Vier Voordrachten over Theosofie

Part 6

Chapter 6 3,695 words Public domain Markdown

Vele van de verhalen welke wij in de evangeliën vinden behooren niet tot het werkelijk leven van dezen grooten leeraar, maar zijn verhalen welke zich rondom dat leven hebben gegroepeerd doch ook in verband met andere leeraars aan de wereld bekend zijn geweest. Het is uit dit punt dat de aanvallen van ongeloovigen met zonnemyte-argumenten hun kracht putten. Enkele menschen, zooals Strauss en anderen, hebben getracht het geschiedkundig karakter van Jezus geheel te vernietigen. Maar dat is een overdrijving van ongeloovige kritiek, welke niet kan worden gehandhaafd door kennis welke op goede grondslagen berust. Wat hun aanval kracht heeft gegeven is het feit dat enkele dezer verhalen reeds sedert duizenden jaren bestaan hebben. Het verhaal bijvoorbeeld van de geboorte van Jezus uit een maagd, wat de kerk aanneemt dat plaats heeft gevonden op den 25e December, is een van deze zonnemyten. In de oudste Christelijke handschriften wordt de geboorte van Christus aangegeven op verschillende tijden van het jaar. In het eene verhaal wordt hij geboren in Mei, in een ander in Juli, in een derde in September. Eerst in de zevende eeuw werd de 25^e December algemeen als Kerstdag erkend, en dit is de datum welke reeds van de oudste tijden her genoemd is als de datum van de geboorte van een vleeschgeworden godheid. Het is de datum waarop Mithra, de zonnegod der Perzen, werd geboren, het is de dag waarop Osiris, de zonnegod der Egyptenaren, het licht zag. Deze dag wordt als feestdag beschouwd in alle groote godsdiensten welke tegenwoordig op aarde bestaan. Dit feit berust hierop, dat de zon beschouwd wordt als de vertegenwoordiger Gods. Alle licht en leven in een zonnestelsel komt van den zon, gelijk alle licht en leven in het heelal komt van God. En in alle godsdiensten der oudheid werd de zon beschouwd als het symbool voor God, niet als Hemzelf, maar toch als een symbool waaraan de grootste eerbied verschuldigd was. En daar de dag in het winter-stilstandspunt het kortst is, zeide men dat dan de geboorte van den zon plaats vond. De Christenkerk heeft dat tijdstip ook aangenomen voor de geboorte van Jezus, en dit feit wordt gebruikt als bewijsgrond om aan te toonen, dat Jezus niet anders is dan een zonnegod.

Wat de datum van zijn dood betreft: het is u bekend dat de dag van de kruisiging niet op een vasten datum gesteld wordt, maar op een datum welke ieder jaar verandert en berekend wordt uit de standen van zon en maan, zoodat deze dag niet een geschiedkundige, maar een sterrekundige datum is. Een geschiedkundige verjaardag kan natuurlijk op deze wijze niet worden vastgesteld en zij die het Christendom vijandig gezind zijn, gebruiken dit als een bewijsgrond tegen dezen godsdienst. Het is daarom van belang op te merken dat deze datums inderdaad niet uitsluitend op het Christendom betrekking hebben, en dat de werkelijkheid van het leven en den dood van Jezus niet van deze sterrekundige gegevens afhangen. Ook vele andere verhalen, aan het leven van Jezus verbonden, hebben reeds lang voor zijn geboorte bestaan. Dit was aan de eerste kerkvaders en bisschoppen zeer goed bekend. Zij beschouwden het echter nooit als een bewijsgrond tegen de werkelijkheid van het leven van Jezus, en trachtten nooit den hoogeren ouderdom van die heidensche verhalen, zooals zij genoemd worden, in twijfel te trekken. De waarheid van de verhalen aangaande het leven van Jezus is deze: dat hij een man was, vol goddelijken geest, gezonden om een nieuwen godsdienst te stichten; dat hij een leven leidde van wonderbare toewijding en reinheid; dat hij de diepste geestelijke wijsheid leeraarde; dat hij werken van medelijden en liefde deed aan allen met wie hij in aanraking kwam en dat hij eindelijk wegens godslastering door de Joden gedood werd. Dit zijn de voornaamste feiten betreffende het leven van Jezus, welke geschiedkundig juist zijn. En zooals ik zeide bestaat de waarschijnlijkheid dat binnenkort handschriften zullen worden ontdekt welke aan de wetenschap geschiedkundige gegevens zullen verschaffen. Maar de wonderbaarlijke geboorte in December en de kruisiging omtrent den tijd der lentenachtevening behooren tot de zonnemyten, niet tot de geschiedenis. In de oudste handschriften welke wij thans bezitten vinden wij deze datums niet vermeld en onder de vroegste Christenen werden deze punten niet van belang geacht. Eerst gedurende de ontwikkeling der kerk hebben zij belang gekregen als dogmata, en een der redenen waarom het van belang was deze datums vast te stellen, was dat zij ook reeds heidensche feestdagen waren en behoorden tot de verschillende vormen van zonaanbidding welke in het Westen verspreid waren. De jonge kerk nam deze feestdagen over en schakelde ze in de geschiedenis van Jezus, daar men toen de vrees nog niet kende voor den ongeloovigen kritikus der negentiende eeuw.

Het verhaal van den Christus is van geheel anderen aard. Het woord "Christus" is niet een naam die toebehoort aan éénen enkeling maar een titel welke een zekeren rang aanduidt en sedert onheuglijke tijden gebruikt werd om een zekeren graad van inwijding aan te duiden. Ieder ingewijde die voorbij een zekeren graad van inwijding is, wordt een Christus genoemd, welk woord "de gezalfde" beteekent. De zalving is een deel van de plechtigheid van die inwijding, zoodat de inwijding den mensch tot een "gezalfde" maakt. Ik zeide u reeds dat het verhaal van den Christus van tweeërlei standpunt kan worden beschouwd, en wel in de eerste plaats als een kosmisch verhaal, betrekking hebbende op het heelal. In dit kosmisch verhaal stelt Christus den tweeden Logos voor, den tweeden persoon in de drieëenheid. Deze tweede persoon in de drieëenheid wordt in het Christendom erkend als de God-mensch en de geschiedkundige Jezus wordt met dien God-mensch vereenzelvigd. Het kosmische verhaal is in het kort het volgende: De tweede Logos, de tweede persoon in de drieëenheid, daalde neder in de stof, om aan deze zijn leven te geven: hij gaf zijn leven aan ieder schepsel dat ontstond. Hij is het van wien Johannes schrijft: "Het Woord was bij God, en het Woord was God. Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is". [Voetnoot: Johannes 1, 1-3] In het oude verhaal van deze nederdaling in de stof wordt gezegd dat de tweede Logos in de stof gekruisigd is. Dit wil zeggen dat het leven van God is gegeven om het leven van alle levende wezens te zijn en dat God de banden der stof op zich nam, om dit leven mogelijk te maken.

Deze kosmische gebeurtenis wordt herhaald in de geschiedenis van iedere menschelijke ziel, want wat in het heelal geschiedt, gebeurt ook in het kleine heelal, in den mensch. Wanneer wij het verhaal van den Christus toepassen op de menschelijke ziel, geven wij het in den vorm waarin het door de Christelijke mystieken werd beschouwd. De ziel des menschen wordt beschouwd als voortgekomen uit God. Door een lange reeks van aardlevens ontwikkelt zij de eigenschap van verstand, begripsvermogen, denken, de weerkaatsing van den Heiligen Geest of den derden persoon in de drieëenheid. De geest van den mensch wordt, van dit standpunt gezien, beschouwd als het beeld van God. Hij is een drieëenheid in zijn wezen evenals God een drieëenheid is, en de ontwikkeling van het leven, van die drieëenheid in den mensch vervalt vanzelf in drie onderdeelen: de eerste stap is die, waardoor het denkvermogen wordt ontwikkeld; deze stap is den Theosoof bekend als de ontwikkeling van Manas, het denkvermogen. Manas is in den mensch de vertegenwoordiger van Mahat in den Kosmos, of om de Christelijke uitdrukking te gebruiken, de vertegenwoordiger van den Heiligen Geest. Dit zich ontwikkelende verstand is het derde aanzicht der menschelijke drieëenheid. Dit standpunt van ontwikkeling is het standpunt waarop de menschheid zich tegenwoordig bevindt, en deze ontwikkeling van Manas moet vrij ver gevorderd zijn voordat de tweede stap kan worden gedaan, welke bestaat in de ontwikkeling van het tweede aanzicht der drieëenheid in den mensch, de ontwikkeling van den Zoon, of den Christus. Het kenmerkende van dit standpunt van ontwikkeling is niet gelegen in de ontvouwing van het verstand, maar van de liefde. Het is gelegen in de erkenning van alle mensch en als één, niet als een gevolgtrekking door denken, maar door de ontwikkeling van dit tweede aanzicht der drieëenheid, van wat wij Buddhi noemen. Buddhi beteekent voor den Theosoof wat Christus beteekent voor den Christen. Wanneer de mensch gereed is den Christus in zich te beginnen te ontwikkelen ontvangt hij de eerste van de groote inwijdingen. Bij deze inwijding zegt men dat hij geestelijk geboren wordt; het is de tweede geboorte of de geboorte uit den geest waarvan Jezus sprak. Deze inwijding wordt de tweede geboorte genoemd, omdat zij den tweeden persoon in de menschelijke drieëenheid in werking brengt. Door die inwijding ontwaakt Buddhi in den mensch en begint zich te uiten, of in de Christelijke symboliek: bij die inwijding wordt Jezus geboren uit den schoot der maagd. Deze geboorte werd steeds een onbevlekte genoemd, een geboorte uit een maagd, omdat zij niet is een geboorte uit het vleesch, maar een geboorte uit den geest. Om deze reden ook zeide Jezus dat een mensch gelijk een kind moest worden om het koninkrijk Gods binnen te gaan. In het geheele onderwijs van Jezus heeft de uitdrukking: "het koninkrijk Gods" de beteekenis van "inwijding" en de nieuw-ingewijde wordt een "kind" genoemd. Gij herinnert u ook dat Paulus van zijn bekeerlingen hoopte dat Christus een gestalte in hen mocht krijgen. Zij waren gedoopt als lidmaten der kerk, zij hadden deelgenomen aan het Avondmaal, en toch noemde hij het zijn hoogsten wensch, dat Christus in hen mocht worden geboren. Hieruit blijkt dat de geboorte van Christus in den mensch niet beteekent lidmaat te worden van de kerk, maar iets hoogers waarnaar de Christen moet streven. Een van de redenen waarom de inwijding "de geboorte van den Christus" werd genoemd is dat de mensch die deze eerste der groote inwijdingen ontvangt, voor de eerste maal het bewustzijn van het buddhisch gebied ondervindt. Hij wordt door zijnen Meester tot dat gebied gevoerd: door de aanraking van den Meester wordt hij voor de eerste maal bewust op dat gebied. Dan begrijpt hij wat eenheid beteekent: hij gevoelt dat hij één is met al wat bestaat, hij ondervindt dat hij niet afgescheiden is, maar een deel van het groote geheel; hij begrijpt het niet door verstandelijke inspanning, maar ondervindt het door onmiddellijk bewustzijn. Dan begint in den ingewijde het leven van den Christus, en langzamerhand neemt hij dien geest van liefde en mededoogen in zich op. Zoo ontwikkelt de Christus in hem. Nog twee andere inwijdingen moet hij doormaken terwijl hij nog altijd als onvolwassen beschouwd wordt. Dan komt de tijd voor den mystieken doop, die overeenkomt met den doop van den mensch Jezus. Deze doop is de inwijding van den Arhat. Van dien tijd af is het bewustzijn van den ingewijde voortdurend op het buddhisch gebied. Vóór deze inwijding wordt zijn bewustzijn van tijd tot tijd daarheen overgebracht, maar wanneer zij heeft plaats gevonden, en de doop des geestes ontvangen is wordt het buddhisch bewustzijn zijn gewone bewustzijn, en begint hij langzamerhand het nirvanisch bewustzijn te verwerven. Het bewustzijn op het buddhisch gebied wordt genoemd het leven van den Zoon, die altijd in den hemel is bij zijnen Vader, en toch op aarde wandelt onder de menschen als één van hen. Wanneer de mensch dezen trap heeft bereikt, kan hij een Heiland der menschheid worden, want daar zijn bewustzijn één is met dat van alle menschen kan hij met hen deelen al wat hij heeft, daar hij zelf zuiver is kan hij naast de menschen staan in hun zonde, daar hij zich zijn geheele verleden herinnert kan hij medevoelen met den slechtste. Alleen de Christus kan de vriend zijn van den laagste, want daar hij zelf tot zonde niet meer in staat is kan hij met den zondaar in de nauwste aanraking zijn zonder gevaar voor zijn eigen reinheid. Alleen de Christus kan den zondaar werkelijke hulp brengen, want slechts hij kan gevoelen, wat die zondaar gevoelt, en door de vereeniging van zijn bewustzijn die hulp brengen, welke noodig is. De mensch die geheel buiten den zondaar staat kan hem niet werkelijk helpen. Slechts hij die zijn bewustzijn kan vereenigen met dat van den zondaar kan geven wat noodig is. Daarom wordt zulk een mensch terecht een Heiland der wereld genoemd.

Na al deze inwijdingen komt de mystieke kruisiging. De Arhat offert zich geheel en al op voor het welzijn der wereld. Hij geeft al wat hij bezit opdat het der menschheid ten goede moge komen. Hij verzaakt alle afgescheiden leven, opdat zijn leven het leven der menschen zijn moge. Hij neemt niets voor zichzelf opdat de menschheid alles moge ontvangen, en deze laatste daad van opoffering wordt de "kruisiging" genoemd. Door dien dood van het lagere rijst de ingewijde tot het goddelijk leven. Hij wordt één met den Vader, hij stijgt boven het leven der wereld. Om de Theosofische uitdrukking te gebruiken: Buddhi gaat op in Âtmâ; de Arhat wordt daardoor een Meester. In de Christelijke spreekwijze zegt men: de Zoon wordt één met den Vader en, in den hemel opgestegen, zit hij aan de rechterhand Gods. Dit "zitten aan de rechterhand Gods" is een zinnebeeldige uitdrukking, welke beteekent dat hij de goddelijke krachten bezit. Hij is in staat om een werktuig te zijn van de godheid voor de ontwikkeling der menschheid en iedere Zoon, die de eenheid met den Vader bereikt heeft wordt een van de krachten die de wereld vooruit helpen, zoodat door zijn ontwikkeling die der geheele menschheid wordt bevorderd.

Aldus luidt het verhaal van den Christus, beschouwd als de geschiedenis van den geest in den mensch. Het is het verhaal der inwijdingen, die in de vroegere kerk bekend waren onder den naam: "de mysteriën van Jezus." Aan de oningewijden werd het gegeven in den vorm van de geschiedenis van den Christus. Dit verhaal van de inwijding der menschelijke ziel werd samengeweven met de geschiedenis van het leven van Jezus, en verloor zijn verheffende kracht omdat men het toepaste op het uitwendig leven van één mensch, in plaats van op het innerlijk leven van den geest. Maar bij de Christelijke mystieken is het verhaal in zijn innerlijke beteekenis bewaard gebleven. Wij vinden het terug in de overpeinzingen der heiligen, waar zij zich vereenigen met den Christus en zich één gevoelen met den Meester. Het gebed van Jezus dat zijn discipelen één mochten worden in hem en met hem één in den Vader, schijnt door de tegenwoordige Christenen vergeten te zijn.

Het is een deel van de zending der Theosofie, aan het Christendom de mystiek terug te brengen welke het verloren heeft. Voor millioenen menschen in Europa is de Christelijke symboliek degene welke zij het gemakkelijkst kunnen begrijpen. Indien wij tot hen spreken van Manas, Buddhi en Âtmâ, begrijpen zij ons niet. Indien wij hun echter aantoonen, dat hun eigene woorden dezelfde beteekenis hebben, kunnen wij ons doel bereiken. Wanneer wij hun vertellen, dat zij Buddhi kunnen ontwikkelen, en dat Buddhi kan opgaan in Âtmâ, weten zij niet wat wij bedoelen. Maar wanneer wij hun leeren dat de Christus in hen kan worden geboren, en dat zij één kunnen worden in den Vader, zien zij onze bedoeling. Wij moeten de Christenen helpen te begrijpen: dat het verhaal van den Christus niet betrekking heeft op één enkel mensch, maar dat het de geschiedenis der ziel is, die zich tot volmaking ontwikkelt, dat ieder mensch een Christus moet worden, dat dit voor ieder mensch mogelijk is. Dat is juist de kracht van de geschiedenis van Jezus, bedoeld als een voorbeeld voor allen, en een groot deel der waarde van zijn leven gaat verloren, wanneer zijn geschiedenis wordt beschouwd als die van het uiterlijk leven van eenen Heiland, in plaats van als een beeld van het geestelijk leven.

Nog één punt is er betreffende den geschiedkundigen Jezus, dat van groot belang is, namelijk dat hij nog leeft in een lichaam, als één van die groote Broederschap van Meesters waarvan de Theosofie ons leert. Hij vindt zijn bijzondere taak in de Christelijke kerk. Door die kerk kunnen nog heden de zielen hem als Meester bereiken; en zij die er toe zijn gekomen de Meesters te kennen, weten dat Jezus één van hen is, en dat hij nog thans door Christenen kan worden bereikt. Maar de voorwaarden hiervoor zijn nog steeds dezelfde als immer te voren. Zij zijn neergelegd in de woorden van Jezus in de Christelijke evangeliën, woorden die letterlijk moeten worden gevolgd, en niet weggeredeneerd. Thans, gelijk oudtijds, moet de mensch die het leven van den Christus wil vinden het lagere leven dooden. Thans, gelijk voorheen, moet hij alles opgeven, wat behoort tot het persoonlijk zelf. Nog heden, evenals vroeger, moet al zijn aandacht op geestelijke dingen zijn gericht en niet op aardsche. Wanneer deze voorwaarden vervuld zijn, zal Jezus, de Meester, zich aan den leerling openbaren; maar zoolang zijne woorden worden weggeredeneerd ter wille van wereldsche begeerten, zoolang de mensch tracht twee meesters te dienen, in twee werelden te leven, zoolang zal hij Jezus, den Meester, niet vinden, zal hij het leven van den Christus niet bereiken.

#Aanhangsel.#

DE THEOSOFISCHE VEREENIGING.

De Theosofische Vereeniging is een internationaal lichaam, den 17^{den} November 1875 te New-York gesticht.

Haar doel is:

_I. Het vormen van een kern van de algemeene broederschap der menschheid, zonder aanzien van ras, geslacht, kaste of kleur. II. Het aanmoedigen van de vergelijkende studie van godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap.

III. Het naspeuren van onverklaarde natuurwetten en van de ongeopenbaar de krachten in den mensch._

Van deze drie doeleinden is alleen het eerste bindend voor alle leden terwijl de twee andere tot hulp voor de bereiking van het eerste dienen.

Het volbrengen van het tweede, dat het Oosten en het Westen aan elkander ontsluiert strekt om misverstanden voortspruitende uit verschil van ras en godsdienstvorm uit den weg te ruimen en stelt ten dienste van beiden de verborgen schatten van geestelijke kennis die beide bezitten. Ook het derde leidt tot broederschap daar het den mensch zich zelf en zijn omgeving leert kennen en hem ten slotte de geestelijke eenheid aantoont welke aan alle wezens ten grondslag ligt. Doch het nastreven van deze beide doeleinden vereischt bijzondere vermogens en bijzondere gelegenheden. Zij zijn daarom niet verplichtend voor alle leden doch worden naar vrije keuze nagestreefd door hen die zich daartoe aangetrokken gevoelen en die in staat zijn dat te doen. Daarom vindt iemand die hiervoor in het geheel geen belangstelling koestert, indien hij gelooft in menschelijke broederschap en willig is daarvoor te werken, een hartelijk welkom en een ruime plaats in de Theosofische Vereeniging.

De leden der Vereeniging zijn meer verbonden door een ethischen dan door een verstandelijken band en hun eenheid berust op een verheven ideaal, niet op een omschreven geloof. De Vereeniging heeft geen geloofsstellingen, dringt aan op geen enkel geloof, schaart zich onder geen kerk, steunt geen partij, neemt geen deel aan de eindelooze kibbelarijen welke de maatschappij verdeelen en het nationaal, maatschappelijk en persoonlijk leven verbitteren. Zij tracht geen mensch van zijn eigen godsdienstvorm af te trekken, maar noopt hem integendeel in de diepten van zijn eigen godsdienst het geestelijk voedsel te zoeken dat hij noodig heeft. De uitkomsten der studie welke in het tweede doeleinde genoemd wordt biedt zij aan als voorwerpen van onderzoek, niet als geloofsstellingen waaraan blind geloof moet worden geslagen. Dat ieder eens anders godsdienstige gevoelens evenzeer eerbiedigen zal als hij dat voor de zijne verwacht wordt gerekend tot een eervolle verplichting in de Vereeniging, en volkomen wederkeerige hoffelijkheid hierover wordt van de leden verwacht. Dit alles leidt meer en meer tot samenwerking in het zoeken naar waarheid, tot verzachting van vooroordeelen, tot vrijmaking van den geest en tot groei eener welwillende vriendelijkheid en gewilligheid te leeren. Zoo is de Vereeniging een beschermende muur tegen den tweelingsvijand van den mensch: bijgeloof en materialisme, en behoort zij waar zij ook komt een zachten en louterenden invloed van vrede en goeden wil te verspreiden en zoodoende een van de krachten te zijn die het betere willen te midden van den strijd der tegenwoordige beschaving.

LIDMAATSCHAP.

Lidmaatschap kan worden verkregen op aanvrage aan den Algemeenen Secretaris eener Afdeeling of door middel van een der Loges of Centra der Vereeniging. Nadere inlichtingen hieromtrent worden op aanvrage gaarne verstrekt. Een exemplaar van de "Wet en Regels" der Theosofische Vereeniging en der Nederlandsche Afdeeling wordt, op verzoek aan den Algemeenen Secretaris, toegezonden.

LIDMAATSCHAPSKOSTEN.

De kosten van het lidmaatschap der Nederlandsche Afdeeling (insluitende het lidmaatschap der Theosofische Vereeniging) bedragen f 3.--per jaar en f 3.--intreegeld (éénmaal). Deze bedragen moeten bij de aanvrage tot lidmaatschap worden voldaan.

In bijzondere gevallen kan ontheffing van geldelijke verplichtingen worden verleend.

ADMINISTRATIEVE INDEELING.

In verschillende landen voor zooverre die een voldoend aantal leden tellen zijn Afdeelingen der Vereeniging gevormd. Deze Afdeelingen worden vertegenwoordigd door een Algemeenen Secretaris. Iedere Afdeeling is onderverdeeld in Loges en Centra. De Nederlandsche Afdeeling telt zeven Loges en twee Centra.

President der Vereeniging is Col. H. S. Olcott te Adyar, Madras, Engelsch-Indië.

De Algemeene Secretarissen van de Afdeelingen der Vereeniging zijn:

#Nederland#: W. B. Fricke, Amsterdam, 76, Amsteldijk.

#Amerika#: Alexander Fullerton; New-York, 5, University Place.

#Europa#: G. R. S. Mead, B. A.; London, N. W. 19, Avenue Road. #Indië#: Bertram Keightley, M. A.; Upendranath Basu, M. A., LL. B., Benares.

#Australië#: J. Scott, M. A.; Sydney, N. S. W., 42, Margaret Street.

#Scandinavië#: A. Zettersten, Stockholm, 30, Nybrogatan.

#Nieuw-Zeeland#: Dr. C. W. Sanders; Auckland, Mutual Life Buildings, Lower Queen Street.

LIJST VAN LOGES EN CENTRA DER NEDERLANDSCHE AFDEELING.

PLAATS. VOORZITTER. SECRETARIS. ----------------------------------------------------------------------------- AMSTERDAM. W. B. Fricke, Amsteldijk 76. H. Wierts van Coehoorn, Amsteld. 76 *Amsterd. Loge. K.P.C. de Baxel, Nic. Mej. Cato E. Gruntke, Beetsstr. 118. Overtoom 206 *Vâhana Loge. J. W. Boissevain, J. J. Hallo Jr., Tesselschadestraat 4. Schotersingel 69, Haarlem. StudentenCentrum. *GOUDA (Centrum). H. Reijnders, Lange Groenendaal 99. *'s GRAVENHAGE. E.J.B. van der Beek, Mej. C.J. de Prez, Wilhelminastr. 35 Wilhelminastr. 35

*HAARLEM. Johan van Manen. J. J. Hallo Jr., Schotersingel 69 *HELDER. T. van Zuylen, Spoorstraat S. Gazan, Kanaalweg 121 138. ROTTERDAM. H. W. Hagenberg, Noordsingel J. A. Terwiel, 2e 140. Crooswijksche Dwarsstraat 6. VLAARDINGEN. D. de Lange Dz., Oosthavenkade. ------------------------------------------------------------------------------

* De met een sterretje geteekende Loges bezitten boekerijen.

BOEKEN OVER THEOSOFIE.