Vier Voordrachten over Theosofie

Part 1

Chapter 1 3,278 words Public domain Markdown

#VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE DOOR ANNIE BESANT#

GEHOUDEN IN VERSCHILLENDE PLAATSEN VAN NEDERLAND IN JANUARI 1898

[Illustratie]

Gebaseerd op de uitgave gepubliceerd te Amsterdam, 1898.

#INHOUD.#

1. De Leeringen der Theosofie beschouwd uit een geschiedkundig oogpunt

2. De Leeringen der Theosofie beschouwd uit een wetenschappelijk oogpunt

3. Esoterisch Christendom

4. Het verhaal van den Christus

3. Aanhangsel. Inlichtingen over de Theosofische Vereeniging

#VOORWOORD.#

De vier voordrachten over Theosofie welke hierbij het Nederlandsch publiek worden aangeboden zijn door Mevrouw Annie Besant, L.T.V., in verschillende steden van ons land gehouden in den loop van de maand Januari, 1898.

Een vijfde voordracht is, daar zij niet aansluit bij het aaneengeschakeld geheel van de vier in dit boekje vervatte, afzonderlijk uitgegeven onder den titel: Levenstoestanden na den dood.

In snelschrift opgeteekend is het gesprokene woordelijk weergegeven; slechts in de voordracht over Esoterisch Christendom zijn enkele toespelingen op Bijbelplaatsen uitgelaten waar die alleen van toepassing waren op de Engelsche vertaling van den Bijbel (Mevrouw Besant sprak in het Engelsch) en niet op de van deze afwijkende Nederlandsche; die uitlatingen zijn alle van ondergeschikt belang.

Aangehaalde werken of Bijbelplaatsen zijn in een noot aan den voet van de bladzijde aangeduid.

Waar "goddelijk weten" staat werd door de spreekster "divine wisdom" gezegd.

De voordracht "Het verhaal van den Christus" werd gericht tot een uitsluitend uit leden der Theosofische Vereeniging bestaand gehoor. De vragen naar aanleiding van deze voordracht gedaan worden met de daarop door Mevrouw Besant gegeven antwoorden opgenomen in het Maandblad "Theosophia". Enkele beknopte inlichtingen aangaande de Theosofische Vereeniging zijn ter wille van belangstellenden in een Aanhangsel aan dit werkje toegevoegd.

J.J. HALLO JR.

HAARLEM, l Maart 1898.

[Illustratie: ANNIE BESANT]

#De Theosofie en haar leeringen.#

I

Er is een moeilijkheid, die gij en ik hedenavond te overwinnen hebben: een vreemde taal is tusschen ons en zelfs voor hen die de taal kennen, waarin ik spreek, is het moeilijk het ongewone geluid te volgen. Moeilijk ook is het voor mij als spreekster, want de taal is voor een spreker het instrument, dat hij bespeelt. Door de taal bereikt hij de harten en hoofden zijner hoorders, en indien het instrument ongewoon voor hen is, wordt de kracht van den spreker verzwakt en vermindert de mogelijkheid dat hij de gedachten en gevoelens zijner hoorders bereikt. Toch moeten wij hedenavond met die ongewone taal doen wat wij kunnen, en terwijl ik spreek zoo helder en eenvoudig als mogelijk is, en gij uwe aandacht leent zullen wij samen trachten onze moeilijkheid te overwinnen en het onderwerp begrijpelijk te maken.

Ik ga tot u spreken over de Theosofie en hare leeringen, en daar ik morgen te Haarlem over het zelfde onderwerp zal spreken, splits ik het in twee deelen, hoewel ik ieder deel als een afzonderlijke voordracht volledig zal maken. Ik zal hedenavond en morgen een verschillenden gedachtegang volgen, voor het geval dat sommigen uwer beide voordrachten mochten willen hooren.

Diegenen onder u, die gedurende de laatste twintig jaren den ontwikkelingsgang van het denken in Europa hebben gevolgd, weten dat er één bijzondere richting van studie is, welke veel wordt gebruikt als een wapen tegen den godsdienst: de studie van Oostersche talen en Oostersche godsdiensten. De heilige boeken der Chineezen, der Hindoe's, der oude Egyptenaren zijn bestudeerd door geleerden uit de verschillende landen van Europa en bij het onderzoeken dezer godsdiensten hebben zij gezien hoeveel die allen op elkander gelijken. Zij hebben bemerkt, toen zij de verschillende Schriften der Chineezen, der Perzen, der Egyptenaren ter hand namen, dat deze alle dezelfde leering gaven: zij spreken omtrent God op volkomen dezelfde wijze, zij spreken van God als Één, het Éne Bestaan, zij spreken van God als immer geopenbaard in drieëenheid, in drievoudig aanzicht, terwijl iedere persoon in die drieëenheid zijn eigen hoedanigheden heeft; en men zag dat al deze Schriften op dezelfde wijze spreken omtrent den mensch en zijnen aard; zij leeren dat de ziel des menschen onsterfelijk is, dat zijn aard samengesteld is, en bestudeerd moet worden om te kunnen worden begrepen; men zag dat in al deze Schriften der menschen ontwikkeling wordt geleerd, de ontwikkeling der ziel, welke de openbaring van den geest is in den mensch. Men zag dat al deze Schriften leeren dat enkele menschen hunne ontwikkeling hebbon voleindigd, hunnen groei als geestelijke wezens hebben voltooid, en volmaakt zijn geworden als mensch, goddelijk in hunne hoedanigheden, in hunne vermogens van hoofd en van hart; en in al deze Schriften vond men geleeraard dat de menschen van heden kunnen groeien, gelijk die menschen uit het verleden zijn gegroeid, dat zij ook volmaakt kunnen worden en goddelijk, dat zij zich ook kunnen ontvouwen, stap na stap, leven na leven, zoodat ieder, hoe onontwikkeld ook, kan ontwikkelen tot den volmaakten, goddelijken mensch. Al deze dingen worden geleerd in alle Schriften der verschillende volkeren, en toen deze vertaald waren in verschillende Europeesche talen, begreep men dat de wereld-godsdiensten veel gemeen hebben en dat de meeste leerstellingen van een godsdienst zooals het Christendom, ook gevonden worden in het Hindoeïsme, het Boeddhisme, de leeringen van Confucius en Lao-tse. Zij hebben alle zooveel gemeen, dat wij niet één godsdienst van de andere kunnen afscheiden. Toen deze ontdekking door de geleerden werd gedaan, toen deze boeken waren vertaald in verschillende talen en de menschen ze begonnen te lezen en er over te spreken, was het eerste besluit, waartoe velen kwamen, dat alle godsdiensten als zij in den grond hetzelfde waren, één oorsprong moesten hebben, en dat zij geen goddelijke openbaring konden zijn, maar dat een andere bron moest worden gevonden, waaruit de verschillende godsdiensten waren gevloeid. Vele geleerden nu, die den godsdienst niet goed gezind waren, trachtten hunne ontdekkingen te gebruiken om allen godsdienst te vernietigen en zeiden: Zij zijn alle voortgekomen uit de menschelijke onwetendheid, uit de wijze waarop de mensen de natuur beschouwt: hij heeft de natuur verpersoonlijkt en er wezens in gezien; en daar die wezens machtiger waren dan hij, aanbad hij ze: Daar de wind zijne bouwwerken dikwijls vernietigde, daar hij den zon niet beheerschen kon, hoewel zijn leven en gemak van hem afhing, daar de regen niet kwam op zijn bevel, hoewel hij zonder regen niet leven kon, noch zijn oogst groeien, moest de mensch in zijn onwetendheid denken dat al deze dingen goddelijke krachten, goden waren; en hij aanbad ze om zoo de voordeelen te verkrijgen, die zij konden geven. En die geleerden zeiden dat zóó alle godsdienst was opgegroeid, dat hij steeds zijnen oorsprong vond in Fetisch-dienst of animisme, en dat de godsdienst geen hoogeren grondslag had dan de menschelijke onwetendheid. Deze bewijsgrond tegen de waarde van den godsdienst heeft veel kwaad gesticht, want hij scheen te berusten op feiten. Het was waar dat alle godsdiensten hetzelfde leeren, dat zij alle dezelfde denkbeelden verkondigen, het was waar dat de groote leeraars allen hetzelfde zeiden, de een na den ander. De feiten, welke die geleerden aanhaalden, waren waar maar hun gevolgtrekkingen waren verkeerd. In het eerst begrepen de menschen het onderscheid niet tusschen deze beide dingen en dachten dat alle godsdiensten zouden worden vernietigd door hun onderlinge overeenkomst.

Toen kwam de Theosofie. Zij beschouwde de gelijkheid der verschillende godsdiensten van een ander standpunt en zeide: ja, het is waar dat de leerstellingen van alle godsdiensten dezelfde zijn, dit is een feit dat door niemand, die de geschiedenis heeft bestudeerd, kan worden ontkend. Wij zullen als voorbeeld een van de heilige boeken der Chineezen nemen, het "Klassieke Boek van de Reinheid," [Voetnoot: Ook in het Nederlandsch vertaald, in het Maandblad "Theosophia". Deel 5 (1897) blz. 206.] een wonderbaar boekje van enkele bladzijden, vol wijsheid, vol diepe geestelijke leering, dat ons verklaart hoe God zich in den mensch geopenbaard heeft, hoe de aard des menschen drievoudig is als die van God, hoe des menschen geest dezelfde is als de goddelijke geest, hoe echter het menschelijk verstand troebel is door begeerten, die tusschen zijn verstand en de zuiverheid van den goddelijken geest in hem staan, hoe de hartstochten van zijn lichaam zijn vooruitgang tegenhouden, en hoe slechts wanneer zijn lichaam en zijn verstand tot stilte zijn gekomen, de wijsheid van den goddelijken geest kan nederdalen in den mensch. De leeringen van dit kleine Chineesche boekje, een der oudste geschriften die wij kennen, is even zuiver, geestelijk en waar als het beste wat wij bezitten.

Van de Chineezen overgaande tot de Indiërs vinden wij bij hen dezelfde leeringen en wanneer wij in Egypte de mummies opgraven en de banden loswikkelen waarin zij 10 à 20.000 jaar geleden werden gehuld, vinden wij geschriften die ons de bewijzen leveren dat ook in het oude Egypte dezelfde leeringen werden gegeven omtrent de onsterfelijkheid van de menschelijke ziel, omtrent de wijze waarop zij gaat door leven na leven, omtrent de lagere wereld waarin zij komt na den dood van het lichaam en de hemel-wereld waarin zij vertoeft na gezuiverd te zijn op lagere gebieden, omtrent haren daarop volgenden terugkeer naar de aarde waar zij wederom wijsheid opdoet door ondervinding.

Ja, zegt de Theosofie, bij alle volkeren vinden wij dezelfde leeringen, steeds weer door de groote leeraars herhaald. Alle godsdienst heeft slechts één oorsprong, slechts ééne bron, en die bron is het goddelijk weten; niet de menschelijke onwetendheid, zooals vele geleerden dachten maar het goddelijk weten, dat telkens werd uitgestort over de volkeren, en dat steeds door volmaakte menschen van God tot de menschheid gebracht is. Dit goddelijk weten bevat in zich de kennis van al wat is, en een gedeelte ervan wordt van tijd tot tijd aan de menschheid geschonken. De hoeveelheid die gegeven wordt hangt af van de beschaving van het volk, hangt af van de kennis die reeds verspreid is onder de menschen, hangt af van den aard dergenen die deze kennis bezitten en van de kracht van hun pogen. In overeenstemming met al deze dingen verschilt steeds de wijze, waarop dat weten gegeven wordt, maar in den grond is het toch altijd hetzelfde: altijd leert het één goddelijk Bestaan, dat zich openbaart als drieëenheid, altijd leert het dat de mensch drievoudig is in zijn wezen gelijk God, en dat hij nog verder kan worden onderverdeeld, drievoudig in zijnen oorsprong, zevenvoudig in zijne ontwikkeling; altijd leert het dat de mensch onsterfelijk is, dat hij niet zal vergaan, altijd leert het dat hij ontwikkelt en groeit, leven na leven, en dat enkele menschen de volmaking bereikten en dan leeraars zijn geworden van het ras. Deze volmaakte menschen waren eens gelijk aan ons zelven, zwak en zondig en onvolmaakt gelijk de mannen en vrouwen van thans, maar zij ontwikkelden gelijk wij kunnen ontwikkelen en groeiden en werden sterk en bereikten eindelijk de volmaking, gelijk wij de volmaking kunnen bereiken. En toen zij volmaakt waren, begonnen zij hunnen medemenschen te leeren, en vormden een groote Broederschap van leeraars; en van tijd tot tijd kwam een van hen tot de menschen, opdat aan ieder volk een godsdienst kon worden gegeven, opdat ieder ras, ieder volk een godsdienst zou ontvangen, geschikt om het te helpen en te leeren. En de reden waarom deze leeringen altijd dezelfde zijn, is dat zij altijd komen van denzelfden oorsprong. Deze Broederschap heeft bestaan, langen, langen tijd reeds voordat de beschaving van Europa ontstond, voordat zelfs Indië zijn beschaving ontving. Daar, waar thans de wateren van den Atlantischen Oceaan zich vergaren, was eens een groot vastland, dat begon waar thans Afrika zich bevindt, en eindigde op de plaats van het tegenwoordig Amerika. Op dit vastland had zich een hooge beschaving ontwikkeld. Sporen van die beschaving worden nog gevonden in Mexico en Midden-Amerika. Bij daar gedane opgravingen zijn overblijfsels van zeer oude steden ontdekt en daar zijn hieroglyphen en beelden aangetroffen, gelijkende op die welke men in Egypte gevonden heeft, zoodat in Afrika aan de eene zijde en in Amerika aan den anderen kant hetzelfde schrift en beeldhouwwerk is ontdekt. Dit toont ons dat er tusschen deze beide werelddeelen, thans gescheiden door een grooten oceaan, eens gemeenschap is geweest. In Plato scholen, waar hetzelfde goddelijk weten werd geleerd, dezelfde leeringen werden verspreid, zoodat de Grieksche beschaving werd opgebouwd op denzelfden goddelijken grondslag. In Griekenland droegen deze leeringen het eerst den naam Theosofie, wat niets anders is dan het Grieksche woord voor goddelijk weten. De Grieken nu gaven dit weten niet slechts in den vorm van godsdienst, maar ook van wijsbegeerte en wetenschap, juist zooals in vroeger dagen gedaan werd in Babylon, Indië en China, en de wijsbegeerte van Plato, zooals die op de scholen wordt onderwezen, berust op het goddelijk weten. Wanneer Plato ons spreekt van denkbeelden en van den Logos, wanneer hij ons zegt dat de wereld in de gedachte van den Logos bestond, voordat zij zich voordeed als een stoffelijke verschijning, wanneer hij ons spreekt van denkbeelden die, bestaande in den goddelijken geest, één voor één worden uitgestort om de stoffelijke wereld op te bouwen, dan leert Plato ons het goddelijk weten; en wanneer gij de leeringen van Pythagoras bestudeert en van hem leert dat de geheele wereld op getallen berust, wanneer gij van hem leert dat de geheele wereld volgens meetkundige vormen en figuren is samengesteld, dat alle steenen en kristallen en planten en dieren zijn gebouwd naar den grondslag van getal, vorm en kleur, dan leert gij dat oude goddelijk weten, dat hij geleerd heeft in Indie, en dat hij naar Europa heeft overgebracht. Evenzoo is het met de wiskunde. Als gij de wiskunde leert van Pythagoras en Euclides, leert gij steeds het goddelijk weten, maar in den lateren tijd is de wiskunde eng en bekrompen gemaakt en volstrekt niet begrepen in al haar wonderbare diepte en wijsheid; het goddelijk aanzicht ervan is verdwenen en slechts de vorm, de gedaante wordt gegeven als de wiskunde, terwijl de werkelijke wiskunde die de Grieken onderwezen, een aanzicht van het goddelijk weten was; hun leerde hoe de wereld gemaakt is en hoe de gang is der ontwikkeling, hoe de mensch langzamerhand wordt opgebouwd, hoe steenen en planten en dieren zijn gemaakt naar getal en naar vorm; hun een begrip gaf van de ontwikkelingsgeschiedenis der wereld. In den laatsten tijd begint de wetenschap bij hare natuurstudie de wetten weer te ontdekken, die het goddelijk weten onder de Grieken en Indiërs leerde in wijsbegeerte en wetenschap. En diegenen van u, die natuurkunde, scheikunde en plantkunde bestudeeren, weten wel dat deze wetenschappen de wet leeren van getal, van vorm en van trilling; dat alle dingen door trilling worden opgebouwd, dat alle krachten door trilling hun werking voortplanten, en dat het aantal dezer trillingen in de sekonde den aard der kracht en haar werking bepaalt. De wetenschap heeft ontdekt, dat ieder geluid trilling is, en het aanzijn geeft aan een bijzonderen vorm, dat iedere noot overeenstemt met een vorm en een kleur, en naarmate wij deze trillingen en vormen en kleuren doorgronden, beginnen wij een begrip te krijgen, hoe de natuur haar opbouwend werk verricht. Uitgaande van de stoffelijke wereld, begint de nieuwere wetenschap de wetten te ontdekken, die het goddelijk weten duizende jaren geleden leerde, terwijl het uitging van de hoogere wereld in plaats van uit de lagere, want het goddelijk weten daalt steeds van gedachte neder tot vorm, klimt niet op van vorm tot gedachte, terwijl de nieuwere wetenschap steeds begint met den uiterlijken vorm, en vandaar zich opwerkt tot de gedachte.

Het goddelijk weten dan gaf in die oude dagen evengoed wijsbegeerte en wetenschap, als godsdienst. Het leerde den menschen niet slechts hoe de ziel kon worden ontwikkeld, maar ook de verborgenheden der wereld om hen heen, en de verborgenheden van het verstand, van de rede, van het begripsvermogen in den mensch.

Gedurende alle eeuwen bleef dat weten bewaard, totdat vier of vijf eeuwen na Christus een groote verandering kwam in het Westen. Er ontstonden in de Christelijke kerk twee partijen. De eene partij was die der ontwikkelde en wijze Christenen, die de oude leeringen hoog hielden en het goddelijk weten doorgrondden, de tweede was die der onwetenden, de groote menigte der onontwikkelden, die tot het Christendom waren aangetrokken door de zedelijke leeringen, maar van zijn hoogere wijsheid niets begrepen. Zij gevoelden wrok tegen datgene, wat zij niet konden deelen, en haatten alle wijsheid, die zij niet konden begrijpen; en zij vormden eene groote partij in de kerk en waren gekant tegen kennis en wijsheid en wijsbegeerte. Zij beweerden dat deze niets met godsdienst te maken hadden, dat zij niet tot het Christendom behoorden, en dat slechts de zedelijke leering en datgene wat gemakkelijk te begrijpen was, van belang was voor de menschelijke ziel. En daar er toen evenals nu veel meer onwetenden waren dan wijzen, en de onwetenden bovendien gesteund werden door den val van het Romeinsche rijk, door oorlogen en invallen, door de staatkundige moeilijkheden van den tijd en de ontevredenheid van de groote menigte der armen, wier lot schromelijk was verwaarloosd, spanden al deze dingen samen tegen de kennis en voor de onwetendheid, zoodat de kennis uit het Christendom verloren ging en slechts de zedelijke en geestelijke leering bleef. Hiertoe werkte nog een andere oorzaak mede: in alle oude godsdiensten, en in het Christendom even goed als in alle andere, bestonden twee soorten van leeringen. De eene voor de groote menigte, eenvoudig en helder, omvatte slechts de zedelijke voorschriften, welke den menschen leerden een goed leven te leiden, een zeer eenvoudig verstandelijk onderricht, juist genoeg om de zeer onontwikkelden voort te helpen; dit onderricht omvatte de leer der broederschap en die der wedergeboorte, en de wet welke zegt dat des menschen daden hem zijn geluk of ongeluk brengen. Deze wet welke wij de wet van Karma noemen, werd geleerd opdat de menschen zouden inzien, dat een goed leven, hier op aarde geleid, hun geluk zou brengen na den dood en een beter leven, wanneer zij tot de aarde zouden zijn weergekeerd. Deze dingen werden aan allen geleerd; maar meerdere kennis werd toevertrouwd aan hen, wier leven zuiver was, aan hen, die het meest van de openbare leeringen hadden begrepen, die werkelijk aan de wet van Christus gehoorzaamden, en die in hun uiterlijk leven een hoogen graad van reinheid hadden bereikt. Zij werden toegelaten tot wat wij de mysteriën van Jezus noemen en kregen daar de innerlijke leering, welke slechts zij die een rein leven leidden, konden deelachtig worden. Deze innerlijke kring maakte de kracht der kerk uit: uit dezen kring kwamen de leeraars en bisschoppen en de kerkvaders, uit dezen kring kwamen de menschen, die het Christendom prediken mochten, zoodat de kerk een groep van wijze menschen bezat, onderricht in diepere kennis, en door die kennis in staat om zelf als leeraars op te treden, beter dan zij die hunne kennis slechts uit boeken hadden verkregen. Want dit geheime onderricht was steeds praktisch. Het leerde den menschen hoe zij hun bewustzijn konden ontwikkelen, hoe zij door overpeinzing langzamerhand bewust konden worden op hoogere gebieden van bestaan, hoe het leven der ziel kan worden versterkt en ontwikkeld, hoe de ziel het lichaam kan verlaten en in aanraking komen met de onzichtbare wereld. Het leerde hoe de ziel, na het lichaam verlaten te hebben, wijsheid kon opdoen en kennis verkrijgen van de onzichtbare wereld, hoe de ziel leering kan ontvangen van de engelen en geestelijke verstandswezens en zoo kennis verkrijgen die zij op geenerlei andere wijze kan verkrijgen, hoe de ziel, van het lichaam bevrijd, de toestanden kan onderzoeken van het leven na den dood. Ieder die tot dezen innerlijken kring behoorde, verkreeg aldus kennis uit eigen ondervinding, in plaats van uit den mond van andere menschen: in deze scholen verkregen de onderzoekers eerste-hands kennis omtrent de onzichtbare wereld; zij leerden den aard van den mensen begrijpen door eigen onderzoek, in plaats van af te hangen van de mededeelingen van anderen. Daardoor waren zij veel beter in staat onderricht te geven, dan zij die hun kennis slechts uit boeken hadden verkregen.