--Het waren geene kaartjes, maar ronde koperen stukjes, ter grootte van eenen stuiver, waarmede men bewijst, dat men het regt gekocht heeft, om de vertooning bij te wonen. Zoodra men derhalve voor zeven schellingen wettige bezitter van dit stukje koper is geworden, geeft men het aan een' der suppoosten, en alsdan kan men gaan zitten, waar men wil; want al de loges zijn van denzelfden prijs, en eene verdieping hooger of lager maakt hier geen onderscheid.

Alle loges op den eersten omgang waren reeds bezet; wij moesten dus ons fortuin eene verdieping hooger beproeven, waar de voorste banken insgelijks alle verhuurd waren; want dit voorregt heeft men in de Londensche schouwburgen, dat men geenszins verpligt is, om eene geheele loge af te huren: men kan er zoo vele en weinige plaatsen in bespreken, als men verkiest; doch men kan zich tevens van de besprokene plaatsen niet langer verzekerd houden, dan tot het einde van het eerste bedrijf: alsdan geldt de spreuk: die het eerst komt, die het eerst maalt! en zij, die ze besproken hebben en te laat komen, moeten, in dat geval, gaan zitten, waar zij het best kunnen. Het uitwendige van den schouwburg had mij juist geen zeer gunstig denkbeeld van denzelven gegeven. Het is een groot en eenvoudig van tigchelsteen opgehaald gebouw, waaraan men geen den minsten luister of pracht kan bespeuren, in een woord, ten naastenbij gelijk aan al de overige huizen van Londen: het eenige verschil bestaat in deszelfs hoogte en meerdere grootte. Ik werd dus niet onaangenaam verrast, toen ik het inwendige even zoo bevallig vond, als mij het uitwendige onbehagelijk was voorgekomen. De loges zijn alle rood geschilderd en fraai afgezet met vergulde randen en lijsten. Het schilderwerk is altijd levendig en frisch, omdat het zeer dikwijls wordt opgehaald. Ook hangen er geene kroonen in het midden van de zaal; maar tusschen iedere loge eene sierlijk bewerkte kristallen branche met vier waskaarsen, hetwelk aan de Engelsche vrouwen een voorregt verschaft, dat de Fransche in onze schouwburgen, helaas! moeten ontberen, het voorregt namelijk van zeer duidelijk gezien en opgemerkt te kunnen worden. Beneden is alles bak. De hoogte der zaal is verdeeld in vijf galerijen of rangen, men heeft er geene loges in de kolommen zelve, noch op zijde van het orchest aan het tooneel, ook niet in het midden tegenover de vertooners, even min als getraliede loges, die echter zoo gemakkelijk en aangenaam voor eene zekere soort van liefhebbers zijn.

Ik zocht de galerijen, waarvan mijn vriend C... gesproken had, maar ik ontdekte ze niet.

"Men geeft dezen naam," zeide hij, "aan dat gedeelte van de vierde en vijfde rij loges, dat vlak tegenover het tooneel is, en aan hetgeen wij in Frankrijk het amphitheatre of paradijs noemen. De prijs der plaatsen is op den vierden rang, de eerste galerij genaamd, twee schellingen, en op den vijfden, of de tweede galerij, slechts een. Deze galerijen, bijzonder de tweede, zijn altijd met het gemeenste volk bezet; fatsoenlijke lieden zouden zich schamen er gezien te worden: ook wordt dit gedeelte van het publiek met veel minder omstandigheid behandeld. Op deze twee bovenste galerijen ziet men noch branches noch waskaarsen: het zijn planeten, die slechts verlicht worden door de stralen der zon, die onder hen haren luister verspreidt. Het zal toch niet noodig zijn, te zeggen, dat hier nooit eene wacht van soldaten, maar altijd eenige politiebedienden gevonden worden."--Voorts worden uit deze hoogte somwijlen de tooneelspelers, die hunne rol niet naar genoegen vervullen, met gebraden appelen of notedoppen begroet. Dezen zelfden avond nog werd er eene ledige flesch van de bovenste verdieping naar beneden in den bak gesmeten, doch kwetste gelukkig niemand; en een bezopen kerel tuimelde van de tweede op de eerste galerij. Het is den geƫerden lezer zonder twijfel bekend, dat de dronkaards hunnen eigen God er op na houden: degene, die viel, bezeerde zich dus zelf niet, maar hij, die de eer had, van hem op zich te ontvangen, moet waarschijnlijk geen aanbidder van dien God geweest zijn; want door de zwaartekracht van zijnen bovenbuur, kwam hij er met niet minder af, dan met eenen gebroken arm.

Eenige jaren geleden is de schouwburg van Covent-Garden tot den grond toe afgebrand. Bij den nieuwen opbouw hadden de ondernemers eenen rang met getraliede loges doen maken, om ze tot eenen hoogeren prijs te kunnen verhuren: ook hadden zij de plaatsen in den bak op vier schellingen gezet. Doch deze nieuwigheden mishaagden John Bull. Men liet, gedurende vijftien dagen, den schouwburg stil staan, en toen er toch eindelijk moest gespeeld worden, werd de ingang van den bak alle avonden overrompeld: sommigen smeten hunne drie en een' halven schelling, onder het doordringen, in het kantoor, anderen, en wel de meesten, baanden zich met geweld eenen weg, zonder iets te betalen; de tooneelspelers werden, zoodra zij te voorschijn kwamen, met modder en slijk begroet, en ten laatste zagen zich de ondernemers genoodzaakt, den gewonen prijs van den bak tegen drie en een' halven schelling weder in te voeren, en de getraliede loges te onttralien.

De zaal heeft ten naastenbij dezelfde grootte en gedaante als die der Opera te Parijs. Zij was dezen avond zoo ongemeen vol en opgepropt, dat men verscheidene personen aan de deur moest afwijzen. De oorzaak van dezen grooten toevloed was de terugkomst van miss O'Neil, eene jonge en bevallige actrice, aan welke de Engelschen de vereenigde bekwaamheden toeschrijven van onze twee voornaamste treurspelspeelsters te Parijs, welke ik niet noodig acht te noemen, dewijl zij bij iederen kunstlievenden lezer, zonder twijfel, bekend zijn. Zij had een pleizierreisje door de provintien gedaan, en gedurende dien tijd, volgens het algemeene praatje, het geringe sommetje bijeen gebragt van acht duizend pond sterling (192,000 Fransche livres.) De dagbladen, waaruit ik deze bijzonderheid geput heb, zwijgen echter, of miss O'Neil tot de bijeenzameling van deze aanmerkelijke som ook nog van iets anders, dan van hare tooneelbekwaamheden gebruik heeft moeten maken.