Chapter 13
Ten zes uur zweefde de Victoria boven de palmboomen. Het waren twee dunne en tengere boomen bijna zonder bladeren, meer dood dan levend. Ferguson beschouwde ze met schrik. Aan hun voet zag men half uitgespoelde steenen eener put; maar die steenen door de zonnehitte verkalkt, schenen slechts stof te zijn. Er was zelfs geen schijn van vocht. Het hart van Samuel kromp in een en hij was op het punt zijne vrees aan zijne reisgezellen mede te deelen, toen hun geroep zijne oplettendheid gaande maakte. Ver in het westen zag men eene rij uitgebleekte beenderen; gedeelten van geraamten omringden de fontein; eene karavaan was tot hiertoe gekomen, en het bewijs van haren doortocht leverde deze groote massa beenderen; de zwaksten waren langzamerhand in het zand gevallen, de sterksten aan deze zoo gewenschte bron gekomen en hadden een ijsselijken dood gevonden aan haren rand. De reizigers zagen elkander verbleekende aan.--"Laat ons niet dalen," zeide Kennedy, "maar dit afgrijsselijke schouwspel ontvlieden! Daar is geen druppel water."--"Neen, Dick, wij moeten ons geweten geruststellen. Het is even goed hier den nacht door te brengen als elders. Wij zullen dezen put tot op den bodem onderzoeken; er is eene bron geweest, misschien is er iets van overgebleven."
De Victoria daalde neder; Joe en Kennedy plaatsten in het schuitje de noodige hoeveelheid zand en daalden af. Zij liepen naar den put en daalden er in langs eene trap die enkel stof was. De bron scheen reeds lang uitgedroogd. Zij groeven in het drooge zand, er was geen spoor van vocht.--De doctor zag hen weder opklimmen, zuchtende, ontdaan, bedekt met een fijn stof, afgemat, ontmoedigd en wanhopig. Hij gevoelde dat hij van dit oogenblik af moed en kracht voor allen moest hebben. Joe bracht de stukken van een gebroken pot mede, hij wierp die toornig onder de op den grond verspreide beenderen. Gedurende het avondmaal werd er geen enkel woord tusschen de reizigers gewisseld, zij aten met weerzin. En echter hadden zij nog niet de wezenlijke kwellingen van den dorst geleden, zij wanhoopten slechts voor de toekomst.
XXVI.
Honderd-dertien graden.--Overdenkingen van den doctor.--Wanhopig zoeken.--De gaspijp gaat uit.--Honderd-twee-en-twintig graden.--De beschouwing der woestijn.--Eene wandeling in den nacht.--Eenzaamheid.--Bezuinigings-ontwerpen van Joe.--Hij wil nog een dag wachten.
De weg door den Victoria doorloopen bedroeg geen tien mijlen en om zich op dezelfde hoogte te houden hadden zij 162 kubieke voet gas verbruikt. Zaterdag morgen gaf de doctor het teeken tot het vertrek. "De gaspijp kan nog slechts zes uren werken, als wij in zes uren geen put of bron hebben gevonden, dan weet God alleen wat er van ons zal worden."--"Er is dezen morgen weinig wind, meester," zeide Joe, "maar hij zal misschien opsteken," voegde hij er bij, de kwalijk verborgen treurigheid van Ferguson ziende.
IJdele hoop! de lucht was volkomen helder, er heerschte eene van die kalmten, die in de zeeën onder de keerkringen de schepen hardnekkig doen stil liggen. De hitte werd ondraaglijk en de thermometer onder de tent, teekende honderd-dertien graden Fahrenheit. Joe en Kennedy, naast elkander uitgestrekt, zochten, zoo al niet in den slaap, dan ten minste in de dommeling hun toestand te vergeten; hunne werkeloosheid schonk hun een pijnlijken ledigen tijd. De kwellingen van den dorst begonnen zich wreed te doen gevoelen; de brandewijn, wel verre van in die dringende behoefte te voorzien, deed die nog toenemen en verdiende wel den naam van "tijgermelk," dien de inboorlingen van Afrika hem geven. Er bleef nauwelijks twee pint lauw vocht over; ieder verslond met zijne blikken deze weinige kostbare druppels en niemand durfde er zijne lippen mede bevochtigen. Twee pint water te midden eener woestijn! Toen vroeg doctor Ferguson, verdiept in zijne overdenkingen, zich af of hij verstandig had gehandeld. "Zou het niet beter geweest zijn dit water te bewaren, dat hij te vergeefs had ontleed om zich in den dampkring staande te houden? Hij had een weinig wegs afgelegd, maar was hij daarom meer gevorderd? Al bevond hij zich zestig mijlen achterwaarts onder deze breedte, wat kwam dat er op aan, dewijl het water hem hier ontbrak? De wind, als hij eindelijk opstak, zou ginds even als hier blazen, hier zelfs minder snel, als hij uit het oosten kwam! Maar de hoop dreef hem voorwaarts! En echter waren deze twee gallons water, die te vergeefs verspild waren, voldoende voor negen dagen oponthoud in deze woestijn. Welke verandering kon er in die negen dagen plaats hebben! Misschien ook had hij, dit water behoudende, moeten stijgen door ballast uit te werpen, met het vooruitzicht gas te verliezen om weder te dalen. Maar het gas van den ballon was zijn bloed, zijn leven!" Deze overdenkingen doorkruisten zijn hoofd, dat hij in de handen hield en uren lang hief hij het niet op.--"Wij moeten eene laatste poging doen," zeide hij tot zich zelven, omtrent 10 uur 's morgens, "wij moeten voor de laatste maal een stroom in den dampkring pogen te ontdekken, die ons medevoert, wij moeten onze laatste hulpbronnen wagen." En terwijl zijne reisgezellen sluimerden bracht hij het waterstofgas van den luchtballon op eene hooge temperatuur; deze zette zich uit en steeg rechtstandig. De doctor zocht vergeefs een koeltje van 100 tot op 5000 voet hoogte, zijn punt van uitgang bleef steeds onder hem, eene volstrekte windstilte scheen tot de laatste grenzen der inadembare lucht te heerschen. Eindelijk was het water voor het gas bestemd op, de gasvlam ging uit, uit gebrek aan gas, de Bunsensche batterij hield op te werken en de Victoria zich inkrimpende, daalde zachtjes op het zand neder op dezelfde plaats vanwaar het schuitje was opgestegen. Het was middag, men was op 19° 35' lengte en 6° 57' breedte, ongeveer 500 mijlen van het meer Tchad, op meer dan 400 mijlen van de westelijke kusten van Afrika. Op de aarde komende ontwaakten Dick en Joe uit hunne diepe verdooving. "Wij staan stil," zeide de Schot.--"Het moet," zeide Samuel op ernstigen toon.--Zijne reisgezellen begrepen hem. De grond was toen gelijk met de oppervlakte der zee, en de ballon bleef in volmaakt evenwicht en volstrekt onbeweeglijk. Het gewicht der reizigers werd vervangen door een gelijk gewicht zand en zij zetten voet op de aarde; ieder verdiepte zich in zijne gedachten en uren lang spraken zij niet. Joe bereidde het avondmaal, bestaande uit beschuiten en pemmican, waaraan men nauwelijks raakte, een mondvol heet water voltooide dit treurige maal. Gedurende den nacht waakte niemand, maar niemand sliep, de hitte was verstikkend. Des anderen daags bleef er slechts eene halve pint water over; de doctor besloot daarvan slechts in den uitersten nood gebruik te maken.--"Ik stik," riep Joe weldra uit, "de hitte verdubbelt. Dat verwondert mij niet," zeide hij na den thermometer te hebben geraadpleegd, "honderd-veertig graden!"--"Het zand brandt alsof het uit een oven kwam," antwoordde de jager. "En geene enkele wolk aan den hemel die als in vuur staat. Het is om gek te worden."--"Laat ons niet wanhopen," antwoordde de doctor, "op deze groote hitte volgt meest altijd onder deze breedte een onweder; het komt met de snelheid des bliksems en ondanks de drukkende helderheid des hemels kan er in minder dan een uur eene groote verandering plaats hebben"--"Maar," zeide Kennedy, "dan zou er toch eenig teeken zijn."--"Welnu," zeide de doctor, "het komt mij voor dat de barometer eene lichte neiging heeft om te dalen."--"De hemel verhoore u, Samuel, want hier zijn wij aan den grond genageld als een vogel wiens vleugels verbrijzeld zijn."--"Met dit onderscheid evenwel, mijn waarde Dick, dat onze vleugels ongeschonden zijn en ik hoop er mij nog wel van te bedienen."--"Ha! wind! wind!" riep Joe uit. "Nu kunnen wij ons naar eene beek, een put begeven en ons zal niets ontbreken, onze levensmiddelen zijn voldoende en met water zouden wij eene maand wachten zonder te lijden. Maar de dorst is iets akeligs." De dorst niet alleen, maar ook de onophoudelijke beschouwing van de woestijn vermoeide den geest; er was geene oneffenheid in den grond, geen bergje van zand, geen keisteen om den blik er op te vestigen. Deze effenheid walgde en veroorzaakte dat onaangename gevoel dat men ziekte der woestijn noemt. De strakheid van dezen brandenden blauwen hemel en van dit onmetelijke gele zand verschrikte hem. In dezen brandenden dampkring scheen de hitte te trillen als boven een brandenden haard; de geest werd wanhopig door deze kalmte te aanschouwen en zag geene enkele reden, waarom een zoodanige staat van zaken zou ophouden, want deze onmetelijkheid is eene soort van eeuwigheid. Ook begonnen de ongelukkigen onder deze verschroeiende temperatuur de verschijnselen van zinsbedrog waar te nemen; hunne oogen werden wijder, hun blik verward. Toen de nacht gekomen was besloot de doctor deze verontrustende geneigdheid te bestrijden door een snellen loop; hij wilde deze zandvlakte eenige uren lang doorloopen, niet om te zoeken, maar om te loopen. "Komt," zeide hij tot zijn gezellen, "gelooft mij, dat zal u goed doen."--"Onmogelijk," zeide Kennedy, "ik zou geen stap kunnen doen."--"Ik wil nog liever slapen," zeide Joe.--"De slaap en de rust zullen u noodlottig zijn, mijne vrienden, verzet u tegen deze verdooving, komt."
De doctor kon van hen niets verkrijgen en hij vertrok alleen in den helderen nacht. Zijne eerste schreden waren moeielijk, als van iemand die verzwakt en het loopen ontwend is, maar hij merkte weldra dat die oefening hem heilzaam zou zijn en hij ging verscheidene mijlen westwaarts en zijn geest werd weder kalm, toen hij plotseling duizelig werd, hij meende aan den rand van een afgrond te zijn, hij voelde zijn knieën knikken, deze uitgestrekte woestijn verschrikte hem, hij was het wiskundige punt, het middelpunt van een oneindig grooten cirkel, dat is: niets! De Victoria verdween geheel in de schaduw. De doctor werd door eene onoverwinnelijke vrees bevangen, hij, de bedaarde en stoutmoedige reiziger! Hij wilde op zijne schreden terugkeeren, maar te vergeefs, hij riep! er was zelfs geene echo om hem te antwoorden en zijne stem ging in de ruimte verloren even als een steen in een bodemloozen kolk.... Hij ging afgemat op het zand liggen, alleen--te midden der groote stilte van de woestijn.
Te middernacht kwam hij tot zich zelven in de armen van zijn getrouwen Joe; deze, ongerust over de lange afwezigheid van zijn meester, had zijne voetstappen gevolgd, die in het zand zichtbaar waren, en had hem bezwijmd gevonden.--"Wat scheelt er aan, meester?" vroeg hij.--"Het zal niets te beduiden hebben, mijn brave Joe, een oogenblik van zwakte, dat is alles."--"Het zal inderdaad niets zijn, mijnheer, maar sta op, steun op mij en laat ons teruggaan naar de Victoria."
De doctor op Joe steunende, sloeg den weg in, dien hij zoo even gevolgd had.--"Het was onvoorzichtig, mijnheer, men waagt zich zoo niet. Gij zoudt beroofd hebben kunnen worden," voegde hij er lachende bij.--"Laat ons ernstig spreken."--"Spreek, ik hoor u."--"Wij moeten volstrekt een besluit nemen. Onze toestand kan geene dagen meer duren en als er geen wind komt, zijn wij verloren."--De doctor antwoordde niet.--"Welnu! een van ons moet zich opofferen voor allen, en het is natuurlijk, dat ik het zijn zal."--"Wat wilt gij zeggen? Wat is uw voornemen?"--"Zeer eenvoudig: levensmiddelen medenemen en altijd vooruit loopen totdat ik ergens aankom, dat kan niet missen. Als in dien tijd de hemel u een gunstigen wind toezendt, zult gij niet wachten, gij zult vertrekken. Van mijne zijde, als ik aan een dorp kom, zal ik mij wel uit den brand helpen met eenige woorden Arabisch, die gij mij zult opschrijven en ik zal u hulp brengen of het leven verliezen! Wat zegt gij daarvan?"--"Het is dolzinnig, maar uw braaf hart waardig, Joe, het is onmogelijk, gij zult ons niet verlaten."--"Wij moeten toch iets beproeven, mijnheer, dat kan niet schaden, dewijl, ik herhaal het u, gij op mij niet hoeft te wachten, en ik kan ook slagen."--"Neen, Joe, wij scheiden niet, dat zou eene smart te meer zijn; het was geschreven dat het zoo zijn moest en zeer waarschijnlijk dat het later anders zal zijn. Laat ons dus gelaten wachten."--"Het zij zoo, mijnheer, maar een ding zeg ik u, ik geef u nog één dag, langer wacht ik niet, heden is het Zondag, of liever Maandag, want het is één uur in den morgen; als wij Dinsdag niet vertrekken, zal ik het avontuur beproeven, ik heb dit onherroepelijk besloten." De doctor antwoordde niet; weldra kwam hij bij het schuitje terug en nam daarin plaats naast Kennedy. Deze was zeer stil en sliep niet.
XXVII.
Vreeslijke hitte.--Zinsbedrog.--De laatste druppels water.--Nachten van wanhoop.--Poging tot zelfmoord.--De simoem.--De oase.--Leeuw en Leeuwin.
De eerste zorg van den doctor des anderen daags was, den barometer te raadplegen. Deze was nauwelijks merkbaar gedaald.--"Niets?" zeide hij tot zich zelven.--Hij ging uit het schuitje en onderzocht het verder; het was nog dezelfde hitte, dezelfde helderheid.--"Moeten wij dan wanhopen?" riep hij uit.--Joe in zijne gedachten verzonken en zijn plan van onderzoek overdenkende, zeide niets. Kennedy stond op, zeer ziek en ter prooi aan eene verontrustende overspanning; hij leed vreeslijk van den dorst. Zijne tong en lippen konden nauwlijks geluid voortbrengen. Er waren nog eenige druppels water, ieder dacht er aan en gevoelde zich daartoe aangetrokken, maar niemand durfde eene schrede doen. Deze drie reisgezellen en vrienden zagen elkander aan met woeste blikken en met een gevoel van beestachtigen lust, dat vooral bij Kennedy zich vertoonde; zijne sterke bewerktuiging bezweek spoediger voor die onverdraaglijke ontberingen. Den geheelen dag was hij ter prooi aan waanzin; hij ging en kwam, schorre kreten slakende, zich in de vuisten bijtende, gereed zich de aderen te openen om het bloed er uit te drinken.--"Ach!" riep hij uit, "land van dorst! gij moogt wel land van wanhoop genoemd worden!" Daarna verviel hij in eene groote zwakte, men hoorde slechts het gepiep zijner ademhaling tusschen zijne dorstige lippen. Tegen den avond werd Joe op zijne beurt door eene soort razernij aangetast; deze uitgestrekte zandzee kwam hem voor als een onmetelijke vijver met heldere en doorschijnende wateren, en meer dan eens wierp hij zich op dien brandenden grond om te drinken en stond op met den mond vol stof.--"Vervloekt," zeide hij toornig, "het is zout water!"--Toen werd hij, terwijl Ferguson en Kennedy onbeweeglijk lagen uitgestrekt, door de onvermijdelijke gedachte overvallen om die enkele druppels water, die nog waren bewaard, op te drinken. Deze gedachte was sterker dan hij zelf, hij naderde het schuitje, zich op de knieën voortslepende, hij verslond de flesch waarin dit vocht was met zijn blik, greep haar en bracht haar aan zijne lippen. Op dit oogenblik werden de woorden: Drinken! drinken! op hartverscheurenden toon uitgesproken. Het was Kennedy, die zich naar hem toe sleepte, hij smeekte om medelijden, hij bad knielende en weende. Joe, in tranen uitbarstende, gaf hem de flesch en de ongelukkige dronk haar tot den laatsten druppel ledig.--"Dank u;" zeide hij. Maar Joe hoorde het niet, hij was even als de anderen op het zand nedergevallen.
Wat gebeurde er in dien akeligen nacht? niemand weet het. Maar Dinsdag morgen zagen de ongelukkigen hunne ledematen langzamerhand uitdrogen onder deze stortbaden van vuur. Toen Joe wilde opstaan was het hem onmogelijk, hij kon zijn plan niet ten uitvoer brengen. Hij sloeg zijne oogen rondom zich. In het schuitje beschouwde de doctor, de armen over de borst gekruist, een denkbeeldig punt in de ruimte met de strakheid van een waanzinnige. Kennedy was afgrijselijk om aan te zien, hij slingerde het hoofd rechts en links even als een wild dier in zijne kooi. Plotseling vestigden zijn blikken zich op zijne karabijn, wier kolt boven den rand van het schuitje uitstak.--"O!" riep hij uit, zich door eene bovenmenschelijke poging opheffende. Hij greep het wapen, hij richtte den loop naar zijn mond.--"Mijnheer! mijnheer!" zeide Joe, zich op hem werpende.--"Laat mij," zeide de Schot reutelend.--Beiden worstelden verbitterd.--"Ga heen, of ik dood u!" zeide Kennedy.--Maar Joe klampte zich krachtig aan hem vast; aldus kampten zij eene minuut lang zonder dat de doctor hen kon zien; in de worsteling ging de karabijn plotseling af. Bij die losbranding stond de doctor recht op als een spook en zag rond. Maar eensklaps wordt zijn blik helder, zijne hand strekt zich naar den horizon uit en met eene stem, die niets menschelijks meer had, roept hij uit: "Daar! daar! daar ginds!" Er was zooveel kracht in zijn gebaar, dat Joe en Kennedy elkander loslieten en uitzagen. De vlakte bewoog zich even als eene woedende zee gedurende een storm; golven zand rolden op elkander te midden van een dik stof, eene ontzettende kolom kwam van het zuidoosten met eene groote snelheid draaiende, de zon verdween achter eene dichte wolk, wier lange schaduw zich tot aan den Victoria uitstrekte; de zandkorrels gleden voort met het gemak van waterdruppels en dit wassende getij naderde langzamerhand. Een blik van hoop schitterde in de oogen van Ferguson.--"De Simoem!" riep hij uit.--"De Simoem!" herhaalde Joe, zonder recht te begrijpen.--"Des te beter," zeide Kennedy met wanhopige woede, "dan zullen wij sterven."--"Des te beter," hernam de doctor, "wij zullen leven."--Hij wierp spoedig het zand weg dat het schuitje bevrachtte. Zijne reisgezellen begrepen hem eindelijk, voegden zich bij hem en gingen aan zijne zijde zitten.--"En nu, Joe," zeide de doctor,"werp nu vijftig pond van uwe erts weg." Joe aarzelde niet, hij ondervond echter wel eenige teleurstelling. De ballon steeg. "Het was tijd," riep de doctor uit. De simoem kwam inderdaad met bliksemsnelheid, een weinig later, en de Victoria zou verpletterd zijn geworden. De ontzettende hoos bereikte hem bijna, hij werd met een regen van zand bedekt.--"Nog meer ballast weg!" zeide de doctor tot Joe.--"Ziedaar," antwoordde deze een groot stuk kwarts wegwerpende.
De Victoria steeg snel boven de hoos, maar werd met eene onberekenbare snelheid boven deze schuimende zee gevoerd. Samuel, Dick en Joe spraken niet, zij zagen en hoopten verfrischt door dezen dwarlwind. Ten drie uur hield die kwelling op; het zand nedervallende, vormde eene ontelbare menigte bergjes, de hemel werd helder als voorheen. De Victoria, weder onbeweeglijk geworden, zweefde dicht bij eene oase, een eiland te midden der zandzee bedekt met groene boomen.--"Het water is daar!" zeide de doctor.
Terstond de bovenste klep openende, liet hij eenig gas ontsnappen en daalde zachtjes neder op tweehonderd schreden van de oase. In vier uren hadden de reizigers 240 mijlen afgelegd. Het schuitje werd terstond in evenwicht gebracht en Kennedy door Joe gevolgd, sprong op de aarde.--"Uwe geweren!" riep de doctor uit, "weest voorzichtig." Dick greep zijn karabijn en Joe een der geweren. Zij naderden spoedig de boomen en drongen in dit frissche groen door, dat hun overvloedige bronnen beloofde; zij sloegen geen acht op versche sporen die hier en daar in den vochtigen grond zichtbaar waren. Plotseling klonk een gebrul op twintig schreden afstands van hen.--"Het gebrul van een leeuw?" zeide Joe.--"Des te beter," antwoordde de jager verbitterd, "wij zullen vechten."--"Voorzichtig, mijnheer Dick! van het leven van één onzer hangt aller leven af."--Maar Kennedy hoorde hem niet, hij ging verder met flonkerende oogen, zijne karabijn geladen en verschrikkelijk in zijne stoutmoedigheid. Onder een palmboom stond een leeuw met zwarte manen in aanvallende houding. Nauwlijks had hij den jager bemerkt, of hij sprong vooruit, maar hij was nog niet op den grond gekomen of reeds werd hij door een kogel in het hart getroffen; hij viel dood neder.--"Hoezee!" schreeuwde Joe. Kennedy snelde op den put toe, begaf zich op de glibberige trappen en strekte zich bij een frissche bron uit, waarvan hij gretig het vocht opslurpte; Joe volgde hem na en men hoorde slechts het geklap der tong van menschen die hun dorst lesschen.--"Laat ons oppassen, mijnheer Dick," zeide Joe adem halende, "en niet te veel drinken." Maar Dick ging voort met drinken, zonder te antwoorden. Hij dompelde hoofd en handen in dit weldadige water. "En mijnheer Ferguson?" zeide Joe.--Dit enkele woord bracht Kennedy tot zich zelven; hij vulde eene flesch, die hij had medegebracht, en steeg de trappen van den put op, maar bleef als versteend staan. Een ontzaglijk lichaam sloot de opening. Joe, die Dick volgde, moest met hem teruggaan. "Wij zijn opgesloten."--"Dat is onmogelijk! Wat beteekent dit?"--Dick eindigde niet, een vreeslijk gebrul deed hem begrijpen met welken nieuwen vijand hij te doen had.--"Een andere leeuw!" riep Joe uit.--"Neen, eene leeuwin! Ah! vervloekt beest! wacht," zeide de jager, haastig zijne karabijn ladende. Een oogenblik daarna gaf hij vuur, maar het dier was verdwenen.--"Voorwaarts!" zeide hij.--"Neen, mijnheer Dick, neen, gij hebt haar niet gedood, in dat geval zou haar lichaam hierheen gerold zijn, zij is daar, gereed om op den eersten van ons, die verschijnen zal, los te springen, en die is verloren."--"Wat te doen? Wij moeten hier toch uit, Samuel wacht ons."--"Laat ons het dier lokken, neem mijn geweer en geef mij uwe karabijn."--"Wat is uw voornemen?"--"Gij zult 't zien."--Joe, zijn linnen vest uittrekkende, maakte het vast aan het bovenste deel van het wapen en bood het als lokaas boven de opening aan. Het woedende dier wierp zich daarop, Kennedy wachtte het in het voorbij gaan op en verpletterde zijn schouder met een kogel. De brullende leeuwin rolde op de trap. Joe omverwerpende. Deze meende reeds de vreeslijke pooten van het dier in zijn lichaam te voelen slaan, toen een tweede schot losbrandde en doctor Ferguson aan de opening verscheen met zijn nog rookend geweer in de hand. Joe stond haastig op, sprong over het lichaam van het dier en gaf zijn meester de met water gevulde flesch over. Haar aan zijne lippen te brengen en half te ledigen was voor Ferguson het werk van een oogenblik, en de drie reizigers dankten uit den grond huns harten de Voorzienigheid, die hen zoo wonderbaarlijk had gered.
XXVIII.
Aangename avond.--De keuken van Joe.--Verhandeling over rauw vleesch.--Geschiedenis van James Bruce.--Het bivouak.--De droomen van Joe.--De barometer daalt.--De barometer rijst.--Toebereidselen tot het vertrek.--De orkaan.