Chapter 18
Joe, onmiddellijk na zijn val opgestaan zijnde, op het oogenblik dat een der vlugste ruiters zich op hem wierp, sprong op als een panther, ontweek hem door een zijsprong, wierp zich achter op zijn paard, greep den Arabier bij de keel en wurgde hem met zijne gespierde armen en ijzeren vingers, wierp hem in het zand en vervolgde pijlsnel zijn weg. Een schrille kreet der Arabieren klonk door de lucht, maar geheel met hunne vervolging bezig zijnde, hadden zij den Victoria op 500 schreden achter zich en nauwelijks dertig voet van den grond niet bemerkt; zij zelven waren op nauwelijks twintig paardelengten van den vluchteling af. Een van hen naderde Joe meer en meer en was op het punt hem met zijne lans te doorboren, toen Kennedy met vast oog en vaste hand hem door een kogel ter aarde deed buitelen. Joe keerde op het gehoor van dien val zich zelfs niet om. Een deel der bende staakte zijn loop en viel voorover in het stof op het zien van den Victoria, de overigen zetten hunne vervolging voort.--"Wat doet Joe toch?" riep Kennedy uit, "hij houdt niet stil."--"Hij doet beter dan dat, Dick, ik heb hem begrepen! hij blijft in de richting van den luchtballon en rekent op ons vernuft! Ah, die brave jongen. Wij zullen hem voor den neus van die Arabieren ontvoeren, wij zijn niet meer dan tweehonderd schreden van hem af."--"Wat moeten wij doen?" vroeg Kennedy.--"Laat uw geweer liggen."--"Daar," zeide de jager, zijn wapen nederleggende.--"Kunt gij 150 pond ballast in uwe armen houden?"--"Nog wel meer."--"Neen! dat is voldoende."--De doctor stapelde zakken met zand op tusschen de armen van Kennedy.--"Blijf achter in het schuitje en houd u gereed dien ballast in eens weg te werpen. Maar bij uw leven, doe het niet vóór mijn bevel."--"Wees gerust!"--"Zonder dat zouden wij Joe niet kunnen bereiken, hij zou verloren zijn!"--"Reken op mij."
De Victoria was toen bijna boven de ruiters, die met lossen teugel Joe achtervolgden. De doctor hield voor in het schuitje de ladder klaar, gereed om haar uit te werpen op het gepaste oogenblik. Joe had den afstand tusschen zich en zijne vervolgers behouden, dat is ongeveer vijftig voet. De Victoria trok hen voorbij.--"Opgepast!" zeide Samuel tot Kennedy.--"Ik ben gereed."--"Joe! pas op!..." riep de doctor met zijn heldere stem, terwijl hij de ladder uitwierp, wier eerste sporten het stof van den grond opjoegen. Op den roep van den doctor keerde Joe, zonder zijn paard stil te doen staan, zich om, de ladder bereikte hem en op het oogenblik dat hij er zich aan vast klampte riep de doctor tot Kennedy:--"Werp uit!"--"Het is gedaan..." En de Victoria, ontdaan van een gewicht dat zwaarder was dan Joe, steeg 150 voet in de lucht.
Joe hield zich stevig aan de ladder vast gedurende de hevige schommelingen die de ballon beschreef; vervolgens een voor de Arabieren onbegrijpelijk gebaar makende en met de vlugheid van een clown klimmende, kwam hij bij zijne reisgezellen, die hem in hunne armen ontvingen. De Arabieren slaakten een kreet van verwondering en woede. De vluchteling was hun in de vlucht ontvoerd en de Victoria verwijderde zich snel.--"Meester! meester!" zeide Joe.--En van ontroering en vermoeienis bezwijkende, viel hij in zwijm, terwijl Kennedy, bijna waanzinnig van vreugde, uitriep: "Gered! gered!"--"Zeker!" zeide de doctor, die zijne koelbloedigheid had teruggekregen.
Joe was bijna naakt, zijne bebloede armen, zijn lichaam met wonden bedekt, dit alles getuigde van zijn lijden. De doctor verbond zijne wonden en legde hem onder de tent neder.
Hij kwam weldra bij, vroeg een glas brandewijn, dat de doctor geloofde hem niet te moeten weigeren, daar Joe niet iemand was dien men als iedereen moest behandelen. Na gedronken te hebben, drukte Joe de hand zijner twee reisgezellen en verklaarde zich bereid zijne avonturen te verhalen. Maar men veroorloofde hem niet te spreken en hij viel in een diepen slaap, waaraan hij groote behoefte scheen te hebben. De Victoria nam toen een richting naar het westen. Door een sterken wind voortgestuwd, zag men de grens van de doornachtige woestijn terug, boven de palmboomen, die door den storm gekromd of uit den grond gerukt waren, en toen men na de redding van Joe bijna 200 mijlen had afgelegd, kwam men tegen den avond voorbij den tienden graad breedte.
XXXVII.
De weg naar het westen.--Het ontwaken van Joe. Zijne koppigheid.--Einde der geschiedenis van Joe.--Tagelet.--Ongerustheid van Kennedy.--Weg naar het noorden.--Een nacht dicht bij Aghadés.
De wind werd bedaarder gedurende den nacht en de Victoria bleef stil boven een grooten wilden vijgenboom. De doctor en Kennedy waakten beurtelings en Joe maakte van die gelegenheid gebruik om een goeden slaap te doen, vier-en-twintig uren achtereen.--"Dit geneesmiddel heeft hij noodig," zeide Ferguson, "de natuur zal zich met zijne genezing belasten." Op den dag werd de wind weder vrij sterk maar veranderlijk, dan eens was hij noord, dan weder zuid, maar ten laatste werd de Victoria westwaarts gevoerd. De doctor met de kaart in de hand, herkende het koninkrijk Damerghou, een golvenden grond van groote vruchtbaarheid, met de hutten der dorpen, vervaardigd van riet en takken van de asclepia; de korenmolens verhieven zich in de bebouwde velden op kleine stellages, die bestemd waren om hen tegen de muizen en termiten te beschermen. Weldra bereikte men de stad Zinder, herkenbaar aan haar uitgestrekt plein van strafoefeningen; in het midden verheft zich de boom des doods, de beul waakt aan zijn voet, en al wie onder zijn lommer doorgaat, wordt terstond opgehangen. Het kompas raadplegende, kon Kennedy niet nalaten te zeggen: "Nu nemen wij weder een weg naar het noorden!"--"Wat beteekent dat? Als hij ons naar Tombuctou voert, zullen wij ons niet te beklagen hebben! Nooit zal er schooner reis onder betere omstandigheden volbracht zijn!...."--"Noch in betere gezondheid," antwoordde Joe, die zijn opgeruimd gelaat door de gordijnen van de tent stak. "Daar is onze brave vriend!" riep de jager uit, "onze redder! Hoe gaat het?"--"Zeer natuurlijk, mijnheer Kennedy, zeer natuurlijk, nooit ben ik zoo wel geweest! Er is niets dat een mensch zoozeer op zijn streek brengt, als een klein uitspanningsreisje, voorafgegaan door een bad in het meer Tchad! Is het niet zoo, meester?"--"Edel hart!" antwoordde Ferguson hem de hand drukkende. "Hoeveel angst en onrust hebt gij ons veroorzaakt."--"Welnu, en gij dan! gelooft gij dat ik gerust was over uw lot? Gij kunt u beroemen mij een grooten schrik te hebben aangejaagd!"--"Wij zullen elkander nooit verstaan, Joe, als gij de zaken zoo opvat."--"Ik zie dat zijn val hem niet heeft veranderd," voegde Kennedy er bij. "Uwe opoffering is verheven geweest, mijn jongen, en heeft ons gered, want de Victoria zou in het meer zijn gevallen en eens daar zijnde, had niemand hem er uit kunnen halen."--"Maar als mijne opoffering, zoo als het u behaagt mijne buiteling te noemen, u gered heeft, heeft het mij dan ook niet gered, daar wij allen eene goede gezondheid genieten? Bij gevolg hebben wij elkander niets te verwijten."--"Men zal zich nooit met dien knaap verstaan," zeide de jager.--"Het beste middel om elkander eens te verstaan," zeide Joe, "is niet meer daarover te spreken; wat gedaan is, is gedaan, hetzij goed of slecht, er valt niets aan te veranderen."--"Stijfkop," zeide de doctor lachend, "gij zult ons toch wel uwe avonturen willen verhalen?"--"Als gij er veel aan hecht! Maar vooraf zal ik deze vette gans braden, want ik zie dat mijnheer Dick zijn tijd niet heeft laten verloren gaan."--"Zoo als gij zegt, Joe."--"Welnu! wij zullen weldra zien hoe dit afrikaansche wild zich in een europeesche maag gedraagt."
De gans was weldra gebraden en opgegeten; Joe nam er een goed deel van, als een mensch, die in vele dagen niets heeft genuttigd. Na het gebruik van thee en grog verhaalde hij zijn reisgezellen zijne avonturen; hij sprak met eene zekere ontroering; terwijl hij de zaken op zijne hem gewone wijze beschouwde. De doctor drukte hem herhaalde malen de hand, toen hij dezen waardigen dienaar meer bekommerd zag over het lot zijns meesters, dan over het zijne; de overstrooming van het eiland der Biddiomahs verklaarde hij hem uit de menigvuldigheid van dit verschijnsel op het meer Tchad. Eindelijk kwam Joe aan het oogenblik waarin hij in het moeras stekende een laatsten kreet van wanhoop slaakte.
"Ik hield mij voor verloren," zeide hij, "en mijne gedachten waren u gewijd, meester; en ik begon te worstelen om er uit te komen. Hoe? dat zal ik u niet zeggen, ik was vast besloten mij niet te laten verzwelgen zonder pogingen te doen om mij te redden, toen ik op twee schreden afstands van mij een stuk pas afgesneden touw bemerkte: ik deed eene laatste poging, en zoo goed en zoo kwaad als het ging gelukte het mij dat te grijpen; ik trok en eindelijk was ik weder op vasten grond. Aan het einde van het touw vond ik een anker! O, meester, ik heb wel recht om 't het anker der redding te noemen, als gij daar ten minste niets tegen hebt. Ik herkende het voor een anker van den Victoria, gij waart dus daar geweest. Ik volgde de richting van het touw, dat mij uwe richting aanwees, en na nieuwe pogingen trok ik mij uit het slik. Ik had met mijn moed ook mijne krachten herkregen en ik liep gedurende een gedeelte van den nacht, mij van het meer verwijderende; eindelijk kwam ik aan den zoom van een onmetelijk woud. Daar was eene beslotene ruimte, waar paarden graasden zonder eenig kwaad te vermoeden; er zijn oogenblikken in het leven, dat iedereen kan paard rijden, is het niet waar? Ik bedacht mij geene minuut, sprong op den rug van een dezer dieren, en joeg met alle snelheid naar het noorden. Ik zal u niet spreken van steden, die ik niet heb gezien, noch van de dorpen die ik heb vermeden. Neen. Ik snelde over bezaaide velden, ik sprong over kreupelhout, beklom pallissaden, en zette mijn paard steeds aan. Ik kwam eindelijk aan de grens der bebouwde velden. Mooi, daar was de woestijn! dat stond mij aan, want toen kon ik beter en verder voor mij uitzien. Ik hoopte altijd den Victoria te ontdekken. Maar niets daarvan. Na drie uren belandde ik als een gek in eene legerplaats van Arabieren! Welk eene jacht!.... Ziet gij, mijnheer Kennedy, een jager weet niet wat eene jacht is, als men nooit op hem zelven jacht gemaakt heeft! En echter geef ik hem den raad het nooit te beproeven. Mijn paard viel neer van vermoeienis, men drong op mij aan, ik spring achter een Arabier op het paard! Ik was niet boos op hem en ik hoop dat hij het mij vergeven zal dat ik hem heb gewurgd; maar ik had u gezien en gij weet het overige. De Victoria volgde mijn spoor en gij naamt mij op in de vlucht, even als een ruiter een ring bij het ringsteken. Had ik niet gelijk op u te rekenen? Welnu, mijnheer Samuel, gij ziet hoe eenvoudig dat alles is. Niets ter wereld is natuurlijker! Ik ben gereed weder te beginnen, als het u nogmaals een dienst kan bewijzen! En overigens, zooals ik u zeide, meester, het is niet der moeite waard daarover te spreken." "Mijn brave Joe!" antwoordde de doctor ontroerd, "edel hart! Wij hadden geen ongelijk vertrouwen te stellen in uw vernuft en uwe behendigheid."--"Bah! mijnheer, men laat zich slechts door de omstandigheden leiden, en men redt zich uit den brand! Het veiligste, ziet gij, is nog de zaken te nemen zoo als zij zich voordoen."
Gedurende deze geschiedenis van Joe had de ballon snel eene groote uitgestrektheid doorloopen. Kennedy maakte weldra aan den horizon op eene verzameling hutten opmerkzaam, die het aanzien van eene stad hadden. De doctor raadpleegde zijne kaart en herkende Tagelel in Damerghou. "Wij vinden hier," zeide hij, "den weg van Barth weder. Daar scheidde hij van zijne twee reisgezellen, Richardson en Overweg; de eerste moest den weg van Zinder, de tweede dien van Maradi volgen en gij herinnert u dat Barth de eenige van deze drie reizigers is, die Europa wederzag."--"Dus," zeide de jager, "als wij op de kaart de richting van den Victoria volgen, gaan wij recht noordwaarts."--"Ja, mijn waarde Dick."--"En verontrust u dit niet een weinig?"--"Waarom?"--"Omdat die weg ons naar Tripoli voert en boven de groote woestijn."--"O! wij zullen zoo ver niet gaan, mijn vriend, ten minste ik hoop het."--"Maar waar wilt gij stil houden?"--"Laat eens zien, Dick, zoudt gij niet nieuwsgierig zijn om Tombuctou te bezoeken?"--"Tombuctou?"--"Zonder twijfel," zeide Joe, "men mag geene reis door Afrika doen, zonder Tombuctou te bezoeken."--"Gij zult de vijfde of zesde Europeaan zijn, die deze geheimzinnige stad heeft gezien!"--"Naar Tombuctou dan."--"Laat ons dan tusschen 17° en 18° breedte aankomen en daar zullen wij een gunstigen wind zoeken, die ons naar het westen voert."--"Goed," antwoordde de jager; "maar moeten wij nog een langen weg noordwaarts afleggen?"--"Ten minste 150 mijlen."--"Dan ga ik een weinig slapen," zeide Kennedy.--"Slaap, mijnheer," antwoordde Joe, "gij, meester, doe even als mijnheer Kennedy, gij zult rust noodig hebben, want ik heb u op eene onbescheidene wijze wakker gehouden."
De jager strekte zich onder de tent uit, maar Ferguson, op wien de vermoeienis weinig invloed had, bleef op zijn post als waarnemer. Na drie uren trok de Victoria buitengewoon snel over dat keisteenachtige land, met rijen hooge en naakte bergen met grondvlakken van graniet; enkele toppen bereikten zelfs eene hoogte van 4000 voet; de giraffen, antilopen en struisvogels sprongen zeer vlug in de bosschen van acacia's, mimosa's en dadelboomen; na de dorheid der woestijn hernam de plantengroei zijn rijk. Het was het land der Kailouas, die zich het gezicht bedekken met een band van katoen, even als hunne gevaarlijke buren de Touaregs.
Ten tien uur des avonds, na een tocht van 250 mijlen, hield de Victoria stil boven eene belangrijke stad; de maan deed zien dat een gedeelte half verwoest was; eenige toppen van moskeeën verhieven zich door den maneschijn verlicht; de doctor nam de hoogte der sterren waar, en bevond dat hij op de breedte van Aghadès was. Deze stad, eertijds het middelpunt van een levendigen handel, begon reeds te vervallen toen doctor Barth haar bezocht. Daar men den ballon in den donker niet had bemerkt, daalde hij neder op twee mijlen ten noorden van Aghadès, op een groot gierstveld. De nacht was vrij rustig en verdween tegen drie uur des morgens, terwijl een lichte wind den ballon naar het oosten en zelfs een weinig naar het zuiden voerde. Ferguson haastte zich van deze goede gelegenheid gebruik te maken; hij steeg spoedig en ging voort te midden van heldere zonnestralen.
XXXVIII.
Snelle tocht.--Voorzichtige besluiten.--Aanhoudende plasregens.--Gao.--De Niger.--Golberry, Geoffroy, Gray.--Mungo-Park.--Laing.--Réné Caillié.--Clapperton.--John en Richard Lander.
De dag van den 17den Mei was kalm en er had geen merkwaardig voorval plaats; de woestijn begon weder; een zachte wind voerde den ballon naar het zuidwesten, hij week noch rechts noch links af, zijne schaduw beschreef op het zand eene volkomen rechte lijn. Voor zijn vertrek had de doctor voorzichtig zijn voorraad water hernieuwd, daar hij vreesde niet te zullen kunnen dalen in deze streken, die onveilig werden gemaakt door de Aoueglimminiaansche Touaregs. De vlakte, die 1800 voet boven het oppervlak der zee verheven was, daalde in het zuiden. De reizigers, den weg van Aghadès naar Mourzouk, die dikwijls door kameelen werd bereden, afgesneden hebbende, kwamen des avonds op 16° breedte en 4°55' lengte, na een eentonigen tocht van 190 mijlen. Gedurende dien dag maakte Joe de laatste stukken wild gereed, hij gaf bij het avondmaal eenige zeer lekkere kleine snippen. Daar de wind goed was, besloot de doctor zijn tocht dezen nacht voort te zetten, terwijl de maan, die nog bijna vol was, helder scheen. De Victoria steeg tot op 500 voet hoogte en, op dien nachtelijken tocht van zestig mijlen zou de lichte slaap van een kind zelfs niet zijn gestoord. Zondagmorgen was er weder eene verandering in de richting van den wind, die hen naar het noordwesten voerde; eenige raven vlogen in de lucht en aan den horizon een troep gieren, die gelukkig veraf bleven. Het gezicht van die vogels gaf Joe aanleiding zijn meester zijn compliment te maken over zijn denkbeeld der twee ballons.--"Wat zou er van ons geworden zijn," zeide hij, "met een enkel omkleedsel? Deze tweede ballon is even als de sloep van een schip, welke men in geval van schipbreuk bij de hand heeft om zich te redden."--"Gij hebt gelijk, mijn vriend, maar mijne sloep verontrust mij een weinig, zij is niet zoo goed als het schip zelf."--"Wat wilt gij zeggen?" vroeg Kennedy.--"Ik wil zeggen dat de nieuwe Victoria niet zoo goed is als de oude; het zij dat het weefsel te veel is op de proef gesteld, hetzij dat de gutta percha gesmolten is door de hitte der slang, ik bemerk een zeker verlies van gas; tot hiertoe bedraagt dit niet veel, maar eindelijk wordt het beduidend; wij hebben eene neiging tot dalen, en om op dezelfde hoogte te blijven ben ik gedwongen het gas meer te doen uitzetten."--"Duivels!" zeide Kennedy, "daartegen zie ik geen hulpmiddel."--"Er is er geen, mijn waarde Dick, daarom zullen wij wel doen ons te haasten en zelfs den nacht door te reizen."--"Zijn wij nog ver van de kust?" vroeg Joe.--"Welke kust? mijn jongen? Weten wij dan waarheen het toeval ons zal voeren; al wat ik u kan zeggen is, dat Tombuctou nog 400 mijlen westwaarts van ons ligt."--"En hoeveel tijd zullen wij besteden om er te komen?"--"Als de wind ons niet te veel afvoert, reken ik die stad tegen Dinsdagavond te bereiken."--"Dan zullen wij," zeide Joe, terwijl hij eene lange rij menschen en beesten aanwees, die midden door de woestijn trokken, "spoediger aankomen dan die karavaan."
Ferguson en Kennedy keken naar omlaag en zagen een groote verzameling van wezens, van allerlei soort; er waren meer dan honderd vijftig kameelen, en wel van die welke voor twaalf gouden mutkals [53] van Tombuctou naar Tafilet gaan, beladen met 500 pond; allen droegen onder de staart een kleinen zak, bestemd om hunne uitwerpsels op te vangen, hetgeen de eenige brandstof is, waarop men in de woestijn kan rekenen. Deze kameelen der Touaregs zijn van het beste ras; zij kunnen van drie tot zeven dagen zonder drinken blijven en twee dagen zonder eten; hunne vlugheid overtreft die der paarden en zij gehoorzamen vernuftig aan de stem van den Khabir, den aanvoerder der karavaan. Men kent hen in het land onder den naam van Mehari. Deze bijzonderheden verhaalde de doctor, terwijl zijne reisgezellen deze menigte mannen, vrouwen en kinderen beschouwden, die met moeite liepen op half beweeglijk zand, dat nauwlijks werd tegengehouden door eenige distels, verdord gras en lage doornstruiken. Joe vroeg hoe de Arabieren zich in de woestijn konden richten en de hier en daar in deze onmetelijke eenzaamheid verspreide putten bereiken.--"De Arabieren," antwoordde Ferguson, "hebben van de natuur een wonderbaar instinct ontvangen om hun weg te herkennen. Daar waar een Europeaan geheel van de wijs zou zijn, aarzelen zij nooit. Een onbeduidende steen, een keisteen, eenige boomen, de verschillende kleuren van het zand zijn hun voldoende om veilig te reizen; des nachts richten zij zich naar de poolster; zij leggen niet meer dan twee mijlen per uur af en rusten slechts bij de groote middaghitte; denk nu eens hoeveel tijd zij noodig hebben om de Sahara, die meer dan 900 mijlen lang is, door te trekken." Maar de ballon was reeds uit de oogen der verbaasde Arabieren verdwenen, die zijne snelheid moesten benijden. Des avonds passeerde hij op 2° 20' lengte [54] en legde des nachts nog meer dan een graad af.
Des Maandags veranderde het weder geheel; er begon een hevige regen te vallen; men moest weerstand bieden aan dien stortvloed en de vermeerdering van gewicht waarmede de ballon en het schuitje belast werden; deze voortdurende stortregen verklaarde het aanwezig zijn der moerassen en poelen die de oppervlakte van het land bedekten; de plantengroei verscheen er weder met de mimosa's en de tamerindenboomen.