Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815.

Part 10

Chapter 103,846 wordsPublic domain

"Ziet gij daar in die geel geschilderde koets, met die fraaije wapens en eene grafelijke kroon er boven, dat lieve vrouwtje wel? vroeg hij mij. Zij is eene bloedverwante van een' der aanzienlijkste personaadjes van geheel Engeland. Zij was de echtgenoote van Lord F...; maar eene onwederstaanbare zucht tot galante minnarijen deed haar gehoor verlenen aan de vleijerijen van Mijlord G... Haar man bemerkte het: hij was niet minder ervaren in de Heidensche fabelleer, dan in de Engelsche rekenkunde: de historie van Venus en Mars, benevens de boertige wraak van Vulkaan waren hem geenszins onbekend; en daar hij het zonderlinge begrip koesterde, dat eene vrouw minder, en wat geld meer, een wezenlijke zegen des hemels was, hield hij zich, als of hij den beiden gelieven schoon spel wilde geven, en wist eindelijk het arglooze paar, door eenige zijner vrienden verzeld, die hem voor getuigen zouden dienen, in den beslissendsten toestand, even als de hierboven vermelde goden, te betrappen. Een Italiaan zou zeer zeker de schuldigen terstond geponjaardeerd hebben; een Franschman zou zijnen mededinger op de pistool of op den degen geeischt hebben; maar een Engelschman is wel wijzer! Lord F... vervolgde Lord G... in rechten, en verkreeg tegen hem een vonnis, waar bij deze, als onwettig bruiker van eens anders eigendom, in eene boete van 15,000 pond, dat is (360,000 livres Fransch) veroordeeld werd, tot schadevergoeding van kosten en intrest, en hetwelk hem tevens magtigde, om van zijne snoepachtige vrouw te scheiden. Toen trouwde de Mylord G... het onbestorvene weeuwtje. Doch daar de opvolger van Lord F... niet geldgierig is, zegt men, dat hij de uiterste voorzorgen gebruikt, om niet genoodzaakt te zijn, de uitgeschotene gelden, welke hij aan Lord F... betaald heeft, weder van eenen anderen zijner vrienden of bekenden te moeten invorderen."

"Die ruiter, op dat kastanjebruine paard, wiens sporen en stijgbeugels van zilver zijn, heet Sir John H... Deze heeft eens eene weddenschap aangegaan van tweeduizend guinies, dat een man in twintig dagen duizend uren te voet zou afleggen, hetgeen iederen dag vijftig uren maakt, of ten naastenbij zestien en eene halve Fransche mijlen. Het gelukte hem in de daad, iemand te vinden, die dit wandelingje wilde ondernemen, en dien hij vervolgens iederen morgen door zijnen arts liet bezoeken; terwijl hij zelf zich met de zorg belastte, om den looper met voedende en krachtige spijzen te onderhouden. In een woord, hij won de weddenschap. Thans is het hem gelukt, eene heldin op te schommelen, die zich wil verbinden, in twintig achtereenvolgende dagen daags dertig uren af te leggen. Hij houdt zich dus bezig met iemand op te zoeken, die hem nogmaals tweeduizend guinies wil houden; maar ik twijfel sterk, of hij eenen wedder zal vinden; want de spraak gaat, dat hij altijd gelukkig is in het winnen."

"Zie daar mistress L..., in dat eenvoudige grijs geschilderde rijtuig zonder eenig versiersel. Zij is met eenen Franschman getrouwd, dien zij, van den morgen tot den avond, onophoudelijk kwelt, vooral, wanneer hij het ongeluk heeft van in de eene of andere kleinigheid zich tegen de Engelsche gewoonten te bezondigen. Op zekeren avond thee bij haar drinkende, beknorde zij haren echtgenoot zeer hevig, in het volle gezelschap, dewijl hij de onoplettendheid gehad had, van het suikerpotje op de tafel, in plaats van op het theeblad, te zetten."

"Ziet gij daar links af, een paar schreden van ons, dien man wel, in zijnen bruinen rok, met dat levendige oog, en blootshoofds, die, even als wij, stilletjes voortwandelt?--Het is een schilder vol talenten en verdiensten; Hij heeft de minnares van eenen der voornaamste heeren van het rijk geportretteerd. Toen het werk af was, had zijne Edelheid de goedheid van hem te zeggen:--"Zie daar een portret, mijnheer! dat u eer zal verschaffen! het is onmogelijk, van dien aard iets beters te zien! En dit is al de betaling, welke de verdienstvolle kunstenaar ooit heeft kunnen bekomen."

"Spoedig! Spoedig! Beschouw die blaauwe koets daar, met die hertoglijke wapens! Ziet gij daar niet, naast die oude dame, met dat stuursche drakengezigt, een lief, bekoorlijk, jong meisje, hetwelk men het verdriet uit de oogen kan lezen? het is eene wees. Hare bevalligheden, misschien ook wel hare vijftienduizend pond renten, trokken de liefde van een jong mensch tot zich, die wederkeerig het geluk had van haar te behagen. Noch zijn rang noch zijne fortuin veroorloofden hem, naar hare hand te staan. Derhalve besloten de twee gelieven, volgens het Engelsche gebruik, een Schotsch reisje te doen; doch voordat zij het doel hunner wenschen bereikt hadden, en door eenen zwartrok het heilvolle woordje conjungo! (ik vereenig u!) over hen was uitgesproken, werden zij door de bloedverwanten der jonge juffer achterhaald en vastgehouden. Haar stelde men in de bewaring en onder het opzigt van deze oude, welke haar even min verlaat, als de schaduw het ligchaam: de jongeling werd als schaker aan de kaak te pronk gezet. Men zegt evenwel, dat het beminnelijke meisje een vast karakter heeft, en zoodra zij meerderjarig geworden is, welk tijdstip met snelle schreden nadert, den ongelukkigen jongeling zal trouwen en met hem naar het vaste land oversteken."

De menigte van origineelen, welker portretten mijn vriend mij schetste, begon echter langzamerhand te verminderen en uit een te gaan. Het was nu bijna vijf ure. Wij vertrouwden, dat zij voornemens waren, de wandeling door eene meer kracht gevende en meer zelfstandige bezigheid te doen vervangen; en wij, ons aan den wil der maag onderwerpende, achtten het niet te onpas, hun voorbeeld te volgen.

XXII.

KORTE BESCHRIJVING VAN LONDEN DOOR EENEN ITALIAANSCHEN SCHILDER.

"Che piacere di vedervi!" zeide tegen mij, op zekeren dag, een Italiaansche schilder, welken ik in Parijs had leeren kennen, en thans in New-bond-street ontmoette.

"En sintse wanneer gij te Londen?"

--"Sinds tien of twaalf dagen. Maar gij zelf--wat heeft u herwaarts gevoerd?"

--"Ikke ben gekoom, om te doen zien de konst van mijne werk" [2]

"Ha! Ha! Gij biedt den heeren Engelschen het gezigt van uwe kunststukken aan, tegen eene geringe erkentenis van iederen bezigtiger?"

--"Si Signor! maar ikke te vroeg hiere, perche ciascheduno isse na buite op de lande, dare isse ar geen levendige ziele in Londen."

"Slechts een weinig geduld: men zal spoedig terugkomen. De Engelschen zijn razende liefhebbers van tentoonstellingen. Onlangs heb ik zelfs de bekendmaking gezien van de tentoonstelling van een kleed, dat een zeker algemeen bekend en beroemd man gedragen had, en geheel Londen was in de weer, om er zijne offerhande te brengen."

--"E vero, Signor! ma intus eet ik op mijne Louis, en ik krijge niet de guinies."

--"Bedien u van dezen tusschentijd, om het merkwaardige van Londen te bezigtigen. Hebt gij de kerken al eens opgenomen?"

--"Ikke heb watte, niet vele gezien; ma datte isse miserable! de meest klein en slegte kerke in Italie of Frankrijk is nokke meer mooij. Geene schilderstuk, geene figuur! en de pitoijabelst orde van de bouw!"

--"Wat der bouworde betreft, zult gij toch, hoop ik, de Sint-Paulus-Kerk, en de Abtdij van Westminster uitzonderen. Deze twee kerken kunnen wedijveren met de schoonste gebouwen van geheel Europa."

--"Ah Signor! voor jou niette heb gezien le belle chiesse van Rome, Napels, en van Florence! en ikke geloof, datte de Notre-Dame en Sinte-Geneviève, Sint Roch en Sint Soulpice te Parijs niet hoef de schaamte te hebbe van te woon op zijde van haar al te male."

--"Maar nog eens, mijn heer! er zijn in de Sint Paulus- en Westminster kerken gedenkstukken, overwaardig, om bezigtigd te worden, voorwerpen, welke de nieuwsgierigheid en opmerking der kenners in den hoogsten graad verdienen.

"--Zonder twijfele: daar isse in Westminstre de monumente van Henrico Cinque, de figuur isse zonder de koppe, wante hij was van zilvere, en daarom de dief de koppe gestool; ook de zadele van de paard, dare dat Prins boven oppe heb gezeet, in de bataille van Aguincourt, en dare nikse meer van te ziene is, alsse de hout en ijzere; dan nokke de steen voor de oude koninke van Schotlande, zij leg er in met de knie, als zij konink worde gekroond. In de Sinte Paulus kerke is eene groote dakke, niette goed gemaak, de meestre van die maak wasse een groot broddelaar; ook nokke watte figuuren, die stelt te voor Engelsman in de Roomsche kleed, de haar van voor gefriseerd in de toepet, en van agter gebond in de keu; eene klokke die weegt twaleve duizende pond, je trek an die kleep, en de klokke zekt bim, bam, bom! Eene galerij, je zet de monde op de eene kante van de mure, spreek zachte, en de ander kan alles hoor aan de andere kante ver weg. Tutte cose miravigliose; ma, om te kijk, de hande alletijd in de zakke: voor ieder duer, die worden op gedaan, uit jou borse zoo vele skillings, en heel vele, magtik vele duers aan de Sint Paulus- en Westminster kerke: overal net egaal; zonder de gelde, niks te kijk in Londen. Ja, de Theemse alleene voor niks te zien, zoo lange de Engelsman niet kom in de occasion, om de slot er op te smijt."

--"Ik hoop ten minste, dat gij tevreden zult zijn geweest, en u vermaakt hebben met het gezigt van deze rivier? De schepen, waarmede dezelve bedekt is, de kaaijen en timmerwerven in den omtrek, leveren inderdaad een heerlijk schouwspel op.

--"Perfettamente! de Theemse isse een aardig mooije beek, heel gemakkelijk voor die Engelsman, die lust heb, zich te verzuip; ma om te willen spreek van de haaf, van de timmerwerf, jou motte zien Antwerp, sinte de Fransche dare heb gemaak die nieuwe werk, en zwijge dood stille van de kanale, die door eene stad loop, zoo lange jij te Venetie niet hebbe geweest. In eene woorde, is het niet schand, datte oppe die fameuse riviere in geheel Londen niet meere dan drie brukken gevonden word."

--"Kom, kom! gij zijt wel ongemakkelijk! Maar hoe hebt gij de pleinen (squares) van Londen gevonden, deze fraaije vierkanten, welke meestal bij uitsluiting bewoond worden door lieden van de eerste klasse?"

--"Er zijn magtig vele, Signor; want ikke geloof wel taggentik hebbe geteld; ma hette isse, of er maar eene is, zij zijne allemale op eene leeste geschoeid, even eense als de straat en de huis, watte meer groot, of watte meer een beetje klein, en dat isse de geheele onderscheid van de zake, nette als eene tuin, rondomme en overalle met traliewerke, en waar geene mensche kan koom inne, om dat de digte bij eigenaren alleene bewaren de sleutels: ziedaar in drie penseeltrek de portrette van alle de vierkante plein te Londen. Het is assolutamente, de Place-Roijale van Paris, met de onderscheide, dat ze niet zijn bedekte, en dat men zich kan wegkruip voor de reeg, om niet te worde nat."

--"Ik zie, dat gij voor zinspreuk hebt aangenomen het nil admirari van den ouden Horatius; maar ik zal u echter in eene zaak tot zwijgen brengen. Durft gij beweren, in eenige stad der wereld, winkels aan te zullen treffen, zoo als men dezelve in Oxford-Born-Cheapside, en ik weet niet in hoe veel andere straten, aantreft?"

--"Ikke ben geslaag Signor, dat isse waar! men zou zeg, dat geheel Londen eene winkele wasse, ofte ten minste alleene voor winkele gebouwd, in de plaatse, datte contrarie, in tegendeele, in andere land, de winkele voor de stadte worden gemaak. In de meest miserable pothuis en inne de kleinste winkele, is eene propreteit en schikking, datte curieus is, en offe men wil, offe niet, men motte zich verwonder over de rijkteheid en elegance van de groote magasins; ma perche, als het u bliefte, ma datte isse ook om de klante te trek, en om datte de gelde veel zal worde gewon: ik wil niette ontken, datte er hier vele meere winkele ben als te Paris, maar ikke hou staand, datte ze niet zijne zoo mooij, zoo praktik, en curieus, als dare zijne in de strate, Sint-Honoré, Richellieu, Vivienne, en nog vele meere, en dan de uithangbord! dat is om van te huil! de naam van de koopmanne, dat isse al! Gij ziet hiere niet voor de winkele, zoo als te Paris, heele mooij schilderij, daar mee kan gefigureerd word in de mooije zaal.--Ma zeg mij, het is vijf uur, waar ete gij?

--"Ik heb met eenen vriend afgesproken, hem in een Chop-house te ontmoeten, waar men redelijk wel is."

--"Che gusto! Ikke verlaat u niete. Ikke hebbe tot hiere toe in eene miserable gaarkeuk gegeet; de baas van de keuk zegt, hij eene Fransch kok isse, hij mogte de duivele! daar isse keene mensche in de heele huize, die eene woord Fransch kan spreek, en die vente late zijne medicamenten tegen goud opweeg. Maar ik hebbe ook gezwoor, er nooit weer te koom. Gister tracteerde hij mij oppe eene kalverribbetje mette de suringe. Santa Virgine! de suringe wasse als gedroogd en verdord grasse, ikke geloof, hij had weze snij in Hyde-Park; en de ribbetje klonk onder het snij als eene klokke, maar tusschen de tand wasse zoo hard en taaij, als de leeren lap."

De schilder ging derhalve met mij een stuk roasted-beef met een rijstpudding eten, en stemde mij eindelijk toe, dat men in Londen op het middagmaal ten minste eene hartversterking kon bekomen, welke met regt mogt genoemd worden comfortable.

XXIII.

GODDAM!

Op het gezag van den Figaro van Beaumarchais, geloofde ik, dat het woord Goddam! de grond van de Engelsche taal was, en dat alle andere woorden en spreekwijzen slechts aanhangsels en bijvoegsels van hetzelve waren. Doch ik kan u, op mijn woord van eer, verzekeren, waarde lezer! dat ik dit woord, gedurende mijn verblijf te Londen, niet eenmaal heb hooren uitspreken, en daarenboven heeft men mij verzekerd, dat het slechts alleen bij de laagste volksklasse in gebruik is, en dan nog maar zeer zeldzaam, wanneer namelijk de gemoederen door gramschap of sterke dranken verhit zijn.

Maar er zijn evenwel (het is mooi weer! de lucht staat regenachtig! waarmede alle gesprekken gewoonlijk beginnen, uitgezonderd) nog verscheidene andere spreekwijzen, waarvan men zich gedurig bedient, en welke bij alle gelegenheden gebruikt worden.

Met weinig moeite zou ik van deze waarheid een groot aantal voorbeelden kunnen bijbrengen; doch ik wil mij slechts tot het bijvoegelijk naamwoord bepalen, hetwelk mijne vorige afdeeling geëindigd heeft.

Reeds heeft de lezer gezien, dat een middagmaal, waarover men tevreden is, in een woord, een goed middagmaal, dat dit, zeg ik, genoemd wordt comfortable.

Op zekeren dag bevond ik mij in een huis, waar ik eene jonge juffer, vol geest, bevalligheid, bekwaamheden en ten hoogste beminnelijk ontmoette. "Zoudt gij wel gelooven," zeide een heer, die naast mij zat; "dat dit bevallige schepseltje een lief klein vrouwtje zou kunnen worden, en wel zeer comfortable?"

Een andermaal ondervroeg men mij, over al hetgene ik in Londen gezien had: men begeerde mijne gedachten over verscheidene onderwerpen te weten, en ik was voorzigtig genoeg met Horatius op alles te antwoorden, pulchre! bene! recte! fraai! wel! goed! want voor eenen echten Engelschman zijn de, uit de Theems opgerezene en opeengepakte, neveldampen aangenamer, dan de heldere blaauwe hemel in Italie, en de bewalmde en berookte muren te Londen verre verkieslijk boven de prachtige, op hun ronde en sierlijke zuilen rustende gebouwen van de Louvre.

"Het is wel jammer," zeide eene dame tegen mij, "dat de vaux-hall in dit jaargetijde niet geopend is, en gij dezelve dus niet hebt kunnen zien! Van alle publieke plaatsen, waar men altijd goed en fatsoenlijk gezelschap aantreft, is deze, buiten tegenspraak, de meest comfortable.

"Bijaldien gij eenige dagen in Derbijshire kondet doorbrengen," zeide mij een zeker Lord, "dan zoudt gij mijn park en mijn kasteel kunnen zien: ik zelf ben de schepper zoo wel van het eene, als van het andere: de eer der uitvinding en de schikking behoort mij alleen: er bestaat nergens een verblijf, zoo aangenaam, zoo comfortable."

Ik had eenen zijden, van binnen met watten gevoerden, overrok, hoedanigen men veel in Frankrijk draagt. "Het is wel jammer," zeide een jong mensch van mijne kennis, "dat deze zijden jassen hier te Londen niet in de mode zijn; want ze schijnen mij zeer comfortable."

Wilt gij te Londen een schoon huis doen bouwen, ten minste zoodanig een, dat daar voor schoon gehouden wordt--(het schoone toch is betrekkelijk; want de afzigtelijke gezellin van den Hottentot bezit in zijne oogen meer bekoorlijkheden, dan de bevalligste van onze Parijsche Helena's.) Wilt gij dus te Londen een huis doen bouwen, hetwelk het nuttige met het aangename vereenigt, hetwelk in vele bijzondere en volkomen evenredige vertrekken is afgedeeld, waarvan de deuren en vensters goed sluiten, iets, dat al vrij zeldzaam te Londen is!--kortom, begeert gij een huis naar de beste Engelsche bouworde? welnu, laat dan den metselaar komen, en met een enkel woord, kunt gij hem verstaanbaar en begrijpelijk maken al, wat gij verlangt. Gij behoeft niet anders te zeggen, dan: "ik wensch den bouw van mijn huis comfortable."

Niets is insgelijks ellendiger dan het Engelsche kolenvuur, de eenige bekende brand in de drie vereenigde rijken. De zwarte, dikke rook, welken de kolen veroorzaken, en die zich overal aan hecht, verpligt u, gezigt en handen wel tien-, ja twintigmaal op éénen dag te wasschen, om niet binnen vierentwintig uren tijds voor eenen kolendrager gehouden te worden. Ook wordt er eene bijzondere bekwaamheid toe vereischt, om zulk een vuur aan te leggen en aan den gang te houden; want neemt men te veel kolen, dan dooft het al spoedig uit; neemt men te weinig, dan gaat het uit door gebrek aan voedende stof; roert men al te druk in de kolen, dan verdwijnt de vlam, en men zit, eer men het weet, aan eenen kouden haard; gebruikt men den pook in het geheel niet, of geeft men hem te veel rust, dan goeden nacht vlam en gloed! dan vormt zich eene korst over de weleer brandende oppervlakte, en er volgt eene geheele verduistering, welk lot der zon ook eenmaal te beurt moet vallen, zoo men eenen zekeren sterrekijker mag gelooven!--Welnu, wanneer dit ellendige vuur voor eenige oogenblikken, (dat echter eene ware zeldzaamheid kan genoemd worden!) eens lustig in het haardje brandt, en eene heldere vlam van zich geeft, dan is het al wederom een comfortable vuurtje!

"Indien het u gelegen...... Wat is er? wat wilt gij?"

"Ik zou gaarne weten, mijnheer!" zeide mijne hospita, "of gij dezen morgen uitgaat, want ik wilde in uwe afwezendheid den boel eens schoon maken."

--"Wat is er dan zoo al te doen?"

--"Tapijten uit te kloppen, glazen te wasschen, de vloer te vegen, en de meubelen te wrijven, in een woord, mijnheer! uw verblijf in orde te brengen, opdat men zeggen kan, het is comfortable."

--"Niets liever dan dat, mejufvrouw! oogenblikkelijk zal ik u daartoe ruimte geven, want ik ga eene wandeling doen.

En hierdoor voorkwam ik de verdere herhaling van dit overheerlijke comfortable, hetwelk zij zeker nog op vele andere voorwerpen zou toegepast hebben. Ook kan ik, mijns oordeels, deze afdeeling niet beter eindigen, dan met den hartelijken wensch, dat mijne lezers zich er mede mogen vermaakt hebben, en ongeveinsd kunnen uitroepen: "het was tamelijk comfortable."

XXIV.

DE DAGBLADEN.

Geen land wordt er misschien van den Noord- tot den Zuidpool gevonden, waar de dagbladen, en gedrukte nieuwstijdingen in zulk eene menigte rondgebragt, verkocht en gelezen worden, als in Engeland. Men kan er meer dan vijftig optellen; sommigen worden, den Zondag alleen uitgezonderd, alle dagen uitgegeven; anderen daarentegen des zondags alleen: dezen ontvangt men driemaal in de week, genen slechts eens in de maand. Al deze dagbladen zijn intusschen zoo groot van formaat, dat de Parijsche Moniteur er slechts een Lilliputiaan bij is.

De staatkundige tinnegieterij..... Wat beteekent dit? Waarom verdikt zich mijne inkt in de pen? Waarom weigert mijne veder de verschuldigde gehoorzaamheid aan mijne schrijvende vingeren?--Nimmer zal ik vergeten, eens gezworen te hebben, nooit over staatkundige onderwerpen te zullen spreken of schrijven; en dezen duren eed wil ik houden, o ja! hij zal mij altijd heilig, altijd onverbreekbaar zijn!

Ha! ik gevoel eene nieuwe kracht! Het gaat, de inkt wordt weder vloeibaar, en de pen onderwerpt zich geduldig aan haren voerder.--Ik zeg dan, dat de staatkunde het voornaamste onderhoud der Engelsche papieren is. Wijl zij hun echter te weinig stof verschaft, om dagelijks twintig of dertig ontzaggelijk groote colonnes, met zeer kleine letteren gedrukt, behoorlijk te kunnen aanvullen, maken de schrijvers, na al het nieuws uit andere landen, het zij dan waar of valsch, breedvoerig medegedeeld te hebben, een afzonderlijk artikel, waarin zij nogmaals het reeds vermelde herhalen, stukswijze ontleden, en met hunne bekookte of onbekookte aanmerkingen en oordeelkundige of geestelooze bijvoegselen doorspekken, en dus de schaal naar dien kant doen overslaan, welken de partij, waarvoor zij ijveren, is toegedaan. Op deze wijze ontbreekt het hun geenszins aan stof, om twee vierde gedeelten van hun blad te vullen. Een derde vierde gedeelte is toegewijd aan belangrijke onderwerpen, die uit de Parijsche Petites-Affiches zijn overgenomen; en, om het overige vol te krijgen, deelen zij een langdradig uittreksel en de kleinste bijzonderheden mede van de gedingen, welke voor de Londensche regtbanken verhandeld en gevonnisd zijn. Voorts verhalen zij de gewigtige tijding, dat Mylord die of die in de hoofdstad is teruggekeerd, en dat zijn naaste buur daarentegen weder naar zijn landgoed is vertrokken; dat Milady die of die den vorigen dag een dozijn menschen te eten heeft gehad, en eindelijk, dat een rappe hazenwind, langs den weg snellende, den vollen emmer van eene aardige melkboerin omver heeft gesmeten, dat hij in dezelfde vaart eenen tappersjongen, met al zijne pinten bier, onder den voet heeft geloopen, en eindelijk eene oude matrone in den modder heeft doen nedertuimelen, zoodat zij van onder tot boven beslijkt was.

De eigenlijke dagbladen zijn in twee partijen verdeeld, van welke de eene de ministeriele, en de andere de oppositie-partij genoemd wordt. Ook heeft men dagbladen, die slechts over letterkundige onderwerpen handelen, zoo als de Monthly-Review en de Critical-Review. Intusschen kan men, zonder een fijne kenner te zijn, uit den schrijftrant ligtelijk opmerken, dat de eerste gunstig is voor de ministers, en de andere de oppositie-partij aankleeft. Wanneer een dezer dagbladen zich eenmaal voor de eene of andere partij verklaard heeft, dan blijft het zijn aangenomen grondbeginsel ook onwrikbaar getrouw, en verraadt nimmer zijne partij. Zeldzaam treft men in Londen zulke schrijvers aan, welke heden den afgod met voeten treden, dien zij gisteren aanbaden, en dien zij morgen nogmaals zouden bewierooken, indien hij slechts weder op zijn altaar was geplaatst. Ook zijn zij geenszins verpligt, gelijk in vele andere landen, om valsche tijdingen te verspreiden, of ware te verzwijgen; noch genoodzaakt, een slecht werk aan te prijzen, omdat de schrijver invloed heeft, of eene goede lettervrucht van eenen achtenswaardigen geleerde onbarmhartig te havenen, omdat zijn vader een regterlijk vonnis heeft ondergaan. Letterkunde, staatkunde, alles ligt voor hen bloot, en hunne pen is zoo vrij, als hunne gedachten; terwijl het aan de regtbanken-alleen staat, de misbruiken te beteugelen, welke zij van de vrijheid der drukpers mogten maken.

"Bravo!" zeide mijn vriend C..., die, zonder dat ik het bemerkt had, was ingekomen, en over mijnen schouder de laatste regels, welke ik bezig was te schrijven, gelezen had: "bravo! ziedaar eens eindelijk een hoofdstuk, hetwelk, rond uit de borst, voor de Engelschen de grootste lofrede bevat!"