Vijf weken in een luchtballon

Chapter 17

Chapter 173,946 wordsPublic domain

De doctor en Kennedy waren bij dit verschrikkelijk schouwspel tegenwoordig. Zij konden hun ballon niet meer sturen, daar hij in tegenovergestelde luchtstroomen ronddraaide en niet meer gehoorzaamde aan de verschillende uitzettingen van het gas. Door deze bewegingen der lucht dwarrelde hij met duizelende snelheid, en het schuitje slingerde geweldig; de instrumenten, die onder de tent waren opgehangen, stieten tegen elkander met gevaar van te breken; de buizen der slang kromden zich, de waterbakken gingen met groot geraas van hunne plaats; de reizigers konden elkander op een afstand van twee voet niet verstaan en zij beproefden, door zich krampachtig aan de touwen vast te houden, aan de woede van den orkaan weerstand te bieden. Kennedy met verwilderde haren staroogde zonder te spreken, de doctor had zijne koelbloedigheid herkregen te midden van het gevaar en niet de minste ontroering was op zijne trekken te lezen, zelfs niet toen de Victoria, na eene laatste draaiing, plotseling stil bleef; de noordewind had de overhand gehouden en voerde hen terug langs den tegenovergestelden weg van dien van des morgens met eene voor het minst even groote snelheid.--"Waarheen gaan wij?" vroeg Kennedy.--"Laat dat aan de Voorzienigheid over, mijn waarde Dick, ik heb ongelijk gehad aan haar te twijfelen; zij weet beter dan wij wat goed voor ons is en wij keeren terug naar de plaatsen, die wij niet hoopten weder te zien." Op den grond, die eerst zoo vlak en effen was, vertoonden zich na den storm kleine bergjes; de wind woei hevig en de Victoria vloog door de ruimte. De richting, die de reizigers volgden, verschilde een weinig van die, in welke zij des morgens waren gegaan, en tegen negen uur zagen zij, in plaats van het meer Tchad, de woestijn zich voor hen uitstrekken. Kennedy deed dit opmerken.--"Het komt er weinig op aan," antwoordde de doctor, "het voornaamste is in het zuiden terug te komen, wij zullen de steden van Bornou, Wouddie of Kouka ontmoeten en ik zal niet aarzelen daar stil te houden."--"Als gij tevreden zijt, ik ben het ten volle," antwoordde de jager, "maar geve de hemel dat wij niet de woestijn moeten doortrekken, zoo als die ongelukkige Arabieren. Wat wij gezien hebben was verschrikkelijk."--"En gebeurt dikwijls, Dick; het doortrekken van de woestijn is met andere gevaren gepaard dan het oversteken van den oceaan; de woestijn heeft alle gevaren der zee, zelfs het verzwelgen, en daarenboven onuitstaanbare ontberingen en vermoeienissen."--"Het komt mij voor," zeide Kennedy, "dat de wind gaat liggen, het stof van het zand is minder dicht opeengepakt, zijne golvingen verminderen en de horizon klaart op."--"Des te beter, wij moeten hem oplettend met den verrekijker onderzoeken, en niets moet ons oog ontsnappen."--"Daar belast ik mij mede, Samuel, en de verste boom zal niet door mij worden gezien, zonder dat gij er van verwittigd wordt." En Kennedy ging, met den verrekijker in de hand, voor in het schuitje staan.

XXXV.

Geschiedenis van Joe.--Het eiland der Biddiomahs.--De aanbidding.--Het verzwolgen eiland.--De oever van het meer.--De slangenboom.--Voetreis.--Lijden.--Muskieten en mieren.--De honger.--Voorbijgang van den Victoria.--Verdwijning van den Victoria.--Wanhoop.--Het moeras.--Een laatste kreet.

Wat was er van Joe geworden gedurende de vergeefsche nasporingen van zijn meester? Toen hij zich in het meer had geworpen was zijne eerste beweging, nadat hij op de oppervlakte was gekomen, de oogen omhoog te slaan; hij zag den Victoria, reeds zeer hoog boven het meer, snel stijgen, langzamerhand kleiner worden en eindelijk door een snellen luchtstroom medegevoerd in het noorden verdwijnen. Zijn meester, zijne vrienden waren gered.--"Het is gelukkig," zeide hij tot zich zelven, "dat ik het denkbeeld heb gehad mij in het meer Tchad te werpen, het zou zeker ook bij mijnheer Kennedy opgekomen zijn en hij zou zeker niet geaarzeld hebben te doen zoo als ik, want het is zeer natuurlijk dat één mensch zich opoffert om twee anderen te redden." Hieromtrent gerustgesteld, begon Joe om zich zelven te denken; hij was in een onmetelijk meer, omringd door onbekende volkeren waarschijnlijk woeste stammen. Dit was eene reden te meer om zich uit de verlegenheid te redden door slechts op zich zelven te rekenen, hij maakte zich dus niet beangst. Voor den aanval der roofvogels, die volgens hem zich als ware condors hadden gedragen, had hij een eiland aan den horizon gezien; hij besloot dus zich daarheen te richten en al zijne zwemkunst in het werk te stellen, na zich van de kleederen ontdaan te hebben die hem het meest hinderden; eene wandeling van vijf of zes mijlen hinderde hem niet, daarom dacht hij, zoolang hij in het volle meer was, nergens anders aan dan om te zwemmen. Na een anderhalf uur was de afstand die hem van het eiland scheidde, zeer verminderd. Maar naarmate hij het land naderde, maakte zich eene eerst vluchtige, daarna ernstige gedachte van zijn geest meester. Hij wist dat de oevers van het meer bezocht werden door ontzaglijke alligators, hij kende de vraatzucht dezer dieren. Hoe natuurlijk hij ook alles in deze wereld mocht vinden, gevoelde de waardige jongen zich echter levendig ontroerd; hij vreesde dat het blanke vleesch bijzonder naar den smaak der krokodillen zou zijn en ging dus slechts met de grootste voorzorgen voorwaarts, steeds een oog in het zeil houdende. Hij was slechts honderd vademen verwijderd van het met groene boomen overschaduwde strand, toen een sterke lucht van muskus zijne reukzenuwen aandeed. "Mooi!" zeide hij bij zichzelven, "dat is het juist wat ik vreesde, de kaaiman is niet ver meer." En hij dompelde zich snel onder, maar niet spoedig genoeg om de aanraking van een groot lichaam te ontgaan, wiens schubbige huid hem in het voorbijgaan schampte. Hij achtte zich verloren en begon met wanhopige snelheid te zwemmen; hij kwam boven water om adem te halen en verdween weder. Daar stond hij een kwartier lang een onuitsprekelijken angst uit, dien hij met al zijne koelbloedigheid niet kon verdrijven; hij meende achter zich het geluid te hooren van dien grooten muil gereed om hem te verslinden. Nu zwom hij, zoo stil mogelijk, onder water, toen hij zich eerst bij een arm, vervolgens om zijn middel voelde grijpen.

Arme Joe! hij dacht voor de laatste maal aan zijn meester en begon wanhopig te worstelen, daar hij zich niet naar den bodem van het meer voelde trekken, zooals de krokodillen doen om hunne prooi te verslinden, maar naar de oppervlakte. Nauwelijks had hij kunnen ademhalen en de oogen openen, of hij zag zich tusschen twee negers, zwart als ebbenhout, die hem stevig vasthielden en vreemde kreten slaakten.--"Welnu, komaan!" riep Joe uit, "negers in plaats van kaaimans! Ik heb dit waarachtig liever! Maar hoe durven die kerels zich hier baden?" Joe wist niet dat de inwoners van de eilanden van het meer Tchad, even als vele negers, straffeloos zich baden in wateren waar zich alligators bevinden, zonder zich om hunne tegenwoordigheid te bekommeren; de tweeslachtige dieren van dit meer staan algemeen bekend als onschadelijk. Was Joe dus nu het eene gevaar ontkomen, om in het andere te vervallen? Dit liet hij aan de toekomst over, en daar hij niet anders kon doen, liet hij zich zonder eenige vrees te toonen naar den oever slepen.--"Klaarblijkelijk," zeide hij in zich zelven, "hebben deze menschen den Victoria over de wateren van het meer zien gaan even als een monster uit de lucht, en zij moeten eerbied hebben voor een man, die uit den hemel is gevallen. Laat hen dus begaan!"

Tot zoover was Joe met zijne overdenkingen gevorderd, toen hij aan land stapte te midden eener huilende menigte van beide seksen en allerlei leeftijd, maar niet van alle kleuren; hij bevond zich onder een stam van Biddiomahs van een prachtig zwarte kleur. Hij behoefde zelfs niet te blozen over de luchtigheid zijner kleeding, hij was naar de laatste mode van het land "ontkleed." Maar, voordat hij den tijd had om zich van zijn toestand rekenschap te geven, kon hij zich niet vergissen in de aanbidding waarvan hij het voorwerp werd. Dit stelde hem gerust, hoewel de geschiedenis van Kazeh [52] hem in het geheugen kwam. "Ik heb een voorgevoel dat ik weder een god, de een of andere Zoon der Maan zal worden! Welnu, dit ambacht is even goed als een ander, als men geene keus heeft. Het voornaamste is tijd te winnen. Als de Victoria weder voorbijkomt, zal ik van mijne nieuwe positie gebruik maken om aan mijne aanbidders het schouwspel te geven van eene wonderbare hemelvaart." Terwijl Joe aldus nadacht, verdrong de menigte zich rondom hem, zij viel op de knieën, huilde, betastte hem en werd zeer gemeenzaam, maar zij was ook zoo goed hem een prachtig gastmaal aan te bieden, bestaande uit zure melk met gepelde rijst en honig. De waardige jongen, zich in alles schikkende, deed een der beste malen van zijn leven en gaf aan het volk een hoog denkbeeld van de wijze, waarop de goden bij plechtige gelegenheden eten.

Toen de avond gekomen was, namen de toovenaars van het eiland hem eerbiedig bij de handen en geleidden hem naar eene soort van hut, door talismans omringd; voordat hij er binnen ging, sloeg Joe een onrustigen blik op de hoopen beenderen, die rondom dit heiligdom lagen; overigens had hij al den tijd om over zijn toestand na te denken toen hij in zijne hut was opgesloten. Gedurende den avond en een gedeelte van den nacht hoorde hij feestzangen, het geluid van eene soort van trom en een geraas van ijzer, dat zeer aangenaam is voor afrikaansche ooren; huilende koren begeleidden eindelooze dansen van de negers, die de heilige hut met hunne lichaamsverdraaiingen en grimassen omringden.

Joe kon dit waarnemen door de muren van slijk en riet; misschien zou hij, in andere omstandigheden groot behagen hebben geschept in deze vreemde plechtigheden, maar eene onaangename gedachte bekroop hem weldra. Hoewel alles van de goede zijde beschouwende, vond hij het toch droevig in dit wilde land en bij dergelijke stammen te zijn. Weinige reizigers, die zich in deze streken hadden gewaagd, hadden hun vaderland wedergezien. Kon hij zich wel verlaten op de aanbidding waarvan hij het voorwerp was! Hij had goede redenen om aan de ijdelheid van aardsche grootheid te gelooven. Hij vroeg zich af, of de aanbidding in dit land niet zoover ging dat men den aangebedene opat! Ondanks dit onaangenaam vooruitzicht en na eenige uren van overdenking, kreeg de vermoeienis de overhand over de akelige gedachten en Joe viel in een diepen slaap, die zonder twijfel tot aan het krieken van den dag zou hebben geduurd, als eene onverwachte vochtigheid den slaper niet had wakker gemaakt. Weldra werd dit vocht water, dat zoo hoog steeg, dat Joe tot aan zijn midden daarin stond. "Wat is dat?" zeide hij, "eene overstrooming, eene hoos, eene nieuwe marteling der negers! Waarachtig, ik zal niet wachten totdat het mij aan den hals komt." Dit zeggende stootte hij den muur met zijn schouder in en waar bevond hij zich toen? midden in het meer. Er was geen spoor meer van het eiland te zien. Het was in den nacht ondergeloopen.--"Dit is een naar land voor de bewoners," zeide Joe, en hij begon op nieuw met alle kracht te zwemmen. Een dezer vrij algemeene verschijnsels op het meer Tchad had den braven jongen bevrijd; meer dan één eiland, dat vast als een rots scheen, is op deze wijze verdwenen, en dikwijls moesten de volkeren aan de oevers de ongelukkigen opnemen, die aan deze verschrikkelijke ramp waren ontkomen. Joe was onbekend met deze bijzonderheid, maar hij maakte er gebruik van. Hij bemerkte een dobberend schuitje en begaf zich spoedig daarheen, het was eene soort van ruw uitgeholde boomstam. Een paar riemen waren er gelukkig in, en Joe, van een snellen stroom gebruik makende, liet zich drijven. "Laat ons goed onze stelling opnemen," zeide Joe. "De poolster, die als een eerlijk man zijn plicht doet om iedereen het noorden aan te wijzen, zal mij wel te hulp willen komen."

Hij zag met blijdschap dat de stroom hem naar den noordelijken oever voerde en liet hem begaan. Tegen twee uur des morgens zette hij voet aan wal op een voorgebergte, bedekt met doornachtig riet, dat zeer lastig scheen, maar een boom stond daar juist van pas, om hem een bed in zijne takken aan te bieden. Joe klom er in voor meerdere veiligheid en wachtte daar, zonder veel te slapen, de eerste zonnestralen af. Toen de dag was aangebroken met dien snelheid, eigen aan de landen onder en bij den evenaar gelegen, sloeg Joe een blik op den boom, die hem gedurende den nacht had beschut; een onverwacht schouwspel deed hem schrikken. De takken van dezen boom waren letterlijk geheel bedekt met slangen en kameleons; de bladeren waren onzichtbaar; men zou het een boom van eene nieuwe soort hebben genoemd, die kruipend gedierte voortbracht; onder de stralen der zon kroop dit alles door en over elkander. Joe ondervond een levendig gevoel van schrik, gemengd met walging en sprong ter aarde, te midden van het gesis van den troep. "Dat is iets," zeide hij, "dat men nooit zal willen gelooven."

Hij wist niet dat de laatste brieven van doctor Vogel deze bijzonderheid van de oevers van het meer Tchad, waar de kruipende dieren talrijker zijn dan in eenig ander land ter wereld, hadden doen kennen; na hetgeen hij gezien had, besloot Joe in het vervolg omzichtiger te zijn en, zich naar de zon richtende, begaf hij zich op weg naar het noordoosten, hij ontweek zorgvuldig alle mogelijke hutten en holen, in een woord alles wat tot menschelijke woning zou hebben kunnen dienen.

Hoe dikmaals zag hij naar de lucht! Hij hoopte den ballon te ontdekken en, hoewel hij hem dien geheelen dag te vergeefs had gezocht, verzwakte dit zijn vertrouwen op zijn meester niet; hij had eene groote vastheid van karakter noodig om zoo koelbloedig te zijn. De honger voegde zich bij de vermoeienis, want wortelen, merg van heesters, zoo als de "mélé," of vruchten van den palmboom "doum", versterken iemand niet, en echter kon hij, volgens zijne schatting ongeveer twintig mijlen westwaarts gaan. Zijn lichaam droeg op twintig plaatsen de sporen van duizenden doornen, waarmede het riet van het meer, de acacia's en de mimosa's bezet zijn, en zijne bebloede voeten maakten zijn gang uiterst pijnlijk. Maar eindelijk wist hij zijne smarten te overwinnen en des avonds besloot hij den nacht aan de oevers van het meer Tchad door te brengen.

Daar had hij de steken door te staan van duizenden insecten; vliegen, muskieten, mieren van een halve duim lengte, bedekten daar letterlijk de aarde; na twee uren bleef aan Joe geen stuk over van de weinige kleederen die hem bedekten; de insecten hadden alles verslonden; het was een verschrikkelijke nacht, die den vermoeiden reiziger geen uur slaap veroorloofde; al dien tijd woedden de wilde zwijnen en buffels, de ajoub, eene soort van lamentyn, die zeer gevaarlijk is, in de struiken en onder het water van het meer. Joe durfde zich niet bewegen. Hij had moeite zijn kalmte en geduld te behouden. Eindelijk brak de dag weer aan; Joe stond spoedig op en men oordeele over zijn afgrijzen toen hij zag dat een vuil dier zijne legerstede had gedeeld; eene pad, maar eene van vijf duim breed, met een monsterachtigen, afschuwelijken kop, die hem met groote oogen aanstaarde. Joe voelde zich het hart in het lijf omdraaien, en door walging voortgedreven, liep hij met groote stappen naar het meer, om zich te baden. Dit bad deed het jeuken dat hem kwelde een weinig bedaren en, na eenige bladeren te hebben gekauwd, ging hij weder op weg met eene volharding, waarvan hij zich geene rekenschap wist te geven; hij had geen gevoel meer van hetgeen hij deed en desniettemin voelde hij dat zijne kracht sterker was dan zijne wanhoop. Echter deed een verschrikkelijke honger zich bij hem voelen; zijne maag, minder geduldig dan hij, klaagde; hij was verplicht eene klimplant stevig om zijn lichaam te binden; gelukkig kon hij zijn dorst bij iedere schrede lesschen en, zich het lijden in de woestijn herinnerende, vond hij het betrekkelijk gelukkig dat hij de kwellingen van den dorst niet had te doorstaan.--"Waar kan de Victoria zijn?" vroeg hij zich af..... "De wind is noord, hij moest naar het meer terugkeeren. Zonder twijfel zal mijnheer Samuel het evenwicht hebben moeten herstellen; maar de dag van gisteren zal daarvoor wel voldoende zijn geweest, het zou dus niet onmogelijk zijn dat heden.... Maar laat ons doen als of ik hem nooit moest wederzien. Alles wel bezien, als ik eene der groote steden van het meer bereik, zou ik in het geval verkeeren van de reizigers, van welke mijn meester ons heeft gesproken. Waarom zou ik er niet even goed afkomen als zij? Er zijn er die terug zijn gekomen. Komaan, moed!" Aldus sprekende en steeds voortgaande, kwam de onverschrokken Joe in het midden van het bosch nabij een troep wilden terecht. Hij bleef bij tijds staan en werd niet gezien. De negers hielden zich bezig hunne pijlen te vergiftigen met het sap der wolfsmelk, hetgeen eene voorname bezigheid is voor de stammen dezer streek, en dat met zekere plechtigheid geschiedt.

Joe verbergde zich en bleef onbeweeglijk, zijn adem inhoudende, in eene dicht begroeide plaats, toen hij, de oogen opheffende, door de bladeren heen den Victoria bemerkte, die zich naar het meer richtte, nauwelijks honderd voet boven hem. Maar het was onmogelijk zich te doen hooren of te laten zien. Tranen kwamen hem in de oogen, niet van wanhoop, maar van dankbaarheid; zijn meester zocht hem! Zijn meester verliet hem niet! Hij moest het vertrek der zwarten afwachten, dan kon hij zijne schuilplaats verlaten en naar de oevers van het meer loopen. Maar de ballon verdween toen in het blauw des hemels. Joe besloot hem te wachten, hij zou zeker wel weder voorbijkomen! Hij kwam inderdaad weder voorbij, maar meer naar het oosten. Joe liep, maakte gebaren, schreeuwde.--Te vergeefs! Een hevige wind voerde den ballon mede met eene snelheid, die hem alle hoop ontnam. Voor de eerste maal verlieten de kracht en de hoop den ongelukkige; hij zag zich verloren, hij geloofde dat zijn meester was vertrokken zonder terug te keeren, hij durfde niet meer denken. Als een krankzinnige liep hij met bloedende voeten en een gewond lichaam den geheelen dag en een gedeelte van den nacht. Hij sleepte zich nu eens op de knieën, dan eens op de handen voort, hij zag het oogenblik nabij dat de kracht hem zou ontbreken, dat hij ging sterven. Dus voortgaande bevond hij zich eindelijk bij een moeras, hij viel onverwachts in een taai slijk; ondanks zijne pogingen, ondanks zijn wanhopigen tegenstand, voelde hij zich langzamerhand in dien modderigen grond zuigen, eenige minuten later stak hij er tot zijn midden in.--"Daar is dan de dood," zeide hij tot zich zelven, "en welk een dood!...."

Hij worstelde woedend, maar dit deed hem nog dieper zinken in dit graf, dat de ongelukkige zich zelven groef! Er was geen enkel stuk hout, dat hem kon tegenhouden, geen riet om zich aan vast te houden!--Hij begreep dat het met hem gedaan was!... Zijne oogen sloten zich.--"Meester! meester!... help!" riep hij uit. En die wanhopige stem, reeds half versmoord, verloor zich in den nacht.

XXXVI.

Eene verzameling aan den horizon.--Een troep Arabieren.--De vervolging.--Hij is het!--Val van het paard.--De gewurgde Arabier.--Een kogel van Kennedy.--Manoeuvreeren.--Ontvoering in de vlucht.--Joe wordt gered.

Sedert Kennedy zijn waarnemings-post voor in het schuitje had ingenomen, onderzocht hij oplettend den horizon. Na eenigen tijd wendde hij zich tot den doctor en zeide: "Als ik mij niet bedrieg zie ik daar ginds een troep menschen of beesten zich bewegen, het is nog onmogelijk hen te onderscheiden. In allen gevalle loopen zij snel, want zij jagen eene wolk van stof op."--"Zou het weer een andere wind zijn?" zeide Samuel, "of eene hoos, die ons naar het noorden zal voeren?" Hij stond op om den horizon te onderzoeken.--"Ik geloof het niet, Samuel, het is een troep gazellen of wilde ossen."--"Misschien, Dick, maar zij zijn ten minste negen of tien mijlen van ons verwijderd en zelfs met den verrekijker kan ik niets onderscheiden."--"In allen gevalle zal ik hen niet uit het oog verliezen, er is iets bijzonders, dat mij vreemd voorkomt, men zou zeggen dat het ruiterij was! Ik bedrieg mij niet, het zijn wel ruiters! Zie!" De doctor keek oplettend naar den hem aangewezen troep.--"Ik geloof dat gij gelijk hebt," zeide hij, "het is een detachement Arabieren of Tibbous, zij gaan in dezelfde richting als wij, maar wij gaan sneller en komen hen gemakkelijk vooruit. In een half uur zullen wij in staat zijn te zien en te oordeelen wat wij moeten doen."--Kennedy had weder zijn verrekijker genomen en keek oplettend. De ruiters werden meer zichtbaar, eenigen zonderden zich af.--"Het is blijkbaar," hernam Kennedy, "eene manoeuvre of eene jacht, het schijnt wel dat die lieden iets vervolgen. Ik zou wel willen weten wat daarvan is."--"Geduld Dick, spoedig zullen wij hen inhalen en zelfs voorbijkomen als zij dezen weg blijven volgen, wij gaan met eene snelheid van twintig mijlen in het uur en geene paarden kunnen zoo snel loopen."--Kennedy ging weder op zijn post en eenige oogenblikken daarna zeide hij: "Het zijn Arabieren, die met de grootste snelheid rijden, ik kan het volmaakt goed onderscheiden, zij zijn vijftig in getal. Ik zie hunne burnous in den wind fladderen. Het is eene exercitie van ruiters, hun opperhoofd gaat hen op honderd schreden vooruit en zij volgen hem."--"Wie zij ook mogen zijn, Dick, zij zijn niet te vreezen en, als het noodzakelijk is, zal ik stijgen."--"Wacht nog wat, Samuel.--Dat is zonderling," voegde Dick er, na een nieuw onderzoek bij, "er is iets waarvan ik mij geene rekenschap kan geven; aan hunne pogingen en de ongeregeldheid hunner linie schijnen deze Arabieren eerder iemand te vervolgen dan te volgen."--"Zijt gij er zeker van, Dick?"--"Ja. Ik bedrieg mij niet, zij volgen geen opperhoofd, die hen voorgaat, maar een vluchteling."--"Een vluchteling," zeide Samuel ontroerd.--"Ja."--"Laat ons hem niet uit het oog verliezen en wachten."--Men won spoedig drie of vier mijlen op die ruiters, die echter pijlsnel reden.--"Samuel! Samuel!" riep Kennedy met bevende stem uit.--"Wat is er, Dick?"--"Is het een zinsbedrog?"--"Is het mogelijk?"--"Wat wilt gij zeggen?"--"Wacht."--En de jager veegde spoedig de glazen van den verrekijker af en begon weder te kijken.--"Welnu?" zeide de doctor.--"Hij is het, Samuel!"--"Hij!" zeide deze laatste.--"Dit woord 'hij' zeide alles, het was niet noodig hem te noemen."--"Hij is het, te paard! nauwelijks 100 schreden van zijne vijanden! Hij vlucht!"--"Het is wel Joe!" zeide de doctor verbleekende.--"Hij kan ons in zijne vlucht niet zien."--"Hij zal ons zien," antwoordde Ferguson, de vlam van zijne gaspijp doende minderen.--"Maar hoe?"--"In vijf minuten zullen wij op vijftig voet van den grond en in vijftien boven hem zijn."--"Wij moeten hem waarschuwen door een schot."--"Neen! hij kan niet op zijne schreden terugkeeren, de mogelijkheid daartoe is hem afgesneden."--"Wat dan te doen?"--"Wachten!"--"Wachten! En deze Arabieren?"--"Wij zullen hen inhalen en voorbijkomen! Wij zijn geen twee mijlen van hen af en als het paard van Joe volhoudt!"--"Groote God!" zeide Kennedy.--"Wat is er?"--Kennedy had een kreet van wanhoop geslaakt, toen hij Joe ter aarde zag vallen. Zijn paard, blijkbaar uitgeput, was nedergestort.--"Hij heeft ons gezien!" riep de doctor uit, "toen hij opstond heeft hij ons een teeken gegeven."--"Maar de Arabieren zullen hem bereiken? waarom wacht hij? O! die moedige jongen! Hoezee?" zeide de jager, die zich niet meer kon inhouden.