Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815.
Part 13
--"Waarschijnlijk zult gij mij in een kunstkabinet van wassen beelden brengen? Doch ik moet u waarschouwen, dat ik Curtius en zijne opvolgers reeds gezien heb."
--"Gij bedriegt u, mijn vriend! Integendeel zult gij iets zien, dat gij nog nooit gezien hebt. Evenwel wil ik u gaarne toestemmen, dat hetgeene gij zult hooren, niet geheel en al vreemd voor u zal zijn; en het is niet zonder moeite, dat ik twee toegangskaartjes bekomen heb."
"Hoe veel kosten zij?"
--"Niets."
--"Niets? ik bewonder de Engelsche edelmoedigheid! Maar juist deze zelfde edelmoedigheid geeft mij eene geringe verwachting van hetgene wij zullen zien."
--"Schort ten minste uw oordeel op, tot gij gezien en gehoord hebt."
Nu maakte ik geene verdere tegenwerpingen, en aldra kwamen wij pratende voor een groot gebouw, hetwelk ik terstond als de School van Westmunster herkende. Men deed ons in eene genoegzaam ruime zaal binnentreden, waarin een tooneel was opgerigt, hetwelk zich vrij goed liet aanzien. Niet zonder veel moeite gelukte het ons, plaats te krijgen; want het gezelschap was reeds te naastenbij voltallig. Eindelijk gezeten zijnde, zeide ik tegen mijnen vriend: "ziedaar ons dan geplaatst; nu ontbreekt er niets meer aan, dan dat men spoedig begint."
--"Zoo ver is het nog niet!" hernam mijn vriend; "wij zullen nog een oogenblik geduld moeten hebben; wacht slechts!"
Gelukkig echter behoefden wij niet lang te wachten; want de gordijn werd spoedig opgehaald.
Het tooneel stelde een marktplein voor. Er trad een slaaf op, in Grieksche kleeding, en sprak, gedurende twee of drie minuten, zonder dat het mij mogelijk was, een enkel woord van hetgene hij zeide, te verstaan. Vervolgens kwam er een tweede slaaf te voorschijn, en mijne oplettendheid verdubbelende, meende ik eenige Latijnsche woorden te onderscheiden.--"Ik geloof waarachtig," zeide ik tegen mijnen vriend, "dat het een Latijnsch stuk is, hetwelk hier gespeeld wordt."
--"Zonder twijfel, het is de Phormio van Terentius."
--"Hadt gij mij dit vooraf gezegd, dan zoude ik mij van eenen Terentius voorzien hebben, ten einde de spelers te kunnen nagaan."
--"Ik heb op alles gedacht. Ziedaar een Terentius."
Dadelijk sloeg ik het stuk op, dat gespeeld werd, en ging de tooneelisten na, die echter het Latijn even als het Engelsch uitsprekende, aan de zoetvloeiende taal van Virgilius eenen wanklank gaven, welke mij alles onverstaanbaar maakte, en mij tevens het ongelukkige tijdstip herinnerde, waarin de Barbaren van alle zijden op het Romeinsche gebied losstormende, hetzelve verwoestten, en onderling de overblijfselen deelden. Wat, voor het overige, het spel der handelende personen betrof, dit was niet geheel te verwerpen: hunne gebaren en standen waren zeer natuurlijk en wel overeenkomstig met de karakters, welke zij moesten voorstellen: ook speelden zij hunne rollen met warmte, en vermijdden tevens zorgvuldig het eentoonige van stem. De vrouwenrollen werden insgelijks door jonge scholieren vervuld; en de kleeding en verdere toestel konden niet beter gewenscht worden.
"Gij hebt mij niet bedrogen," zeide ik, in het uitgaan, tegen mijnen vriend; "ik heb deze vertooning niet zonder deelneming en genoegen bijgewoond. Nogtans geloof ik, dat, bijaldien Terentius dezelve met zijne tegenwoordigheid vereerd had, hij slechts matig zou zijn voldaan geweest over de wijze, waarop zijne verzen werden opgezegd, en dat hij de spelers echte Barbaren zou genoemd hebben. Daarenboven heeft in deze tijden iedere beschaafde natie aan het Latijn de uitspraak van hare eigene taal geleend, en waarschijnlijk heeft niemand hunner den regten tongval. Maar wordt hier dikwijls gespeeld?"
--"Alle jaren ééns, en wel omtrent dezen tijd. Het is reeds sedert onheugelijke jaren een vastgesteld gebruik in de school van Westmunster, om door de kweekelingen, omstreeks den vijftienden December, een Latijnsch tooneelstuk te doen geven."
--"Het doet mij leed, dat ik het zeggen moet, maar dit is al weder een gebruik, hetwelk ik geenszins kan goedkeuren. Immers kan het, mijns oordeels, nergens toe dienen, dan om bij jonge lieden de gevaarlijke zucht voor het tooneel op te wekken, en gevolgelijk der maatschappij, in stede van ijverige, werkzame burgers, ledigloopers en laffe grappenmakers te leveren."
--"Maar dit gebruik heeft ook in Frankrijk plaats gehad."
--"Daarom is het niet prijzenswaardiger. Integendeel was het in Frankrijk nog minder te vergeven dan hier. De scholieren van Westmunster prenten ten minste nog goed Latijn in hun geheugen, daar integendeel in de Fransche kollegien de jonge lieden niets anders leerden, dan eenige barbaarsche verzen van vader Caussin, welke niet meer gelezen worden, en van eenige anderen, welkers namen ter naauwer nood bekend zijn. Dit misbruik is echter afgeschaft door de voormalige hoogeschool te Parijs, dat achtingswaardige ligchaam, hetwelk, tot onberekenbaar nadeel voor de maatschappij, nog niet weder hersteld is. Wel is waar, er kwam geen heer van schei- en wiskundigen uit te voorschijn, en in deze tegenwoordige eeuw, waar alles zoo gewikt en gewogen wordt, is men bijna verpligt, om aan deze twee wetenschappen de voorkeur te geven."
--"De voorstanders der tooneelvertooningen in de scholen beweren echter, dat de jonge lieden daardoor eene zekere losheid en bevalligen zwier verkrijgen."--
--"Ongetwijfeld, ten naastenbij als men door het lezen der almanakken vorderingen in de sterrekunde kan maken, of in de bouwkunde door het zetten van kaartenhuisjes, of eindelijk, zoo als men zich in de berekening der wetten van zwaarte en het evenwigt bekwaam zou kunnen maken door het spelen met eenen duikelaar, waarmede zich de kinderen vervrolijken."
XXXI.
DE ZELFMOORD.
Eene geheel nieuwe vertooning moest den laatsten dag van mijn verblijf te Londen kenmerken.
De derde verdieping van het huis, waar ik op de eerste mijn verblijf hield, werd bewoond door eenen handwerksman, die in eene fabriek het toezigt hield over de gereedschappen en werktuigen, en wiens inkomen voldoende was, om zich het noodige te kunnen bezorgen. Altijd was hij gewoon, des morgens te acht ure naar zijn werk te gaan, en nu was het reeds tien ure geslagen, en nog had men hem niet te voorschijn zien komen. Onze huisvrouw duchtende, dat hij misschien ziek was, of dat hem het een of ander mogt zijn overgekomen, klopte bij hem aan. Dit eenige malen herhaald hebbende, zonder antwoord te bekomen, werd zij met reden ongerust en ging er derhalve terstond kennis van geven aan het geregt: de kamer werd geopend, men vond hem uitgestrekt op den grond, badende in zijn bloed, en geheel koud en stijf, zoodat hij reeds verscheidene uren moet dood geweest zijn: het scheermes, hetwelk hij gebruikt had, om zich den hals af te snijden, lag naast hem, en op eene tafel lag een beschreven papier, met de volgende woorden: "Niemand is oorzaak van mijnen dood. Het leven behaagt mij niet meer. Wat is het leven? Eten, drinken, slapen, werken, rusten, en den anderen dag al weder van voren af aan. Deze eentoonigheid verveelt mij, en daarom wil ik iets nieuws beginnen."
Telkens, wanneer iemand door eenen geweldigen of schielijken dood zijne dagen eindigt, het zij vrijwillig of bij toeval, roept de regter twaalf personen zamen uit de bloedverwanten, vrienden en buren van den overledenen, en dit twaalftal vormt eene soort van regtbank, welke uitspraak doet over de oorzaak van den dood.
Juist ging men zich met dit onderwerp bezig houden, toen ik ten mijnent kwam: ik verzocht dus, dat men mij wilde vergunnen, er bij tegenwoordig te zijn, hetgeen mij ook niet geweigerd werd. Daar de zitting nog niet geopend was, nam ik de vrijheid, om den regter aan te spreken.
--"Gij moet wel veel drukte en bezigheden hebben, mijnheer! want de zelfmoorden zijn, volgens het algemeene zeggen, niet zeldzaam in Londen."
--"Vooroordeelen, mijnheer! loutere praatjes! In het geheele jaar achttienhonderd en veertien, hebben er slechts vijfendertig zelfmoorden in Londen plaats gehad, en andere jaren somtijds nog veel minder."
Nu waren al de getuigen tegenwoordig, en de regter begon hen op de volgende wijze te ondervragen.
--"Heeft armoede of gebrek den overledenen tot deze wanhopige daad kunnen vervoeren?"
--"Neen, mijnheer! men heeft dertig ponden (730 livres), de vrucht zijner bezuinigingen, bij hem gevonden."
--"Was hij dan niet bij zijn verstand?--Had hij verdriet, kwelling?"
--"Niets van dit alles; hij verdiende genoeg, om behoorlijk te kunnen bestaan, was bij ieder wel gezien, en heeft nimmer met eenige menschen verschil gehad."
--"Openbare, ontegensprekelijke krankzinnigheid!--Leefde hij in goede verstandhouding met zijne bloedverwanten?"
--"Hij had slechts eene zuster, en daar zij in behoeftige omstandigheden verkeerde, heeft hij haar meer dan eens ondersteund en uit den nood geholpen."
--"Ware zinneloosheid! Heeft hij ook somwijlen het voornemen doen blijken, om zich van kant te maken?"
--"Nooit."--Dikwijls echter zeide hij, dat het leven hem tot eenen last was, dat hij nergens vermaak in vond, en dat hij geenszins kon begrijpen, hoe men nog zoo lang in deze wereld kon voortsukkelen. Eindelijk heeft men hem, sinds een jaar, niet meer dan eens beschonken gezien.
--"Een volmaakt bewijs van verbijsterde zinnen! Was hij, bij geval, ook onderhevig aan eenige kwalen?"
--"Hij is nooit ziek geweest, en wist zelfs niet eens, wat ziekte was; doch dikwijls klaagde hij over hoofdpijn."
--"Daar hebben wij het! ijlhoofdigheid!--Scheerde hij zich zelf?"
--"Ja, mijnheer! antwoordde hierop een der buren, die een messenmaker was; nog voor twee dagen heb ik het scheermes, dat hij gebruikt heeft, voor hem aangezet."
--"Gij ziet dus, mijne vrienden! dat hier geen bepaald voornemen tot zelfmoord heeft plaats gehad; want met voordacht heeft hij geen werktuig gekocht, om zich het leven te benemen; o neen, hij heeft zich slechts bediend van dat, hetwelk het toeval, in eene vlaag van zinneloosheid, hem in de handen voerde."
--"Derhalve, mijne heeren! hier bestaat geen zelfmoord. Zijt gij allen van dit gevoelen?"
--"Ja, mijnheer!--Ja!--Ja!--Ja!--En het besluit van het regterlijk onderzoek was het volgende: Een geweldige dood, veroorzaakt door eenen aanval van ijlhoofdigheid."
--"Hoe!" zeide ik tegen mijne hospita, zoodra ik met haar alleen was; "is dat geen zelfmoord? Het geschrift, dat deze ongelukkige heeft achtergelaten, de voorzorg, welke hij genomen heeft, om zijn mes te doen aanzetten, ten einde zeker van zijne zaak te zijn, zijn dit geene openbare en ontegenzeggelijke bewijzen, dat hij wel degelijk het voornemen gehad heeft, om zich voorbedachtelijk van het leven te berooven, en dat het geenszins een aanval van krankzinnigheid is geweest?"
"Mijnheer!" gaf zij mij ten antwoord, "de Engelsche wetten tegen deze misdaad zijn zoo gestreng, dat men, zoo veel mogelijk, vermijdt, ook zelfs den onbetwistbaarsten zelfmoord als zoodanig te erkennen. Van dertig of veertig rampzaligen, die aldus hun leven eindigen, wordt naauwelijks één voor eenen zelfmoorder verklaard. Eenigen tijd geleden, had zich een zeker aanzienlijk man, even als deze ongelukkige, den hals afgesneden, en er was bijna geene mogelijkheid, om hem niet voor eenen zelfmoordenaar te doen verklaren; doch, wat vindt men uit? In de tegenwoordigheid van eenige heelmeesters en artsen doet men het hoofd ontleden, en deze heeren vonden klare bewijzen van krankzinnigheid in het zamenstel der hersenen."
"Nu, dacht ik bij mij zelven, verwonder ik mij niet langer over het kleine getal van zelfmoorden, welke te Londen plaats vinden!"--"Maar, hernam ik, welke zijn dan toch de gestrenge wetten, die hier tegen den zelfmoord bestaan?"
--"De lijken der zelfmoorders worden op horden weggesleept, en mogen niet bij andere eerlijke Christenen begraven worden; ook worden al hunne goederen verbeurd verklaard."
--"Wel dat is overheerlijk! Aldus worden de kinderen of nabestaanden gestraft voor de misdaad hunner ouderen of bloedverwanten! Waarlijk, eene verstandige wet, waartegen niets is in te brengen?"
--"Maar, mijnheer! de natuurlijke liefde van de ouders voor hunne kinderen moet hem juist daarom alleen van den zelfmoord terughouden, en ziedaar de eigenlijke geest en strekking van deze heilzame wet."
--"Maar indien deze overweging de ouderen nu eens niet terughoudt, zijn dan de ongelukkige kinderen niet evenwel de beklagenswaardige slagtoffers? Neen, foei! foei! Het is eene onmenschelijke wet!."
Beter zonder twijfel had men het uitwerksel eener wet op den menschelijken geest berekend in eene zekere stad van het aloude Griekenland, waar eensklaps onder de jonge meisjes, van vijftien tot twintig jaren, eene aanstekende ziekte of soort van dolheid ontstond, welke haar aanzettede, om zich van het leven te berooven.--Bij deze wet bepaalde de regering, dat alle meisjes, welke de handen aan zich zelve sloegen, en aldus haar leven eindigden, na haren dood geheel naakt aan hare deuren zouden ten toon gesteld worden. De vrees voor zulk eene schande bewerkte hare genezing, niemand wilde zich hieraan bloot stellen, en de moordlust der jeugdige schoonen was verdwenen.
XXXII.
HET AFSCHEID.
Reeds des morgens te negen ure had ik het genoegen, den heer Croquis bij mij te zien. Zijne oogen fonkelden van blijdschap; de tevredenheid, welke hij slechts sinds vierentwintig uren had mogen smaken, scheen reeds eenige rimpels van zijn voorhoofd gevaagd en zijne verslapte wangen eene nieuwe veerkracht gegeven te hebben. Zijne kleeding was nog dezelfde, met dit onderscheid, dat hij over zijn oud kleed eenen nog bijna nieuwen overrok had aangetrokken: ook meende ik aan de dikte van zijne beenen te kunnen bemerken, dat onder zijne slopkousen een paar goede wollen kousen huisvestten. Zeker had hij den vorigen dag deze koopjes gedaan voor een klein gedeelte der vierhonderd franken, welke hij zoo juist van pas van zijnen broeder ontvangen had.
"En waar is uw goed?" vroeg ik hem.
"Och!" antwoordde hij glimlachende, "ik ben in hetzelfde geval als de Grieksche wijsgeer: omnia mea porto mecum; en ik kan gerust met Don Japhet van Armenie zeggen:
"Mijn have en al mijn goed, gebonden in een pak, Berg ik in eene kous, en steek die in mijn' zak."
Nu kwam mijn vriend C... insgelijks; en wij begonnen te ontbijten.
"Komaan!" zeide ik schertsende tegen Croquis, en bood hem een kop thee aan, "laat ons den afscheidswijn niet sparen!"
"Een lekker wijntje!" hernam hij: "ach, was ik slechts te Calais, om uit grond van mijn hart te kunnen zingen:
Triste boisson, j'abjure ton empire!
Neen, zoo lang ik leef, wil ik geen thee, noch bier meer aanzien, en veel minder gebruiken.
--"Wat spijt het mij," zeide mijn vriend C..., "u in deze oogenblikken te zien vertrekken; gij verlaat Londen juist op het tijdstip, waarin het al zijnen luister ten toon gaat spreiden. Binnen veertien dagen zal alles van buiten weder in de stad zijn."
"In Parijs is men reeds terug!" zeide Croquis.
--"De wandeling in Hijde-Park en Kensingtons-Tuinen zal veel aangenamer zijn, en gij zult er oneindig meer gezelschap aantreffen, dan den laatsten zondag."
"De Tuileries zullen u schadeloos stellen!" zeide Croquis.
--"Gij zoudt de tentoonstellingen der werken en schilderstukken van de voornaamste nog levende Engelsche meesters hebben kunnen bijwonen, welke jaarlijks in Februarij plaats heeft."
"In Parijs zult gij," zeide Croquis, "de meesterstukken van eenen David, Regnault, Guerin en Girodet zien; deze toch kunnen tegen de Engelsche wel opwegen. Dat Londen ons eens dergelijke namen oplevere!"
--"Gij hadt onze Opera kunnen bijwonen, die spoedig zal beginnen, en gij zoudt onze danseressen bewonderd....."
"Maar niet aangetroffen hebben," zeide Croquis, "eene Gardel, eene Bigottini, eene Clotilde, eene Gosselin."
"Gij hadt onze Concerten, onze gemaskerde bals kunnen bezoeken."
"Dat is ook waar," zeide Croquis, "even als of het u te Parijs daaraan zal ontbreken! Lieve hemel! dit is bij ons immers dagelijksch brood."
--"Op Drie-Koningen zoudt gij onze banketbakkerswinkels verlicht en met eene ontelbare menigte en verscheidenheid van allerlei gebak en lekkernijen van onderscheidene kleuren en gedaanten gestoffeerd gevonden hebben."
"De Lombardstraat te Parijs," zeide Croquis, "en het Palais-Roijal zullen u dit gemis vergoeden."
"Den drie en twintigsten Januarij zoudt gij den optogt der regters gezien hebben, die, na alvorens bij den Lord-Kanselier het ontbijt genomen te hebben, hunne zittingen in Westmunster gaan openen."
"Gij hebt de Roode-Mis te Parijs gezien," zeide Croquis, "dat is wat anders te zeggen!"
--"Hoe veel opmerkenswaardigs is er niet nog te Londen, dat gij niet eens den tijd hebt gehad om te kunnen beschouwen! Gij zijt in geene van onze kleine schouwburgen geweest!"
"Gij zult," zeide Croquis, "onze melodrames op de Boulevard zien vertoonen, alvorens zij den verbazendsten toevloed in de groote schouwburgen te Londen tot zich trekken."
"Gij hebt het beroemde hospitaal voor oude en zieke zeelieden, te Greenwich gesticht, nog niet gezien."
"Gij zult u gaarne met dat van de Invalides te Parijs vergenoegen!" zeide Croquis.
"Het voortreffelijke Observatorium, dat daar is aangelegd, en waar gij de uitmuntendste camera obscura vindt, welke in eenig land aanwezig is."
"Maar die dermate obscur of verdonkerd is," zeide Croquis, "dat men dezelve niet kan genaken zonder een bijzonder verlof van den eersten sterrekundigen, die met het oppertoevoorzigt is belast, en tot welks verkrijging men schier hemel en aarde moet bewegen. Daarover kunt gij u derhalve troosten met het Observatorium te Parijs, en de camera obscura op de Pont-Neuf.
"Gij hebt onze harddraverijen, hanengevechten en vossenjagten nog met bijgewoond; gij zijt nog niet op eene van onze fraaije buitenplaatsen geweest; in een woord, een vierde gedeelte der merkwaardigheden, welke deze schoone stad bevat, is u nog onbekend."
"Gij hebt dertig jaren te Parijs doorgebragt," zeide Croquis; "neem nu slechts de moeite, om alles, wat gij hier nog niet gezien hebt, daar te bezigtigen, en ik verzeker u, dat gij er vrij meer voorwerpen zult vinden uwer opmerking dubbel waardig, dan geheel Londen u zou kunnen opleveren."
"Hoe vele bijzondere gewoonten, hoe vele gebruiken van de onze verschillende, hoe vele geestige trekken, waarin het Engelsche karakter doorstraalt, blijven u nog ter opmerking over!"
"Ik zal terugkomen," zeide ik, "ik zal zeker terugkomen; dit laatste artikel wekt mijne nieuwsgierigheid op; en wel veel meer, dan al het overige."
"Zie toch eens, hoe laat het is!" zeide Croquis met eene soort van angstige bekommernis; "ik ben in duizend vreezen, dat de wagen zonder ons vertrekt. Hoe onaangenaam, zou het niet zijn, het geld te verliezen, dat wij reeds vooruit betaald hebben, en verpligt te zijn, om ons hier nog een of twee dagen op te houden!"
Ik zag, dat het inderdaad tijd was, om op te breken; ik deed derhalve eene huurkoets komen; wij plaatsten ons in dezelve, en lieten ons aan den postwagen brengen, die juist gereed stond, om af te rijden.
Croquis vloog met dezelfde drift in den wagen, als ik eens een jong mensch in de Tuileries in het schuitje van den luchtbol zag stappen, waarmede hij voor de eerste maal die gevaarlijke reis zou ondernemen.
Ik zeide mijnen vriend C... hartelijk vaarwel, en herhaalde hem mijne welgemeende dankbetuiging voor al de aan mij bewezene beleefdheden. De voerman van onzen wagen blies lustig op zijnen posthoren, met welk aangenaam geluid hij onze ooren streelde, zoo lang wij door de stad reden. Deze horen zou tot een goed tegenstuk kunnen dienen voor den zweep, waarmede onze voerlieden gewoon zijn den ganschen weg langs te klappen.
Eindelijk, lieve lezer! de wagen rolt voort; wij zijn op weg, en hiermede eindigen mijne eerste Vijftien Dagen te Londen.--De hemel spare u en mij, dat er nog een tweede reisje door mij kan beschreven, en door u gelezen worden!
EINDE.
AANTEEKENINGEN
[1] Quinze jours gelden, gelijk men weet, bij de Franschen doorgaans zoo veel, als VEERTIEN dagen, of eigenlijk, twee weken. Daar zij echter tot twee weken, op die wijs, in de daad vijftien dagen brengen, en het uit dit werkje niet duidelijk genoeg blijkt, dat de Schrijver slechts veertien, en niet vijftien dagen, te Londen heeft doorgebragt, heeft de Vertaler, die toch van zijne lezers gaarne vertrouwt, dat zij, op reis zijnde, juist op geenen enkelen dag zien, hier het meerdergetal voor het mindergetal gekozen; wijl quinze toch altijd vijftien blijft, en er bovendien niets in dit luimige reisverhaal voorkomt, waarom quinze hier volstrekt veertien zou moeten heeten. Doch reeds genoeg! Wie zou op zulke, niets ter zake doende, kleinigheden willen vitten!
[2] Op het voorbeeld van den Schrijver, heb ik dezen Italiaan ook zoo laten koeteren. Het Fransch heeft: J'ij suis venou per faire oune etct.--Vert.