Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815.
Part 11
--"Ik deel slechts daadzaken mede, en laat den bescheiden lezer de zorg over, om de gevolgtrekkingen te maken. Maar gij doet mij vreezen, dat ik niet wel begrepen zal worden, en dat men soms een eenvoudig verhaal voor eene lofrede zal houden. Meent gij dan, dat, indien ik een dagbladschrijver ware, ik niet liever zou verkiezen, dat een censor tegen mij zeide: "dit of dat artikel zult gij niet laten drukken!" dan dat ik den volgenden morgen voor de regtbank gedagvaard werd; wijl ik het in mijn blad had doen plaatsen? Gelooft gij, dat ik zulken achting toedrage, die zich verpligt rekenen, alleen, omdat zij tot de oppositie-partij behooren, de wijste en verstandigste besluiten van het ministerie te gispen en te gebruiken; of wederkeerig hem zou verdedigen, die de onbetamelijkste aanslagen tegen de Engelsche vrijheid trachtte te regtvaardigen, omdat hij een voorstander van de ministeriele gevoelens is? En ziedaar nogtans iets, dat men dagelijks in de Engelsche papieren aantreft. Een dagbladschrijver moet onpartijdig zijn, en over het staatkundige met de uiterste omzigtigheid en de strengste waarheidliefde spreken. Hij moet zijne overheid eerbiedigen, zonder echter dezelve laaghartig te vleijen. Dat hij mij een blad levere, zoo groot hij wille, mids hetgene er in gevonden wordt, belangrijk is en mijnen leeslust kan voldoen; maar dat hij mij geenszins veroordeele, eenige honderd regels brabbeltaal en zoutelooze lafheden in te slikken, waarin niets opmerkenswaardig gevonden wordt; dat hij eindelijk..."
--"Gij schildert daar eenen man, die nimmer bestaan heeft, en het land, waar men zoodanigen schrijver zou kunnen vinden, ligt zeker in het onbekende zuiden, of in de maan."
--"Ik wilde ten minste niet gaarne uw schrijver zijn; want ik zou met reden vreezen, geene lezers te vinden, en dus van honger te moeten sterven."
--"De geest der partijzucht en boosaardigheid alleen is de eigenlijke bron, waaruit die algemeene drift tot lezen ontspringt. Ook houdt ieder lezer te Londen er twee dagbladen op na, om dus hetzelfde tafereel, met verschillende kleuren geschetst, op tweederlei wijze te kunnen beschouwen; en het is vandaar, dat men door het licht der rede geleid, bij eene ernstige en bedaarde overweging, het beste kan...."
--"Het beste kan ontwaren, dat de twee schrijvers de kleuren van den hartstogt, in plaats van die der waarheid genomen hebben, en dat zij, in plaats van eene volledige schilderij, niets meer dan eene flaauwe schets geleverd hebben."
--"Gij moogt zeggen, wat gij wilt, maar ik heb veel achting voor de Engelsche dagbladen. Misschien loopt er wel een weinigje dankbaarheid onder; want mijne eerste kennis, welke ik te Londen gemaakt heb, ben ik aan een nieuwspapier verschuldigd."
--"Hoe dat?"
--"Ziehier de zaak: zij zal u wel wat romanesk voorkomen, maar zij behelst toch de zuivere waarheid.
"Slechts weinige dagen was ik te Londen geweest, en had nog aan niemand kennis gekregen, dan aan eenen eenigen Franschman. Te Parijs had ik een weinig Engelsch geleerd, doch kon het niet, dan met zeer veel moeite spreken: het te verstaan, was mij nog lastiger. Op zekeren morgen met mijnen vriend aan het ontbijt zittende, las ik in de Morning-Chronicle het volgende berigt, hetwelk ik het vermaak zal hebben u voor te lezen: "Eene Engelsche Dame, der Fransche taal magtig, doch zich gaarne verder willende oefenen in het spreken van dezelve, wenschte eenen geboren Franschman te vinden, die, van zijne zijde, verlangde, zich de uitspraak van het Engelsch gemakkelijk te maken. Men zou alsdan gezamenlijk het uur of tijdstip kunnen bepalen, om bij elkander te komen, en het daaruit voortvloeijende nut en voordeel zal tot wederzijdsche betaling strekken. Het antwoord wordt verzocht in ditzelfde dagblad, onder het opschrift: aan ladij A. B."
--"Waarachtig!" zeide ik tegen mijnen vriend, "ik zal ladij A. B. antwoorden, en mijne onderteekening naar de volgorde van het Abé rigten."--"Ik zou het maar stilletjes laten blijven," hernam hij; "buiten twijfel is het eene avonturierster, die een wildbraadje denkt op te jagen."--"Onverschillig! zij zal ondervinden, dat zij zich bedrogen heeft!" en op het oogenblik maakte ik het volgende opstel: "De voorslag van ladij A. B. wordt met vermaak aangenomen door een' Franschman, die onlangs te Londen aangekomen is. Het zal hem veel eer en genoegen zijn, naar den dag en het uur te mogen vernemen, waarin hij zijne opwachting mag komen maken. Hij verzoekt antwoord onder de letters C. D., no. 7 Wells-street."
Dadelijk bragt ik mijn antwoord aan het kantoor. Er waren intusschen reeds eenige dagen verloopen, en ik dacht niet meer aan het geheele geval, toen ik, op zekeren avond te huis komende, het volgende billet op mijne tafel vond: "Indien de Franschman, die de uitnoodiging onder A. B. in de Morning-Chronicle beantwoord heeft, zich de moeite wil geven, om aanstaanden donderdag, des avonds te zes ure, in de St. James-street no. 9 te komen, zal hij daar de bewuste dame met haren vader kunnen aantreffen. Alsdan zal men, na zich onderling gezien en gehoord te hebben, het beste kunnen bepalen, of men wederzijds genoegen in elkander vindt, en genegen is, om eene nadere verkeering met elkander te houden."
"Deze stijl scheen mij geenszins die van eene fortuinzoekster; derhalve verzuimde ik de bijeenkomst niet. Daar komende, vond ik een lief jong meisje van twintig jaren, even beminnelijk als bevallig. De geheele familie bestond uit vader, moeder, broeder en zuster: de twee laatsten alleen verstonden een weinig Fransch. Ik werd intusschen zeer minzaam ontvangen. Een jaar lang bragt ik mijne avonden bij dit achtenswaardige gezin door, en werd in dat tijdverloop der Engelsche uitspraak tamelijk magtig, terwijl daarentegen de jonge miss aanmerkelijke vorderingen in het Fransch gemaakt had. Korten tijd daarna trouwde zij, en haar man bewees mij insgelijks veel vriendschap en welwillendheid. Thans is zij, op hare beurt, moeder des huisgezins, en zelden gaat er eene week voorbij, dat ik haar niet bezoek.--Welnu, mijn vriend! wat dunkt u? Ben ik deze kennismaking niet aan de Morning-Chronicle verpligt?"
--"Uwe geschiedenis deugt niets, mijn beste! Om het avontuur op eene behoorlijke wijze te eindigen, hadt gij zelf het meisje moeten trouwen."
--"Indien ik u eenen roman hadde opgedischt, zou zoodanig eene ontknooping onvermijdelijk geweest zijn; maar het is integendeel eene waarachtige gebeurtenis, welke ik u ter goeder trouw en onopgesmukt heb medegedeeld."
XXV.
DE SPOTPRENTEN.
"De zucht, om u mijn zonderling avontuurtje te vertellen," vervolgde mijn vriend C..., "heeft mij een ander onderwerp uit het oog doen verliezen, waarover ik u wensch te onderhouden, en waarmede wij terstond zullen beginnen. Ik bedoel het woord Caricature. Gij zult mij echter, hoop ik, toestaan, dat Londen ten minste hierin de eerste stad der wereld mag genoemd worden."
"Ik stem toe, dat er nergens zoo vele spotprenten gevonden worden, schoon, sedert eenigen tijd, Parijs hierin met Londen om den prijs schijnt te willen dingen. Maar wat is eigenlijk eene caricature? niets anders dan eene geschilderde satire. Eene caricatuur moet in tegenoverstelling van eene schilderij, datgene zijn, wat eene geestige parodie is in tegenoverstelling van een zang- of treurspel, gelijk wij dit dikwijls gezien hebben op ons Theatre du Vaudeville, bij voorbeeld in de zangstukjes Nice en Arlequino Cruello. Doch, van de honderd spotprenten, welke ik hier zie, zijn er zeker negentig volstrekt zout- en geesteloos: ook is er geen spoor van teekening in te vinden, alle regels der kunst zijn jammerlijk geschonden, en men bespeurt duidelijk, dat het geenszins aan den goeden wil van den broddelaar, (welken ik met een goed geweten nimmer kunstenaar zal kunnen noemen) gehaperd heeft, om iets beters voor den dag te brengen; maar dat zijne onbekwaamheid hem zoodanige gedrochten heeft doen scheppen. Betreffende de tien anderen, van dezen verdienen negen slechts eenige aanmerking door derzelver bijtende en boosaardige beteekenis, welke altijd het uitsluitende kenmerk is, en de tiende alleen zou misschien eenige verschooning kunnen vinden in de oogen van iemand, die een gezond oordeel bezit. In een woord, nooit zie ik eene spotprent, zonder aan Scarron's boertige vertaling van Virgilius te denken."
--"Gij zijt waarlijk al te streng! Laat ons een paar van deze prentwinkels bezigtigen, en gij zult er spotprenten zien, die u zullen doen lagchen."
--"Zonder twijfel, ik zal lagchen--even als ik lach over de verregaande zotheden, welke Brunet en Portier op het Theatre des Variètés uitventen; maar denk echter niet, dat ik zeg:
J'ai ri, me voilà désarmé!
Ik heb gelagchen, en ziedaar mij ontwapend!
"Neen, mijn vriend! het is slechts een vlugtige glimlach, die volstrekt niets meer beteekent dan een voorbijgaande reuk, welke reeds zijne kracht verloren heeft, voordat men hem kan onderscheiden.
"De ouden kenden de kunst van caricaturen te schetsen in den grond; en ofschoon ons weinige werken van deze soort zijn overgebleven, weten wij echter genoeg, om te kunnen beweren, dat zij in deze voortbrengselen van hun genie nooit de regelen der teeken- noch der schilderkunst verwaarloosden. Een Grieksch schilder eenmaal het Atheensche volk willende doen gevoelen, dat het beurtelings standvastig en wispelturig, grootmoedig en wreed, nederig en trotsch, billijk en onregtvaardig was, kwam op het denkbeeld, om den Athenienzers deze waarheid in eene schilderij onder het oog te brengen, waarin hij den schutsgeest hunner stad als eenen zaaijer voorstelde, die de zaden van alle deugden en ondeugden rondom dezelve strooide.--Een ander kunstenaar had Timotheus, een' der voornaamste veldheeren van dat gemeenebest, slapende geschilderd, middelerwijl de godin van het geluk de vijandelijke steden voor hem in netten ving.--Timotheus deze schilderij ziende, zeide, wat moet ik doen, als ik ontwaak?--Tot besluit eindelijk zal ik onder het getal der aanmerkenswaardige caricaturen uit de oudheid u nog het tafereel opnoemen, waarin een voornaam schilder zekere groote en schoone koningin, over welke hij ontevreden was, ten toon stelde in het oogenblik, waarin zij zich tot eenen geringen visscher verlaagde. Deze, zoo wegens haren wuften aard en hare losbandigheid van zeden, als wegens den luister harer bekoorlijkheden, algemeen befaamde vorstin, vond hare beeldtenis zoo schoon en wel getroffen, dat zij, in plaats van den kunstenaar te straffen, hem een aanmerkelijk geschenk deed. Ziedaar de ware modellen, welke de caricatuur-fabrikeurs ten voorbeeld moesten nemen, in plaats van op lange zoomen papier, uit den mond hunner personaadjes woorden en spreuken te voorschijn te doen komen, meestal strookende met de wijze, waarop zij hun onderwerp behandeld hebben. Gij zult mij toch niet willen betwisten, dat inzonderheid in de Engelsche caricaturen deze heerschende fouten worden aangetroffen.--De Franschen en Italianen hebben zich daarvoor beter weten te wachten; maar hier heb ik er zelf vele gezien, waarin meer penne- dan penseeltrekken gevonden werden."
"De Engelschen hebben derhalve, volgens uwe meening, ongelijk, dat zij, met betrekking tot de caricaturen, op dezelfde meerderheid, als op die van den Oceaan aanspraak maken?"
--"Ik zal u op deze vraag antwoorden, zoodra men mij eenen Engelschen caricatuur-fabrikeur opgenoemd heeft, die waardig is, om aan de zijde van onzen landgenoot Gallot geplaatst te worden."
XXVI.
ROOVERS, AFZETTERS, ZAKKEROLDERS EN BEURZENSNIJDERS.
Op eenen zekeren avond, of liever morgen, want het was half een des nachts, uit den schouwburg van Drurij-lane komende, ontmoette ik eenen grooten, met eenen duchtigen stok gewapenden vent, die mij staande hield en den doorgang afsneed. Om eenen eerlijken aftogt te maken, wilde ik terugkeeren, doch ik stiet, helaas! op twee andere fielten, die geen gunstiger uitzigt hadden. De een, die voor mij stond, eischte mijne beurs, en dat wel zonder eenige wellevendheid, welke men anderzins veelal den Engelschen straatroovers toekent. Dit avontuur was intusschen zoo aangenaam niet, als dat van de drie Bevalligheden, welke mij, eenige dagen te voren, in Cheapside hadden aangerand. Juist had ik den vorigen dag in een der dagbladen de lofrede op eenen Engelschman gelezen, die, insgelijks door drie deugnieten aangevallen, den moed gehad had, om zijne beurs te verdedigen, en die, tot belooning voor zijne dapperheid, onder het gewigt van eene menigte wel aangebragte stokslagen bezweken, en beroofd was van al, wat hij bij zich had, waarna men hem bijna naakt en half dood tot zijnent had gebragt. Intusschen gevoelde ik mij niet zeer opgewekt, om dezen ongelukkigen tot een pendant te verstrekken; want de eer, om in de Londensche dagbladen te verschijnen, scheen mij tot dezen prijs wat al te duur gekocht. Ik maakte derhalve geene zwarigheid, om mijner beurs, die gelukkig niet zeer luisterrijk gestoffeerd was, vaarwel te zeggen; doch ik vreesde voor mijne horologie, hoewel het aldra bleek, dat ik met eerlijke gaauwdieven te doen had. Naauwelijks was mijne beurs uit mijne handen in de hunne overgegaan, of zij verdwenen als vogels in de lucht, en ik vervolgde mijnen weg naar mijn logement, waar ik, zonder eenige andere onaangename voorvallen, behouden aankwam.
Iederen avond, voor dat ik naar bed ging, had ik de gewoonte om een paar bladen op te slaan in een boek, dat ten opschrift voerde: Beschrijving van Londen, of Wegwijzer voor vreemdelingen in deze stad. Dit diende mij tot een rigtsnoer, om te overwegen, met welke bezigheden ik den volgenden dag zou doorbrengen. Mijne vorige ontmoeting belettede mij geenszins, aan deze gewoonte getrouw te blijven, en toevallig sloeg ik een hoofdstuk op, dat juist zeer veel betrekking had met hetgene mij bejegend was. Ik zal er den lezer eenige plaatsen uit mededeelen, en tevens zorgen, dat het overgenomene onderscheiden wordt van de aanmerkingen, welke ik mij hier en daar er over zal veroorloven.
"Des nachts bestaat de wacht uit eenige ongewapende grijsaards, watchmen genaamd; en slechte een gering getal gerechtsdienaren zijn belast met het nasporen en opbrengen der roovers en afzetters."
Het is dus geenszins te verwonderen, dat hier zoo velen van dit slag van volkje gevonden worden; ook gaat er zeldzaam een dag voorbij, dat de nieuwstijdingen geen verhaal mededelen van geweldige diefstallen of afzetterijen. Dit vooraf in aanmerking nemende, zou men welhaast in verzoeking geraken, om de volgende regels voor een fabeltje te houden.
"Er bestaat nogtans geene stad, waar men veiliger en geruster kan gaan en komen, zonder vrees van eenig ongeval te ontmoeten, (onverschillig, welk uur van den dag of nacht) dan te Londen. Dit wonderbare verschijnsel is echter geenszins te zoeken in de orde, sterkte en geregeldheid van de gewone politie, maar veeleer toe te schrijven aan den gelukkigen zamenloop van zedelijke oorzaken, waarvan de voornaamste is de verjaarde vrijheid, welke alle klassen van het volk onbelemmerd in Engeland genieten, en die zelfs in de zielen der armen met diepe merken gegrift is; voorts in de algemeene neiging tot orde in de zamenleving, en in de zucht, om zijn bestaan te vinden door eene onafgebrokene vlijt en ijverige werkzaamheid."
Ik begrijp derhalve niet al te wel, aan welke dezer zedelijke, zoo gelukkig vereenigde oorzaken ik het verlies van mijne beurs moet toeschrijven.
Vervolgens maakt de schrijver melding van de onderscheidene soorten van fielterijen, waarvoor zich een vreemdeling in Londen te wachten heeft.
"De reizigers moeten, onder anderen, zorg dragen, om niet in den nacht te Londen aan te komen, of zij loopen groot gevaar van, nog op het einde hunner reize, door struikroovers aangevallen te worden; ten minste is het genoegzaam zeker, dat zij, bij hunne aankomst, zich verrast zullen zien door de vriendelijkheid en de zorg, welke de heeren vrijbuiters gehad hebben, om de koffers en valiezen, die achter op de rijtuigen gebonden waren, bij voorraad eene goede bergplaats te bezorgen.
"Eene legio van dieven en roovers houdt altijd schildwacht aan de deuren der herbergen, waar de postwagens en andere rijtuigen aankomen. Volijverig zijn zij in de weer, om de pakkaadje der reizigers aan te nemen en te bezorgen; maar naauwelijks hebben zij dezelve in handen, of zij maken zich zoek, en verdwijnen in een oogenblik, zonder aan het terugkomen te denken.
"Een ander gedeelte dezer fielten verzamelt zich voor de vensters der kooplieden, waar kunstplaten, spotprenten en wat dies meer is, verkocht worden, of aan de deuren der huizen, waar de eene of andere publieke tentoonstelling is, even als in den omtrek der schouwburgen en van alle andere plaatsen, van openbare vermakelijkheden. Men moet derhalve wel zorg dragen, zoo haast men zich in het gedrang begeeft, niets van eenige waarde bij zich te hebben, maar de oogen altijd geopend en de handen in de sakken te houden.
"Verwisselt gij toevallig eene banknoot, of een stuk zilver, beschouw dan, in 's hemels naam! naauwkeurig het geld, dat men u teruggeeft; want verscheiden kooplieden zullen u valsche munten in de handen trachten te spelen, en bovenal hebben de huurkoetsiers zich deze hatelijke gewoonte eigen gemaakt."
Het is inderdaad bijna ongeloofelijk hoe vele valsche banknoten en hoe veel valsch geld men in Engeland allerwege aantreft. Ook zal een Engelschman zelden nalaten zelfs het kleinste stukje zilveren munt naauwkeurig van alle kanten te bezigtigen, en op den grond te laten vallen, om zich door den klank van deszelfs gehalte te overtuigen. Geeft gij hem eene banknoot in betaling, dan gebeurt het menigmaal, dat hij u verzoekt, uwen naam en uwe woning er op te zetten. Deze banknoten zijn meestal door geheel Engeland in omloop, en worden niet slechts in den handel, maar ook in de dagelijksche uitgaven meer, dan de geldspecien, gebruikt: men heeft ze van onderscheidene waarde, ja zelfs tot één pond, dat is vierentwintig livres.
"In vele openbare verkoopingen worden somtijds opgelegde werken voor echt zilver verkocht.
"De Joden, die op straat uitstallen, zullen, zoo zij kunnen, u de waarde van een ding tienvoudig doen betalen.
"Alle wisselaars, bijna zonder uitzondering, zullen u trachten te bedriegen.
"De dagbladschrijvers zullen u aanzienlijke sommen afpersen voor het stellen van een gunstig berigt nopens een pleitgeding, een nieuw werk, of een tooneelstuk.
"Hebt gij, bij ongeluk, eene zaak voor het eene of andere geregtshof hangen, dan zult gij alle toegangen belegerd vinden door een heer van menschen, die u hunne diensten aanbieden, doch u tevens, op onderscheidene wijzen, op schatting weten te stellen.
"De kwakzalvers zullen u vermoorden, onder de plegtigste verzekering, dat zij u zullen genezen.
"De apothekers zullen u vervalschte artsenijen voor goede geven."
Doch ik wil mijn uittreksel niet verder vervolgen; alleen zal ik nog zeggen, dat de schrijver eindigt met het berigt, dat er twee zeer nuttige gezelschappen te Londen zijn opgerigt, die ten oogmerk hebben, om alle schelmsche streken en afzetterijen, van welk eenen aard ook, te ontdekken en te doen straffen; en mijns oordeels is dit nogmaals een bewijs, dat dezelve in deze stad zeer menigvuldig zijn.
Bijaldien immer een Franschman al datgene, hetwelk ik uit dezen Engelschen schrijver heb overgenomen, op eigen gezag had geschreven, zou hij zeker, zelfs in Frankrijk, van vergrooting zijn beschuldigd geworden; en echter heb ik dit alles getrokken uit een Engelsch boek, opzettelijk geschreven, om al, wat in de hoofdstad der drie vereenigde rijken gevonden wordt, hemelhoog te verheffen, en waarin de geringste voorwerpen doorgaans met de belagchenswaardigste pralerij worden voorgedragen. Niets meer bij het geschetste tafereel kunnende voegen, laat ik dit onderwerp gaarne aan de verdere overweging van mijne lezers.
XXVII.
DE TOWER.
"Hebt gij pleizier, om een reisje met mij te ondernemen, waartoe een lange adem vereischt wordt?" vroeg mij mijn vriend C... op zekeren morgen.
"--Juist ben ik willens, er een te ondernemen. De tijd, welke ik hier zou doorbrengen, is bijna verstreken, en ik verzeker u, dat ik er geenen enkelen dag zal aanknoopen."
"--Daarover wilde ik u niet spreken. Maar gij kunt toch onmogelijk deze stad verlaten, zonder de Engelsche Bastille gezien te hebben. Ik kwam hier, om u eene wandeling naar den Tower voor te slaan. Onderweg zal ik u een en ander aanwijzen, dat gij tot hiertoe nog niet gezien hebt."
Met deze woorden begaven wij ons op weg: het kon naar waarheid een reisje genoemd worden; want de straat, waarin ik woonde, was twee groote uren van den Tower gelegen.
Toen wij, na eenen marsch van een uur, de gevangenis van Newgate bereikt hadden, zagen wij eene groote menigte volks bij elkander, welke vol verlangen en met ongeduld op iets scheen te wachten, even als de liefhebbers het ophalen van de gordijn in den schouwburg reikhalzende te gemoet zien.
"Weet gij ook de reden van deze drukke bijeenkomst? vroeg ik mijnen vriend."
--"Er zal een misdadiger opgehangen worden. Ziedaar, hij is reeds op het schavot!"
--"Ei, ei! is dat eene der zeldzaamheden, welke gij beloofd hebt mij onder weg te laten zien?"
--"O neen, mijn vriend! dit is een louter toeval. Daarenboven behoort dit schouwspel onder het kleine getal van die dingen, welke men te Londen gratis kan zien."
--"Hartelijk dank! Ik zou er integendeel wel iets voor willen betalen, om het niet te zien. Ik bid u derhalve, mijn waarde! laat ons eenen anderen weg nemen."
--"Zoo als gij verkiest.--Voormaals plagt men de strafoefeningen in Tijburn te verrigten, maar tegenwoordig hebben zij altijd voor de gevangenis van Newgate plaats. Men zet tegen een venster van eene kamer der gevangenis een schavot op. De veroordeelde stapt uit het raam op het straftooneel, en is vergezeld door eenige geestelijken, welke hem trachten te bemoedigen. Terstond werpt de scherpregter hem de koord om den hals, maakt het eene einde aan de galg vast, en laat den misdadiger aldus eenige oogenblikken staan. Eensklaps wordt de plank, waarop de ongelukkige staat, gewipt, en ziedaar hem met de koorde gestraft, dat er de dood na volgt, waarvoor de Engelschen in hunne taal eene bijzondere uitdrukking hebben en het noemen: Iemand in de eeuwigheid overslingeren. Voor de strafoefening wordt den lijder een glas bier aangeboden, en men gunt hem den tijd, om hetzelve op zijn gemak uit te drinken.
Een zeker misdadiger, zoo het scheen, niet begeerig, om de groote plegtigheid te vertragen, bedankte voor het aanbod van dezen comfortable drank; doch naauwelijks had hij den grooten sprong gedaan, of er werd pardon voor hem aangekondigd. Hiervandaan het Engelsche spreekwoord: "Had hij zijn glas bier uitgedronken, hij zou nog leven!"
Aldus zamen koutende, waren wij ongemerkt aan den kruisweg gekomen, waar de Prince-, Poultrij-, Cornhill- en Lombard-streets op uitloopen.
In dezen omtrek zijn de bank, de beurs en het stadhuis gelegen. Mijn vriend C... liet mij deze drie gestichten bezigtigen. Het uitwendige dezer gebouwen is niet onbevallig en kenschetst zelfs zeer veel smaak; maar van binnen is alles ten uiterste slecht gerangschikt en verdeeld. Men vindt er niets dan eenige ruime zalen, die allen zeer donker, treurig en somber zijn.
Eindelijk kwamen wij aan den Tower, of den Toren, die echter, in den eigenlijken zin van het woord, geen toren kan genoemd worden, maar die veeleer eene vesting gelijkt, met verscheidene torens voorzien, in welke men verschillende straten en gebouwen aantreft.