Vier Voordrachten over Theosofie
Part 2
Het gevolg van het bestaan van deze scholen in de kerk was dus dat er vele menschen waren die deze geheime wetenschap bezaten, en zij werden, zooals ik reeds zeide, de leeraars van het Christendom. In de vijfde eeuw echter verdwenen deze scholen van Occultisme uit de kerk, niet uit gebrek aan leeraars maar uit gebrek aan leerlingen. Een fout die door vele menschen wordt begaan, is dat zij denken dat de leeraars de kennis terughouden. In werkelijkheid zijn het niet de leeraars, die de kennis niet willen mededeelen, maar de leerlingen, die ze niet willen leeren, leeren op de eenige wijze waarop hierbij leeren mogelijk is, en deze scholen van Occultisme stierven uit bij gebrek aan leerlingen, want er waren niet genoeg menschen die het leven wilden leiden dat vereischt wordt voor leerlingen van het Occultisme; zij wilden dit leven niet leiden, maar slechts kennis verwerven voor zelfzuchtige doeleinden, en toonden dat zij voor dit onderricht nog niet gereed waren. Zoo verdween langzamerhand de innerlijke school en slechts een zwakke overlevering van haar bestaan bleef bewaard in sommige kloosters der Roomsch-Katholieke kerk. Slechts nu en dan verscheen in de middeleeuwen nog een heilige die door de krachten welke hij bezat, bewees dat hij iets van deze wijsheid verkregen had. Sommigen van deze heiligen vinden wij in de geschiedenis der kerk vermeld; waarlijk groote, hoog-ontwikkelde zielen, die _wisten_ omtrent de onzichtbare wereld, en op de oude wijze onderricht geven konden, omdat zij wisten en kenden. Nu en dan zien wij een van hen verschijnen, doch hun aantal is gering: St. Elisabeth van Hongarije, St. Theresia van Spanje, Thomas à Kempis, de geleerde Thomas Aqumo, deze allen zijn de groote leeraars der kerk gedurende de middeleeuwen; zij bezaten en begrepen het goddelijk weten, dat zij zelf door ondervinding hadden geleerd. Dan waren er nog andere menschen die een deel van deze wijsheid bezaten, maar ze niet in de Christelijke kerk hadden verkregen. Sommigen van hen kwamen uit het Oosten en anderen reisden als jonge menschen daarheen, en kwamen met de verkregen kennis naar het Westen terug. Tot deze laatsten behoorde Paracelsus. In zijne jeugd werd hij gevangen genomen en naar het Oosten gevoerd. Daar leerde hij vele der geheimen van de oude wijsheid en bracht ze met zich mede naar Europa, waar hij de grondlegger werd van de nieuwere geneeskunde en scheikunde, waar hij leering bracht over de elementen der scheikunde en over het magnetisme, die vóór hem aan niemand bekend was geweest, en waar hij zieken genas, die geen ander genezen kon. Hij bezat een deel der oude wijsheid. Een ander van deze menschen was Christian Rosenkreuz, die in de vijftiende eeuw leefde. In zijn jeugd reisde hij naar het Oosten en ontmoette daar een der groote leeraars, die hem iets mededeelde van het oude geheime weten, om dit terug te brengen aan de Christelijke kerk en om deze te ontwikkelen tot een meer geestelijk lichaam. Hij koos enkelen tot zijne leerlingen en leerde hun dit innerlijk Christendom, en stichtte de orde der Rozenkruisers. Zijn werk was een der pogingen om het oude weten in de westersche wereld terug te brengen. Een andere poging was die der alchimisten. Zij putten hunne wetenschap uit dat oude weten. Zij wisten dat er slechts één grondstof in de natuur bestaat en dat alle dingen uit die ééne grondstof zijn opgebouwd. Zij wisten dat de scheikunde een wetenschap is, die de eigenschappen van die ééne grondstof in al hare wijzigingen onderzoeken kan, en zij bestudeerden die wetenschap in het licht der goddelijke wijsheid. Maar de menschen vervolgden hen en lachten hen uit en noemden hen oplichters en kwakzalvers en bedriegers, doch in den tegenwoordigen tijd begint de nieuwere scheikunde tot de ontdekking te komen van wat hun in de middeleeuwen bekend was. Tegenwoordig begint de scheikunde enkele der waarheden in te zien, die door de alchimisten werden verkondigd toen iedereen hen nog uitlachte, toan niemand hen geloofde. Heden begint men te begrijpen dat er slechts ééne grondstof is, en dat alle dingen van die ééne grondstof gemaakt zijn en men begint zelfs weer te spreken van de mogelijkheid goud te maken uit zilver en zoo in den tegenwoordigen tijd dezelfde dingen te doen, waarvoor vroeger de alchimisten werden uitgelachen en vervolgd,--nu drie of vierhonderd jaar geleden.
Wanneer gij nu de geschiedenis bestudeert zult gij begrijpen dat de Theosofie in den eenen of anderen vorm steeds in de wereld is blijven bestaan als godsdienst, als wijsbegeerte of als wetenschap.
Zij is altijd verkondigd, geleerd in een vorm welke de behoeften van den tijd en de omstandigheden van het volk, waaraan de leeraar gezonden werd, medebrachten, zoodat Mevrouw H.P. Blavatsky toen zij weer het oude weten aan de wereld leeraarde niets nieuws gaf. Het was slechts een nieuwe vorm, een nieuw uiterlijk, maar innerlijk was het hetzelfde wat er altijd geweest was, hetzelfde weten in godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap. Toen zij begon hare leering te geven, gaf zij eerst den wijsgeerigen kant, leerde zij iets van den aard van het verstand, van de rede, en van den aard van den mensch en van het goddelijk Bestaan, de werkelijke wijsbegeerte die aan alle kennis ten grondslag ligt. Daarna ging zij wat verder en leerde iets van de betrekking tusschen God en den mensch, hoe de mensch een uitstorting is van God, een deel van het goddelijk leven, hoe hij de goddelijke krachten in zich ontwikkelen kan, hoe de menschelijke ziel zich kan ontplooien; en zij leerde weer wat vroeger in de Christelijke kerk werd geleerd, hoe de ziel het lichaam verlaten kan en in aanraking komen met groote geestelijke verstandswezens en met de Meesters, hoe de ziel wijsheid verkrijgen kan en kennis opdoen uit de eerste hand; en hoe aldus de mensch kan komen tot weten in plaats van gelooven. Toen zij dit alles leerde, gaf zij ons slechts weer wat reeds zoo dikwijls geleerd was in de groote godsdiensten van het verleden. Daarna nam zij den wetenschappelijken kant en leerde ons meer dan de mannen van de wetenschap van dien tijd wisten, en zeide zij ons welke ontdekkingen waarschijnlijk binnen weinige jaren zouden worden gedaan; en vele van deze ontdekkingen zijn inderdaad gedaan sedert haren dood. En zij gaf ons onderricht omtrent de ééne grondstof, die alle verschillende stoffen tot haar uiterlijke verschijningsvormen heeft. In haar werk "De geheime Leer" sprak zij van een eigenschap der stof, welke weldra ontdekt zou worden, welke zij doordringbaarheid noemde, en welke in verband staat met helderziendheid. Vijf jaar na haren dood ontdekte de wetenschap dat er stralen zijn, trillingen in de stof, welke in verband staan met helderziendheid en welke de mcnschen in staat stellen te zien wat de helderziende kan zien zonder werktuigen en hulpmiddelen: namelijk de zoogenaamde Röntgen-stralen, waarmede de geneesheeren bijvoorbeeld een been, als zij willen onderzoeken of het beschadigd is, kunnen fotografeeren ofschoon het voor het gewone oog onzichtbaar is. Dit alles, leerde H.P.B., is ook mogelijk zonder behulp van elektrische werktuigen. De mensch kan in zichzelf het vermogen ontwikkelen, gevoelig te zijn voor de trillingen van Röntgen-stralen en zelf binnen in het menschelijk lichaam te zien zonder hulp van eenig werktuig. Dit alles en veel meer nog aangaande de kennis van straling, van geluid en kleur leerde zij ons. Zij heeft ons bewezen dat de oude wijsheid beter licht kan werpen op de waarheden der nieuwere wetenschap, dan die wetenschap zelf kan doen, en dat deze laatste eerst langzamerhand datgene ontdekt wat door ben die het oude weten bezaten, reeds lang geleden geleerd werd aan degenen die zich het ontvangen van dit onderricht waardig betoonden. Zoo bracht H.P. Blavatsky ons dit weten terug als iets ouds, dat de wereld vergeten had, en zij zeide haren leerlingen dat zij dit weten verder moesten verspreiden, niet als iets nieuws maar als iets ouds, niet als een nieuwe ontdekking maar als overoud weten, door de menschen vergeten, en thans tot hunne herinnering teruggebracht. En naarmate wij zelven leerden, onderrichtten wij op onze beurt anderen, en wij bevonden dat dit goddelijk weten de wortel is waaruit alle kennis spruit, welke de mensch verkrijgen kan in godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap. Wij bevonden dat wij zonder de werktuigen en hulpmiddelen der wetenschap hare feiten kunnen ontdekken door het ontwikkelen van de vermogens der ziel. Wij bevonden bijvoorbeeld dat vele scheikundige waarheden door de goddelijke krachten der ziel veel gemakkelijker kunnen worden verkregen dan door reagentiën en proefnemingen van allerlei aard. Wij bevonden dat de mensch in zich het vermogen heeft de natuur te onderzoeken en dat hij veel meer kan verkrijgen door het ontwikkelen zijner innerlijke krachten dan door het gebruiken van de hulpmiddelen der wetenschap. Maar tevens weten wij dit: de vermogens der menschelijke ziel zijn niet bestemd tot het doen van ontdekkingen, welke zouden dienen om den ontdekke beroemd te maken en rijk. Zal de kracht der menschelijke ziel worden gebruikt tot het doen van ontdekkingen, dan moeten deze slechts worden gebruikt voor het welzijn der menschheid, en niet ten voordeele van den éénen persoon, die de ontdekking doet. Iedere ontdekking, gedaan met behulp van deze krachten der ziel, behoort, indien ze de menschheid kan helpen, indien het ras er rijp voor is, aan allen gelijkelijk. Is het ras er nog niet rijp voor, dan behoort zij toe aan allen, die haar kunnen bevatten, niet aan den éénen mensch, die haar gemaakt heeft. Deze is slechts een pandhouder van de eigendommen der menschheid. Naarmate de Occultist zich ontwikkelt en meer leert en begrijpt wordt hij meer en meer een dienaar der menschheid in plaats van haar meester. Alle kracht welke hij verkrijgt wordt gebruikt voor dienen en helpen, alle kennis welke hij bezit, wordt gebruikt om de onwetendheid zijner medemenschen te verminderen en den gang der menschelijke ontwikkeling te versnellen. Wanneer de menschen tot ons komen om met ons te studeeren, eerst de uiterlijke leering en dan de innerlijke, dan zeggen wij hun steeds: Gij moet de broederschap der menschen aannemen; gij moet begrijpen dat gij een lid zijt van een groot huisgezin, dat gij geen belangen hebt buiten die van dat huisgezin, dat gij geen bezittingen hebt buiten die van dat huisgezin, dat gij geenerlei hoop moet voeden voor u zelf, die niet tevens hoop is voor al uwe medemenschen, en wanneer gij wat ouder zult zijn en iets meer zult hebben geleerd, en meer zult kunnen doen, dan is dat opdat gij hen beter zult kunnen helpen en medevoeren tot sneller ontwikkeling, opdat zij sneller mogen worden bevrijd van de ellenden der aarde en spoediger dan anders den vrede en het geluk mogen bereiken. Naarmate iemand werkelijk Theosoof wordt, moet hij meer en meer onzelfzuchtig worden; hoe meer hij leert, des te meer moet hij anderen dienen, hoe grooter kracht hij bezit, des te grooter verantwoordelijkheid rust op hem om de lasten zijner medemenschen te verlichten. Het Occultisme brengt juist het tegengestelde van wat de wereld welslagen noemt. De wereld kent hèm welslagen toe, die rijkdom en welvaart verwerft voor zichzelf, die uitsteekt boven zijne medemenschen en zijne macht gebruikt dat de menschheid hem diene. Hij die slaagt in het verkrijgen van goddelijke wijsheid en kennis en kracht, bezit deze slechts in de mate, waarin hij een dienaar en helper is zijner medemenschen. Hij gebruikt ze nooit om over anderen te heerschen, nooit om iets te verwerven voor zichzelf, nooit om zichzelf te verrijken ten koste van een ander, en gebruik te maken van hunne onwetendheid. Hoe meer hij weet des te meer moet hij anderen leeren, hoe meer hij begrijpt des te meer moet hij deelen met anderen, hoe sterker hij wordt des te grooter aantal zwakkeren moet hij trachten te helpen, want de kracht van het Occultisme, van het goddelijk weten kan nooit dienen om den bezitter te doen uitsteken boven zijne medemenschen: alleen om hen op te heffen tot eigene hoogte, slechts om hen te doen deelen in eigene kracht. Dat is het kernverschil tusschen de kennis der wereld en die van het goddelijk weten. De eerste maakt den mensch tot heerscher, de andere tot dienaar. Daarom zeide Jezus: "Indien iemand wil de eerste zijn, die zal de laatste van allen zijn, en aller dienaar." [Voetnoot: Marcus 9, 35.] Waarlijk groot zijn zij, die zichzelf geheel aan de menschheid gegeven hebben.
Het voorgaande is een schets van de geschiedenis der Theosofie in het verleden, van de geschiedenis van het goddelijk weten in godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap. Ik heb medegedeeld hoe die wijsheid steeds trachtte der wereld leering te schenken, en hoe zij twee vormen van onderwijs deed ontstaan: het openbare voor allen, het bijzondere voor hen die zichzelf wilden opofferen, ten bate en nutte van den vooruitgang van het ras.
Wat vroeger gedaan werd, is nog altijd mogelijk. In de uiterlijke Theosofische Vereeniging komen de menschen om de wetten, volgens welke de menschheid zich ontwikkelt, te bestudeeren. Wanneer zij deze wetten hebben geleerd en trachten hun leven voor anderen nuttig te maken, komt het innerlijk onderricht, dat hun geeft wat aan de menigte niet gegeven kan worden. Deze twee vormen bestaan nog heden als in het verleden, en de Theosofische Vereeniging is een vereeniging van onderzoekers, waartoe een ieder kan toetreden, die godsdienst en wijsbegeerte en wetenschap wil bestudeeren in de richting van het goddelijk weten en daarbinnen een groep van leerlingen, die alle dingen opgeven welke de wereld hoog stelt en streven naar hooger ontwikkeling, teneinde helpers te worden voor de menschen rondom hen, teneinde met dat doel de vermogens hunner ziel te ontplooien. Dat is ons werk, onze plicht. Zij, die zich tot dit werk voelen aangetrokken, kunnen in de Loges onzer vereeniging komen om onderricht; wie zich de innerlijke leering waardig toont, kan een leerling worden in den dieperen zin van het woord, om een medewerker te worden voor den vooruitgang van het ras. Herinner u echter steeds dat het goddelijk weten niets anders heeft aan te bieden dan Zich en met zichzelf de kracht anderen te helpen, de menschheid te dienen. Het biedt geen belooning in rijkdom, in gewone macht of kennis, maar dien innerlijken schat, die den mensch in staat stelt een zegen te worden voor zijn broeders, een mededrager van de lasten der wereld; en tot diegenen onder u wien het ernst is met dit streven, tot hen wendt zich de Theosofische Vereeniging en biedt hun het oud, goddelijk weten, waardoor zij helpers kunnen worden der wereld. Tot dit doel zenden de Meesters hun boden onder de menschen. Ieder, die ernstig wil, wordt de gelegenheid tot leeren gegeven.
#Theosofie en haar leeringen.#
II.
Toen ik gisterenavond te Rotterdam sprak over de Theosofie en haar leeringen, heb ik voor zoover dat in een korte voordracht mogelijk was, de geschiedenis der Theosofie geschetst. Ik heb haar verband met de groote godsdiensten der wereld aangeduid, hare verspreiding door de verschillende landen beschreven, en vermeld dat zij nog heden ten dage de oude leering vertegenwoordigt, zoowel in haar openlijken als in haar innerlijken vorm. Ik stel mij voor hedenavond het onderwerp van een anderen kant te beschouwen en u te spreken over de leeringen zelve welke de Theosofie brengt, welke zij geeft om de menschheid te helpen, en ik zal u trachten aan te toonen dat deze leeringen nuttige toepassing vinden op stoffelijk, verstandelijk, zedelijk en geestelijk gebied, dat zij betrekking hebben op ieder deel van 's menschen samengestelden aard en hem een helder denkbeeld geven van de wereld waarin hij leeft, van den menschelijken samenstel en van de mogelijkheden, welke daarin verborgen liggen.
Vóór alles dan begint het onderricht der Theosofie, het goddelijk weten, te spreken over het goddelijk Bestaan zelf en de onmiddellijke betrekking van den mensch tot God. Het leert dat er één goddelijk Bestaan is, het Leven van al wat is; dat er slechts één goddelijk Leven is, één goddelijke werking, ééne kracht, welke overal bestaat in het heelal; dat overal waar wij gaan kunnen het leven van God zich bevindt, dat overal waar dieren voelen kunnen of menschen kunnen denken, het leven van God uitdrukking vindt. Ook in het delfstoffen-en plantenrijk steunt, onderhoudt, vermeerdert zijn Leven alle dingen; in het geheele heelal is geen leven buiten het goddelijk Leven. Dit ééne Bestaan ligt ten grondslag aan al wat wij waarnemen, zoodat de Theosofie begint met het leeren van een grondeenheid, een wet van eenheid, van één-zijn alom; en deze eenheid spruit voort uit God, die de ééne bron is van alle bewustzijn, waar ook dat bewustzijn worde gevonden. De ontwikkeling van het bewustzijn in den mensch, de groei van zijn verstand, vinden hunnen oorsprong in God. Alle bewustzijn, ontwikkelend tot zelf-bewustzijn, komt voort uit één bron, één oorsprong. Alle bewustzijn is één, wij kunnen het ééne niet scheiden van het andere, en de menschen van elkaar vervreemden alsof zij tegenover elkander stonden--zij komen allen van denzelfden stam, zij zijn allen bewust door hetzelfde Leven, zij zijn allen een uitdrukking van hetzelfde goddelijk Bestaan. Deze eenheid van bewustzijn is ééne uitdrukking van de wet van eenheid die heerscht in het heelal.
Maar niet alleen alle bewustzijn is één, ook alle kracht is één, en hier stemt de wetenschap in met de Theosofie: er is slechts één groote werking in het heelal; alle vormen van werking en kracht welke wij waarnemen, zijn in den grond één. Zij kunnen in elkander omgezet worden; alle vormen van werking welke de wetenschap bestudeert, alle krachten welke wij om ons waarnemen, hetzij in het delfstoffen-of plantenrijk, hetzij bij dier of mensch, al deze krachten zijn één in hunnen aard. Slechts hun uitdrukking, hun wijze van openbaring is verschillend, bij nader onderzoek blijken zij allen één te zijn: ééne kracht, juist zooals er één bewustzijn is.
Een derde uitdrukking van de wet van eenheid is de eenheid van stof. Alle stof is één, hoe verschillend ook de vorm wezen mag welke zij aanneemt. Er is slechts één grondstof en alle scheikundige elementen zijn daaruit opgebouwd. Al wat wij om ons waarnemen: vaste lichamen, vloeistoffen, gassen, ether, dat alles is in den grond hetzelfde, slechts verschillend in de rangschikking van zijn deelen. Wij vinden door de geheele wereld heen een eenheid, eenheid van bewustzijn en leven, eenheid van kracht, eenheid van stof, en deze drie eenheden zijn de uitdrukkingen van het goddelijk Bestaan, zij komen alle uit het ééne Leven, het Leven van God.
Uit deze eenheid van bewustzijn, van kracht en van stof kunnen wij een gevolgtrekking maken. Daar er slechts één stof is, slechts één kracht, slechts één bewustzijn, vormen alle wezens die bestaan een broederschap; zij zijn allen gemaakt uit dezelfde bouwstoffen, zij zijn allen bezield door dezelfde kracht, zij ontwikkelen allen hetzelfde bewustzijn. Wij zien dat het geheele heelal één groote broederschap vormt, waarin de verschillende schepselen in verschillende staten van ontwikkeling zijn, maar allen worden saamgebonden door de éénheid van stof, van kracht, van bewustzijn. In deze alomtegenwoordige grond-eenheid wortelt het begrip "broederschap", en de Theosofie leert dat wij, deelen zijnde van hetzelfde Leven, niet naijverig tegenover elkander kunnen blijven staan. Er moet één gemeenschappelijk goed zijn voor ons allen, één gemeenschappelijke ontwikkeling waarin wij allen deelen, één gemeenschappelijk doel waarnaar wij allen streven, en alle gedachten van naijver of vijandschap, alle gedachten welke de menschen denken, alsof zij elkanders bestrijders zijn in plaats van elkanders helpers en broeders, zijn gegrond op hun onwetendheid aangaande het wezen van God en van den mensen. De eenheid die aan alles ten grondslag ligt, maakt de broederschap tot een noodzakelijk feit in de natuur.
Wanneer wij dit denkbeeld een weinig verder uitwerken, bevinden wij dat deze broederschap zich toont in alle betrekkingen, waarin wij tot elkander komen. Laten wij eerst nagaan, welke betrekking de eenheid van stof heeft tot de broederschap der menschen. Onze lichamen zijn opgebouwd uit wat wij "stof" noemen, en wij weten, dat ons lichaam voortdurend zijn bouwstoffen hernieuwt, dat ons lichaam heden niet hetzelfde is, als het gisteren was of verleden week of de vorige maand, of als het morgen zijn zal of de volgende week of maand.
Ons lichaam verandert voortdurend van bestanddeelen. Kleine deeltjes ervan, zóó klein dat zij onzichtbaar zijn voor het oog, komen en gaan ieder oogenblik. Wanneer wij ons lichaam zeer sterk vergroot zagen, zouden wij een stroom van deeltjes ervan zien uitgaan, en een stroom van deeltjes er heen zien komen, een stroom van komen en gaan, welke ons lichaam op ieder oogenblik van het leven verandert. Wanneer nu menschen elkaar ontmoeten, zooals wij hedenavond bijeen zijn gekomen, wisselen de deeltjes onzer lichamen onderling, deeltjes van uwe lichamen hechten zich vast aan het mijne, deeltjes van mijn lichaam gaan en worden opgenomen in dat van u, zoodat wij, wanneer wij de zaal verlaten, geen van allen hetzelfde zijn gebleven als toen wij binnenkwamen. Onze stoffelijke lichamen hebben een deel van de bouwstoffen waarvan zij gemaakt zijn, gewisseld. Ieder van u heeft iets aan zijn buren gegeven, ieder van u heeft iets van zijn buren ontvangen. Dit nu maakt dat er tusschen ons een zeer daadwerkelijke stoffelijke broederschap bestaat. Indien wij op deze wijze van deeltjes onzer lichamen wisselen, zijn wij broeders naar het lichaam, hetzij wij het willen of niet. Wij kunnen niet nalaten op elkander invloed te oefenen, hetzij ten goede of ten kwade. De gezonde persoon verspreidt zijn gezondheid, waar hij ook gaat, de zieke verspreidt zijne ziekte overal waar hij komt; deze wisseling, deze overgang legt tusschen ons allen een band, die maakt dat het lichamelijk welzijn onzer medemenschen van belang is voor ons allen.
Nu bouwen wij ons lichaam op door voedsel, drank, lucht en door het leven dat wij leiden. Indien gij in uw lichaam onrein voedsel brengt, onreinen drank, indien gij uw huis en uw kleeding niet rein houdt, trekt gij tot uw lichaam deeltjes, welke gij vergiftigt en vervolgens zendt gij die giftige deeltjes weer uit naar uwe medemenschen, zoodat een mensch die slechte, onreine dingen eet of drinkt, die ongezond is of onrein, op al zijne medemenschen een overeenkomstigen invloed uitoefent. Ieder mensch die alkohol, wijn of dergelijke giftige dranken gebruikt, beleedigt het lichaam van zijnen medemensen even goed als zijn eigen. Wij kunnen ons leven niet van dat van anderen scheiden, maar zijn genoodzaakt te leven als één groot huisgezin; al wat een van ons schaadt, schaadt daardoor het geheel. Wanneer wij dit inzien, kunnen wij niet langer onverschillig blijven voor de armoede en ellende om ons heen, want wij weten dat zoolang nog één mensch in de maatschappij arm is en ellendig en uitgehongerd, niemand volmaakt gezond en zuiver kan zijn en zijn lichaam bewaren kan in den best mogelijken staat. In ieder volk waarin men menschen vindt die lijden door armoede en ellende en stoffelijke ontaarding, moet elk lichaam zijn deel ontvangen van de ellende dier armen. De menschen zullen het misschien niet bemerken of begrijpen, maar hun lichaam is minder gezond wegens de ziekte, die rondwaart in de armere wijken der stad, onder de lichamen hunner armere medemenschen. Geen volk is zoo gezond als het zijn kan, zoolang één zijner kinderen ziek is, van geen land kunnen de bewoners volmaakte lichamen hebben, zoolang er nog één honger lijdt. De stoffelijke ellende in de maatschappij is een zaak die allen ter harte moet gaan en niet slechts hun alleen die er onmiddellijk onder lijden. Wij zijn broeders naar het lichaam en genoodzaakt hun leed mede te dragen.