Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815.

Part 12

Chapter 123,872 wordsPublic domain

Hier zoude ik met weinig moeite een vrij lang hoofdstuk vol van beschrijvingen en geleerde onderzoekingen kunnen inlasschen, doch daar ik eenmaal bij al, wat heilig is, gezworen heb, mijnen lezers nimmer voorbedachtelijk een slaapdrankje in te geven, zal ik mij geenszins verdiepen in het nasporen, of Julius Caesar den Tower heeft laten bouwen, die zijnen naam voert, en of de zoogenaamde Witte Toren, die nogtans even zoo zwart en berookt is, als al de anderen, Willem den Veroveraar tot stichter gehad heeft: ook wil ik mij in geen geschil inlaten, in welk vertrek Hendrik VI., op last van Eduard IV., den dood heeft ondergaan; of in welk eene andere kamer deze en gene in Engeland beroemde, schoon in andere landen geheel onbekende, personaadjes zijn opgesloten geweest; maar mij liever alleen bepalen tot de verschillende publieke stichtingen, welke in dit uitgestrekte gebouw vervat zijn, en welke allen wij gingen bezigtigen.

Lieden, die met een beestenspel van stad tot stad op de kermissen rond reizen, om het geëerde publiek, tegen billijke betaling, eenige vreemde en uit verre landen aangebragte dieren en vogels te laten zien, hebben altijd de gewoonte, om boven of naast den ingang van hunne vertoonplaats eene schilderij op te hangen, waarop eenige van die merkwaardige voorwerpen zijn afgebeeld. Evenzoo wijst ook hier een geschilderde leeuw den vreemdelingen den ingang van het dierenpark aan. De poort is van eene groote schel voorzien, en de deurwachter staat altijd gereed, om u, tegen betaling van eenen shilling, en nog iets, dat de Engelschen eene erkentenis noemen, en dat in eene vrijwillige extragift bestaat, binnen te laten. Wij behoefden echter niet aan te schellen; want zoo als wij aan de deur kwamen, werd zij juist geopend voor eenen man, die met den deurwachter in gesprek was.

"Jezus mein Gott! riep hij uit, Geld, Geld, und immer Geld!"

"Deze heer is een Duitscher," zeide ik tegen mijnen vriend. Dit had hij gehoord, en zeide daarop terstond tegen mij "Ach, mein Herr, ich kann wohl Englisch und Französich sprechen; es ist aber abscheulich, dass man in diesem fatalen Lande gar nichts sehen und haben kann, ohne Geld!"

--"Ja, dat is hier zoo het gebruik, mijnheer! en daarnaar dient men zich te schikken."

Intusschen hadden wij de taks betaald, en de deurwachter wees ons al de daar logerende gasten, den eenen na den anderen, aan. Het getal der beesten is niet zeer groot: even als te Parijs, zijn zij in naauwe hokken opgesloten, waarin zij, van lucht en beweging verstoken, een plantenleven leiden, en den aanschouwers niets anders aanbieden dan de schaduwe van hetgene zij in waarheid moesten zijn. Laat ons echter hopen, dat wij in de laatstgenoemde stad eenmaal de leeuwen, tijgers en al de andere vreemde dieren met dezelfde onderscheiding zullen zien behandelen, welke men, sedert eenige jaren, voor de beeren gehad heeft, en dan eerst zal Parijs zich kunnen beroemen, een dierenpark te bezitten, hetwelk der hoofdstad van Europa eer aandoet.

Nu verlieten wij het verblijf, waar deze verwoestende schepsels waren opgesloten, om eene plaats te bezigtigen, die diende ter bewaring der stoffe en werktuigen, om voedsel te verschaffen aan de woede en wraakzucht van een schepsel, nog duizendmaal wreeder en bloeddorstiger dan de verschrikkelijkste woudbewoners. De lezer begrijpt ligtelijk, dat ik hier het arsenaal bedoel.

"Wie viel?" vroeg mij de Duitscher, ziende, dat wij de handen in den zak staken.

"Maar drie shillings!" antwoordde ik hem, "en dan de erkentenis!"

"Der Teufel!" riep hij uit, terwijl hij inmiddels zijne schellingen ten offer bragt.

Het arsenaal bestaat uit zes groote afdeelingen. In vier derzelve vindt men eene ongemeen talrijke verzameling van allerlei wapenen en geschut, zoo wel voor voet- en paardenvolk, als voor den zeedienst. In de twee andere afdeelingen wordt een groot aantal zeldzaamheden bewaard, als oude wapenrustingen, schilden, standaarden en andere veroverde eereteekenen, door de Engelschen, ter herinnering van hunne voormalige overwinningen, alhier ten toon gesteld. Ook wordt hier den bezigtiger de bijl vertoond, waarmede de ongelukkige Anna is onthoofd geworden, alsmede een afbeeldsel van de koningin Elizabeth, enz. Van hier kwamen wij in een vertrek, waar de meubelen der Kroon bewaard werden. Intusschen vermaakten mijn vriend en ik ons niet weinig met de grappige houding van onzen Duitscher; want bij iedere andere deur, welke ons geopend werd, trok hij zulke benaauwde gezigten, als of hij op naalden en spelden zat, telkens eene uitroeping doende, welke, hoe langer hoe meer, in den kruistoon eindigde.

"Sacrement!" zeide hij, terwijl hij, met een gespannen en strak gelaat, zijnen shilling aan deze deur paste; "So etwas braucht man zu Wien nicht zu bezahlen. Ich bin zu Neapel, Paris und Madrid gewesen, habe da jede Merkwürdigkeit gesehen, aber immer gratis!"

Men moet echter toestemmen, dat het beschouwen der kostbare en zeldzame voorwerpen, die aldaar bewaard worden, en die op twee millioenen sterling (48,000,000 liv.) geschat zijn, wel eenige shillings waardig is.

Nu bleef de kapel nog ter bezigtiging over, maar mijnheer de Duitscher hield volmondig staande, dat het gezigt van eene Engelsche kapel geenen schelling waardig was, en nam hier afscheid van ons. Wij beiden, mijn vriend en ik, bleven echter bij ons voornemen, doch zagen welhaast, dat hij geen ongelijk had gehad, want wij vonden volstrekt niets, dat eenige aanmerking verdiende.

Hiermede eindigde mijn bezoek aan den Tower, hetwelk mij nu tien shillings (12 fr.) kostte, de verschillende erkentenissen hieronder begrepen.

XXVIII.

EENE ONVERWACHTE ONTMOETING.

Twee dagen voor mijn vertrek was ik den geheelen morgen op de been, om afscheid te nemen van mijne vrienden en kennissen, welke ik te Londen gemaakt had. Ook had ik een en ander gekocht, en gevoelde mij zeer vermoeid: ik besloot derhalve, in den omtrek, waar ik mij bevond, het middagmaal te houden. Ongelukkiglijk was het in eene der voorsteden, die te Londen niet anders dan door de laagste volksklasse bewoond worden. Ik kon dus geenszins verwachten, veel bijzonders op tafel te vinden; doch daar de gourmandise geene mijner hoofdgebreken is, voor welke ik in het grootboek, waarin al onze ondeugden en zwakheden aangeteekend staan, zal ingeschreven worden, en ik buitendien een zeker prikkelend gevoel in mijne maag ontwaarde, hetwelk mij scheen te beloven, dat de eetlust de spijzen kruiden zou, indien er al iets aan mogt ontbreken, bleef ik bij mijn genomen besluit volharden.

Ik stapte dus een huis binnen, waar eenige stukken gebraden en gekookt vleesch, achter een venster geplaatst, schenen aan te kondigen, dat men er iets te eten kon krijgen, en waar tevens achter eene ruit, op een stuk papier, met groote letters geschreven stond, dat er opene tafel, in eene fraaije zaal, op de eerste verdieping, werd gehouden. Boven gekomen zijnde, vond ik echter, in plaats van eene fraaije zaal, een morsig, donker kot: de tafels stonden tegen de muren, welker kleur mogelijk eenmaal wit was geweest, doch thans een vuil grijs opleverde: niet helderder waren de tafellakens, die, zonder vergrooting gesproken, gerust met de vier wanden konden wedijveren. De gasten, welke het gezelschap uitmaakten, schenen tot het laagste gemeen te behooren, een éénige, van wien ik aanstonds zal spreken, uitgezonderd.

Naauwelijks had ik mijnen eersten stap in dit verblijf gezet, of ik bemerkte reeds, dat mijn honger zeer verminderd was: intusschen was ik te ver gevorderd, om weer terug te treden. Ik plaatste mij derhalve aan eene tafel, en verzocht den knecht om een pint ale en een beef-steaks; doch dat verzoek moest ik meermaals herhalen, en dit deed mij denken, dat hij niet gewoon was, dikwijls een middagmaal van zoo veel gewigt te hooren bestellen. En inderdaad, toen ik mijne oogen over al de tafels liet gaan, welke mij omringden, ontwaarde ik niets op dezelve, dan een stuk kaas, en hier en daar een stuk koud vleesch; hetwelk er juist niet zeer smakelijk uitzag, benevens eenige pinten bier van twee pences (hetgeen gemakkelijk te onderscheiden is, want de vorm van het pintje zelve wijst de soort en hoedanigheid van den drank aan, welke het bevat.)

Middelerwijl men zich in de keuken bezig hield met de buitengewone toebereidselen, welke de door mij bestelde geregten vorderden, riep een der gasten, die aan eene andere tafel, digt bij mij, zat, den knecht, om het gelag te betalen. De rekening was niet zeer omslagtig. Twee pences brood, twee pences bier, en eene pence kaas maakten zijne geheele vertering uit. Nu nam hij uit een klein beursje, dat niet al te breed voorzien scheen, eenen halven shilling, die de waarde heeft van zes pences, of twaalf Fransche stuivers, gaf denzelfven aan den knecht, en ontving eene halve pence terug, terwijl hij het overige edelmoedig tot een fooitje schonk, waarna hij diep zuchtende van tafel oprees.

Het was een man van ongeveer vijf voeten en vijf duimen hoogte. Zijne beenen waren, in de volste beteekenis van het woord, volkomene oijevaarsbeenen met een paar zwarte slopkousen bekleed, door welker knoopsgaten men met een weinigje oplettendheid het bloote vel kon zien doorschijnen, en waaruit men derhalve gerustelijk het facit kon opmaken, dat onze vriend de kousen niet onder de noodzakelijke kleedingstukken rekende. Zijne broek, die van dezelfde kleur, doch zoodanig kaal en afgesleten was; dat men niet kon onderscheiden, van welke stof zij gemaakt was, bedekte een paar dijen, niet zwaarder dan een paar lamsbilletjes; terwijl een half blaauw en half geel vest over het gedeelte van zijn ligchaam heen fladderde, waar men zelfs met een vergrootglas geene schaduwe van eenen buik zou hebben kunnen vinden: de geheele romp was behangen met eenen zwarten rok, waarvan beide de ellebogen met wit garen waren toegenaaid, hetgeen men naderhand met inkt besmeerd had, om het in zwart te doen veranderen. Zijne ingevallene wangen schenen zich in zijnen mond te willen verbergen, zijn voorhoofd was vol met diepe rimpels, welke mij echter voorkwamen, meer door rampen en tegenspoed, dan wel door ouderdom, veroorzaakt te zijn. Niettegenstaande dit alles, had hij een moedig voorkomen, en zijn levendig en doordringend oog spreidde eene zekere fierheid ten toon.

Daar zijne trekken mij niet onbekend waren, en ik mij verbeeldde, hem meermaals gezien te hebben, beschouwde ik hem met zeer veel oplettendheid. Bij geval kreeg hij mij insgelijks in het oog, en kwam terstond naar mij toe.--"Hoe!" zeide hij, "tref ik u te Londen, en wel in zulk een prachtig verblijf, aan?"

"Ja, hernam ik, maar ik moet ronduit bekennen, dat ik vergeefs tracht, mij uwen naam te...."

--"Herinneren, niet waar? Ik wil dit gaarne gelooven: sinds de drie jaren, dat wij elkander niet gezien hebben, zult gij mij wel zeer veranderd vinden.--Ik ben Croquis."

Nu herkende ik hem dadelijk, niettegenstaande de ongeloofelijke gedaanteverwisseling van zijnen geheelen persoon. Mijnheer Croquis was een Fransche schilder, die, zonder zich tot den eersten rang dier kunstenaars te hebben kunnen verheffen, op welke de Fransche school tegenwoordig met regt mag bogen, zich echter van de broddelaars had weten te doen onderscheiden, en dien ten gevolge eenigen opgang gemaakt had. Zijn gedrag was steeds zeer fatsoenlijk en geregeld geweest; ook was mij nooit iets slechts van hem ter ooren gekomen; ik kon dus niet begrijpen, hoe hij in dezen ellendigen toestand geraakt was, in welken ik hem, tot mijne groote verwondering, hier aantrof. Ik verzocht hem derhalve, mij gezelschap te houden, en vriendschappelijk met mij te deelen, hetgene voor mij op tafel stond.

"Ik heb reeds gegeten," zeide hij, met eenen bitteren glimlach, "en ik heb niets noodig."

Het gelukte mij echter, zijne beschroomdheid te doen verdwijnen, en hem gadeslaande, zag ik aldra, dat hij geenszins zooveel gegeten had, om zich te verzadigen, maar slechts, om den snerpendsten honger een weinig te stillen.

Ons middagmaal geeindigd hebbende, gaf ik hem, bij het weggaan, mijn verlangen te kennen, om de redenen te weten, welke hem in dezen ellendigen toestand gebragt hadden; en daar hem wel bekend was, dat mijn verzoek geenszins uit nieuwsgierigheid, maar enkel uit een waar belang, hetwelk ik in zijn lot stelde, voortsproot, deelde hij mij zijne droevige historie mede, welke de lezer in de volgende afdeeling zal vinden.

XXIX.

GESCHIEDENIS VAN EENEN FRANSCHEN KUNSTENAAR.

"Gij weet, mijnheer!" zeide hij, "dat mijn penseel mij in Frankrijk het noodige onderhoud verschafte. Eenigen mijner vrienden trachtten mij over te halen, om mij naar Engeland te begeven; daar zou ik, volgens hunne verzekering, geld winnen, zoo veel ik wilde, en binnen weinig tijds een aanzienelijk fortuin kunnen maken. Ik liet mij door deze bekoorlijke uitzigten misleiden, maakte alles, wat ik bezat, tot gereed geld, stelde mijner vrouw en dochter zoo veel ter hand, dat zij in geene twee jaren gebrek behoefden te vreezen, en begaf mij op reis naar Londen, met ongeveer tienduizend livres baar geld."

"Zoodra ik hier was aangekomen, nam ik een goed verblijf in het voornaamste gedeelte van de stad--dat de woningen niet goedkoop zijn, weet gij. Gaarne zou ik mij op eenen minderen voet gezet hebben; doch men had mij onderrigt, dat men in Londen geenen opgang kan maken, wanneer men, onder eene bekrompene levenswijze, te voorschijn treedt. Ik had eenige van mijne werken medegebragt, en mij in alle nieuwspapieren doen aankondigen. In het eerst kwamen mij vele nieuwsgierigen bezoeken, en ik werd overladen met beleefdheden en loftuitingen; maar welhaast vernam ik, dat de kunstenaars van de stad zich tegen mij eene heimelijke zamenzwering hadden veroorloofd, en de logenachtigste geruchten verspreidden, om, dusdoende, de geringe bekwaamheden, welke ik bezat, nog te verkleinen en te belasteren. De stukken, welke ik in mijne zaal ter bezigtiging had opgehangen, ten einde men over mijne behandeling en mijn kunstvermogen zou kunnen oordeelen, werden op het hevigste en onbarmhartigste gegispt en bedild.--Het heette, mijne teekening was niet juist:--het koloriet te schitterend, om zich te kunnen volhouden:--ik verstond niets van de perspectief:--ik wist volstrekt mijn licht en mijne schaduw niet te plaatsen:--de standen mijner beelden waren slecht gekozen:--de kleeding geheel en al smakeloos.--En eindelijk kenden de laster, haat en afgunst mij zelfs niet de geringste dier eigenschappen toe, welke ook de middelmatigste schilder niet mag ontberen.

"Aldus verliepen drie maanden, zonder dat ik iets te doen had. Eindelijk verzocht mij een rijke koopman uit de Citij, zijn portret en die van zijne drie kinderen te maken, te weten, een meisje en twee jongens; doch hij was op het grillige denkbeeld gekomen, om deze vier portretten in een historisch tafereel bij een te willen zien, en daartoe had hij de offerande van Iphigenia verkozen. Hij zelf wilde als Agamemnon geschilderd worden, zijne dochter moest Iphigenia voorstellen, en zijne beide zonen de karakters van Calchas en Achilles verbeelden. Vergeefs stelde ik hem voor, dat dit onderwerp veel bijwerk zou vereischen, vooral een groot aantal beelden, als priesters, soldaten enz.; oogenblikkelijk sloot hij mij den mond, met te zeggen, dat het hem volstrekt op geen geld aankwam. Wij kwamen derhalve overeen, dat hij mij voor deze schilderij vierhonderd guinies zou betalen."

"Ik begaf mij aan het werk, en, om hetzelve des te meer te bespoedigen, wees ik verscheidene leerlingen af, die mij mijne lessen zeer ruim zouden betaald hebben. Ik verzuimde geen oogenblik, en na verloop van acht maanden was mijn stuk ten naastenbij af, toen op zekeren morgen mijn koopman met iemand van zijne kennis in mijne werkplaats kwam, om te zien, hoe ver ik gevorderd was. Deze laatste vond, dat het portret van zijnen vriend niet veel geleek, en ik was ongelukkig genoeg, om dezen bediller te antwoorden, dat de voorgewende fout in de gelijkenis zeker veroorzaakt werd, wijl hij niet gewoon was, zijnen vriend met eenen helm op het hoofd te zien. Van dat tijdstip af had ik geen oogenblik rust, voordat ik mijnen Agamemnon den helm had afgenomen; en mijns ondanks, moest ik het hoofd van den Griekschen vorst met eene ronde Engelsche pruik ontsieren.

"Ook de jonge juffer vond, dat de kleeding van Iphigenia hare gestalte in geen voordeelig licht plaatste, en ik zag mij derhalve genoodzaakt, de Grieksche prinses in een nieuw Engelsch keurslijf te prangen. Om aan den oudsten zoon te behagen, moest de baard van den opperpriester insgelijks worden afgeschoren, en de jongste verkoos, als Achilles in de montering van eenen Engelschen kolonel gestoken te worden.

"Meer dan honderdmaal was ik voornemens, uit verdriet en ergernis al het geschilderde door te halen; doch de vierhonderd guinies hielden mij terug. Dan helaas! toen de dag verschenen was, waarop ik mijn werk moest leveren, vernam ik, tot mijn uiterste hartzeer, dat mijn Agamemnon de belegering had opgebroken, of, om mij verstaanbaar uit te drukken, dat hij bankroet had gemaakt.

"Men ried mij, eener voorname vrouw van smaak, die in de groote wereld verkeerde, verlof te vragen, haar voor niet te mogen portretteren. Dit afbeeldsel, in een harer vertrekken opgehangen, zou de algemeene aandacht tot zich trekken, mijne bekwaamheden bekend doen worden, en mij rijkelijk werk bezorgen. Ik verkreeg ook wezenlijk hare toestemming als een bewijs harer bescherming, en besteedde al mijne zorg en vlijt aan haar portret, waarover men ook zeer voldaan was; doch in het vervolg hoorde ik nimmer weder van deze dame, noch van hare vrienden spreken."

"De vermindering mijner beurs drong mij, naar een goedkooper verblijf om te zien, en van toen af verdwenen oogenblikkelijk al de nieuwsgierigen, die tot dusverre mijne werkplaats bezocht hadden. Intusschen had ik nog steeds eenige portretten te schilderen, waarvoor men mij echter weinig genoeg betaalde, en nu naderde ten tweeden male het jaargetijde, waarin geheel Londen zich op het land begeeft; ik bleef dus eenige maanden volstrekt zonder werk.

"Nu moest ik nogmaals eene mindere woning betrekken, want ik bevond mij zonder eenen duit, en had nog eenige kleine schulden te betalen. Hierdoor zag ik mij dus in de noodzakelijkheid gebragt, om mijne schilderijen te verkoopen voor den prijs, welken men er mij voor wilde geven. Ik had thans mijnen intrek op een zoldertje, mijne geheele bezitting bestond in drie guinies, en al mijne meubelen in mijn palet en mijne penseelen."

"Nu zocht ik lessen en leerlingen te bekomen, doch, helaas! veel te laat. De onder het dak gehuisveste schilder kon voor zijne lessen geenszins den prijs vragen, welken zijn medebroeder, die op de eerste verdieping in eene der voornaamste wijken van Londen woonde, mogt vorderen; want men betaalt hier niet de innerlijke waarde der dingen, maar wel den uitwendigen schijn."

Sinds bijna een jaar heb ik niet meer dan drie leerlingen gehad; het geringe, dat zij mij betalen, is naauwelijks toereikende tot het noodige levensonderhoud--en bij toeval zijt gij getuige geworden, hoe ik leve. Mijn eenigste verlangen is, naar Frankrijk terug te keeren, hetwelk ik eigenlijk nimmer had moeten verlaten.

"En wat zult gij doen," vroeg ik hem, "als gij in ons vaderland terug zult gekomen zijn?"

"Mijne vrouw is overleden," antwoordde hij, "en het is onnoodig, u te zeggen, hoe zeer haar verlies mij smart: het is u bekend, dat ik haar teeder beminde; doch, om naar waarheid te spreken, de dood is voor haar geen ongeluk, maar heeft integendeel een einde aan haar verdriet en hare smarten gemaakt.

"Ik heb eenen schoonbroeder--wat zeg ik! neen, hij is een weldadige engel in de gedaante van eenen schoonbroeder! Zonder rijk te zijn, is hij echter in staat, om, op eene redelijke wijze, met zijn gezin de genoegens van het leven te kunnen smaken, en schoon zelf met zes kinderen belast, heeft hij echter mijne dochter tot zich genomen, en behandelt haar als zijn eigen kind. Het schijnt, dat hij mijnen jammerlijken toestand, waarover ik hem echter nimmer onderhouden heb, vernomen heeft; want hij heeft mij verzocht, bij hem te komen inwonen, en om mijne kieschheid niet te kwetsen, wendt hij voor, dat hij gaarne zag, dat ik zijne kinderen in het teekenen onderrigtte. Maar hoe zal ik de gelden bij elkander krijgen, om de reis van Londen naar Amiens, waar mijns broeders woonplaats is, te ondernemen? Gisteren nog ontving ik met den post eenen brief van hem, en ik bevond mij in de droevige noodzakelijkheid van dien te moeten afwijzen; wijl het port twee shillings en vier pences bedroeg, welke ik, helaas! niet bezat. Doch morgen moet ik geld voor eene maand onderwijs van een' mijner leerlingen ontvangen, en dan zal ik geen oogenblik toeven, om den brief te halen."

--"Wel ziedaar ons juist voor het postkantoor! laat ons er ingaan, en veroorloof mij, u dit kleine voorschot te doen."

Zonder zijn antwoord af te wachten, trok ik hem met mij binnen. Men gaf hem den brief over, hij opende denzelven met drift, las, en een traan glinsterde in zijne oogen.

--"Ach! welk een man! riep hij uit, de beste der menschen! zie, o zie!"

Het was een wissel op zigt van vierhonderd franken op eenen Londenschen bankier, en dit was de reden, dat het briefport verdubbeld was; want zelfs het nietsbeduidendste papier in eenen brief veroorzaakt deze verdubbeling, en de Engelschen hebben eene bijzondere manier, om dit te ontdekken. Bijna zou ik gelooven, dat zij de brieven openen, om zich daarvan te verzekeren; indien men zulk een misbruik van vertrouwen in een land, als Engeland, konde vooronderstellen.

"Nu ga ik," zeide hij! "Vaarwel bekoorlijke Theems; ik denk er niet meer aan, om mij in uwen boezem te begraven, hetgene, helaas! meer dan eens mijn voornemen is geweest; want deze wijze van sterven kost het minste; men behoeft noch touwen, noch pistolen te koopen."

Vanhier gingen wij terstond naar het kantoor, waar de postwagens afrijden, en bestelden twee plaatsen, om overmorgen gezamenlijk te vertrekken.

XXX.

EENE TOONEELVERTOONING IN DE LATIJNSCHE TAAL.

Daags voor mijn vertrek, ging ik naar het alien-office, om mijnen Franschen pas, die daar in bewaring was gebleven, terug te halen, en, in wisseling, dien terug te geven, welke mij was ter hand gesteld. Om den lezer niet te vervelen, zal ik hem het verhaal besparen van eenige langwijlige plegtigheden, welke nog hierbij in acht moesten genomen worden. Zij zouden mij nogmaals een hoofdstuk opleveren van denzelfden inhoud, alsdat, waarmede dit werk begonnen is, en ik ben geen vriend van herhalingen, even min als van het eentoonige.

Nu ging ik mijnen vriend C... opzoeken, wien ik bijzonderen dank verschuldigd was voor de verpligtende wijze, waarop hij mij, gedurende mijn verblijf te Londen, behandeld had; en daar de postwagen niet voor den volgenden morgen te twaalf ure afreed, verzocht ik hem, met mij en den heer Croquis te ontbijten; want laatstgenoemde had ik reeds te voren dezelfde uitnoodiging gedaan.

"Van harte gaarne!" zeide hij, "maar gij; komt thans, als of gij geroepen waart; want juist was ik voornemens, om u af te halen. Ik denk u heden eens een schoteltje naar uwen smaak op te disschen; en op den laatsten dag, welken gij te Londen doorbrengt, zult gij u waarschijnelijk geenszins het minst vermaken."

--"Gij weet, beste vriend! dat ik altijd bereid ben, om u te volgen. Doch mag men ook weten, welk nieuw en zonderling geregt het is, waarop gij mij heden denkt te onthalen?"

--"Kom slechts, kom slechts! het is hoog tijd!"

En ziedaar ons in eene straat, welke ons naar de Abtdij van Westmunster moest geleiden.

"Gij zijt een liefhebber van verrassingen!" zeide ik lagchende tegen mijnen vriend; "ik hoop echter niet, dat gij plan hebt, om mij een dergelijk schouwspel te doen zien, als toen gij mij onlangs op een hangpartijtje wildet onthalen?"

--"Neen, waarachtig niet! het is geheel iets anders. Ik zal u verplaatsen in de schoonste eeuw der Romeinen, onder de tijdgenooten van Scipio."