# Vier Voordrachten over Theosofie

## Part 4

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/vier-voordrachten-over-theosofie-12756/index.md

Veel van wat ik u hedenavond heb gezegd zal voor sommigen uwer nieuw schijnen en vreemd. Toch is het niet nieuw maar over-oud, zóó oud dat de menschen het hebben vergeten; en niet vreemd, zooals gij bij nadere studie zult vinden. Ik heb u hedenavond niets gezegd, dat ik niet _weet_ dat waar is en de weg dien ik gevolgd heb om tot weten te komen, is de weg dien de Theosofie aanwijst. Door het volgen van hare voorschriften ben ik in staat geweest hetzelfde te doen wat in de Christelijke kerk gedaan werd, vele eeuwen geleden, en wat in alle andere godsdiensten mogelijk is geweest, lang voordat het Christendom was gesticht. Al deze dingen zijn altijd bekend geweest, deze weg is altijd betreden door de weinigen; en zij die hem betraden waren de menschen, die de waarheden van den godsdienst wisten door eigen waarneming--niet uit de tweede hand. Het doel der Theosofische Vereeniging is, u te helpen in het verkrijgen van eerste-hands kennis en hoewel de dingen die ik u gezegd heb misschien onbekend mogen wezen en schijnen onmogelijk te kunnen worden bewezen, kunnen zij alle bewezen worden door ieder uwer die begeert te onderzoeken, en zich dezelfde moeite wil geven, welke door sommigen onzer is gedaan. Dan zult gij de werkelijkheid der wedergeboorte op aarde weten, niet slechts gelooven, dan zult gij de wijze kennen, waarop de ziel langzamerhand groeit tot volmaking, dan zult gij weten dat deze Leeraars nog levende menschen zijn en nog steeds leering geven willen aan leerlingen die tot hen komen. De Theosofie is inderdaad een studie. Ik vraag u niet haar te gelooven, ik vraag u niet haar aan te nemen zonder begrijpen, ik vraag u slechts te onderzoeken, zooals ik onderzocht heb. Gij kunt tot weten komen zooals ik ben gekomen tot weten. En ik weet, dat wanneer al deze dingen voor ons eerste-hands kennis worden, niets in de wereld ons meer werkelijk ongelukkig kan maken. De moeiten en zorgen, welke zoo vele menschen kwellen, worden ons niets, zelfs de dood, die scheiding te maken schijnt tusschen de menschen, kan voor ons geen scheiding meer brengen wanneer wij deze waarheden voor ons zelf bevestigd weten, omdat wij dan den sluier des doods kunnen oplichten, en de menschen aan de andere zijde kennen, even gemakkelijk als gij ze hier kent op aarde; zoodat de Theosofie u met de gelegenheid om deze dingen te onderzoeken de mogelijkheid biedt van grooter geluk dan den meesten menschen ten deel valt, van kennis die u sterk zal maken en krachtig, van een leven vol vrede en rust. Dàt is de uitkomst van Theosofisch onderzoek, dàt is het gevolg van het streven tot weten te komen, en mijn doel voor hedenavond was, eenigen van u te brengen tot diepere studie, opdat gij moogt komen tot de kennis der waarheid. En wanneer gij dan tot die kennis gekomen zult zijn, zult gij terugzien tot dezen avond en zeggen: Toen was het dat ik voor het eerst de leeringen der Theosofie vernam, waarvan de kennis in mijn geheele leven verandering heeft gebracht. Toen was het dat ik den grootsten schat vond, welken ik ooit heb gekend; want ik vond de kennis van God, die het eeuwige leven is, zonder welke het leven arm is en beperkt, met welke het leven oneindig wordt, vol van vreugde en vrede.

#Esoterisch Christendom#

Sommigen die niets weten van de Theosofische leeringen beschouwen de Theosofie als vijandig gezind jegens het Christendom. Zij denken dat iemand wanneer hij Theosoof wordt moet ophouden Christen te zijn. En wanneér zij vernemen dat de Theosofie zich in een land verspreidt, nemen zij als van zelf sprekend aan dat in dat land een nieuwe beweging tegen het Christendom is ontstaan, een beweging waarvoor geen Christen sympathie kan gevoeien. Deze zienswijze nu is geheel en al verkeerd. Hoe zou het mogelijk zijn dat de grondslag van alle godsdiensten de vijand was van eenigen godsdienst? Daar zij komt om het godsdienstig gevoel te versterken door kennis, kan de Theosofie niet ten doel hebben het geloof te ondermijnen, of te trachten het godsdienstig gevoel der menschen te doen wankelen. Integendeel: waar zij komt tot de menschen, vraagt zij hun niet hunnen godsdienst te verlaten, maar zij vraagt hun te pogen dien godsdienst te doorgronden in zijn diepere en meer geestelijke beteekenis. Zij komt tot den godsdienst om hem terug te geven wat hij in den loop der eeuwen heeft verloren, zij komt om de kennis terug te brengen, welke langzamerhand uit zijn gebied is geweken, zij komt om de zinnebeelden en riten van den godsdienst begrijpelijk te maken en aan hen wier geloof was geschokt door de aanvallen van het ongeloof een hechten en zekeren grondslag te schenken waarop hun geloof rusten kan, verheven boven de mogelijkheid van eenigen aanval, bekroond met goed gevolg.

Wanneer ik dan hedenavond u toespreek uit naam der Theosofie, spreek ik als iemand die het Christendom beschouwt als één van de groote godsdiensten der wereld, die gelooft dat het in zich alles bevat wat noodzakelijk is voor den groei der menschelijke ziel, maar die tevens meent dat het algemeen verspreide Christendom van tegenwoordig zeer veel verloren heeft van wat het oorspronkelijk Christendom bezat, als iemand die gelooft dat het mogelijk is aan de kerk dat diepere, geestelijker inzicht in den godsdienst terug te geven, dat in den tegenwoordigen tijd uit het weten der Christenen verdwenen is.

Reeds de naam van deze voordracht "esoterisch of innerlijk Christendom" zal waarschijnlijk door vele Christenen verworpen worden. Weinigen onder de hedendaagsche Christenen willen toegeven dat er een esoterisch Christendom bestaat, ja zelfs hoort men Christenen er zich dikwijls op beroemen dat hùn godsdienst ten minste niets heeft dat teruggehouden en verborgen is. Dikwijls hoort men zeggen: de Christelijke godsdienst is zóó eenvoudig dat zelfs een kind, dat de meest onontwikkelde hem kan begrijpen en ik heb soms Christenen ontmoet die verontwaardigd werden over het denkbeeld, dat er in verband met hun geloof eenige kennis zou bestaan, welke teruggehouden wordt van den onwetende, welke niet openlijk aan de wereld wordt verkondigd, kennis zoo moeilijk te omvatten, dat de gewone menigte niet in staat zou zijn haar te begrijpen. En toch is het duidelijk dat als het waar is dat het Christendom niets anders te leeren heeft dan wat begrepen kan worden door het kind en door den onopgevoeden mensch, dit de erkenning in zich zou sluiten, dat het Christendom niet de waarheid bezit, dat het niet voldoende is voor den wijsgeer en den wijze. Want gij kunt het verstand van den wijsgeer niet tevreden stellen met dezelfde opvattingen welke voldoende zijn voor het kind en den polderwerker. Men kan niet verwachten dat de man van de wetenschap, de hoogontwikkelde denker, tevreden zal blijven met de enge en ruwe opvattingen, welke voor den onwetende niet slechts voldoende zijn, maar die voor hem veel meer geschikt zijn dan de verklaringen van den verheven wijsgeer. Neem bijvoorbeeld het begrip "God". Voor een kind moet gij van God een konkreet denkbeeld geven, anders kan het kind het niet bevatten. Indien gij tot hem spreekt in de taal der metafysika, indien gij tot hem spreekt over het absolute, het oneindige, indien gij hem vertelt van een oneindig leven, dat de geheele ruimte doordringt en de tallooze zonnen welke zich in het heelal bewegen in wezen houdt, indien gij hem zulk een beschrijving van de Godheid geeft, zult gij het kind slechts in verwarring brengen en geenerlei opvatting, welke door hem kan worden bevat, zal zijn ongeoefend brein bereiken door uw wijsgeenge taal. Zal het kind eenig denkbeeld krijgen van God dan moet de opvatting van het goddelijke tot hem komen in een gewone, menschelijke gedaante. Gij kunt hem leeren van een Vader, die teeder is en liefhebbend, want dit geeft hem een denkbeeld dat hem reeds bekend is door de liefde van zijn eigen vader. Gij kunt hem vertellen van den mensch Jezus, vol liefde en mededoogen; dit geeft hem het denkbeeld van een vriend, sterker en ouder dan hij zelf, die hem lief heeft en beschermt. Zóó kan het kind eenig denkbeeld ontvangen van God. Het goddelijke moet menschelijk worden gemaakt, het oneindige moet worden beperkt; slechts zóó kan het kinderhart worden bevredigd. Maar wanneer gij staat tegenover den wijsgeer, die onmiddellijk de bezwaren inziet welke er zijn tegen de beperking van het goddelijke binnen den menschelijken vorm, wanneer gij staat tegenover een man van de wetenschap die zich den God dien hij aanbidt denkt als een Leven dat de gansche ruimte doordringt, dat alle zonnen en planeten beheerscht, dat tegelijk het leven is van het heelal en het leven van het kleinste wezentje dat bestaat, voor wien de beperking in den menschelijken vorm godslastering wordt en bespotting--wanneer gij dan nog blijft bij de opvatting van het kind, zal de wijsgeer, de man van de wetenschap agnostisch worden of atheïst. De erkenning van de waarheid, dat het godsbegrip moet beantwoorden aan de beperkingen van het menschelijk verstand, dat het denkbeeld dat de mensch van God heeft verschillend moet zijn naar gelang van de kracht van zijn verstand, naar den aard zijner aandoeningen, naar de diepte van zijn inzicht,--de erkenning van deze waarheid maakt het voor alle menschen mogelijk, God te aanbidden, want ieder mensch, hetzij onwetend of geleerd, ontvangt dan van de goddelijke kennis juist zooveel als hij in staat is op te nemen in hoofd en hart. Ieder mensch houdt als het ware het vat zijner eigene ziel tot God omhoog. Is de ziel klein en beperkt, dan kan zij slechts weinig van de goddelijke kennis bevatten; indien de ziel groot is en ontwikkeld, kan zij meer bevatten van het goddelijk leven. Klein waarlijk in vergelijking met dien machtigen oceaan is het grootste verstand, de grootste wijsheid des menschen, maar toch heeft dit verstand het recht een opvatting te eischen, die noch te hoog is noch te laag, en slechts door een esoterischen godsdienst kunnen de ontwikkelden en wijzen gehouden worden binnen de grenzen der kerk. Dit is in het verleden altijd bekend geweest. Geen godsdienst der oudheid gaf aan alle menschen leering in denzelfden vorm. Onder de Hindoes, de Chineezen, de Boeddhisten, de Egyptenaren, de Grieken, overal vindt gij verschil van leering voor de menigte der onontwikkelden, en de kleine minderheid der ontwikkelden. Toen het Christendom aan de wereld werd gegeven, toen Jezus kwam als een boodschapper der waarheid en de stichter van een nieuwen vorm van godsdienst, trad hij in de voetstappen zijner voorgangers en verdeelde zijn leer in twee deelen, het eene voor de menigte, het andere voor de verlichten. Ik wensch u van deze bewering het bewijs te leveren door een aantal bewijsgronden, wier gewicht gij voor u zelf kunt schatten. Ik zal u aantoonen, eerstens uit de woorden van Jezus zelf, dat hij die onderscheiding maakte; dan uit de woorden zijner apostelen dat ook zij die verdeeling erkenden, vervolgens dat die apostelen ze overdroegen aan het geslacht dat na hen kwam, en eindelijk dat diezelfde verdeeling der leeringen in tweeën door de bisschoppen en kerkvaders werd gehandhaafd. Wij hebben dus vier stappen te doen in de vroegste geschiedenis der kerk. Wij moeten de gezegden van Jezus zelf, die zijner apostelen, die van degenen die door de apostelen als leeraars werden uitverkoren, en die van de bisschoppen en kerkvaders in de eerste vijf eeuwen der geschiedenis van het Christendom beschouwen. Over deze vijf honderd jaren strekken zich de verklaringen uit, die ik u zal aanhalen als bewijsgronden voor het feit dat er in die eeuwen een esoterisch Christendom bestond, evengoed als een exoterisch, dat er een bijzonder onderwijs was voor de ingewijden, evengoed als een openbare leering voor de menigte der geloovigen. Na deze eerste reeks bewijsgronden, de geschiedkundige, zal ik een bewijsvoering leveren van anderen aard, en wel deze: dat zij die thans esoterische kennis bezitten, beter in staat zijn de Christelijke leeringen uit te leggen dan zij die deze kennis niet bezitten, en beter de beteekenis begrijpen van de vele verklaringen in het Nieuwe Testament, welke de gewone kerkleeraars niet in staat zijn uit te leggen, verklaringen, die de hedendaagsche kerk dikwijls heeft uitgelegd op een wijze, welke in strijd is met het geweten, zoodat die uitleggingen der kerk vele menschen uit het Christendom drijven, en van velen onder hen die slechts de exoterische verklaring ontvangen, het verstand beleedigen en het geweten in opstand brengen. Het gevolg hiervan is dat zij de kerk verlaten en onverschillig worden voor het Christendom, een groot verlies voor henzelf, daar zij hun geloof moeten opgeven, een groot verlies voor de kerk, want op deze wijze gaan de meest ontwikkelden verloren, en wordt de invloed van het geloof op de menigte verzwakt.

Wij zullen thans de verschillende bewijsgronden in volgorde aanvoeren en beginnen met de geschiedkundige, in de eerste plaats met de woorden van Jezus zelf.

Toen de discipelen tot Jezus kwamen en hem vroegen naar de gelijkenissen welke hij tot de menigte gesproken had, gaf hij hun dit merkwaardige antwoord: "Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het koninkrijk Gods, maar dengenen die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen." [Voetnoot: Marcus 4,11.] En verder: "Zonder gelijkenis sprak hij tot hen niet." [Voetnoot: Marcus 4,34.] Wij vinden hier den toestand duidelijk verklaard. Tot de menigte sprak Jezus slechts in gelijkenissen, in allegoriën, in verhalen in den vorm van een fabel, welke hun zedelijke leering gaf; maar zijnen discipelen gaf hij de uitlegging der gelijkenissen, verklaarde hij de verborgenheid van het koninkrijk Gods, en ik verzoek u deze onderscheiding, door Jezus gemaakt, goed in het oog te houden, omdat wij haar straks door de kerkvaders aangehaald zullen vinden ter rechtvaardiging van de handelwijze der kerk in hun eigen tijd.

Jezus zeide eens tot de discipelen: "Geeft het heilige den honden niet." [Voetnoot: Mattheüs 7,6.] Het woord "hond" nu had bij de Joden een zeer bepaalde beteekenis. Het duidde iedereen aan, die geen Jood was en gij herinnert u dat toen een Kananeesche vrouw tot Jezus kwam om hulp te vragen, hij ten antwoord gaf: "Het is niet betamelijk, het brood der kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen." [Voetnoot: Mattheüs 15,26.] En zij nam zonder morren die benaming aan en zeide slechts: "Ja Heer, doch de hondekens eten ook van de brokskens, die er vallen van de tafel hunner heeren." Dit woord van Jezus: "Geeft het heilige den honden niet" is niet anders dan een bevel, niet het innerlijke te geven aan hen die buiten de groep der uitverkorenen stonden. Voor deze laatsten alleen moest het heilige worden bewaard. De apostelen, die het evangelie van Jezus buiten de Joden verspreidden, erkenden evenzoo een aantal uitverkorenen, dat waren zij die in de kerk in de mysteriën waren ingewijd, terwijl zij die buiten de mysteriën stonden profanen werden genoemd. Het woord profaan werd in de oudheid gewoonlijk gebruikt om deze menschen aan te duiden en wanneer wij overgaan tot de tweede soort van geschriften, waarvan ik u gesproken heb, tot de geschriften der apostelen, vinden wij dat Paulus het onderscheid, door Jezus gemaakt, behield en het toepaste op zijn eigene bekeerlingen. Zoo schreef hij aan de Corinthiërs, die als Christenen waren gedoopt, die hadden deelgenomen aan het Heilige Avondmaal, die lidmaten der kerk waren, zooals wij zeggen zouden: "En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleeschelijken, als tot jonge kinderen in Christus. Want gij zijt nog vleeschelijk." [Voetnoot: I Corinthiërs 3,1-3.] En elders zegt hij: "En wij spreken wijsheid onder de volmaakten." [Voetnoot: I Corinthiërs 2,6.] Paulus maakte dus hetzelfde onderscheid als de Meester: voor hen die vleeschelijk waren, voor de jonge kinderen in Christus, sprak hij zonder geestelijke wijsheid; die wijsheid werd slechts gegeven aan de volmaakten, dat is, aan hen die ingewijd waren in de mysteriën der kerk. Want deze uitdrukking "de volmaakten" is het oude woord voor de ingewijden; zij moesten volmaakt zijn in het uiterlijke leven, voordat zij werden toegelaten tot de kennis der mysteriën van Jezus. Vervolgens vinden wij dat Paulus aan Timotheüs, dien hij wijdde tot bisschop der kerk, beval op zijn beurt uit de geloovigen diegenen te kiezen, die in staat zouden zijn meer te leeren en dat hij aan dezen het Woord moest mededeelen, dat hij zelf had ontvangen voor vele getuigen. Hier hebben wij weer een uitdrukking die in de oudheid veel werd gebruikt: "het Woord," het Woord dat gegeven werd voor vele getuigen. Wat is dat Woord, dat Paulus gaf aan Timotheüs, in tegenwoordigheid van vele getuigen en dat hij hem beval over te geven aan hen die het waardig zouden zijn? Dit Woord, gesproken voor vele getuigen, is de geheime leering der mysteriën, welke nooit op schrift is gesteld, welke nooit werd gegeven in eenigen vorm, waarin zij kon worden verraden, maar altijd slechts gesproken werd van mond tot oor, van leeraar tot leerling, in tegenwoordigheid van vele getuigen, die konden instaan voor de nauwkeurigheid der ongeschreven overlevering, die konden getuigen dat de leeraar het Woord goed had overgebracht, dat hem gegeven was om aan anderen over te leveren. Het Woord, door Timotheüs van Paulus ontvangen in tegenwoordigheid van vele getuigen, is het esoterisch Christendom, mondeling geleerd aan hen die waardig waren zelf leeraars te worden.

Wij hebben gezien, eerstens hoe Jezus zelf de mysteriën slechts leerde aan enkele leerlingen, en tot de menigte sprak in gelijkenissen, vervolgens hoe Paulus als apostel op dezelfde wijze te werk ging en aan Timotheüs beval het Woord op zijne beurt verder te geven, zoodat wij thans in de derde plaats komen tot de latere bisschoppen en kerkvaders, die verklaren dat zij de geheime leering hadden ontvangen en ze op hunne beurt hadden over te leveren aan hen die zich daartoe waardig toonden. Tot nog toe heb ik slechts aanhalingen gedaan uit het Nieuwe Testament dat naar ik veronderstel ieder uwer bekend zal zijn. Thans zal ik eenige schrijvers aanhalen uit de vroegste geschiedenis der kerk, die u misschien niet bekend zullen zijn, maar die gij toch ook zelf lezen kunt, hetzij in het Latijn of het Grieksch, zoo gij die talen verstaat, of anders in uw eigene taal overgezet. De kennis van de geschriften der oude kerkvaders is noodig voor ieder die als prediker van het Christendom optreedt. Zonder die kennis is hij niet geschikt zich leeraar van het Christendom te noemen.

Een van die bisschoppen nu was Clemens van Alexandrie, een der meest geleerde en wijze mannen der Christelijke kerk, die het aanzien der kerk heeft verhoogd door de zuiverheid van zijn leven, door de diepte zijner wijsheid. Terecht heeft de dankbare kerk hem in latere dagen als een heilige beschouwd. Groot is het aantal geschriften dat hij heeft nagelaten tot leering der Christenen. In een van deze geschriften spreekt hij over de kennis, die door de kerk was overgeleverd van den tijd van Jezus tot op zijn tijd toe, het onderricht dat Jezus gaf aan zijn apostelen, en dat na hem van geslacht op geslacht was overgegaan. Hij zegt: "Deze leering werd van den beginne af slechts gesproken tot hen die begrijpen. De ongeschreven uitlegging der geschrevene woorden, die door den Heiland aan de apostelen gegeven werd, is tot ons overgeleverd." [Voetnoot: Stromata 6,15.] Hier hebben wij de getuigenis van een der bisschoppen van de oude kerk, dat er een onderricht van Jezus was, niet geschreven, maar door Jezus gegeven aan de apostelen, en door de kerk bewaard als een ongeschreven overlevering. Dezelfde getuigenis geeft Origenes, een ander kerkvader. Hij zegt dat Jezus met zijne discipelen in het bijzonder sprak over het evangelie Gods, dat de woorden welke hij sprak niet werden bewaard in geschrifte, en dat zij de verklaring vormden der gelijkenissen. Slechts zij ontvingen die leering, die waardig waren haar te ontvangen; hij zegt dat allen die deze leering zullen ontvangen, in bewondering zullen staan over hare wijsheid. Maar er is nog meer: dezelfde Clemens, die spreekt over de ongeschreven leering van Jezus, vertelt ons ook dat hij zelf in zijn openbare prediking slechts zwakke, onvolmaakte beelden kon geven, maar dat zij die geslagen waren met den thyrsus, de beteekenis ervan zouden begrijpen. Geslagen te zijn met den thyrsus nu beteekent te zijn ingewijd, want de thyrsus was een roede, die bij de inwijding gebruikt werd, bij welke gelegenheid de persoon die ingewijd werd in trance werd gebracht, om de ziel te bevrijden van het lichaam. Wanneer de kandidaat voor de inwijding voor den leeraar was gebracht, ontving hij eerst door mondelinge leering de kennis, waarvan ik reeds gesproken heb en daarna werd hij geslagen met de roede, welke als voertuig diende voor magnetische krachten, welke in den kandidaat de innerlijke krachten der ziel deden ontwaken, en de ziel in staat stelden zich vrij te maken van het lichaam en zoo hoogere leering te ontvangen in de onzichtbare wereld, vrij van den last van het lichaam. Deze uitdrukking nu: "Geslagen met de roede" beteekent ingewijd in de mysteriën. Clemens vertelt ons hiervan nog iets meer, licht een hoekje van den sluier op, en ontdekt ons een weinig van wat daarachter verborgen is. Hij deelt ons de voorwaarden mede waaronder de mensch de inwijding kan ontvangen, en de eerste woorden welke door den leeraar bij het begin van de inwijdingsplechtigheid werden gesproken. Hij vertelt ons dat uit de lidmaten der kerk, uit hen die gedoopt waren en aan het Heilige Avondmaal hadden deelgenomen, dat uit die velen zeer weinigen werden gekozen: "velen zijn geroepen", zegt hij, de woorden van Jezus aanhalende, "maar weinigen uitverkoren." Hij zegt verder van die uitverkorenen: wie vrij is, niet slechts van alle laagheid, maar ook van wat de menschen als geringere zonden beschouwen, slechts hij kan worden ingewijd in de mysteriën van Jezus, welke alleen door de heiligen en reinen worden gekend. Daarna deelt hij de eerste woorden mede, welke bij de inwijding gesproken werden: Hij die als inwijder optreedt, overeenkomstig de voorschriften van Jezus, zal zeggen tot hen die rein zijn van harte: "Hij wiens ziel zich gedurende langen tijd van geen kwaad bewust is, en in het bijzonder sinds hij zich overgaf aan de weldoende kracht van het Woord, laat de zoodanige hooren de leering, door Jezus in het geheim gesproken tot zijn waarachtige leerlingen." [Voetnoot: Contra Celsum 3,40.] Dit waren de eerste woorden, gesproken bij de Christelijke inwijdingsplechtigheid, dit was de eerste zin, door den hierophant tot den kandidaat gericht. Het verdere kan Clemens niet aanhalen, want dan begint de leering welke slechts gegeven kon worden in de mysteriën. Deze eerste woorden echter stellen de voorwaarde van reinheid en roepen den kandidaat op om te luisteren naar de leering, door Jezus in het geheim aan zijne leerlingen gegeven.

Wat is er thans geworden van die leering? Wat heeft de kerk gedaan met deze heiligste nalatenschap van den Christus? Waar wordt nu het onderricht gevonden, dat Jezus zijnen leerlingen in het geheim gaf? Waar zijn nu de mysteriën van Jezus, en degenen die den kandidaat zouden kunnen inwijden in de kennis, die aan de vroegere Christenen werd meegedeeld? Is de kerk trouweloos geweest in het bewaren van haren schat? Heeft zij de overlevering verloren, en ook degenen aan wie deze was toevertrouwd? Indien dit waar is, geen wonder dan dat de ongeloovige instaat is het geloof der Christenen te doen wankelen, geen wonder dan dat honderden van de meest ontwikkelde menschen worden gevonden buiten de grenzen der Christelijke kerk.

