Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815.

Part 3

Chapter 33,778 wordsPublic domain

--"Hartelijk dank! Ik heb in het Keizerlijk Hof van St. Petersburg mijn middagmaal besteld, en wil dus, bij mijnen eersten intogt in Londen, den heeren Engelschen geene stof geven, om de Fransche ligtzinnigheid te gispen; maar morgen, zoo gij tevreden zijt, ben ik tot uwen dienst, en dan zijn wij onscheidbaar."

--"Van harte!--Morgen is het voor u verhuisdag, en dat vordert eenigen tijd. Ik ben dus te elf ure bij u, en dan zullen wij onze wandeling hervatten."

--"Derhalve tot morgen!"

--"Zonder vaarwel!"

IV.

HET KEIZERLIJK HOF VAN ST. PETERSBURG.

Zonder twijfel denkt de lezer, dat, na drie vervelende dagen wachtens te Douvres, op mijnen mij van Londen toegezonden pas, mij niets meer kon in den weg komen, om stil en gerust in de hoofdstad te vertoeven. Dit was ook mijne meening; dan helaas! ik had de rekening buiten den waard gemaakt. Men zeide mij, bij het overgeven van dien pas, dat hij mij nergens anders toe kon dienen, dan om van Douvres naar Londen te vertrekken, en dat ik hem, bij mijne aankomst in de hoofdstad, moest gaan verwisselen aan het alien-office tegen een permis, om mij in Engeland op te houden.

Na het afscheid nemen van mijnen vriend C..., besloot ik derhalve, oogenblikkelijk dezen verdrietigen gang te doen, en begaf mij naar het kantoor van het alien-office, in de Crow'n-street, Westminster, eene van de kleinste en morsigste straten in geheel Londen. Daar moest ik, even als te Douvres, niet alleen weder op nieuw een naauwkeurig verhoor ondergaan, maar ook mijne verklaring plegtig onderteekenen. Nu meende ik, zou men mij een verlof, om in Engeland te vertoeven, ter hand stellen--geenszins! Men behield al mijne papieren en bescheidde mij over acht dagen. Om mijne lezers echter niet te doen deelen in het verdriet, hetwelk mij al deze formaliteiten veroorzaakten, zal ik slechts met korte woorden zeggen, dat, toen ik op den bestemden tijd terugkwam, mijne papieren niet meer te vinden waren. Langer dan een uur zocht men vruchteloos naar dezelve. Eindelijk ontdekte ik ze op den lessenaar van den klerk, aan wien ik ze had ter hand gesteld, en waar zij, gedurende al dien tijd, onaangeroerd gelegen hadden. Binnen vijf minuten was mijne zaak afgehandeld, hetgeen mij klaar deed zien, dat men, bij mijne eerste komst, indien men slechts gewild hadde, even hetzelfde zou hebben kunnen doen. Maar ongetwijfeld hechtte acht dagen wachtens meer gewigts aan eene gunst, en bovenal aan hem, die het werktuig is, om dezelve te doen verkrijgen. Hoe het ook zij, mijn permis vergunde mij in het lange en breede, door geheel Engeland te trekken, mids ik mij slechts op den achtenswaardigen afstand van tien mijlen van de kust en van des konings bosschen verwijderd hield, en zorg droeg, telkens, als ik van woonplaats veranderde, mijne opgave aan het alien-office te doen.

Middelerwijl men mijne verklaring in orde bragt, kreeg ongelukkig een der klerken, die zag, dat ik als kennis van mylord A.... was aangegeven, zeker bij toeval, zoo als ik vertrouw, het in zijn hoofd, mij duizend vragen naar zijne gezondheid, zijne familie, zijnen ouderdom, zijne reizen en honderd andere omstandigheden te doen, hetwelk mij in geene geringe verlegenheid bragt.

Meermaals had ik dergelijke tooneelen in komedien gelezen, maar had thans geenen lust om dezelve te herhalen. Om derhalve goedschiks weg te komen, zeide ik hem, dat ik, nimmer te voren in Londen geweest zijnde, mylord niet anders dan door briefwisseling kende, en op deze wijze ontsloeg ik mij van zijn pijnigend vragen. Nu kon ik dan eindelijk gerust gaan middagmalen, hetgeen mijne maag ook hoog noodig had, in welke ik eene sterke prikkeling gevoelde; want het was bijna zes ure.

Dikwijls heb ik vreemdelingen, ja zelfs onze landgenooten hevige klagten hooren doen, dat door geheel Frankrijk in de logementen meestal de schaar uithangt; dat men er vreesselijk medegenomen, ja zelfs gevild wordt: maar mijn hemel! het villen, hoe pijnlijk dan ook, kost slechts de huid, doch in het edelmoedige Engeland legt men u op de folterbank, en knijpt u met gloeijende tangen het vleesch van het gebeente. Deze zelfde wijze van martelen heeft in alle voorname logementen van Londen plaats; maar het Keizerlijk Hof van St. Petersburg spant boven allen de kroon, en mag niet slechts met drie, maar wel met vijf en twintig kruisjes geteekend worden; ja de plunderziekste kastelein van geheel Frankrijk (of liever moest ik zeggen, de grootste beurzensnijder) kan daar nog met vrucht een lesje nemen.

Bij mijne tehuiskomst kwam een groote, dikke keukenvorst mij aankondigen, wat er te eten was: ik had eene ruime keuze, en eischte eene moot verschen zalm en een beef-steakes (dit woord is door geheel Frankrijk bekend, en moet uitgesproken worden bif-steks). Het zou onwelvoegelijk geschenen hebben, in het Keizerlijk Hof van St. Petersburg bier over den maaltijd te gebruiken: ik nam dus eene halve flesch Port-wijn, waaronder ik mij bezig hield met een stukje lekkere Hollandsche kaas te peuzelen.

Ik vraag mijnen waarden lezers vergiffenis, dat ik hen met deze beuzelarijen bezig houd, doch mij dunkt, dat dezelve hier niet ten onpas komen; want, indien ik ook eene tafel voor twintig personen hadde doen aanrigten, zou men mij gevoegelijk niet meer in rekening kunnen gebragt hebben. Ook moet ik mijnen lezers hier niet verzwijgen, dat ik den volgenden morgen voor mijn vertrek, nogmaals mijn Engelsch ontbijt, te weten, mijn kopje thee, nuttigde. Derhalve had ik in het Keizerlijk Hof van St. Petersburg, te Londen, in Engeland, ééns het middagmaal gehouden, twee nachten geslapen, en driemaal een prachtig kopje thee gebruikt. Nu gaf ik te kennen, dat ik dit aangename verblijf vaarwel wilde zeggen, en verzocht dus, te weten, wat ik verteerd had, of, om mij van den Engelschen term te bedienen, ik eischte mij bill. Welnu, mijne lezers! duimpje op! hoe hoog schat gij mijne vertering?--Ik had van donderdag avond negen ure, tot zaturdag morgen, insgelijks bij klokslag van negen, mijn verblijf in het Keizerlijk Hof van St. Petersburg gehouden, hetgeen, wel uitgecijferd, juist zes en dertig uren maakt. Nu frisch uit de borst! wat raadt gij?--twee dukaten?...--vier dukaten?...--zes dukaten?--mis geraden! ver mis!--mijne rekening beliep vijf pond, vijf schellingen en zes pences, en derhalve, in goed Fransch geld, honderd zes en twintig livres en twaalf stuivers. Nimmer echter zal ik ontkennen, dat die rekening een klein meesterstuk was: niets was er op vergeten; ik herinner mij zelfs een postje van zes pences, of twaalf stuivers Fransch, voor pen en inkt, welke ik gebruikt had, om mijnen naam op een visitekaartje te schrijven.

Is het wel noodig, hier nog bij te voegen, dat de knecht, welke mij, gedurende mijn verblijf, bediend had, mij, bij mijn vertrek, hartelijk vaarwel zeide?--dat de lieve aardige meid, welke donderdag avond een mijner kussens had medegenomen, zonder het vrijdags terug te brengen, mij, op de eerbiedigste en beleefdste wijze, hare opwachting kwam maken? en eindelijk, dat een andere knecht, die eene huurkoets voor mijne overvoering naar mijn nieuw verblijf besteld en mijn verhuisboel daarin gepakt had, mij het portier opende met eene zekere manier, den Engelschen bedienden zoo eigen, dat ik, zonder een woord sprekens, zijne meening ten duidelijkste begreep? In één woord, dit afscheid, deze eerbewijzen, deze gedienstig- en oplettendheden ontlastten mij nogmaals van vijf goede Engelsche schellingen; doch, om der waarheid niet te kort te doen, moet ik ronduit verklaren, dat de laatste schelling veel minder in dit eerbetoon deelde, dan zijne vier medgezellen.

Ziedaar mij dan eindelijk in het rijtuig, dat mij van dit verwenschte Keizerlijk Hof verwijderde, terwijl ik bij mij zelven eenen duren eed zwoer, om nooit van mijn leven er eenen voet weder in te zetten. Onder het rijden (de geleerdheid is toch eene heerlijke zaak!) herinnerde ik mij gedurig den wijzen Cato. Telkens, wanneer hij zich in den raad te Rome liet hooren, wat dan ook het onderwerp mogte zijn, waarover gehandeld werd, sloot hij met deze woorden. "Dit is mijn gevoelen, en dat Carthago verdelgd moet worden!"

En zoo zal ik ook, indien immer een mijner landgenooten, naar Londen willende gaan, mij onderrigting komt vragen van hetgeen hij daar te doen of te laten heeft, hem, met het grootste vermaak der wereld, mijne ondervindingen en opmerkingen, welke ik daar gemaakt heb, mededeelen; maar ik zal altijd eindigen met de woorden: "ende en neemt uwen intrek niet in het Keizerlijk Hof van St. Petersburg!"

V.

DE BEGRAFENIS.

Mijn nieuwe vriend, de heer C..., hield getrouw woord: met den klokslag van elven was hij reeds bij mij.

"Wat beschouwt gij daar zoo ernstig?" zeide hij, ziende, dat ik mijne oogen stijf op het schuifraam gevestigd hield.

--"Ziet gij dan niet vlak over mijne vensters," hernam ik, "die twee mannen met hunne zwarte tabbaarden, even als onze Fransche dorpkosters, die ieder eenen grooten, met zwart laken bekleeden stok in de hand hebben, waarvan de knop veel overeenkomst met de kolf van een geweer heeft, die de armen gekruist, de oogen stijf op den grond gevestigd houden, en die geene de minste beweging maken, in één woord, die veel op onze standbeelden in de tuinen gelijken, en gevoegelijk tot vogelverschrikkers zouden kunnen gebezigd worden, om de vruchtboomen tegen den snoeplust van het gevleugelde volkje te beveiligen? Zij staan daar reeds zoo lang, als ik mij hier bevind, en schijnen wel aan den grond genageld."

"--Er is een lijk in dat huis, en men gaat het begraven: die twee mannen zijn aansprekers of doodbidders."

"--Zullen wij dan deze plegtigheid nog voor ons vertrek kunnen zien?"

"--De staatsie zal juist niet prachtig zijn. Ik heb de overledene eenigzins gekend: zij was eene oude vrijster van eene goede familie, die slechts zijdelingsche erfgenamen en verre bloedverwanten achterlaat, en dezen zullen denkelijk geene groote kosten voor hare begrafenis willen maken. De proef op de som, dat zij weinig achting voor hare nagedachtenis hebben, blijkt duidelijk daaruit, dat men haar nu reeds laat begraven, niettegenstaande het slechts,--ja, laat eens zien! slechts acht dagen zijn, dat zij overleden is."

"--En gij zegt slechts? Mijn Hemel! voor zes dagen had men haar al onder de aarde moeten bezorgen."

"--Geenszins, lieve vriend! in Engeland begraaft men de dooden niet eerder, dan tien, twaalf, ja somtijds vijftien dagen na hun overlijden, ten minste nooit vroeger, dan na verloop van eene volle week."

"--Lieve hemel! op zulk eene wijze doet men den dooden eene eer aan ten koste van de levenden! De goede God verleene al den inwoners van dit huis eenen blakenden welstand, ten minste zoo lang als ik er zal blijven wonen!--Buiten twijfel zult gij mij, op mijne aanmerking tegen dit barbaarsche gebruik, nogmaals toevoegen: het is de mode?"

"--Juist, en wanneer men dit gezegd heeft, houdt alles op: hiertegen is immers niets in te brengen! Echter zoude ik nog kunnen aanmerken, dat deze gewoonte haren oorsprong verschuldigd is aan de vrees, om niet levend begraven te worden, en dat de overblijvenden meenen, op geene betere wijze hunne liefde en verkleefdheid aan den overledene te kunnen betoonen, dan door, zoo lang mogelijk, de eeuwige scheiding te vertragen."

"--Bravo! Ik zie klaar, dat de Engelsche gebruiken in uwen persoon steeds eenen ijverigen verdediger vinden."

"--Neen, geen' verdediger; maar sinds vijf en twintig jaren, dat ik dit land bewoon... Doch zie, zie eens! de optogt begint!"

Ten spoedigste hernam ik mijne plaats aan het venster. De twee zwarte standbeelden hadden zich eindelijk in beweging gesteld en stonden nu naast elkander, om den optogt te openen. Een derde, even eens gekleed en uitgedost, had op zijn hoofd eene soort van beschuitmandje, eenigzins langwerpig, ten naastenbij drie voet lang en achttien duim breed, geheel met zwart laken bekleed, en met twaalf witte rozen versierd, ter eere van den maagdelijken staat der overledene, welken zij, sinds vijf en zeventig jaren, ongeschonden (incredibile dictu!) bewaard had.--Bij deze gelegenheid kwamen mij de witte pluimen, waarmede men de muilezels in Spanje optooit, onwillekeurig voor den geest.--In dit zonderlinge kostuum plaatste de manddrager zich achter de twee standbeelden, en bleef, even als zij, beweegloos, tot dat het geheele geleide in behoorlijke orde was gerangschikt.

Nu droeg men de doodkist naar buiten: zij was met geen doodkleed behangen, zonder twijfel, dewijl men derzelver fraaiheid door de geheele buurt wilde doen bewonderen. Ook scheen zij mij zeer hecht en sterk, en veel langer en breeder, dan onze doodkisten, hetgeen ook ligtelijk te begrijpen is, wanneer men weet, zoo als ik naderhand vernomen heb, dat de lijken in Engeland geenszins, als bij ons, stijf in een laken, het doodlaken genaamd, gewikkeld, maar los en vrij in de kist gelegd worden, waar men hun eene soort van kussen onder het hoofd plaatst, ten einde gemakkelijk en ongehinderd te rusten. De kist was geheel zwart, sterk gevernist en rondom met kleine spijkertjes met vergulde knopjes beslagen, zoo ten naastenbij als onze nieuwerwetsche stoelen: ook waren de wapens van de oude vrijster, die van eene adelijke familie was, keurig geschilderd en verguld, er niet op vergeten. Nu bedekte men de kist met een zwart fluweelen doodkleed, met witte franjes, en zij werd opgenomen door vier dragers, die eenigzins anders gemanteld waren, dan de drie vorigen; ook scheen de kleur dier mantels in vorige tijden tot de zwarte behoord te hebben, doch thans was het, zonder twijfel door het tijdverloop van eenige jaren, moeijelijk te bepalen, of zij onder de roode of grijze moest gerangschikt worden. Om dus, vrij van alle dwaling, met zekerheid te werk te gaan, daar ik met opzet niemand, zelfs niet eens eenen Engelschen rouwmantel, wil beleedigen, bestempelde ik ze bij mij zelven met den naam van--vaal.

Vervolgens de bloedverwanten of vrienden der overledene de monstering doende passeren; telde ik achtien stuks, in diepen rouw en met groote neerhangende hoeden, of zoogenaamde huilebalken, twee en twee de doodbaar volgende, en allen, zoo mannen als vrouwen, in een zwart hulsel gewikkeld van het zelfde maaksel, als de domino's, waarmede men in Frankrijk op de gemaskerde bals verschijnt. Ook hadden allen wit leeren handschoenen aan, en waren van groote zakdoeken voorzien, waarmede zij, van tijd tot tijd, aan hunne oogen wreven, om de tranen af te droogen, die voornemens mogten zijn, huns ondanks, los te breken.

"Ik wenschte, dit schouwspel wel ten einde te zien;" zeide ik tegen mijnen vriend. "Kunnen wij den trein niet volgen?"

"O ja, waarom niet!" gaf hij mij ten antwoord; "kom aan, laat ons dan vertrekken!"

Met deze woorden begaven wij ons op weg en volgden den optogt tot aan de kerk. De predikant deed een zielroerend gebed, vervolgens nam men het lijk weder op en droeg het, door den geheelen trein gevolgd, grafwaarts, waar nogmaals veel treffender en langer voor de zalig ontslapene moest gebeden worden. Ook dezen gang wilde ik mede doen; doch wij werden door eene vreesselijke regenbui overvallen, welke echter den trein geenszins verhinderde, zijnen marsch te vervolgen, en dat wel met ongedekten hoofde, hetgeen hier eene conditio sine qua non is. Wat ons betrof, die niet gehouden waren, deze plegtigheid ten einde toe bij te wonen, wij troffen, bij geluk, eene huurkoets aan, waarin wij onze schuilplaats namen.

Onder weg verhaalde mij mijn vriend, dat men, na het begraven van het lijk, in dezelfde orde naar het huis van de overledene terugkeert, alwaar het testament, zoo er namelijk een bestaat, dadelijk moet voorgelezen worden, en dat eindelijk de geheele historie met eenen smakelijken maaltijd wordt besloten, waarvan somwijlen eenigen der bloedverwanten, door wijn en bier bedwelmd, voor dood naar huis worden gebragt, doch gemeenlijk den anderen morgen zeer welvarende (eene geringe hoofdpijn uitgezonderd) ontwaken.

Verder zeide mij de heer C..., dat, wanneer er eene prachtige uitvaart plaats heeft, de kist in eene, met zes paarden bespannen, koets grafwaarts wordt gevoerd, en dat alle tot de plegtigheid genoodigde personen in dat geval hunne koetsen zenden, zoo dat men, bij de begrafenis van eene voorname personaadje, dikwijls eenen trein van twintig of dertig ledige koetsen kan aantreffen.

Den volgenden morgen zag ik aan het huis van mijne overledene buurvrijster onder de vensters dat gedeelte, hetwelk zij bewoond had, het wapenschild op eenen zwarten grond gespijkerd, met het opschrift: Resurgam!--Ik zal weder opstaan!--Zulk een schild wordt niet weggenomen, voor dat de volle rouw geeindigd is.

Dit gebruik neemt men hier zeer zorgvuldig in acht met betrekking tot al degenen, die wapens voeren; en daar het opschrift naar welgevallen kan verkozen worden, vindt men bij de lijkbezorgers steeds eenen ruimen voorraad van deze spreuken, waaruit men zijne gading kan zoeken, even als uit de staalkaart van eenen lakenkooper, welke de kleermaker medebrengt, als hij de maat van een nieuw kleed komt nemen.

VI.

HIER HOUDT MEN OPENE TAFEL!

Wij stapten uit de koets ter plaatse, waar mijn vriend C... gewoonlijk zijne graage maag onthaalde, en deze maagversterkende woning werd in de Engelsche taal Chop-house genoemd. Maar, hoe nu dit woord in onze taal over te brengen?--Zal ik zeggen, wij stapten af bij den kok?--Neen; deze uitdrukking is te grootsch, en voldoet geenszins aan het bedoelde.--Zal ik dan het woord herberg bezigen? Neen; deze beduiding is wederom te gering: ook is het in den eigenlijken zin geene herberg; dewijl men er wel kan eten, maar geen nachtverblijf houden. Willen wij het gaarkeuken noemen?--ja, dit heeft er wel zoo iets van, maar het is zoo gaarkeukenachtig, en bevalt mij ook niet ten volle.--Hier dunkt mij, den driftig gebakerden lezer te hooren uitroepen: noem het, zoo als gij wilt, en vervolg slechts! Geduld, lieve vrienden; geduld! ik zal trachten, u genoegen te geven, en mij door eene kleine omschrijving uit deze verlegenheid te redden. Ik neem dus de vrijheid, om een uithangbord voor het, ter voeding en verkwikking geschikte, huis op te hangen, met de volgende, voor ieder eerlijk christenmensch verstaanbare, woorden:--Hier houdt men opene tafel!--Ha! Nu geloof ik, zijn wij er zoo ten naasten bij, en indien dit opschrift den geëerden lezer al geen volledig denkbeeld kunne geven, dan kan ik hem echter, op mijn geweten, verzekeren, dat het ten minste het best geschikte middel is, hetwelk onze taal oplevert, om de ware bedoeling van Chop-house te bevatten.

In verscheidene kamers staan gedekte tafels met de noodige stoelen, van des middags te drie tot des avonds te zeven ure voor den gaanden en komenden man gereed. Zoodra men gezeten is, komt de knecht u de keukenceel van dien dag aanbieden. De hoofdschotels zijn altijd gebraden ossen-, schapen-, kalfs- en varkensvleesch, somwijlen ook hetzelfde vleesch op eene andere wijze gereed gemaakt, bij voorbeeld, een, stuk gekookt ossen- of schapenvleesch, eene warme kalfs- of schildpadpastei (maar waarom toch bestempelt men in Engeland, zoo wel als in Frankrijk, een geregt met den naam van Schildpadpastei, waar mogelijk nimmer een greintje vleesch van dit tweeslachtige dier in gevonden wordt?) Somtijds werd mij ook een stuk van een gebraden hart, coeur roti, voorgediend, doch nooit heb ik harts genoeg gehad, om er van te proeven. In het algemeen is al het gebradene, dat in Engeland wordt opgedischt, zeer goed, vrij malsch en sappig, en het is dus bezijden de waarheid, dat het vleesch half gaar wordt gegeten: in tegendeel heb ik het dikwijls eerder te veel dan te weinig gebrade bevonden. Maar zoo gij immer in Engeland mogt komen, mijne waarde landgenooten, waagt uwe tong en u verhemelte dan vooral niet aan de ragouts; ik herhaal het ernstig, wacht u voor de ragouts! De bekende vergiftiger Mignot, van wien Boileau spreekt, zou hier, als een uitstekend kunstenaar, den grootsten opgang hebben kunnen maken, en zijnen naam tot aan de wolken verheffen. De eenige smaak, welken men in deze Engelsche ragouts kan ontdekken, is de peper, waarmede zoo ruimschoots wordt omgesprongen, dat, niettegenstaande dezelve altijd met eene tamelijke portie water vergezeld is, nogtans en tong en mond in lichtelaaije vlam schijnen te staan. Daar men in Engeland altijd groenten bij het vleesch gebruikt, kan men zich, naar verkiezing, van aardappelen, wortelen, rapen, kool, erwten of spinazie bedienen, namelijk zoodanig, als moeder natuur ze heeft voortgebragt, (dat is te zeggen) ongestoofd en enkel in water gekookt.

Vervolgens worden, overeenkomstig het saizoen, pruimen-, appelen-, peren- en rozijnentaarten, als ook verschillende soorten van puddings opgedist. Deze laatste benaming geeft men aan alle tusschengeregten, welke uit gebak bestaan, bij voorbeeld, onze rijsttaarten noemt men hier rijstpuddings. Hunne plumb-pudding, onder anderen, is een welgesuikerd gebak, vol met rozijnen, waarvan de Engelschen veel werk maken, schoon het een zeer middelmatig geregt is. Deze plumb-pudding wordt warm gegeten, sommigen doen er boter bij, anderen brandewijn, en anderen wederom nuttigen dezelve met peper en mosterd.

Men heeft hier tweederlei brood, het eene heet Engelsch en het andere Fransch, het laatste is ook inderdaad een weinigje minder hard en bruin, dan het eerste. Meer dan eens heb ik opgemerkt, dat de Engelschen, niettegenstaande hunne nationale trotschheid en vooringenomenheid, altijd de voorkeur aan het vreemde brood gaven, en dat hun oog even zoo geoefend in het onderscheiden, als hunne hand vaardig in het grijpen was, wanneer er nog slechts twee of drie stukken in den broodkorf lagen.

In deze Chop-houses mogen geene wijnen noch sterke dranken verkocht worden: men kan er derhalve niets anders dan klaar water bekomen, en daar den tafelhouders verboden is, het water op prijs te stellen, hebben zij de edelmoedigheid, het voor niet te geven. Maar daarentegen houdt de eene of andere tappersjongen uit de buurt, vlak bij de deur van de eetzaal post, en van dezen kan men bier krijgen zoo veel, en van welke soort men verlangt, mids boter bij den visch, hetgeen ook zeer goed is; want door het gewoel en de drukte zou de verkooper er zeer ligt eenige pences bij kunnen inschieten, welke hij voor het aan hem uitgereikte bier zijnen meester zou moeten vergoeden.

Ja, heeren Franschen! bier, van welke soort gij verlangt! Gij zijt trotsch op uwe wijnen van Bourdeaux, Bourgogne en Champagne; maar de Engelschen kunnen drie voorname bieren opnoemen. 1o. Klein bier, hetgeen zij, bij verkiezing, tafelbier noemen, omdat het woordje klein juist niet welluidend genoeg klinkt in de ooren van lieden, die voor het groote geboren zijn. Ook is dit bier de gewone drank van het gemeen, en kost niet meer dan vier Fransche stuivers het pintje. 2o. De ale, die voor negentien stuivers verkocht wordt, en inderdaad zeer goed en smakelijk en oneindig beter, dan onze beste Fransche bieren, is. 3o. De porter, die tusschen beiden staat, en waarvoor men zes stuivers bij het pint betaalt. Deze-alleen kan op den duur bewaard worden, en op flesschen of kruikjes getapt, wordt hij hoe langer hoe beter, en, naar mate van zijnen ouderdom, des te duurder verkocht. Eindelijk worden deze onderscheidene soorten van bieren nogmaals in bijzondere klassen en onder verschillende benamingen gerangschikt, even als wij Bourgogne-wijn van Pomard, Beaune en van Clos-Vougeot hebben.