# Vier Voordrachten over Theosofie

## Part 5

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/vier-voordrachten-over-theosofie-12756/index.md

Is het mogelijk die verloren kennis te herwinnen? Is het mogelijk deze leering weer te vinden, nu ze verdwenen is uit den schoot der kerk? Ja, die leering is nooit werkelijk verloren gegaan, de kennis van de mysteriën is nooit geheel en al verdwenen. Zij is bewaard door Jezus zelf en door zijn trouwe leerlingen, en die leerlingen zijn nooit geheel en al van de aarde verdwenen. Hier en daar werd er altijd nog een gevonden, die de duisternis om zich verlichtte, een heilige, stralend als een ster aan den donkeren hemel, in het bezit van eerste-hands kennis, de kennis van de oude mysteriën van Jezus. Nu en dan verscheen zulk een leerling in den schoot der Christelijke kerk, ingewijd en onderwezen gelijk voorheen, evenals de Christenen van vroeger, in het bezit van onmiddellijke leering, welke hem in staat stelde als leeraar op te treden. En hiertoe zijn slechts zij in staat, die zelf de onmiddellijke leerlingen zijn van de Meesters. Sedert de overlevering van haar bestaan uit de kerk verdwenen is, wordt de geheime leering nog altijd overgedragen van den een op den ander, zoo vaak er iemand gevonden wordt die waardig is ze te ontvangen. En met die leering gaat samen het vermogen om wat men verkeerdelijk "wonderen" noemt te verrichten, het gebruiken van natuurkrachten, welke de gewone menschen niet kennen. Gij zult u herinneren hoe Jezus gezegd heeft dat zekere teekenen hen zouden vergezellen, die geloofden; dat zij vergif zouden drinken zonder dat het hun schaadde, dat zij door handoplegging zieken zouden genezen; aan deze teekenen, zeide hij, zouden waarlijk geloovigen worden herkend.

Hoevele Christenen vertoonen thans deze teekenen van het levend geloof? In welke mate zijn die krachten in het bezit der Christenleeraars van onze hedendaagsche kerk? Hier en daar in de middeleeuwen vinden wij er nog sporen van, zooals de wonderen, verricht door Franciscus van Assisi en Elisabeth van Hongarije, wonderen, niet in den zin van een schending der natuurwetten, want zulk een schending is onmogelijk, maar wonderen, mogelijk gemaakt door de kennis eener hoogere wet, welke op lagere gebieden niet kan worden ontdekt, door gebruik te maken van geestelijke krachten welker werking de groote menigte der menschen niet kent.

In den aanvang van deze voordracht sprak ik u nog van een ander soort van bewijs dat kon worden gegeven om het bestaan van de esoterische kennis aan te toonen. Voor hen toch die deze kennis bezitten is het mogelijk de duistere en moeilijke plaatsen in de Schrift te begrijpen en te verklaren, plaatsen welke altijd struikelblokken zijn geweest voor den Christen, maar toch voor een eenvoudige verklaring vatbaar zijn, wanneer men slechts den esoterischen kant der godsdienstige leering onderzocht heeft. Laten wij bijvoorbeeld enkele plaatsen nemen uit het Nieuwe Testament, welke moeilijk zijn te begrijpen en waarin de hedendaagsche Christenen niet gelooven, en die altijd weggeredeneerd worden. Neem bijvoorbeeld het verhaal van den jongeling, die tot Jezus kwam en hem vroeg hoe hij het eeuwige leven beërven kon. Het eerste antwoord dat Jezus hem gaf was het exoterische. "Gij weet de geboden". Dit is juist wat thans de predikant zou zeggen tot iemand, die hem kwam vragen hoe hij het eeuwige leven zou kunnen verkrijgen. Zijn antwoord zou wezen: "leid een goed leven op aarde". Dit was ook het eerste antwoord dat Jezus gaf, maar de jongeling was hiermede niet tevreden. Hij wist dat dit slechts het exoterische antwoord was, niet het diepere dat hij zocht. Het wees hem den weg niet dien hij wenschte te vinden. Daarom antwoordde hij: "Meester, deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af". Dit is het antwoord dat ieder moet kunnen geven, die naar de diepere wijsheid verlangt. Aan de uiterlijke wet moet zijn voldaan, voordat de innerlijke leering kan worden verkregen. Toen gaf Jezus een ander antwoord: "Eén ding ontbreekt u, ga henen, verkoop al wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op en volg mij". Toen ging de jonge man treurig heen, want hij had vele goederen; en Jezus wendde zich tot zijne discipelen, die alles verlaten hadden om hem te volgen, en sprak: "Het is lichter dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het koninkrijk Gods inga." [Voetnoot: Marcus 10, 17-26.]

Hoe dikwijls worden tegenwoordig deze laatste woorden weggeredeneerd. Hoe vele predikers hebben er over gepreekt en ze van hun beteekenis beroofd. Hoe dikwijls hebt gij misschien in uwe jeugd aan uw leeraar gevraagd, gelijk ik het mijn leermeester vroeg: "wat beteekenen toch die woorden? Is het waar dat een rijke niet gemakkelijker het koninkrijk Gods binnengaan kan dan een kemel kan gaan door het oog eener naald?" Maar mijn leermeester redeneerde de moeilijkheid weg en zeide mij dat het beteekent dat een rijke even goed als een arme het eeuwige leven kan verwerven, dat het iets anders beteekent dan het zegt, dat het betrekking heeft op een poort in Jeruzalem waar een kameel slechts onbeladen door kon gaan; en dat het wilde zeggen dat een rijke vele moeilijkheden heeft en aan vele verleidingen blootstaat, maar niet dat hij in het geheel niet zou kunnen binnengaan in het koninkrijk Gods. De groote menigte der Christenen schijnt het ook niet op te vatten in den zin, zooals het door Jezus is gezegd, want overal ziet gij de menschen hard werken om rijkdommen te verwerven, en als zij dachten dat zij daardoor het eeuwige leven zouden verliezen, zouden zij wel niet zoo hard werken om in de hel te komen; zoodat wij vrij zeker kunnen zijn dat zij in woorden van Jezus als de aangehaalde volstrekt niet gelooven. Dit is het noodzakelijk gevolg van het verloren gaan der esoterische kennis. Wat is de beteekenis van deze uitdrukking: "het koninkrijk Gods?" Zij wordt altijd gebruikt voor "inwijding in de mysteriën". Zij die willen binnengaan in het koninkrijk Gods moeten volmaakt worden, niet zooals de mensch van de wereld, die na den dood in den hemel komt, om na verloop van tijd terug te komen, meer te leeren en meer ondervinding op te doen,--het eeuwige leven is niet het vertoeven in een voorbijgaanden hemel, het is de kennis van God, het is de vereeniging met de Godheid zelf. En die kennis van God die het eeuwige leven is, is het koninkrijk Gods, waarin slechts de volmaakte kan binnengaan. En het is altijd een vaste wet geweest dat ieder mensch, voordat hij wordt ingewijd, alles moet afstaan wat hij bezit, dat hij niets meer als zijn eigendom beschouwen moet, wat in de oogen der wereld het zijne is. De gelofte van armoede is altijd de gelofte van den ingewijde geweest; niemand kan inwijding bereiken die niet deze gelofte doet in haar wijdste beteekenis: niet slechts wat zijn aardsche goederen aangaat, maar aangaande alles wat hij bezit, zij het rijkdom van verstand of rijkdom van hart of rijkdom der aarde. Hij staat ze alle af en deelt ze met de wereld, hij beschouwt ze niet langer als de zijne. Indien geld in zijne handen komt, is het niet het zijne, moet het niet worden gebruikt voor zijn persoonlijke behoeften: het behoort aan het werk van zijn Meester. Hij bezit niets dat hij voor zichzelf gebruiken kan. Indien hij kennis bezit is die niet de zijne, maar hij bezit die om de wereld te onderwijzen. Hij bezit zijne kennis slechts om ze te kunnen geven aan anderen; hij heeft geen rechten, hij kent slechts plichten jegens de menschheid. Voor zichzelf kent hij geen rechten van eenigen aard. Hij staat alles af wat het zijne is. En toen Jezus zeide dat hij die volmaakt wil worden alles verkoopen moet wat hij heeft en hem volgen, zeide hij slechts wat iedere Meester zegt tot den leerling die inwijding bereiken wil: "Gij moet alles afstaan wat gij bezit, gij moet u ontdoen van al wat gij hebt." Een harde voorwaarde, zeker: hard voor hem wiens hart nog hangt aan de wereld, hard voor hem die nog geeft om de schatten der aarde; maar licht voor hem die het hoogere leven zoekt, die naar diepere wijsheid verlangt, die het lagere leven wil opofferen om het hoogere te vinden, die het vleesch wil kruisigen opdat hij in God met Christus vereenigd kan zijn.

Wij zullen thans een tweede spreuk van Jezus nemen: "Wijd is de poort en breed is de weg die tot het verderf leidt, en velen zijn er die door dezelve ingaan; want de poort is eng en de weg is nauw die tot het leven leidt, en weinigen zijn er die dezelve vinden." [Voetnoot: Mattheüs 7,13.] Hoevele liefhebbende harten treuren over deze woorden, van hoevele vrome Christenen breekt het hart bij het denken aan deze woorden van Jezus. Weinigen die binnentreden, velen die ten verderve gaan, weinigen die redding vinden, velen die den breeden weg, weinigen die het smalle pad volgen! Wat is de beteekenis van deze woorden? Zij zeggen hetzelfde wat Jezus bedoelde toen hij sprak tot den jongeling. De breede en gemakkelijke weg is de gewone weg van de menschen der wereld, die leidt van geboorte naar dood, van dood naar geboorte, van geboorte weer terug naar den dood, door steeds herhaalden kringloop van dood en geboorte. Zulk een leven is dood, niet leven, in de oogen van den verlichte. De weg welke tot het leven leidt is de weg welke van wedergeboorte bevrijdt, is het pad der inwijding, dat leidt tot dien tempel Gods, welken niemand verlaat, nadat hij hem is binnengetreden. Weinigen inderdaad zijn er op het tegenwoordig standpunt van de ontwikkeling der wereld, die dezen weg betreden, weinigen worden er gevonden onder de millioenen der menschheid, die sterk genoeg zijn om de moeilijkheden van het enge pad te overwinnen. Maar in den loop der eeuwen zullen allen dit pad vinden en betreden, en geen menschelijke ziel zal vervallen tot eeuwig verderf.

Er is nog een gezegde van Jezus, dat moeilijk is te begrijpen: "Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt is." [Voetnoot: Mattheüs 5,48.] Dat is weer een bevel dat door de meeste menschen wordt weggeredeneerd, omdat zij gevoelen dat de vervulling onmogelijk is voor zondige menschen, voor mannen en vrouwen vol zwakheden en dwaasheden, alledaagsch en wereldsch, bekrompen in hun opvattingen, overgegeven aan de genoegens der wereld. Hoe zouden zij volmaakt kunnen worden gelijk God in den hemel volmaakt is? Bracht Jezus dan zijn leerlingen op een dwaalspoor, toen hij hun een bevel gaf dat zij onmogelijk uitvoeren konden? Kon hij, die de waarheid Gods zelf was, een gebod geven dat niet kon worden opgevolgd? Neen! Het is voor den mensch mogelijk, volmaakt te worden gelijk God volmaakt is, niet in één kort leven, niet in twintig of veertig of honderd jaar, niet in het ééne korte tijdperk tusschen de wieg en het graf, tusschen geboorte en dood. Dit is slechts één stap naar een volmaking als die van God. Maar leven volgt op leven, groei volgt op groei. Ieder volgend leven kan dichter bij de volmaking worden gebracht, ieder volgend leven zamelt den oogst van het voorgaande in. Met steeds vermeerderende kracht, met steeds toenemenden groei stijgen de menschen tot de volmaking, in de voetstappen van den Heiland. In de lange eeuwen die voor ons zich uitstrekken zal de goddelijke volmaking worden bereikt.

Laten wij van deze op zich zelf staande teksten afstappen en een leerstuk der Christelijke kerk beschouwen dat voor velen moeilijk te gelooven is, en dat dikwijls wordt aangevallen: de leer der drieëenheid. God een eenheid en toch drievoudig, drie personen en toch één God. Velen hebben zich over dit leerstuk verbaasd en zijn ten laatste tot de overtuiging gekomen, dat zij dit niet konden begrijpen, dat blind geloof moet aannemen wat het verstand niet begrijpen kan. Maar in de esoterische leering der mysteriën werd de leer der drieëenheid begrijpelijk gemaakt, werd zij een verheffende en helpende kracht. Deze geheele leering kan niet openbaar worden gemaakt, maar een deel ervan kan hier worden besproken; en dit kan eenig licht werpen op ons onderwerp. In iederen godsdienst wordt de drieëenheid geleerd: de Vader, die het aanzicht van Macht, van Zelf-Bestaan voorstelt, en uit den Vader de Zoon en de Geest. De Vader is de oorsprong, de bron van al wat is. God komt in zijn aanzicht van Zelf-Bestaan, van onbegrensd Vermogen in alle openbaringen voor als de Eeuwige Vader, het midden-leven van het heelal. Uit Hem komt de Zoon voort, de openbaring van het aanzicht van liefde der Godheid, van liefde en gelukzaligheid tevens, de tweede persoon in de drieëenheid, de tweede Logos, zooals hij dikwijls genoemd wordt, tweevoudig in zijnen aard: aan den eenen kant de openbaring van mededoogen, van alomvattende liefde, aan de andere zijde van eeuwige, oneindige gelukzaligheid. Het derde aanzicht der godheid is dat van wijsheid. De wijsheid Gods is geopenbaard als de Geest, het goddelijk denkvermogen. Toen God zich openbaarde als scheppende kracht, als het algemeen denkvermogen, werd hij de derde Logos, de derde persoon in de drieëenheid. God is in wezen één, drievoudig in zijn openbaring, het ééne Bestaan, dat zich toont in drievoudigen vorm. Wanneer wij spreken van de drie personen van de drieëenheid, zijn dit slechts drie aanzichten, waarin de godheid zich openbaart, zich zichtbaar maakt en begrijpelijk voor den mensch.

De drieëenheid, die in de godheid is, weerkaatst zich in den mensch, ook de mensch is een drieëenheid, het beeld van God. In den mensch heeft de goddelijke drieëenheid zich uitgestort, en de mensch ontvouwt in den voortgang zijner ontwikkeling den drievoudigen aard van de godheid, en ontwikkelt in zijn inwezen de drie aanzichten welke hij ontvangen heeft van God. Het eerst ontwikkelt zich in den mensch het verstand, de weerkaatsing van den derden persoon der goddelijke drieëenheid, daarna wordt de Zoon in hem geboren, de geest van den Christus, van alomvattende liefde en oneindig mededoogen. Het kenmerk van den mensch in wien dit tweede aanzicht zich ontwikkelt, die van den derden trap tot den tweeden is gekomen, is dat diepe mededoogen dat alle menschen in zich omvat. Dit is de geest van den Christus, en naarmate de mensch dezen ontwikkelt wordt hij de Zoon Gods. Dan komt de tijd voor de laatste openbaring in den mensch. Niet alleen de ontwikkeling van het verstand, de weerkaatsing van den Geest, niet alleen de liefde, die wordt voorgesteld door het leven van den Zoon,--ook het leven van den Vader moet zich in den mensch openbaren. Hij moet gelijk worden aan de goddelijke Kracht, het goddelijk Bestaan. Dat is de vereeniging waarvan alle godsdiensten hebben geleerd, dat is het één-worden met den Vader, waarvan Christus tot zijn discipelen sprak als de laatste zegepraal dien zij zouden bereiken. Het één-worden met den Vader is het einddoel der ontwikkeling van den mensch.

In het grootste deel der menschen op aarde ontwikkelt zich thans het derde aanzicht der drie-eenheid, het verstand. Slechts hier en daar treffen wij menschen aan, in wie het leven van den Christus zich begint te ontvouwen. Wanneer dit leven volmaakt zal zijn, zal de vereeniging komen met den Vader, waarvan Paulus zegt: "Daarna zal het einde zijn, wanneer hij het koninkrijk aan God en den zij alles in allen." [Voetnoot: 1 Corinthiërs 16, 24-28.] Dat is de zielsverrukking waarom ieder heilige bad, de vereeniging met God; dat is het doel, dat de kroon is der menschelijke ontwikkeling. Aldus is de leering van het esoterisch Christendom, dieper, breeder, verheffender dan de uitwendige vorm, tot welken helaas de kerk zich bepaalt. Aldus leert het Goddelijk Weten, dat het uwe is door erfrecht, het uwe door de gave van den. Christus, het uwe krachtens uw geestelijke afkomst, het uwe door uw recht als leden eener Christelijke gemeenschap. En ik, die geleerd heb van die Meesters waarvan Jezus één is, ik, die door eigen ondervinding weet, dat deze leering kan worden verkregen, dat duizendmaal meer kan worden geweten dan hier mijne lippen uiten kunnen, ik kom tot u als bode, om u te herinneren aan uw erfrecht, ik kom tot u om u te herinneren aan het bestaan van goederen die de uwe zijn. Dat is de boodschap die ieder leerling op zijne beurt brengt aan iedere kerk, aan ieder geloof; niet iets nieuws brengt hij niet zich, slechts de herinnering aan wat oud is, maar nog steeds binnen menschelijk bereik. Aan u om dit pad te betreden, aan u om die kennis te verwerven, aan u om de gelegenheid aan te nemen, die de leering der Theosofie u brengt, de leering die dezelfde is als esoterisch Christendom. De gelegenheid wordt u geboden, aan u haar aan te nemen of te laten, gelijk gij dat wilt.

#Het verhaal van den Christus#

Ik zal hedenavond het verhaal van den Christus beschouwen van het standpunt van den Occultist, Wanneer wij enkel als Theosofen spreken, trachten wij het verhaal van den Christus duidelijk te maken in zijn geestelijke beteekenis. Wanneer wij ons echter op het standpunt van den Occultist plaatsen kunnen wij verder gaan. Wij kunnen terugzien naar de archieven van het verleden en deze onderzoeken, wij kunnen terugzien tot het leven, zooals dat negentien eeuwen geleden werd geleid en het stap voor stap bestudeeren. Maar ik moet u herinneren dat de inhoud dezer occulte archieven niet langs geschiedkundigen weg bewezen kan worden. Het is waarschijnlijk dat in de eerstvolgende twintig jaren eenige oude handschriften zullen worden gevonden, welke dezen inhoud tot op zekere hoogte zullen bevestigen, maar op het oogenblik zijn deze handschriften nog niet door de oudheidkundigen ontdekt. Daarom stel ik mij voor mijn onderwerp niet van den kant der gewone geschiedenis maar van het standpunt van den Occultist te beschouwen, en naarmate ik verder ga zult gij zien dat deze wijze van beschouwing vele moeilijkheden in de evangeliën uit den weg ruimt, en dat zij u in staat stelt al wat in die evangeliën van waarde is te redden uit de aanvallen der geschiedkundige kritiek. Zij stelt u in staat het Christendom te baseeren op een leven, meer dan op een handschrift en alles te begrijpen wat van werkelijk belang is in het verhaal van den Christus, beschouwd als een mystiek verhaal en als een feit uit de geschiedenis.

Hat verhaal is vanzelf in twee deelen te splitsen, welke wij in onze beschouwing zullen moeten scheiden. De ééne afdeeling behandelt den geschiedkundigen Jezus en omvat tevens de zonnemyten welke door zijne levensbeschrijving geweven zijn. In de tweede afdeeling spreken wij niet over den geschiedkundigen Jezus maar over den mystieken Christus, en deze vertegenwoordigt in een opzicht den tweeden Logos, en in een ander de individuële ziel, welke goddelijkheid bereikt.

In de evangelie-verhalen en in het geloof der kerk zijn deze beide gedeelten niet scherp gescheiden. Wat tot het ééne behoort wordt dikwijls gerekend bij het andere. Dit geeft tot veel verwarring aanleiding en biedt menig zwak punt voor de aanvallen van den ongeloovigen kritikus. Naarmate wij deze draden ontwarren zult gij beider waarde beter begrijpen en zult gij ook het groote belang inzien, dat het geheel voor de menschheid heeft.

Laten wij eerst het verhaal van den geschiedkundigen Jezus nemen, en de zonnemyten welke daarmede zijn tezamen geweven.

Jezus werd geboren uit Joodsche ouders, ongeveer honderd jaar vóór het tijdstip dat gewoonlijk wordt opgegeven. Hij werd opgevoed onder de Esseers, een Joodsche sekte van zeer rein leven en diep godsdienstig gevoel. Zij waren ongehuwd, zij aten geen vleesch en dronken geen wijn, en waren ook buitengewoon weldadig en medelijdend. Kinderen, die als weezen waren achtergebleven, namen zij tot zich om ze in hun midden op te voeden. Behalve de weezen werden dikwijls ook andere kinderen van goede afkomst aan hunne zorg toevertrouwd wegens de reinheid van hun leven en de wijsheid welke zij bezaten, en die hun groote waarde gaf als onderwijzers. Onder deze heilige menschen bracht Jezus zijn jeugd door. Hij muntte uit door zijn buitengewone reinheid en godsdienstige toewijding, welke zich op twee wijzen toonde: in zijne vurige aanbidding van God en zijn voortdurend streven om zijne medemenschen te helpen. Deze beide karaktertrekken waren buitengewoon sterk in hem ontwikkeld: de liefde tot God welke hem leidde tot lange uren van overpeinzing en de liefde tot de menschen welke hem krachtig werkzaam deed zijn om allen te helpen die smart leden. Deze toewijding ging zooals ik reeds zeide gepaard aan een buitengewone reinheid. Toen hij den mannelijken leeftijd naderde trok hij naar Egypte. Hij trok van de gemeenschap der Esseers in het Zuiden van Palestina tot een dergelijke gemeenschap op den berg Sinaï en naderhand in Egypte. In dit land bestudeerde hij de oude wijsheid der Egyptenaren en hij werd ingewijd in hunne mysteriën. Op omstreeks 27-jarigen leeftijd keerde hij naar Palestina terug, en begon zijnen verwanten en vrienden onderricht te geven in wat hij geleerd had.

Te dien tijde nu was in de wereld een nieuwe aandrang van geestelijkheid noodig geworden. De tijd voor het ontstaan der westersche volkeren brak aan. Reeds ontwikkelden zich jonge rijken welke de kiem van toekomstige grootheid in zich droegen. De beschaving waartoe zij zich zouden ontwikkelen zou van geheel anderen aard zijn dan die van het Oosten. Het verstand dezer nieuwe volken zou krachtig en werkzaam van aard zijn. De omstandigheden van hun klimaat zouden ijver en krachtsontwikkeling eischen. De godsdienst welke bij de vorming van deze beschaving daartoe dienstig zou zijn moest ethisch en praktisch zijn, eenvoudig van wijsbegeerte, helder van leering. Deze godsdienst werd geschonken door de groote Broederschap uit welke alle godsdiensten voortgekomen zijn, en Jezus was het voor die taak uitgekozen werktuig. Hij was voor dit werk bijzonder geschikt door zijn reinheid en toewijding. Toen hij ongeveer dertig jaar oud was kwam voor hem de tijd zijn werk te beginnen. Een bijzondere nederdaling van goddelijke kracht kwam in hem en scheidde hem af van de overigen van zijn ras. Deze nederdaling maakte hem in zeer bijzonderen zin tot den vertegenwoordiger, tot den bode van God. Van deze nederdaling wordt gesproken als van zijn "doop" en gij zult u herinneren hoe in het verhaal van dien doop gezegd wordt dat de geest Gods op hem nederdaalde. Van dien tijd af, gedurende de jaren zijner prediking, kan men Jezus beschouwen als een vleeschwording van het goddelijk Leven. Het is belangrijk, in gedachte te houden dat dit een uitstorting van het goddelijk Leven in den mensch Jezus was, en dat de "doop" het tijdstip was waarop die uitstorting plaats vond. Van toen af werd hij de prediker van een zuiverder geloof voor de westersche wereld. Hij werd door de Joden wegens godslastering gedood nadat hij ongeveer drie jaren onder hen had gewerkt.

