Vijf weken in een luchtballon

Chapter 15

Chapter 153,908 wordsPublic domain

Des anderen daags, den 11den Mei, hernam de ballon zijn avontuurlijken loop, de reizigers vertrouwden op hem als de zeeman op zijn schip. Vreeslijke orkanen, keerkringshitte, gevaarlijke opstijgingen, nog gevaarlijker dalingen, dit alles was zij goed te boven gekomen. Men kan zeggen dat Ferguson hem met een enkel gebaar bestuurde en de doctor koesterde geene vrees omtrent den goeden uitslag der reis, zonder echter het punt van aankomst te weten. Maar in dit land van barbaren en dweepers verplichtte de voorzichtigheid hem de strengste voorzorgen te nemen; hij beval dus zijne reisgenooten aan voortdurend een oog in 't zeil te houden. De wind voerde hen een weinig meer noordwaarts en tegen negen uur zagen zij de groote stad Mosfeia, op eene hoogte gebouwd, welke zelve tusschen twee hooge bergen ligt besloten; zij was onneembaar, een nauwe weg tusschen een moeras en een bosch verleende den eenigen toegang tot haar. Op dit oogenblik deed een Scheik, vergezeld van een geleide te paard, in veelkleurige kleederen, voorafgegaan door trompetters en voorloopers, die de takken voor hem uit den weg ruimden, zijne intrede in de stad. De doctor daalde neder om deze inlanders meer van nabij te zien, maar naar mate de ballon grooter werd in hunne oogen, gaven zij teekens van groote vrees en snelden weg met al de snelheid hunner voeten of paarden. De Scheik alleen ging niet van zijne plaats, nam zijn lang musket, laadde het en wachtte moedig. De doctor naderde op nauwelijks 150 voet afstand en groette hem vriendelijk in het Arabisch. Maar op deze woorden, die uit den hemel kwamen, sprong de Scheik ter aarde, knielde in het stof op den weg en de doctor kon hem van zijn gebed niet afhouden.--"Het is onmogelijk," zeide hij, "dat deze lieden ons anders dan voor bovennatuurlijke wezens houden; bij de eerste aankomst van Europeanen hielden zij hen voor een bovenmenschelijk ras. En als de Scheik van deze ontmoeting spreekt, zal hij het feit met alle hulpmiddelen eener arabische verbeeldingskracht opsieren. Oordeelt nu eens, wat de legenden eens van ons zullen zeggen."--"Het zal misschien te bejammeren zijn," antwoordde de jager, "in het belang der beschaving zou het beter zijn voor eenvoudige menschen door te gaan, dat zou aan die negers een geheel ander denkbeeld geven van de europeesche macht."--"Juist, mijn waarde Dick; maar wat kunnen wij er aan doen? Al verklaardet gij aan de geleerden van dit land in het breede de samenstelling en werking van een luchtballon, zij zouden het niet begrijpen en altijd aan eene bovennatuurlijke tusschenkomst gelooven."--"Mijnheer," vroeg Joe, "gij hebt gesproken van de eerste Europeanen, die dit land onderzocht hebben, wie zijn dat?"--"Mijn beste jongen, wij zijn juist op den weg, dien Denham gevolgd is: te Mosfeia werd hij ontvangen door den Sultan van Mandara; hij had Bornou verlaten, vergezelde den Scheik op eene expeditie tegen de Fellatahs, woonde den aanval op de stad bij, die met de pijlen harer bewoners dapper weerstand bood aan de arabische kogels en de troepen van den Scheik op de vlucht jaagde, dit alles was slechts een voorwendsel tot moord en plundering; de majoor werd geheel uitgeplunderd, naakt uitgeschud en zonder een paard, onder welks buik hij zich verborg en dat hem, door zijn snellen loop, in staat stelde de overwinnaars te ontkomen, zou hij nooit weder te Kouka, hoofdstad van Bornou gekomen zijn."--"Wie was die majoor Denham?"--"Een onverschrokken Engelschman, die van 1822 tot 1824 het bevel voerde over eene expeditie in Bornou, vergezeld door kapitein Clapperton en doctor Oudney; zij vertrokken in Maart van Tripoli, kwamen te Mourzouk, hoofdstad van Fezzan en den weg volgende, dien later doctor Barth moest inslaan om naar Europa terug te keeren, kwamen zij den 16den Februari 1823 te Kouka, bij het meer Tchad. Denham deed verscheidene ontdekkingstochten in Bornou, Mandara en aan de oostelijke oevers van het meer; gedurende dien tijd drongen kapitein Clapperton en doctor Oudney den 15den December 1823 in Soudan tot Sackatou door en Oudney stierf van vermoeienis en uitputting in de stad Murmur."--"Dit gedeelte van Afrika," vroeg Kennedy, "heeft der wetenschap dus vele slachtoffers gekost?"--"Ja, deze streek is noodlottig; wij gaan recht toe op het koninkrijk Barghimi, waar Vogel in 1836 doortrok om in Wadaï door te dringen, waar hij verdwenen is. Deze jongeling werd, drie-en-twintig jaar oud, gezonden om doctor Barth te helpen: zij ontmoetten elkander den 1sten December 1854, waarop Vogel het land begon te onderzoeken; omstreeks 1856 gaf hij in zijne laatste brieven zijn voornemen te kennen om het koninkrijk Wadaï te doorkruisen, waar geen Europeaan nog was geweest; het schijnt, dat hij de hoofdstad Wara bereikte, waar hij volgens sommigen gevangen werd genomen, volgens anderen ter dood gebracht, omdat hij een heiligen berg der omstreken had trachten te beklimmen; maar men moet niet zoo licht aan den dood der reizigers gelooven, dit wint de moeite uit hen op te zoeken; hoe dikwijls toch is de tijding van den dood van doctor Barth officieel bekend gemaakt, hetgeen hem dikwijls rechtmatig verbitterde! Het is dus zeer mogelijk dat Vogel door den sultan van Wadaï wordt gevangen gehouden, in de hoop hem te doen loskoopen. De baron Neimans ging op weg naar Wadaï, toen hij in 1855 te Kaïro stierf. Wij weten nu dat de Heuglin met de expeditie van Leipzig de sporen van Vogel gevolgd is, dus zullen wij weldra zekerheid hebben omtrent het lot van dien jongen en belangwekkenden reiziger." [46]

Mosfeia was reeds lang aan den horizon verdwenen, Mandara vertoonde aan de blikken der reizigers zijne verbazende vruchtbaarheid met zijne acacia-bosschen en de kruidachtige planten der katoen- en indigo-velden; de Shari, die 80 mijlen verder zich in het meer Tchad stort, stroomde onstuimig verder. De doctor wees op de kaarten zijn loop aan zijne reisgezellen.--"Gij ziet," zeide hij, "dat de onderzoekingen van dien geleerde uiterst nauwkeurig zijn; wij gaan recht af op het district Loggoum en misschien zelfs op de hoofdstad Kernak; daar stierf de ongelukkige Toole, nauwelijks 22 jaar oud; hij was een jonge Engelschman, vaandrig van het 80ste regiment, die zich sedert eenige weken bij majoor Denham in Afrika had gevoegd, waar hij weldra den dood vond. Men kan deze onmetelijke streek met recht het kerkhof der Europeanen noemen."

Eenige kano's, vijftig voet lang, zakten de Shari af; de Victoria, 1000 voet van de aarde, trok weinig de aandacht der inlanders tot zich, maar de wind, die tot heden nog al hevig was, begon te gaan liggen.--"Zullen wij weder windstilte krijgen?" zeide de doctor.--"Goed, meester, wij zullen niet altijd gebrek aan water hebben, noch de woestijn behoeven te vreezen."--"Neen, maar nog geduchter volken."--"Zie," zeide Joe, "iets dat op eene stad gelijkt."--"Dat is Kernak. De laatste zucht van den wind voert ons daarheen en wij kunnen, als wij willen, een nauwkeurigen platten grond daarvan teekenen."--"Zullen wij niet nader komen?" vroeg Kennedy.--"Niets is gemakkelijker, Dick, wij zijn recht boven de stad; laat mij de kraan van de gaspijp een weinig toedraaien en wij zullen weldra dalen."

De Victoria bleef een halfuur daarna onbeweeglijk op tweehonderd voet van den grond.--"Nu zijn wij dichter bij Kernak," zeide de doctor, "dan een man op het kruis der St. Paulskerk te Londen van den grond is. Dus kunnen wij op ons gemak zien."--"Wat is toch dit geluid van houten hamers, dat men aan alle kanten hoort?" Joe keek oplettend rond en zag dat het geraas werd gemaakt door de talrijke wevers, die in de open lucht hun linnen klopten, dat uitgespreid was op groote boomstronken. De hoofdstad van Loggoum kon dus in haar geheel worden waargenomen, gelijk een ontrolde plattegrond; het was een ware stad met op eene rechte lijn staande huizen en vrij breede straten; op het midden van een groot plein werd slavenmarkt gehouden, er was een groote toevloed van klanten; want de mandaraansche vrouwen, die zeer kleine handen en voeten hebben, zijn zeer gezocht en worden voordeelig verkocht.

Het gezicht van den ballon had de reeds zoo dikwijls vermelde gevolgen; eerst kreten en daarop eene stomme verbazing; de zaken werden geschorst, het geraas hield op. De reizigers bleven onbeweeglijk en verloren geene enkele bijzonderheid van deze volkrijke stad uit het oog, zij daalden zelfs tot op zestig voet van den grond. Toen kwam de gouverneur van Loggoum uit zijne woning, zijn groenen standaard ontrollende, vergezeld door zijne muzikanten, die op schelle buffelhoorns bliezen en de menigte verzamelde zich om hem. Doctor Ferguson wilde zich doen verstaan, het gelukte hem niet. Deze bevolking, met een hoog voorhoofd, gevlochte haren en een arendsneus, scheen fier en verstandig, maar de tegenwoordigheid van de Victoria bracht haar zonderling in de war; men zag ruiters naar alle richtingen snellen; weldra werd het duidelijk dat de troepen van den vorst zich verzamelden om een zoo buitengewonen vijand te bestrijden. Joe ontplooide zakdoeken van alle kleuren, het baatte niets. Echter gebood de Scheik, door zijn hof omringd, stilte en sprak eene redeneering uit, waarvan de doctor niets begreep; het was arabisch vermengd met barghimisch; maar aan de algemeene gebarentaal herkende hij eene bepaalde uitnoodiging om heen te gaan; hij zou niets liever hebben gewenscht, maar bij gebrek aan wind was dit onmogelijk. Zijne onbeweeglijkheid verbitterde den Scheik en zijne hovelingen begonnen te huilen om het monster te verplichten zijn weg te vervolgen.

Deze hovelingen waren zonderlinge personages, met vijf of zes kakelbonte hemden om het lijf; zij hadden vreeslijk dikke buiken, van welke eenigen valsch schenen. De doctor verbaasde zijne reisgezellen door hun mede te deelen dat dit de wijze was om den sultan het hof te maken. De omvang van het onderlijf was de maatstaf voor de eerzucht der mannen. Deze dikke menschen maakten gebaren, schreeuwden, vooral een van hen, die eerste minister moest zijn, als ten minste zijn omvang hier beneden zijn belooning ontving. De menigte der negers voegde hunne kreten bij die van het hof, terwijl zij de gebaren even als apen nabootsten, hetgeen eene enkele en oogenblikkelijke beweging van tienduizend armen veroorzaakte. Bij deze middelen tot het aanjagen van vrees, die onvoldoende werden geacht, voegde men andere, die geduchter waren. Soldaten, gewapend met bogen en pijlen, schaarden zich in slagorde; maar reeds zwol de Victoria en steeg bedaard buiten hun bereik. De Scheik, toen een musket grijpende, mikte op den ballon. Maar Kennedy hield hem in het oog en met een kogel uit zijne karabijn verpletterde hij het wapen in de hand van den Scheik. Op deze onverwachte slag volgde eene algemeene vlucht, iedereen keerde, zoo snel hij kon, naar zijne hut terug, en gedurende het overige gedeelte van den dag bleef de stad geheel eenzaam. De nacht kwam en met hem volkomen windstilte. Men moest besluiten onbeweeglijk te blijven op driehonderd voet van den grond, geen enkel vuur schitterde in het duister, er heerschte eene doodelijke stilte. De doctor verdubbelde zijne waakzaamheid; die stilte kon wel een valstrik verbergen. En hij had niet mis geraden. Tegen middernacht scheen de geheele stad in vuur; honderden vuurstreepen kruisten zich even als vuurpijlen, die eene aaneenschakeling van vlammen vormden.--"Dat is zonderling," zeide de doctor.--"Maar God vergeve mij!" antwoordde Kennedy, "men zou zeggen dat de brand ons nadert."--Inderdaad verhief zich deze vuurmassa, bij het geluid van verschrikkelijke kreten en losbrandingen van musketten, naar de Victoria. Joe maakte zich gereed ballast uit te werpen, Ferguson begreep weldra het verschijnsel. Duizenden duiven, wier staarten voorzien waren van brandbare stoffen, waren tegen de Victoria opgelaten; verschrikt stegen zij op terwijl zij in de lucht kringen vuur beschreven. Kennedy begon al zijn schietgeweer te lossen, maar wat vermocht hij tegen zulk eene tallooze menigte? Reeds omringden de duiven het schuitje en den ballon, welke, dit licht terugkaatsende, in eene vuurzee scheen te zweven. De doctor aarzelde niet en een stuk kwarts uitwerpende, hield hij zich buiten het bereik der aanvallen van die gevaarlijke vogels; twee uren lang zag men hen in den nacht heen en weder vliegen, langzamerhand verminderde hun aantal en de vuren gingen uit.--"Nu kunnen wij gerust slapen," zeide de doctor.--"Niet slecht uitgedacht voor wilden," zeide Joe.--"Ja, zij bezigen gemeenlijk deze duiven om de strooien daken der dorpen in brand te steken, maar deze keer vloog het dorp hooger."--"Een ballon heeft bepaald geene vijanden te vreezen."--"Wel zeker," antwoordde de doctor.--"Welke dan?"--"De onvoorzichtigen in zijn schuitje; waakt dus overal en altijd, mijne vrienden."

XXXI.

Vertrek in den nacht.--Alle drie.--Het instinct van Kennedy.--Voorzorgen.--De loop van den Shari.--Het meer Tchad.--Het water van het meer.--Het rivierpaard.--Een verloren kogel.

Ongeveer drie uur in den morgen zag Joe, die de wacht had, eindelijk de stad onder zich verdwijnen. De Victoria ging weder vooruit. Kennedy en de doctor ontwaakten. Deze raadpleegde zijn kompas en zag met voldoening dat de wind hen naar het noord-noord-oosten voerde.--"Wij zijn gelukkig," zeide hij, "alles gaat goed, wij zullen nog heden het meer Tchad zien."--"Is dat eene groote uitgestrektheid water?" vroeg Kennedy.--"Van belang, mijn waarde Dick; op zijne grootste lengte en breedte kan dit meer 120 mijlen halen."--"Dat zal in onze reis eenige afwisseling geven, als wij over een water gaan."--"Maar het komt mij voor dat wij geen klagen hebben; zij is zeer afwisselend in gebeurtenissen en vooral zijn wij in den best mogelijken toestand."--"Zonder twijfel, Samuel, behalve de ontberingen der woestijn, hebben wij geen ernstig gevaar geloopen."--"Het is zeker dat onze brave Victoria zich altijd goed heeft gedragen. Wij hebben heden den 12den Mei, wij zijn den 18den April vertrokken en hebben dus 25 dagen gereisd. Nog tien dagen dan zullen wij aangekomen zijn."--"Waar?"--"Daar weet ik niets van, maar wat komt het er op aan!"--"Gij hebt gelijk, Samuel, laat ons aan de Voorzienigheid de zorg overlaten om ons te richten en ons gezond te doen blijven, zoo als tot nu toe! Wij zien er niet naar uit, dat wij de ongezondste landen der wereld hebben doorreisd."--"Wij waren in staat te stijgen en wij hebben het gedaan."--"Leven de luchtreizen!" riep Joe uit; "wij zijn na vijf-en-twintig dagen welvarend en goed uitgerust, te veel misschien, want mijne beenen beginnen stijf te worden; ik zou wel eenige mijlen ver willen loopen."--"Gij zult dit genoegen smaken in de straten van Londen; maar om te besluiten, wij zijn met ons drieën vertrokken, evenals Denham, Clapperton en Overweg, gelijk Barth, Richardson en Vogel, en gelukkiger dan onze voorgangers zijn wij nog allen bijeen. Maar het is van belang niet te scheiden. Als echter een van ons op den grond was en de Victoria moest stijgen om een plotseling, ongewoon gevaar te ontgaan, wie weet of wij hem wel ooit zouden wederzien? Daarom, ik zeg het rondborstig aan Kennedy, ik heb niet gaarne dat hij zich verwijdert om te jagen."--"Gij zult mij toch wel toestaan, vriend Samuel, dezen lust nog eens bot te vieren; het kon geen kwaad onzen voorraad te vernieuwen; overigens hebt gij vóór ons vertrek mij deze reeks van jachtpartijen zoo heerlijk afgeschilderd, en tot heden heb ik er weinig aan gedaan."--"Maar, mijn waarde Dick, uw geheugen schiet te kort, of uwe zedigheid doet u uwe heldendaden vergeten; ik meen, dat gij, zonder van het kleine wild te spreken, reeds eene antilope, een olifant en twee leeuwen op het geweten hebt."--"Mooi! Wat beteekent dat voor een afrikaanschen jager, die alle dieren der schepping voorbij den loop van zijn geweer ziet gaan? Kijk, zie dezen troep giraffen eens."--"Giraffen," zeide Joe, "zij zijn zoo groot als mijn vuist."--"Omdat wij 1000 voet boven hen zijn, maar van nabij zult gij zien, dat zij driemaal hooger zijn dan gij."--"En wat zegt gij van dezen troep gazellen?" hernam Kennedy, "en van deze struisvogels, die met de snelheid van den wind vluchten."--"Struisvogels!" zeide Joe, "het zijn kippen."--"Laat ons zien, Samuel, kunnen wij niet naderbij komen?"--"Zeer zeker, Dick, maar niet op de aarde gaan. Waartoe zou het ook dienen die dieren te dooden, die ons van hoegenaamd geen nut zijn? Als het nog te doen was om een leeuw, eene tijgerkat of eene hyena te dooden, zou ik dat begrijpen, het zou altijd een gevaarlijk dier minder zijn; maar eene antilope, eene gazelle schieten, zonder ander voordeel dan de ijdele voldoening van uwe begeerten als jager, dat is waarlijk der moeite niet waard. Wij zullen op 100 voet van den grond stil blijven, en als gij een of ander wild dier ziet, zult gij ons een genoegen doen het een kogel in het hart te jagen."

De Victoria daalde langzamerhand, evenwel op eene veilige hoogte blijvende. In eene wilde en zeer bevolkte streek, moest men op onverwachte gevaren bedacht zijn. De reizigers volgden toen den loop van den Shari; de bekoorlijke oevers van die rivier verdwenen onder het lommer der boomen; klimplanten slingerden er van alle kanten om en brachten verschillende schakeeringen van kleuren voort. De krokodillen speelden in de zon of dompelden onder water met de snelheid eener hagedis; spelende kwamen zij aan de talrijke eilanden, die den loop der rivier tegenhielden. Aldus trokken zij, te midden eener rijke en weelderige natuur, door het district Maffatay. Tegen negen uur des morgens bereikten de reizigers eindelijk den zuidelijken oever van het meer Tchad. Daar was dan die Kaspische Zee van Afrika, wier bestaan zoolang tot de fabelen was gerekend, die binnenzee welke slechts werd bereikt door Denham en Barth. De doctor beproefde den tegenwoordigen vorm daarvan te bepalen, die zeer verschillend was van dien van 1847. Inderdaad, het is onmogelijk eene kaart van dit meer te maken; het wordt omringd door bijna onoverschrijdbare moerassen, waarin Barth dacht om te komen; van jaar tot jaar veranderen deze moerassen bedekt met riet en vijftien voet hooge papyrussen, in het meer zelf; dikwijls ook worden de steden aan zijne oevers ten halve overstroomd, zooals het Ngornou in 1856 gebeurde; en nu zwemmen de rivierpaarden op de plaatsen waar de woningen van Bornou stonden. De zon schoot hare verblindende stralen op dit kalme water, en in het noorden smolten de twee elementen aan den horizon ineen. De doctor wilde de natuur van het water onderzoeken, dat hij lang gemeend had zout te wezen; er stak geen gevaar in de oppervlakte van het meer te naderen en het schuitje ging er langs als een vogel, op vijf voet afstands. Joe dompelde er eene flesch in en haalde haar halfvol op; men beproefde het water en bevond het ondrinkbaar, en met een zekeren smaak van loogzout aangedaan.

Terwijl de doctor het resultaat van zijn onderzoek opschreef, hoorde hij een schot aan zijne zijde. Kennedy had geen weerstand kunnen bieden aan de begeerte een reusachtig rivierpaard een kogel toe te zenden, het verdween op het geluid van de losbranding en de kegelvormige kogel van den jager scheen hem niets te deren.--"Het zou beter geweest zijn hem te harpoeneeren," zeide Joe.--"En hoe?"--"Met een van onze ankers. Dat zou een passende hoek geweest zijn voor zulk een dier."--"Maar," zeide Kennedy, "Joe heeft daar waarlijk een denkbeeld"... "Dat ik u verzoek niet ten uitvoer te brengen," antwoordde den doctor. "Het dier zou ons spoedig daarheen gesleept hebben, waar wij niet noodig hebben."--"Vooral nu wij zekerheid hebben omtrent het water van het meer Tchad. Kan men dit dier eten, mijnheer Ferguson?"--"Het is niets anders dan een zoogdier, dat tot het ras der dikhuidigen behoort; zijn vleesch is uitmuntend, zegt men en maakt een tak uit van een aanzienlijken handel onder de stammen aan de oevers van het meer."--"Dan spijt het mij dat het schot van mijnheer Dick niet beter heeft getroffen."--"Dit dier is slechts kwetsbaar aan den buik en tusschen de dijen; de kogel van Dick heeft hem zelfs niet eens geschampt. Maar als het terrein mij gunstig schijnt, zullen wij aan het noordelijke uiteinde van het meer stilhouden, daar zal Kennedy als in eene menagerie zijn en zich op zijn gemak schadeloos kunnen stellen."--"Welnu!" zeide Joe, "laat mijnheer Dick een weinig jacht maken op het rivierpaard! Ik zou wel eens het vleesch van dit tweeslachtig dier willen proeven; het is waarlijk niet natuurlijk tot in het hart van Afrika door te dringen, om slechts van kleine snippen en patrijzen te leven even als in Engeland."

XXXII.

De hoofdstad van Bornou.--De eilanden der Biddiomahs.--De Condors.--De ongerustheid van den doctor.--Zijne voorzorgen.--Een aanval in de lucht.--Het gescheurde omkleedsel.--De val.--Verhevene opoffering.--De noordelijke kust van het meer.

Sedert zijne aankomst aan het meer Tchad had de doctor een luchtstroom gevonden, die hem meer naar het westen voerde, eenige wolken matigden de hitte van den dag, en men gevoelde overigens op deze groote uitgestrektheid water een weinig koelte; maar tegen een uur naderde de ballon, dit gedeelte van het meer schuin overgestoken zijnde, op nieuw liet land.

De doctor eerst een weinig teleurgesteld over deze richting, beklaagde er zich niet meer over, toen hij de stad Kouka, de vermaarde hoofdstad van Bornou, bemerkte; hij kon haar een oogenblik zien, omringd met hare muren van witte klei; eenige moskeeën verhieven zich boven deze menigte dobbelsteenen, waarop de arabische huizen hier gelijken. In de tuinen achter de huizen en op de markten groeiden palm- en caoutchoucboomen, gekroond met een tooisel van bladeren meer dan honderd voet breed. Joe deed opmerken dat deze ontzettend groote parasols in overeenstemming waren met de zonnestralen.

Kouka bestaat werkelijk uit twee zeer verschillende steden, van elkander gescheiden door den "dendal," een wal van 300 vaam [47], toen bezet met voetvolk en ruiterij. Aan den eenen kant verheft zich de rijke stad met hare hooge en luchtige huizen, aan den anderen kant de arme stad, zijnde eene treurige verzameling van lage kegelvormige hutten, waar eene behoeftige bevolking een plantenleven leidt, want Kouka heeft noch handel noch nijverheid. Kennedy vond dat het eenige gelijkenis had met Edinburg, als het zich in eene vlakte uitspreidde met hare twee geheel verschillende steden. Maar nauwelijks konden de reizigers een blik daarop werpen: want met alle veranderlijkheid welke de luchtstroomen van deze streek kenmerkt, voerde een tegenwind hen veertig mijlen ver over het meer Tchad. Toen was het een nieuw schouwspel; zij konden de talrijke eilanden van het meer tellen, bewoond door de Biddiomahs, bloeddorstige roovers, wier nabuurschap evenzeer wordt gevreesd als die van de Touaregs der Sahara. Zij maakten zich gereed den Victoria moedig te ontvangen met pijlen en steenen, maar deze was die eilanden spoedig voorbij, waarboven hij scheen te zweven als een reusachtige schallebijter. Op dit oogenblik zag Joe naar den horizon en Kennedy aansprekende zeide hij: "Waarachtig, mijnheer Dick, gij die altijd van jagen droomt, zie hier uwe zaak."--"Wat is het dan, Joe?"--"Deze keer zal mijn meester geene tegenwerping maken."--"Wat is er dan toch?"--"Ziet gij daar ginds dien troep groote vogels die op ons afkomen?"--"Vogels!" zeide de doctor, zijn verrekijker nemende.--"Ik zie hen," antwoordde Kennedy, "zij zijn ten minste twaalf in getal."--"Veertien, als het u belieft," zeide Joe.--"Geve de hemel dat zij van eene kwaadaardige soort mogen wezen, opdat de teerhartige Samuel niets hebbe te zeggen."--"Ik zal niets te zeggen hebben," antwoordde Ferguson, "maar ik zag deze vogels liever ver van ons."--"Zijt gij er bang voor?" vroeg Joe.--"Het zijn condors, Joe, van de grootste soort, en als zij ons aanvallen...."--"Welnu! dan zullen wij ons verdedigen, Samuel, wij hebben wapens genoeg om hen te ontvangen. Ik geloof toch niet dat deze vogels zoo te vreezen zijn."--"Wie weet?" antwoordde de doctor.