Verteluurtje

Part 6

Chapter 64,209 wordsPublic domain

Nu lette niemand op hem, totdat een paar opgeschoten jongens, die dicht bij zijn hoekje aan 't vechten waren, tegen hem aanbonsden en hem op den grond gooiden. Het marsje kiepte om en de mooie diertjes, die Vader met zooveel zorg had ingepakt, rolden naar alle kanten heen. Toen Fani weer op de been was en het zag, begon hij hard te schreien. Een vriendelijke vrouw hielp hem ze weer op te rapen en er kwamen nog meer menschen bij, die ook hielpen. Gelukkig waren er slechts een paar stukjes beschadigd en die kocht een heer uit 't logement aan den overkant hem dadelijk af. 't Kleine meisje, dat bij hem behoorde, had zoo'n medelijden met den schreienden jongen en hield niet op of Fani moest bij Papa en haar onder de waranda komen zitten om een glas melk voor den schrik te drinken.

Fani wist niet wat hem overkwam, toen hij daar wat deftig aan een tafeltje zat te kijken naar het bont gewoel op het plein, waar hij zoo straks nog midden in had gestaan.

Margo'tje, zoo heette zijn nieuw vriendinnetje, beduidde hem, dat hij maar flink moest toetasten van de broodjes met vleesch, die haar Papa ook nog voor hem had laten komen. Beduidde? Ja, want Margo'tje was een Hollandsch meisje, dat wel al met haar Papa alleen op reis was, maar toch nog niets dan Hollandsch sprak, en Fani kon natuurlijk geen Hollandsch verstaan, evenmin als zij Fani's taal kon begrijpen. Met elkaar praten ging dus niet. Maar gelukkig kon Margo'tjes Papa wel met Fani spreken.

't Was vreemd, Fani, die altijd zoo verlegen was, durfde nu best zijn woord te doen tegen den vreemden heer; of 't kwam doordat deze hem zoo vriendelijk aankeek en niet ongeduldig werd over zijn langzame manier van praten?

Fani vertelde van Vader, die ziek was, en de beestjes gemaakt had, vertelde ook hoe naar hij 't op de kermis met al die drukte vond. Onderwijl bekeek Margo'tje de koeien, geiten en herten, en sommige, die ze heel mooi vond, zette ze uit 't marsje op de tafel.

Fani had er geen erg in, zoo was hij aan 't vertellen.

Op eens gaf Margo een gilletje.

"O, Pa, kijk eens wat leuke dwergjes! Kijk toch eens!"--Ze hield een van Fani's knutselwerkjes omhoog, die hij met 't sprookjesboek heel onder in 't marsje had gestopt, omdat hij bang was dat Peter of Franzli ze in zijn kist zouden vinden, terwijl hij weg was.

"Kijk toch eens, hoe aardig!--En o, hier is een toovenaar, die kinderen laat dansen!"

Fani werd eerst vuurrood van schrik en toen wit. "Nee, die hooren er niet bij, die zijn van mij!" riep hij haastig en wou ze haar afnemen, maar Margo'tjes Papa had nu de figuurtjes al in zijn hand.

Fani had wel van schaamte in den grond willen kruipen. Wat mocht die vriendelijke mijnheer wel van hem denken, dat hij zulk knoeiwerk tusschen Vader's mooie diertjes in had gestopt!

Maar Mijnheer zei niets, hij keek er naar en zag toen Fani lang aan, die hoe langer hoe meer verlegen, stotterend uitlegde hoe ze in het marsje waren verzeild.

Toen Margo'tjes Papa de figuurtjes weer op 't tafeltje zette, wou Fani ze maar gauw in 't marsje pakken, heel onderin, dan zag niemand die prullen meer, maar neen, dat mocht niet. Mijnheer vroeg hem of hij ze wou verkoopen en verbeeld je, toen Fani half ongeloovig van "ja" knikte, kreeg hij er evenveel voor als voor Vader's mooiste beestjes!--'t Gezicht van den jongen straalde van blijdschap.

Hij kon 't maar niet begrijpen; nu zou hij haast zelf denken, dat hij droomde, of dat die mijnheer een toovenaar was en misschien straks 't geld weer zou wegtooveren, maar neen, hoor, 't was geen droomgeld, 't was echt en 't bleef stil in zijn hand liggen ook!

Laat in den middag ging er een heel andere Fani de kermis af dan de Fani, die er op was gekomen. Deze deed niet verlegen of schuw, neen, hij hield zijn hoofd flink rechtop en hij keek zoo blij, zoo blij!--Nu hielp hij Vader en Moeder toch, nu was hij geen droomer meer, die niets kon! De vriendelijke, vreemde mijnheer had beloofd over een dag of wat bij Vader en Moeder te zullen komen om over Fani te spreken en als 't mocht van thuis,--nu, dàt zou wel--dan zou die mijnheer er voor zorgen, dat Fani op een school kwam om echt mooi houtsnijden te leeren.

Daar zou hij bepaald ook wel dwergjes mogen maken en alles, alles uit het sprookjesboek. En als hij 't dan heel goed kon, dan, ja, 't was nog een geheim, een groot geheim, maar Fani kon 't toch niet laten het vast aan 't beekje te vertellen,--dàn zou hij een extra mooie groep dwergjes maken en die aan 't kleine, Hollandsche meisje sturen, want als zij niet zoo vriendelijk voor hem was geweest, zou 't allemaal bepaald niet zoo zijn geloopen!

EDDIE'S BOODSCHAP.

"Eddie, kan je straks eens vlug een boodschap voor me doen bij Boer Jansen?" vroeg Vader op een ochtend aan 't ontbijt aan zijn oudsten jongen.

"Ik wel, Vader!" "Toe, laat mij 't doen," riepen Fritsje en Broer, maar Eddie zei: "Nee, ik zal 't wel doen; ik kan veel harder loopen dan jullie, omdat mijn beenen zooveel langer zijn."

De kleine broertjes keken naar hun korte, dikke beentjes en toen naar de lange, dunne van Eddie; ja, ze waren wel erg lang en wat kon Eddie er hard mee loopen!

Fritsje en Broer peuzelden nu stilletjes hun boterhammen op, terwijl Eddie luisterde naar zijn boodschap, die wel gemakkelijk te onthouden was; hij moest alleen maar aan Boer Jansen zeggen: "Compliment van Vader en of u maar wilt laten brengen, waarover Vader met u heeft gesproken."

"Koolplantjes voor den tuin zeker, hè Vader?" vroeg Eddie, die altijd alles heel precies wou weten.

"Dat kan je niet schelen; breng jij de boodschap maar net zoo over als ik je voorgezegd heb en denk er om, mijn jongen, er is haast bij, hoor. Je moet vóór schooltijd gaan en maken, dat je er al vóór half negen bent. Vooral niet tot twaalf uur wachten."

Eddie beloofde het en daar Boer Jansen een eindje buiten 't dorp woonde, mocht hij ook wat vroeger van huis gaan dan anders. Vader bracht hem tot 't hek en zei nog eens, dat hij onderweg niet mocht treuzelen.

Eddie beweerde, dat hij er wel om denken zou. Hij zwaaide vroolijk met zijn pet tegen Moeder en de kleine broertjes, die voor 't raam stonden, zei Vader goedendag en schoot toen als een pijl uit den boog weg, den kant uit, waar Boer Jansen woonde.

Eerst dacht Eddie aan niets anders dan aan zijn boodschap, die hij gedurig bij zichzelf opzei, maar toen hij 't weiland overstak en daar zijn vriendje Kees zag met zijn bok, vergat hij heelemaal dat hij haast had en liep naar Kees toe, om den Sik te bewonderen. Hè, Eddie wou altijd zoo dolgraag een bok hebben,--en dit was zoo'n aardig, mooi dier! Kees wist weer allerlei grappige dingen van Sik te vertellen, die zoo slim was--als een mensch, zei Kees, en Eddie luisterde er graag naar. Hij ging bij zijn vriendje in 't gras zitten, speelde met Sik, die nu eens net deed alsof hij stooten wou en dan weer in Eddie's zak snuffelde in de hoop dat er een stukje brood in zou wezen, en--dacht niet meer aan Boer Jansen.

Daar kwam de groote broer van Kees aan: "Toe jongen, moet je niet naar school? Op mijn horloge is 't al bijna kwart; ga maar gauw, ik zal Sik wel thuisbrengen," riep hij al uit de verte.

"Naar school?"--Eddie keek alsof hij gedroomd had en nu pas wakker was geworden. Ja, natuurlijk, hij moest óók naar school, net zoo goed als Kees, en--en--wat moest hij ook nog meer?--

"Kom Ed, als we niet gauw gaan, zullen we nog te laat komen," riep Kees, die al overeind was gesprongen en 't touw van Sik aan zijn broer had gegeven. Maar Eddie, die nu opeens aan zijn boodschap dacht, schudde van neen.

Hoe had hij toch zóó kunnen vergeten wat Vader zei en er was nog wel haast bij geweest! Eddie schaamde zich vreeselijk. Wat hadden zijn lange beenen hem gegeven? 't Eenige wat hij doen kon om 't goed te maken, was: nu nog zoo gauw mogelijk naar Boer Jansen loopen.

"Ga jij maar," zei hij tegen zijn vriendje, "ik moet nog voor Vader een boodschap doen, bij Jansen."

"Doe 't om twaalf uur," ried Kees aan; "als je nù nog gaat, kom je zeker te laat op school."

Even draalde Eddie. Hij was zoo'n secuur baasje. Nog nooit was hij te laat geweest. Wat zou Meneer wel zeggen als 't hem nù overkwam?

"Toe dan," zei Kees weer, "ga nu mee; als je te laat komt, moet je schoolblijven om twaalf uur; dan kan je niet mee roovertje spelen en je zou nog wel de hoofdman zijn!"

Hè, roovertje spelen op 't plein voor de school en hoofdman zijn! Eddie was vreeselijk graag de baas over de andere jongens; als hij nu geen hoofdman kon zijn, zouden ze een ander kiezen, misschien wel Piet van Dam, en morgen zou Piet dan ook weer hoofdman willen wezen. Zou die boodschap eigenlijk niet evengoed om twaalf uur kunnen gedaan worden? 't Was toch zeker maar wat voor den tuin!

Eddie keek Kees na, die al een eindje op weg was. Bijna had hij de boodschap gelaten voor wat ze was om Kees te volgen; toen dacht hij er aan, dat hij Vader toch beloofd had niet tot twaalf uur te wachten, maar nog voor schooltijd naar Boer Jansen te gaan. Hij keerde zich dus om en draafde zoo hard hij draven kon naar de boerderij van Jansen. Wat was 't nog een eind en wat werd Eddie warm, maar hij stond toch geen oogenblikje stil om uit te blazen; hij liep en liep, totdat hij bij 't bruggetje was, waar je overheen moest als je naar de boerderij wilde gaan. De boer kwam juist het erf af met twee mooie bokken aan een touw, die nog veel grooter waren en veel glanziger huid hadden dan de Sik van Kees.

Eddie keek wel begeerig naar de dieren, maar vergat er nu toch zijn boodschap niet door. Boer Jansen lachte even toen hij hoorde wat Eddie van Vader moest zeggen.

"Nu, dat is wèl op 't nippertje; omdat er om half negen nog geen boodschap was, zooals we afgesproken hadden, dacht ik, dat Vader van den koop af zag en wou ze nu aan een ander brengen, die ze ook graag wou hebben. Maar nu gaat Vader natuurlijk voor. Zeg dus maar thuis, dat 't in orde is, hoor; ik zal ze meegeven als Teunis straks met koolplanten naar jullie toegaat!" Meteen draaide de boer zich om met de beide Sikken, alsof nu zijn wandeling niet meer noodig was. Wat het toch was, dat Boer Jansen straks aan Vader zou laten brengen, had Eddie wel graag willen vragen, maar hij durfde niet goed. Hij dacht heel eventjes aan iets, maar nee, dat zou te heerlijk zijn; nee, daaraan wou hij niet eens denken, maar of Eddie nu wou of niet, hij moest er toch telkens aan denken, onderweg en ook op school, waar hij wezenlijk nog op tijd aankwam. 't Horloge van den grooten broer van Kees was zeker vóór geweest. En toen hij om twaalf uur nog gauw even, voordat ze roovertje gingen spelen, naar huis liep om eens te kijken, zag Eddie dat, wat hij haast niet had durven denken, heerlijke zekerheid was: in 't schuurtje stonden de twee prachtige bokken van Boer Jansen en Vader, die ze met Moeder en de beide broertjes aan 't bewonderen was, zei toen Eddie er bij kwam, dat de Sikken nu van hun drietjes zouden zijn. Fritsje en Broer juichten van plezier, maar Eddie stond er stilletjes bij, net alsof hij er geen schik in had. Dat kwam, omdat hij bedacht hoe weinig het gescheeld had, dat deze groote verrassing van Vader door zijn schuld hun deur was voorbijgegaan, maar, toen hij Vader en Moeder alles verteld had en zijn hartje dus weer ruim en prettig voelde, ja, toen was hij even blij als Fritsje en Broer;--even blij?--neen, zelfs nog blijder!

GELLA'S PEET

Heel ver hier vandaan, daar, waar toentertijd uitgestrekte, woeste streken waren met onafzienbare, heuvelachtige heidevelden en geheimzinnig donkere, kwalijk riekende moerassen, woonde de herder Mangold met zijn vrouw en zijn dochtertje Gella.

't Was in den goeden, ouden tijd, toen ieder kind, behalve één of twee Grootmoeders en verscheidene Tantes, ook nog een Petemoei bezat, voor wie 't heel veel respect had. Wat Vader of Moeder niet gedaan konden krijgen, had Petemoei in een oogenblik bewerkt, vooral als, zooals hier bij Gella 't geval was, de Peet niet maar een gewone Petemoei, maar een fee, ja, ja, een heusche, wijze fee was, die diep in de hartjes der kinderen kon kijken.

Als je van feeën leest, denk je altijd aan slanke, teere, jeugdige wezentjes. Gella's Petemoei echter zou je op 't eerste gezicht niet voor een fee houden. Zij had zich vermomd in de gedaante van een gezellige, kleine, gezette, oude dame met een vroolijk gezicht, dat omlijst werd door mooie, witte krullen. Ja, ze had evengoed een grootmoeder kunnen zijn.

Gella hield veel van haar Petemoei. 't Was een feest voor haar, als zij eens in de herderswoning kwam. Dit gebeurde echter hoogstens één keer per jaar, zoo om en bij Gella's jaardag.

Nog grooter feest was 't voor ons meisje, als zij met Vader of met Moeder, haar Petemoei mocht bezoeken. De oude dame woonde in een mooi, klein kasteeltje, ver, ver weg in 't heuvelland. Je kunt dus wel begrijpen, dat Gella maar niet zoo eventjes naar haar toe kon gaan, als zij er zin in had.

Ja, jullie zijn verstandig en kunnen 't best begrijpen, maar Gella kon 't niet of--wilde 't niet inzien.

Zoo'n eigenzinnig, eigenwijs ding heb je zeker nog maar weinig ontmoet. Zij wist alles beter dan Vader en Moeder en vond den door haarzelf gekozen weg altijd de beste.

Op zekeren voorjaarsdag had Gella er op eens grooten zin in naar haar Petemoei te gaan om haar de sneeuwklokjes te brengen en de kleine, blauwe viooltjes, die ze in haar tuintje had gekweekt. Maar ze moest nog een week geduld hebben, vond Moeder; dan zou Vader, die nu met zijn schapen dieper 't vlakke land in was getrokken, weer dichter bij huis zijn en zoo zou Moeder, die huis en hof niet graag alleen achter liet, met haar mee kunnen gaan.

Wachten en geduld hebben waren woorden, die niet in Gella's boekje stonden. Zij pruttelde en pruilde en--besloot haar zin door te drijven, toch te gaan--alleen.

Toen Moeder in den stal bezig was, sloop ze stil naar buiten, plukte haar bloempjes, deed ze in een mandje en begaf zich op weg.

't Was een heerlijk zonnige lentedag. Een klein, wit Wolkje zweefde langs den diep-blauwen hemel, die zich over 't golvende heideland welfde. Het Voorjaarskoeltje streek langs Gella heen en stuwde 't witte Wolkje op.

Beide, 't Koeltje en 't Wolkje, waren dienaren van de fee, moet je weten. Zij hadden haar al verteld, dat Gella op haar eentje in aantocht was.

Hiervan wist 't kleine, eigenzinnige meisje natuurlijk niets. Ze stapte vroolijk voort en zong om 't hardst met den Leeuwerik, die hoog, hoog de lucht in schoot en eindelijk nog slechts een klein, klein stipje was in de blauwe, onmetelijke ruimte.

Gella had geen moeite met 't vinden van den weg en was daar niet weinig trotsch op, want 't was de eerste maal, dat zij dezen tocht alleen deed. Eerst volgde ze 't langzaam stijgende, smalle pad door heidekruid en bremstruiken en toen dit plotseling dood liep, zette ze haar weg voort, nu eens klimmend, dan weer dalend, over de heuvels, zonder zich één oogenblik te behoeven te bedenken--zóó zeker was ze van haar zaak.

Arme, kleine Gella, ze had 't eens moeten weten, dat 't Koeltje haar op Petemoei's bevel zachtjes, maar gestadig voortstuwde in de goede richting, dat 't witte Wolkje, waarnaar ze telkens keek, haar den weg aanduidde en bovendien, ze had 't eens moeten zien, hoe haar goede Petemoei voor één der vensters van haar kasteeltje zat te lachen, te lachen om die kleine, domme Gella, die zoo wijs meende te zijn.

Maar na een poosje werd Petemoei ernstig en schudde 't hoofd. Zou Gella zóó voortgaan, dan zou ze opgroeien tot een onverdragelijk, eigenwijs, onbruikbaar mensch.

--Hé, wat was dat? Gella keek op. Was 't de Leeuwerik die zong? Òf dat kleine, kleine Vogeltje, dat ginds opvloog uit 't heidekruid?--Duidelijk hoorde ze 't met een fijn, zacht stemmetje op zoetvloeiende wijs:

"Al wie zijn eigen weg wil gaan, ziet dwaallicht vaak voor sterren aan-- en, gaat hij op dat schijnsel door, dan raakt hij licht van 't rechte spoor."--

Gella bleef stil staan om te luisteren en toen ze even later haar weg vervolgde, kende zij 't versje uit 't hoofd. Een paar maal zei ze 't bij zichzelf op en daarna zong zij het, zonder evenwel veel aandacht aan den zin der woorden te schenken.--

Zonder ongevallen bereikte ze 't verblijf der goede fee.

Plotseling had zij 't vóór zich gezien, 't mooie, sierlijke kasteeltje met zijn slanke torentjes. Haar Petemoei stond nu op 't terras en wuifde haar toe. Wat was Gella blij! Zij hield haar mandje omhoog en streek haar haren glad, want het speelsche Windje had 't haar voor afscheid nog een beetje door elkaar geschud. 't Witte Wolkje scheen eenigszins spottend op haar neer te zien: 't had zich vervormd tot een lachend gezicht.

Druk babbelend zat Gella weldra naast Petemoei in het groote, vroolijke, lichte torenvertrek, waarin de zonnestralen ongehinderd konden binnendringen. Petemoei hield van licht. Alles moest maar goed openbaar worden. Voor 't licht kon zich niets, wat verkeerd was, verbergen. Zoo maakte ze 't ook met al haar petekinderen, van wie Gella er eentje was. Zij had er nog verscheidene meer. Misschien vertel ik jullie later nog wel eens van hen, maar nu is Gella 't hoofdpersoontje.

De wijze, goede fee keek 't kind aan met een blik, waarin louter zonnetjes lichtten. Ze zag haar tot in 't hartje.--

Gella snapte onderwijl maar door, vertelde van haar wandeling en liet vooral uitkomen, hoe knap ze alleen den weg had weten te vinden. Van haar stil wegloopen verzweeg ze en ook van 't gezang, dat ze had gehoord.--Maar 't moest toch aan 't licht komen--op eens werd ze verlegen voor Petemoei's blik tot diep in haar hartje en stotterde juist 't geen ze niet had willen vertellen.

Petemoei schudde 't hoofd. Toen liet ze Gella 't gehoorde versje opzeggen.

Kende Gella 't nog wel?

O ja, dat ging als van een leien dakje.

"Onthoud 't goed, kind en handel er naar. Zeg 't nog eens op en denk er dan bij na."--

Petemoei keek Gella onafgewend, ernstig, aan. Toen moest 't kind langzaam nog eens die regels uitspreken.--

Hierna werd de goede, oude dame evenwel weer vroolijk, deed spelletjes met Gella, trakteerde haar, zong en lachte--o, 't was een heerlijk dagje voor Gella!

Je hebt natuurlijk al lang begrepen, dat de goede fee Gella's Moeder niet al dien tijd in onrust had laten zitten! Neen, deze had al dadelijk een geruststellend bericht gekregen--er stonden Petemoei zooveel vlugge dienaren ter vervoeging, die haar orders snel en prompt uitvoerden! Dat was dus wel in orde!--

Tegen dat de schemering begon te vallen, zond de wijze fee haar petekind weer weg. Zij kuste haar hartelijk tot afscheid, bedankte haar nogmaals voor de bloemen en--zei toen iets, dat Gella van schaamte deed blozen.

"Eigenlijk moest ik boos op je zijn, omdat je zonder toestemming van Moeder hier bent gekomen."--

"Ik dacht," zoo stotterde 't eigenwijsje, "ik dacht, dat u 't niet erg vondt, omdat u zoo vroolijk aldoor was en--en--omdat ik toch zelf den weg zoo mooi heb gevonden. Ik dacht, dat u nu ook vondt, dat ik er groot genoeg voor was; ik wist den weg eigenlijk beter dan Moeder, want die heeft zich den laatsten keer nog gedurig moeten bedenken, hoe we verder moesten en met Vader zijn we eens een heel eind omgeloopen."--

Er klonk een toon van zelfbewustzijn in door.--

De goede, oude dame, die volstrekt niet boos kon zijn--ze probeerde 't wel eens, maar 't ging haar nooit natuurlijk af--'t paste zoo heelemaal niet bij haar--trok Gella even aan 't oor--heel zacht maar--en gaf haar een tikje op den schouder.

"Zal je 't versje niet vergeten, kind?--Ik zal je nu iemand meegeven, om je thuis te brengen, want als de zon daalt, ziet het er buiten heel anders uit, dan wanneer zij met haar vriendelijk licht alles verheldert en doordringt."

"O neen, dat behoeft niet; dank u wel," zei Gella parmantig. "De weg terug is nog veel gemakkelijker te vinden dan de weg hierheen. 't Is heelemaal niet noodig."

Maar Petemoei wenkte haar dienaar Schaduw en deze vergezelde 't meisje zonder dat zij 't bemerkte.--

De avond daalde vlugger dan Gella 't zich zooeven had kunnen voorstellen. Petemoei had wel gelijk gehad: Wat zag alles er buiten nu anders uit dan vanmorgen in 't ochtendlicht! Donkere vlerken schenen zich over de aarde te ontvouwen--'t was stil, doodstil op de heuvels. Soms drongen van ver-af vreemde, wilde kreten tot Gella door--zeker werden ze uitgestooten door nachtvogels, die op buit aasden.

Gella huiverde en stapte haastig voort. Had zij ook spijt zich zoo parmantig van geleide te hebben afgemaakt?--Neen, o neen, zij was heel zeker van den weg en niet bang ook, welneen!--Maar toch--haar hartje klopte sneller en van tijd tot tijd keek zij met angstige oogen rond.

Nu was zij ver van de bewoonde wereld in de groote eenzaamheid der golvende heidelanden.--Ha! Gella haalde verruimd adem. Ginds groette haar een lichtschijnsel, vertrouwd en bekend--een sterretje in de donkerheid en ginds nog een en nog een en dan die groote, fonkelende, dat was de ster, die juist boven hun huisje stond. Hoe menigmaal had Vader haar die aangewezen!--

Dan was zij dus toch een eindje uit de juiste richting gekomen--dien kant moest zij op en niet dezen.--

Vol vertrouwen ging Gella op de ster af.--

Werd zij zachtjes aan den arm getrokken?

Ja--Schaduw deed 't, de trouwe dienaar van de goede fee. Gella zag hem niet en liep onverstoord door--nu op een drafje, want ze kreeg op eens erg verlangen naar huis en naar Moeder.--

Hoe verder zij kwam, des te onbehagelijker werd 't haar echter te moede; zij wist zelf niet, wat er aan mankeerde. De lucht, anders zoo frisch en zuiver, scheen nare, benauwde dampen met zich te voeren.--'t Ademhalen werd haar moeilijk--toch liep zij voort. Ginds wenkte ster bij ster--steeds meer lichtjes zag zij tintelen. 't Was zeker gezichtsbedrog, maar zij geleken wel uit den grond op te komen. 't Kwam bepaald, doordat de grond zoo heuvelachtig was, dacht Gella, die het steeds meer te kwaad kreeg met de kwalijkriekende dampen, welke de atmosfeer verontreinigden.

Een onheilspellende, donkere, geheimzinnig aandoende massa strekte zich tot aan den gezichtseinder uit--scheen naderbij te komen--en die lichtjes, die lichtjes.--

Weer had Schaduw haar waarschuwend aan den arm getrokken. Gella stond even stil. 't Was alsof zij zich iets herinnerde. Wat was 't toch?--

Zij dacht aan haar tocht vanmorgen door 't in lentezon lachende landschap,--aan den vroolijken Leeuwerik, 't Voorjaarskoeltje, 't witte Wolkje--en--aan 't lied op die zangerige melodie, dat ze gehoord had!--

Nù was 't stil, angstig stil--geen lied drong tot haar door.--

Wat had Petemoei ook weer gezegd bij 't afscheid?

"Zal je 't versje niet vergeten, kind?"--Gella meende haar stem nog te hooren, zoo vriendelijk bezorgd, zoo dringend.--

Welk versje?--Wel, dat van vanmorgen--dat de Leeuwerik gezongen had. Of had deze 't niet gedaan? Was 't dat kleine vogeltje geweest? Gella wist 't niet, maar wèl wist zij, hoe de woorden van 't lied geklonken hadden. Heel, heel duidelijk vernam zij ze op dit oogenblik aan haar oor:

"Al wie zijn eigen weg wil gaan, ziet dwaallicht vaak voor sterren aan-- en, gaat hij op dat schijnsel door, dan raakt hij licht van 't rechte spoor!"--

Hoe juist van pas kwam deze waarschuwing 't eigenwijze, op eigen kracht en inzicht vertrouwende kind!--

Gella slaakte een kreet. Nù wist zij het--nu wist zij het, ginds strekten zich de verraderlijke moerassen voor haar uit, die met hun dwaallichten zoo menigen reiziger van den rechten weg hadden gelokt om hem straks reddeloos te doen omkomen.--

Hoe menigmaal had Vader er over gesproken, er voor gewaarschuwd!--

Maar--als van dien kant dus verderf lokte--de benauwde dampen werden zoo dicht, dat ze haar reeds dreigden te bedwelmen, waar moest zij dàn heen? Waar lag haar thuis?

De flinke Gella, die zelf alles 't beste wist, veel beter dan Vader en Moeder, en de hulp van Petemoei zelfbewust had afgewezen, stond daar nu echt, als 't kleine meisje, dat ze feitelijk was, troosteloos en verlaten, geen raad wetend!--