Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815.

Part 4

Chapter 43,800 wordsPublic domain

Voor het overige doen de Engelschen zelden voorraad van bier op: zelfs in de voornaamste huizen wordt dagelijks uit de eene of andere herberg zoo veel gebragt, als men rekent, dien dag te zullen gebruiken. Den geheelen dag door ziet men de tappersjongens de stad op en neer draven, om kannen bier aan de huizen rond te brengen. Zij geven aldus het volle pint over en nemen het ledige van den vorigen dag mede. Ook hebben zij gewoonlijk eenen lederen riem als eenen bandelier over den schouder en de borst hangen, en zijn derhalve van voren en van achteren, zoo wel op den buik als op den rug, rondom met ledige pintjes, als met eenen krans, behangen, zoo dat men hen, dus uitgedost, veilig voor den Engelschen Bacchus kan houden.

Zoodanig is het onthaal, dat men in Engeland, ten huize der opentafelhouders, geniet. Ook vindt men er somwijlen gebraden of gekookten visch, maar altijd zeer zeker lamscarbonnaden en beef-steaks. Dit laatste artikel vindt men echter merkelijk tot zijn voordeel veranderd, zoodra men de zee weder overgestoken is en voet aan land heeft gezet; want de beaf-steaks in Frankrijk smaakt mij oneindig beter, dan al, die ik ooit in Engeland heb gebruikt. Het is dus een van die waarlijk zeldzame gevallen, waar de kopij het origineel overtreft.

Maar ik vergeet den gewigtigsten schotel, het oogelijn en den hartelust der Fransche maag, de zoo onontbeerlijke soep. Hiermede dan zullen wij dit vreetzame en eetlustwekkende hoofdstuk, in plaats van dat wij er mede hadden moeten beginnen, eindigen. Echter raad ik mijnen Franschen soepminnenden medebroeders, die immer te Londen mogten komen, dezelve, wat het proeven betreft, maar blaauw blaauw te laten blijven, even als ik met de beschrijving ben te werk gegaan.

De soep is geenszins in dit land, even als in Frankrijk, het eerste en voornaamste vereischte van het middagmaal; meestal wordt zij niet eenmaal voorgezet. Nogtans heeft men soepen van onderscheidene soorten, van welke alle ik geproefd heb. Hunne soupe au jus heeft de meeste overeenkomst met de onze. Het is eene soort van vleeschnat, waarin men, naar goedvinden, eenige stukken geroosterd brood doet; doch het smaakt niet half zoo lekker en aangenaam, als onze Fransche bouillon; ja, het is veeleer eene wrange saus, waarin men niets anders dan peper kan proeven, en (de goedhartige lezer vergeve mij dezen kunstterm!) welke eenen muffen en Limburgschen kaasachtigen smaak oplevert. Nog hebben zij eene magere soep (in de volle beteekenis van dat woord,) welke zij de eer aandoen van erwtensoep te noemen: deze heeft ten minste den walgelijken smaak van de vorige niet, doch is overigens, op den man af afgesproken, niets anders dan erwten met lang nat. Hunne hoendersoep is uit twee bestanddeelen zamengesteld, te weten, uit eenige, meestal niet regt gaar gekookte brokken van eenen ouden haan of hen, en het water, waarin deze gekookt zijn. Men moet dus al eenen zeer bijzonderen smaak hebben, om ze goed te kunnen vinden. Eindelijk heeft men nog eene warmoessoep, welke uit eenige groenten en gekapt vleesch wordt toebereid, dat in eenen oceaan van gepeperd water met mosterd en zout zwemt.

In Londen zijn ook eenige Fransche tafelhouders, maar hunne keuken verschilt vrij wat van die onzer Veri's en Beauvilliers. Het eenige onderscheid tusschen hen en de Engelsche koks is, dat de eerstgemelden, op eene waarlijk zeer beleefde wijze, uwen zak van eenige schellingen meer weten te ontlasten.

VII.

HET KOFFIJHUIS.

"Willen wij een kop koffij gaan drinken?" vroeg mijn vriend C..., toen wij getafeld hadden en de deur uitgingen.

--"Ik houd dit juist voor geene vaste gewoonte, maar het zal mij pleizier doen, de Engelsche koffijhuizen eens op te nemen."

--"Wij behoeven niet lang te zoeken; want men kan naauwelijks eenen voet verzetten, zonder er een aan te treffen, en ik geloof, dat de koffijhuizen, herbergen, logementen, gaarkeukens en kroegen hier wel een vierde van den platten grond beslaan. Maar wij zullen ons thans eens naar het voornaamste, meest bezochtste koffijhuis begeven. Wat gij er u ook van moogt verbeelden, uwe verwachting zult gij nog altijd overtroffen zien."

--"Daar gij reeds sinds vijf en twintig jaren uit Parijs zijt, kunt gij u geen denkbeeld vormen van den tegenwoordigen luister, levendigheid en pracht van onze koffijhuizen. Ik zal mij dus, zonder twijfel, ten hoogste verwonderen, indien gij er mij een kunt laten zien, dat fraaijer, sierlijker en woeliger is, dan de onzen."

--"Op mijn woord! gij zult verwonderd staan."

En ik was het waarlijk, en wel in den hoogsten graad, toen mijn vriend mij in eene groote kamer gelijkvloers bragt, waar mijn neus terstond vergast werd op den reuk van eene aanzienelijke menigte brandende bladen van de Herba Nicotiana, alias tabak, welke mij juist niet de alleraangenaamste gewaarwording veroorzaakte. Ook konden mijne oogen geenszins op het vrolijke gezigt roemen; want, voor zoo verre ik door de wolken van damp en rook kon gluren, zag ik in het lange, tegen den muur, achttien of twintig tafels geplaatst, waarop eenige koppen, glazen en bierpinten stonden, allen even vuil en bewalmd: trouwens, het was zaturdag. Maar mijne ooren hadden daarentegen gene reden, om zich te beklagen; want het was zoo stil, dat men eene vlieg met de vleugels zou hebben kunnen hooren klappen. Ieder hield zich namelijk zeer ernstig bezig met het oogmerk, hetwelk hem herwaarts had gevoerd; en het woord--jongen! dat, van tijd tot tijd, door den een' of ander', die iets wilde hebben, geroepen werd, was bijna het eenigste geluid, dat zich in dit verblijf der stilzwijgendheid deed hooren. Wat der tong betreft, hierover zullen wij nader spreken.

Intusschen moet gij u geenszins verbeelden, waarde lezer! hier een aardig bekje van een meisje in een fraai en welgeschikt kantoortje te zien zitten, een meisje, dat zich gedurig bezig houdt met u met hare poezelige en malsche handjes een kop koffij in te schenken, een glas limonade of iets dergelijks gereed te maken. O neen, niets van dit alles! Beurtelings komt een morsige jongen of knecht, of eene slordige meid in dit aardsche paradijs te voorschijn, om de klanten te bedienen en het geld te ontvangen. Ook hadden beiden de handen vol. Al de tafels waren bezet, eene eenige uitgezonderd, waarvan wij ons terstond meester maakten. Middelerwijl de jongen onze koffij zettede, liet ik mijne oogen de monstering doen over het gezelschap, waarvan wij thans de eer hadden leden te zijn. Aan mijne linker hand zat een man van middelbare jaren, wettig houder en eigenaar van enen buik, wiens omvang..... Basta! in een der vorige hoofdstukken heb ik mijnen lezers reeds gezegd, dat ik geen liefhebber van beschrijven ben--wiens omvang--ik dus in statu quo zal laten. Het mondje van mijnen buurman raakte, bij de opening, ter wederzijde met de hoeken van de beide lippen, bijna tot aan zijne oorlapjes, en door deze opening wierp hij, slag op slag, in den afgrond van zijne keel groote brokken vleesch en aardappelen, zoo ten naastenbij als in de pakhuizen der Hollandsche kooplieden de Edammer roodkorstjes geschoten worden. Mijn buurtje ter regterzijde was nog een jong man, deftig in het zwart gekleed, doch wiens rok, zeker luchtigheidshalve, geheel van de wol was ontbloot, zoo dat men op denzelven gemakkelijk de draden kon tellen: ook kon men geenszins zeggen, dat zijn gezigt in het kruis was; want, bij mijne vlugtige beschouwing, rekende ik twee lengten op eene breedte: hij was namelijk vrij lang, maar zoo dun en mager, dat men hem gemakkelijk achter eene kagchelpijp zou hebben kunnen verbergen; in één woord, men zou hem, bij verzinning, voor een aangekleed cadaver hebben gehouden, zoo de beenderen van zijn gezigt en handen niet waren bedekt geweest met eene soort van vale loodkleurige huid. Ook had hij geen ander onderhoud, dan met zijn pint bier van twee pences, uit hetwelk hij, van tijd tot tijd, zeer spaarzaam een teugje nuttigde. Ja, lezer! hij dronk uit zijn pintje; verwonder u daarover niet! De meeste Engelschen, en niet alleen de geringe volksklasse, maar zelfs de aanzienlijken drinken op deze wijze. En hebben zij wel ongelijk? Men behoeft dan immers niet te vreezen, de glazen te breken, en heeft niemand noodig, om ze te spoelen. Vlak over mij zaten drie jonge lieden met eene groote kom punch in hun midden. Ik kon nogtans geene de minste levendigheid of vrolijkheid, deze getrouwe gespelen der jeugd, bij hen bespeuren. Zij bleven integendeel ernstig, koel en afgetrokken, zonder een enkel woord te spreken, en hadden het voorkomen van te zeggen of ten minste te denken: "laat ons drinken! wat kunnen wij beter doen?"--Naast hen aan de eene zijde zat een groot man met een gevlamd en gekarbonkeld gelaat, wiens oogen zich, van tijd tot tijd, schenen te willen sluiten, en die zich beurtelings bezig hield met herhaalde ladingen snuif in zijne wijde neusgaten te stoppen, en zijne keel met een glaasje port-wijn te bevochtigen, terwijl hij telkens, als hij inschonk, de flesch tegen de kaars hield, om te zien, op welke hoogte zij zich bevond, vol angst en vrees van den ledigen bodem al te spoedig te zullen ontdekken. Aan den anderen kant zat een man, in eenen overrok, met een pakje voor zich op tafel, die ik zeker vooronderstelde dat hier eene bijeenkomst bepaald had; wijl hij zoo zorgvuldig ieder oogenblik op zijn horologie zag, en die in zijn thee, waarin hij juist zoo veel melk schonk, als noodig was, om ze even van kleur te doen veranderen, gedurig een stuk brood met eene hand dik boter besmeerd sopte, welke door de aantrekkingskracht der warmte van de thee, daarin opgelost, derzelver geheele oppervlakte met eene zoo vette korst bedekte, dat het een lust was, om te zien.

Drie anderen, met blaauwe buisjes en lange broeken van dezelfde kleur, naar het uiterlijke voorkomen, matrozen, zaten achter in de koffijkamer: het waren voornamelijk zij, die met de pijp in den mond zich belastten, met het vertrek te parfumeren. Ieder had een glas gin (jenever) voor zich op tafel; en zoodra dat glas ledig was, werd de knecht gefloten, ten teeken, dat hij eenen nieuwen voorraad moest bezorgen.

Naast dezen zat een ander man, wiens overschot van een brood en een half geledigd pintje aankondigde, dat hij ten halven maaltijd was. Inderdaad, naauwelijks hadden wij plaats genomen, of de knecht zettede eene plumb-pudding voor hem neder, die nog warm scheen; de goede vriend was zoodanig verdiept in het lezen van de Morning-Chronicle, dat hij de aankomst van het geliefde geregt nog niet gemerkt had, toen wij het koffijhuis weder verlieten.

Een man, met een niet gunstig voorkomen, zat alleen aan eene andere tafel: hij gebruikte niets, maar zijne oogen vestigden zich afwisselend op al de tafels, en twee lange ooren, welke Midas zelven niet zouden ontluisterd hebben, schenen zich te spitsen, om des te beter ieder woord, dat gesproken werd, te hooren. Ik hield hem voor een' dier eerlijke lieden, welke men in alle landen aantreft, en wier beroep is, aan de deuren te luisteren, door de vensters en ramen te zien, en hunne ooren tegen de sleutelgaten te plaatsen, en die, den ganschen dag niets gehoord noch gezien hebbende, zich des avonds nogtans door een fraaij verhaal verdienstelijk zoeken te maken, wanneer zij, bij gebrek van te kunnen kwaadspreken, uit al hun vermogen beginnen te liegen.

Juist wilde ik de monstering over de andere tafels vervolgen, toen ons de bestelde koffij werd gebragt. Men is, helaas! al te genegen, zijne naasten te vergeten, wanneer het er op aankomt, aan zich zelven te denken. Een rijkelijk gevulde suikerpot, twee kopjes, een zeer klein melkkannetje, slechts half vol, en eene vervaarlijke koffijkan, die in Frankrijk voor acht liefhebbers voldoende zou geweest zijn, was de stoffering van het blaadje, dat men voor ons nederzettede. Hier valt mij de spreuk van eenen zekeren lekkertand te binnen, dat de koffij, om goed te zijn, drie bijzondere eigenschappen moet bezitten, te weten, klaar, sterk en heet. Terstond ontwaarde ik, bij het inschenken, dat deze troebel en laauw was, en mijne neusgaten zochten vergeefs den lekkeren geur op te snuiven, welken de wasem der echte mokka-bonen hun aanbiedt, en waarvan ten minste eenig spoor ook in de slechtste koffij gevonden wordt. Ik zettede dus bevende het kopje aan den mond, om deszelfs inhoud te proeven; maar lieve hemel! het geleek wel een apothekersdrankje, een smaak als rhabarber, waaraan men met moeite eenige koffijlucht zou ontdekt hebben, zoo men er te voren niet van onderrigt ware geweest.

--"Hier heeft zeker een misverstand plaats?" zeide ik tegen mijnen vriend C...

--"In het geheel niet: de koffij, die hier gedronken wordt, is nooit anders; zelfs in geheel Engeland zult gij geene andere vinden: alleen, bij toeval, mogelijk wel een weinigje heeter.--Zult gij niet nog een kopje drinken?"

--"Ik zal het waarachtig wel laten! ik pas zelfs voor dit.--Maar kan men hier ook een glas likeur krijgen, om dezen leelijken smaak af te spoelen?"

--"Zonder twijfel. Wilt gij rum, gin, brandij of whiskeij?"

--"Een oogenblikje, als het u belieft: de twee eerste ken ik, maar wat zijn de twee laatste?"

--"Brandij is Fransche brandewijn; Whiskeij wordt hier voor eene soort van brandewijn gehouden uit haver gestookt, en voornamelijk in Schotland gefabriceerd."

--"Maar is er niets anders, dat wat lekkerder is, te krijgen?"

--"Ha, ha! Ik zie al, wat gij hebben moet: iets zoets, niet waar? Hei daar, jongen, twee glazen grog!"

--"Grog! zie daar eene benaming, welke mij niet veel goeds doet verwachten.--Maar wat is dan nu eigenlijk grog?"

--"Ik zal het u zeggen, zoodra gij het geproefd hebt."

Nu bragt men de twee glazen grog: eerst proefde ik er zeer behoedzaam van, en dronk vervolgens mijn glas met smaak ledig; want deze drank kwam mij zeer aangenaam voor. Mijn vriend zeide mij nu, dat het een mengsel was van rum, water en suiker, en ten gevalle van dezen grog vergat ik de slechte koffij, welke men mij had doen drinken.

VIII.

DE LONDENSCHE ZONDAG.

"Wat is er toch dezen nacht in Londen gebeurd?" zeide ik den volgenden morgen tegen mijnen vriend C..., met wien ik afgesproken had, hem ten zijnent te komen afhalen.

--"Wat er gebeurd is? Wel hetgeen er alle nachten gebeurt, denk ik.--De watchmen, (nachtwachts) die de eenige Politie te Londen is, hebben zeer naauwkeurig, om het half uur, de ronde gedaan en zich doen hooren.--Zij zullen een twintig stuks dronkaards voor dood van de straat hebben opgeraapt en te huis gebragt: eenige jonge losbollen zullen door de meisjes van pleizier of door zakkenrolders zich de beurs of het horologie hebben laten ligten: de een of ander zal zich veelligt in het bed den hals afgesneden, zich op zolder verhangen, of zich in de Theems verdronken hebben: de aangekomene reizigers zullen, even als gij, hunne welkomst te Londen in een onzer voornaamste logementen betaald hebben, en eindelijk...."

--"En eindelijk, en eindelijk--naar dit alles vraag ik u niet. Londen heeft dezen morgen het voorkomen van eene verlatene of uitgestorvene stad; men ziet niemand op de straat, en deuren en vensters zijn gesloten: het schijnt mij toe, als of ik mij in het paleis van Morpheus, den god des slaaps, bevind; en indien ik de bierdragers en melkboeren niet, volgens gewoonte, huis aan huis had zien gaan, zou ik zeker in den waan zijn, dat de geheele bevolking van Londen dezen nacht verhuisd was."

--"Gij weet dan niet, dat het heden Zondag is?"

--"Ik heb er waarlijk niet aan gedacht, doch thans verwonder ik mij nog veel meer over deze sombere en doodsche stilte. Is deze dag dan niet, even als bij ons, een feestdag voor het volk, en bijzonder voor de werkzame klasse of ambachtslieden, om van den arbeid en vermoeijenissen der afgeloopene week uit te rusten en zich door gepaste vermaken te verpoozen?"

--"Maar ontdoe u toch in 's hemels naam van uwe Fransche begrippen, en denk, dat gij in Engeland zijt. Meent gij, dat men hier juist den zondag afwacht, om het vermaak te hebben van zich in het een of ander kroegje buiten de stad te gaan bedrinken? Men geniet hier bijna dagelijks dit genoegen, zonder door gezelschap of eene vrolijke luim daartoe verleid te worden. De ambachtsman, die geld op zak heeft, drinkt zich hier geheel alleen, deftig en op zijn gemak, onder een pijpje, eenen duchtigen roes, en hij behoeft niets van het vrolijke der Franschen in hunne bijeenkomsten, wanneer zij zich des zondags buiten op het land met dans en spel vermaken. Eenige pinten biers, eenige glazen gin zijn hem meer waardig dan alle vreugden, die Frankrijk kan opleveren."

--"Maar eindelijk, wat doet men toch zondags te Londen?"

--"Men gaat ter kerke, men leest in huis den bijbel, en bij goed weer wandelt men.--Willen wij eens in eene kerk gaan? Gij kunt dan zien, hoe vol het daar is."

--"Zeer gaarne."

--"Maar ik waarschouw u vooraf, dat wij tot het einde toe moeten blijven; want gingen wij vroeger heen, dan zouden wij der geheele vergadering eene groote ergernis geven. Daarenboven zult gij eenige onzer predikanten hooren, en over hunne gaven kunnen oordelen."

--"Zeer bezwaarlijk zal ik over hen kunnen beslissen; want ik ben niet eigen genoeg met de Engelsche taal, om te durven hopen, de geheele preek te kunnen verstaan: doch hoe het ook zij, ik ben tot uwen dienst."

Nu kwamen wij aan twee kerken te vergeefs; want wij konden er niet binnen komen. Zij waren namelijk dermate opgepropt, dat het volk op de trappen, ja zelfs op de straat stond. Eindelijk konden wij in eene derde, alhoewel niet zonder eenige moeite, een plaatsje vinden. Ik beken, dat ik verwonderd, ja zelfs met eene soort van heiligen eerbied doordrongen was, toen ik de orde, de plegtige stilte en de verhevene aandacht, die onder deze menigte heerschten, met oplettendheid beschouwde. De dienst was reeds begonnen, toen wij in de kerk kwamen, en wij veroorzaakten, door ons te plaatsen, eene kleine beweging. Niemand echter scheen ons op te merken, en noch de harten noch de oogen der hoorderen verlieten hunne bezigheid, om zich met ons te bemoeijen. Men zag daar geenszins, als in sommige andere landen, jonge lieden door de kerk wandelen, om hunne kennissen op te sporen, noch vrouwen, welker oogen hare tong vervingen, en die, door lonken, met hare vrienden eene zeer verstaanbare taal spraken; veel minder nog dat slag van lieden, die met elkander in de kerk de pleizierpartijtjes beramen, welke zij, bij het uitgaan, denken te nemen. De aandacht, aan den godsdienst verschuldigd, werd hier niet ieder oogenblik afgebroken, dan eens door eene stoelenzetster, die om betaling vraagt, dan weder door twee of drie collectanten, die met hunne zakjes voor de armen, en bijzonder voor het onderhoud van kerk en predikant, door de kerk ronddwalen, en allerminst door eenen of anderen kerkdienaar, die gewijd brood ronddeelt, hetwelk de kinderen elkander met geweld trachten te ontnemen, en dus der algemeene aandacht storenis toebrengen. Geen voorwerp, hoe genaamd, hindert u, en ieder schijnt zich geheel alleen met den dienst van dien God bezig te houden, in wiens tempel hij zich bevindt. Het scheen nogtans, dat de getrouwe, in deze heilige plaats vergaderde, geloovigen gepredestineerd waren, om dezen dag eene onwillekeurige verstrooijing te ondergaan.

Een lompe Engelschman, zoo lang als hij breed was, met eene ronde ongepoeijerde krulpruik en eenen vervaarlijk grooten driekanten hoed, trad, vergezeld van twee vrouwen, te gelijk met ons in de kerk. Volgens het gebruik nam hij, bij het inkomen, den hoed af; doch het zij de pruik te wijd voor zijn hoofd, of de hoed te naauw voor de pruik was, ten minste de pruik wilde hardnekkig den hoed blijven vergezellen, en mijn goede Engelschman liet door de gevolgen der volgzucht van de noodlottige pruik een ronden kop te voorschijn komen, op welks platten grond ook het meest vergrootende glas niet in staat zou geweest zijn, een enkel haartje te ontdekken. Weinige personen echter bemerkten dit ongeval; wijl de lijder met eene vaardigheid, waartoe ik hem, van wege zijn lomp uiterlijk voorkomen, nimmer bekwaam zou geacht hebben, de pruik weder had opgeraapt en zijne vorige stelling doen hernemen. Doch deze knaphandigheid was oorzaak van eene nog grootere ramp. In zijne overhaasting had hij de ongelukkige pruik het achterste voren opgezet, en zich in dezen opschik in eene bank, naast de onze, geplaatst hebbende, leverde hij het koddigste figuur op, dat men zich immer kan verbeelden. Ik voor mij ten minste had de grootste moeite, om mijne lachspieren te bedwingen, en oordeelde de spreuk hier zeer toepasselijk: risum teneatis amici!

Natuurlijk moest deze nootlottige, in eene verkeerde rigting geplaatste pruik de aandacht van de geheele vergadering tot zich trekken. De oude matronen rimpelden hare wenkbraauwen op, de jonge kleuters beten zich op de lippen, de bejaarde mannen glimlachten, en de jonge lieden fluisterden elkander in het oor; in een woord, aller oogen waren op hem gevestigd, en de predikant zelf scheen, daar de ongelukkige pruikdrager vlak over den preekstoel zat, en dus juist onder zijn gezigt viel, in twijfel, of hij het pas aangevangen sermoen zou vervolgen of afbreken. Eindelijk waarschouwde hem eene der vrouwen, die hem vergezelde, zeer liefderijk wegens zijne misvatting, en toen nam hij, zonder zich eenigzins te ontstellen, met eene deftige houding nogmaals de ergerniswekkende pruik van het hoofd, hield dezelve op zijnen linker vuist, beschouwde haar zeer bedaard, om niet weder in den vorigen misslag te vervallen; en nadat hij dezelve vervolgens in de juiste rigting, welke eener fatsoenlijke pruik betaamt, op den, van haar ontblooten, levenden kapstok geplaatst had, nam de geheele ergernis en opschudding een einde, en de predikant vervolgde zijne begonnen taak. De predikatie duurde bijna een uur, maar kwam mij veel langer voor, dewijl ik slechts hier en daar eenige zinsneden kon verstaan. De redenaar had de uitgeschrevene preek in zijne hand, en scheen veel meer te lezen, dan te preken, hetgeen mij voorkwam minder indruk op de toehoorders te maken, dewijl het bloote lezen nimmer der gemoederen die gewaarwording kan inboezemen, welke eene, met kracht gehoudene, redevoering kan te weeg brengen.

"Om op éénen dag mijn oordeel over de Engelsche welsprekendheid en wijze van opzeggen te kunnen vellen;" zeide ik tegen mijnen vriend bij het uitgaan van de kerk; "wil ik dezen avond nog naar den schouwburg gaan."

--"Naar den schouwburg? Zondags wordt er nooit gespeeld. Ik heb het u immers reeds gezegd; de geheele Londensche zondag bestaat in deze twee woorden: kerk en bijbel! uitgezonderd echter de aangename verstrooijing, welke eenige in eenzaamheid genotene pinten biers den gretigen drinker kunnen verschaffen.--De kinderen zelve mogen van daag niet spelen, en gij zult er heden geen een op straat zien knikkeren of tollen, of buiten eenen vlieger oplaten."

--"Dan zal ik mijnen avond besteden met aan mevrouw B * * * een bezoek te geven. Ik heb haar eenen brief te overhandigen van haren zoon, die zich te Parijs bevindt."

--"Zoo als gij wilt; maar dit is immers regt op zijn Fransch!"

--"Hoe, wat meent gij?"