Part 5
Emma was opgetogen over deze ontdekking; ze keek om en wou dit St. Nicolaas ook vertellen, maar.... ze zag St. Nicolaas niet meer.
Wel zag ze bij den schoorsteen de pantoffeltjes met alles er in en er bij wat Doortje had gevraagd--óók zelfs een mooi naaidoosje. Emma wou het Doortje wijzen, maar ze kon niet--ze werd zoo vreemd moe en slaperig.
"Ik moet ook naar huis," zei ze nog en 't geluid van haar stem klonk van heel ver af--ze knikkebolde, haar hoofdje gleed op zij--ze wist van niets meer.
In den vroegen morgen was er een dik pak sneeuw gevallen. De witte, wollige, donzige massa schitterde op de daken en lag opgehoopt in de hoeken der vensterbanken tot groot vermaak van de kinderen, die toch al zoo uitgelaten waren op dezen morgen van den zesden December--zoekertjesdag!
In de meeste huizen was de pret al lang in vollen gang, toen Emma--je weet wel, 't kleine meisje, dat in 't groote huis woonde en er niet tegen kon als de dingen niet precies zoo gingen als zij 't graag wou--zich pas in haar warm bedje uitrekte, geeuwde en heel, heel langzaam wakker werd. Ze had niets geen haast om haar oogen open te doen. Als zij ze dicht hield, zag zij nog alles wat zij op haar tocht met St. Nicolaas gezien had. O, ze wist het nog zoo best! Alleen van wat er gebeurd was, nadat ze voor Doortje's ledikantje in slaap was gevallen, kon zij zich niets herinneren. Maar nù lag zij toch weer in haar eigen bedje; dit wist zij wel, ook zonder dat zij haar oogen open deed.
"'t Was toch zoo heerlijk," zei ze halfluid, "en wat goed was het, dat ik er bij ongeluk een D uithaalde in plaats van een E!"
"Langslaapstertje! Droomstertje!" klonk het lachend en toen werd Emma heelemaal wakker.
"Droomstertje," zei Moeder nog eens, "waar heb je het toch over? Doe je oogen maar gauw open en kijk dan eens wat St. Nicolaas je gebracht heeft!"
In een wip was Emma nu overeind en wreef ze haar oogen uit.
't Brood en hooi was uit de pantoffeltjes verdwenen. Ze stonden op de tafel en er naast zat een mooie, groote pop met een open koffer vol beeldige kleertjes bij zich; twee prachtige prentenboeken lagen er bij.
"Ik had ook nog lekkers," zei Emma, "maar dat heb ik aan Doortje gegeven, omdat ze niets voor zichzelf vroeg; o ja, een naaidoosje, maar dat was om haar Moeder te helpen--ik bedoel: niets prettigs."
"Kindje, ik geloof dat je nog droomt," lachte Moeder weer, "hoe zou St. Nicolaas je nu geen lekkers gebracht hebben! Zie je dat bord niet staan?" Ze gaf Emma haar pantoffeltjes om aan te doen als ze uit bed stapte.
"Ga nu je pop maar eens gauw bekijken! St. Nicolaas heeft het maar wat goed geraden, hé?"
"Ik heb haar zelf uitgezocht," zei Emma, terwijl ze haar op den arm nam, "maar eerst had ik een serviesje...." En toen vertelde ze Moeder alles van haar tocht.
"Ik heb alleen maar dingen voor mezelf gekozen," zei ze, toen ze aan 't bezoek bij Doortje toe was, en keek wat bedrukt. "Misschien was er wel een mooi naaidoosje geweest voor u en ik weet zeker, dat er een boek bij was, dat Broer graag zou gehad hebben; bijna had ik het genomen in plaats van dat ééne poppenboek.--Ik ben bang, dat St. Nicolaas 't niet heel aardig van me heeft gevonden!"
--Maar toen kreeg ze haar bord lekkers in 't oog, waar bovenop een groote E van chocolade lag.
"Moeder, dat heeft St. Nicolaas er nog exprès neergezet, omdat ik 't mijne heb weggegeven, denkt u ook niet?" riep ze opgetogen uit.
"Ja, dàt heeft St. Nicolaas stellig gedaan, omdat hij daaruit gezien heeft, dat je toch ook nog wel graag om een ander denkt," zei Moeder en gaf haar een kus.
Emma bedacht zich even. "Moeder, weet u wat," zei ze toen met een stralend gezichtje, "als St. Nicolaas weer komt, maak ik óók een verlanglijst, net als Doortje, en dan zet ik Broer's pantoffels hier ook en die van Vader en van u.... maar niemand mag lezen wat ik er op schrijf."
"St. Nicolaas óók niet?" vroeg Moeder plagend.
"Ja, St. Nicolaas juist wèl," antwoordde Emma lachend en toen liet ze zich gauw helpen, want ze verlangde er naar klaar te zijn om ook Vader en Broer alles te vertellen.
JUFFROUW'S PINKSTERTUINTJE.
Op een lange rij liepen ze arm in arm door de straten van het Oostfriesche zeestadje, de vlasblonde deerntjes, en vroolijk klonk hun deuntje:
"Dor koom ik een olt Mientje an van hoge, doge Disk----"
Kapitein Benno Brons, die juist met zijn kort pijpje in den mond over de markt kwam aanslenteren, spreidde zijn armen wijd uit om de kinderen tegen te houden. Lachend stoven ze uit elkaar en in 't zelfde oogenblik had hij er twee gevangen: Helma van den apotheker en zijn eigen kleine Thedje.
"Vader, nee, Vader, u moet ons nu loslaten; we gaan naar buiten, bloemen plukken voor morgen!"
"Drommels ja, morgen is 't Pinksteren," zei de kapitein en hij deed, alsof hij daar niet aan gedacht had, terwijl zijn helderblauwe oogen vroolijk schitterden in het, door een grijzend ringbaardje omgeven, verweerde gezicht. "Dat's waar ook! 't Zal mij eens benieuwen, wie er morgenochtend het mooiste tuintje voor zijn deur vindt."
"U niet, Kapitein Brons," riep er een plagend en toen vlogen ze allen joelend weg, want hij balde lachend zijn vuist en zette 't troepje quasi met een paar groote stappen na.
De orde was nu verbroken; bij tweeën en drieën stoven ze voort, stoeiend en lachend, telkens nog omziende naar Kapitein Brons, die zijn weg al lang weer vervolgd had. Ze kwamen pas weer tot bedaren toen ze buiten het stadje waren gekomen.
Tegen den hoogen walkant groeiden van die groote, gele dotters en ginds stonden lila Pinksterbloemen en madeliefjes met gouden harten.
Thedje begon er maar dadelijk van te plukken; ze moest een heeleboel bloemen hebben, want ze had groote plannen: niet alleen voor thuis wou ze een Pinkstertuintje maken, maar ook voor de nieuwe juffrouw van school. Die woonde op kamers bij een oude schoenmakersvrouw en zou 't zeker erg prettig vinden, als ze morgen met zoo'n mooi tuintje verrast werd. Juffrouw had nog nooit 's een echt Pinkstertuintje gezien, want dáár, waar ze vandaan kwam, deden de menschen dat zoo niet. Dat hoorde zoo recht hier in 't Noorden thuis, waar je zooveel van die aardige, oude gebruiken hadt, vond Juffrouw.
Toen ze dat zoo zei in de klas, hadden een heeleboel kinders den vinger opgestoken en sommigen waren overeind in de bank gaan staan in hun ijver om Juffrouw precies in te lichten omtrent die Pinkstertuintjes en ze hadden zich verbazend gewichtig gevoeld, omdat dit nu eens wat was, waar zij alles van wisten en Juffrouw, die zoo knap was, niet. Thedje had toen dadelijk bedacht, dat zij er eentje voor Juffrouw zou maken.
Vol ijver was ze aan 't plukken. Verderop stonden meidoorns in bloei, roode en witte; daar moest ze ook wat van hebben.
Haar kameraadjes waren allen op de wei neergestreken als een zwerm vroolijke vogels: ze plukten er bij handen vol boterbloemen en madeliefjes. Thedje hoorde hen wel lachen en snappen, maar was toch niet van plan naar hen toe te gaan. Ze wist een plekje, achter den hoogen wal, tusschen het eikenhakhout, waar 't vol driekleurige veldviooltjes stond. Daar zouden de anderen stellig geen bloemen zoeken; Thedje had ze laatst bij het verstoppertje-spelen ontdekt. Ze had nu exprès een mandje van thuis meegenomen om er de viooltjes, die zoo teer waren en in de warme hand gauw verwelkten, in te verzamelen.
Toen ze genoeg andere bloemen naar haar zin had, ging ze er met stralende oogen op af. Die viooltjes, dat zou nu net wat moois zijn voor Juffrouw's tuintje! Heel kort bij den steel zou zij ze afplukken en dan, afgewisseld met gouden knoopjes uit Moeder's perk, op stukjes mos steken. Dat zou 't tapijt vormen, waar Juffrouw overheen moest loopen, als ze op Pinkstermorgen naar de kerk ging. Langs de kanten kwamen dan nog mooie figuren van scheerlinggroen en zwaardleliebladeren; die hadden ze in den tuin. Moeder had haar verteld, dat ze er die vroeger ook altijd voor gebruikt had. Met meidoornbloempjes wou Thedje de hoeken opvullen.
Toen ze op den hoogen wal stond en door 't groen naar beneden keek, wou 't haar evenwel voorkomen, dat er toch niet zooveel viooltjes waren, als ze gemeend had.
Voorzichtig liet ze zich van den steilen kant zakken en hield zich daarbij aan de takken vast.
Daar dook op eens 't ronde, borstelige hoofd van Volkert Visser uit de struiken langs het drassige benedenpaadje op.
Thedje schrikte geweldig. Volkert Visser was zoo'n ruwe, plagerige jongen;--ze mochten hem op school geen van allen lijden--de grooten, omdat hij zoo dikwijls spelbederver was en de kleintjes, omdat hij hen graag aan 't schrikken maakte. Zoo lieten allen Volkert maar 't liefst aan zijn lot over.
Thedje's Moeder zei wel eens, dat de kinderen eigenlijk medelijden met hem moesten hebben, want thuis had de jongen 't ook niet plezierig: zijn ouders had hij nooit gekend en de Oom, bij wien hij in huis woonde, was een norsche, onverschillige man, die zich weinig aan hem gelegen liet liggen. Zij zou 't daarom wat goed gevonden hebben, als Thedje den jongen eens mee naar huis had genomen, maar daartoe was 't kind nooit te bewegen geweest. Thedje was bang voor Volkert Visser en nu was daar in 't laatst nog iets anders bijgekomen, waardoor ze nog meer hekel aan hem had gekregen.
Volkert zat in dezelfde klas als zij. In de eerste dagen, toen de nieuwe juffrouw er was, had Volkert heel onaardig en stout gedaan om haar te plagen, maar de juffrouw was er niet boos om geworden. Even vriendelijk was ze tegen den stouten jongen gebleven als tegen de andere kinderen. Alleen had ze hem op zekeren middag, toen hij 't heel bont had gemaakt, na schooltijd even laten blijven en sedert dien tijd had ze niet de minste moeite meer met hem gehad. Juffrouw en Volkert waren nu de beste maatjes, dat kon ieder kind zien. Als er wat prettigs in de klas te doen was: boeken uitdeelen of schriften ophalen, mocht Volkert 't altijd doen en hij deed 't graag. Zie je, dàt kon Thedje nu maar niet velen, dat Juffrouw, tegen wie ze allemaal zoo hoog opkeken, zoo vriendelijk was tegen dien naren Volkert, die heel niet meetelde.... Thedje was jaloersch op hem en geen klein beetje ook!--
Wat deed Volkert daar nu tusschen de viooltjes?
Thedje behoefde er zich niet lang op te bedenken om 't antwoord op die vraag te vinden; zóó als ze hem gezien had, was 't haar door 't hoofd gevlogen: Volkert wil óók een Pinkstertuintje voor Juffrouw maken en daarvoor steelt hij mijn viooltjes, jazeker, Thedje's viooltjes, want zij had ze al ontdekt, toen ze nog maar eventjes te zien waren.
Thedje's anders zoo vriendelijke kijkers stonden nu heel boos en ze had een rimpel boven haar neusje. Krampachtig hield ze haar schort met de bloemen, die ze aan den walkant geplukt had, vast; 't mandje was haar zooeven, door den schrik, ontgleden en langs den steilen kant gebuiteld. 't Lag beneden, maar Thedje durfde 't niet te halen. Volkert had haar nu in 't oog gekregen; dreigend zwaaide hij met een stok.
"Wil je 's gauw maken dat je weg komt; je hebt hier niets te zoeken. Vooruit, ga je haast, of ik zal je--" Hij werkte zich door de struiken heen, haar kant op.--
Overhaast nam Thedje de vlucht; ze was angstig, boos, bedroefd, alles tegelijk, maar de boosheid kreeg de overhand. Ze had 't nog juist met een glimp gezien, hoe daar op een uitgespreiden zakdoek een hoop afgeplukte viooltjes lagen.--Nare Volkert!--
Er was een uitdagende, koppige trek op haar gezichtje, toen ze met haar bloemenschat thuiskwam.
Moeder had al een emmer water in den kelder klaar gezet om er de bloemen, den nacht over, in frisch te houden, en Vader bracht ze er voor haar heen. Thedje had niet veel te vertellen. Vader en Moeder meenden, dat 't kind moe was van den drukken middag. Ze moest nu maar dadelijk haar avondboterham eten en dan vlug naar bed. Morgen zou 't extra vroeg dag voor haar wezen. 't Was een oud gebruik, dat de kinderen op den eersten Pinksterdag al voor dag en dauw in de weer waren om voor hun huis een Pinkstertuintje te maken. Soms werd dat een met zorg uitgevoerd kunstwerkje, soms ook, waar kleine, ongeoefende handjes bezig waren, moest men meer op den goeden wil zien dan op 't resultaat, maar toch, als tegen kerktijd alles klaar was, leverde 't geheel van die als mozaïek te zamen gevoegde bloemtapijten een eigenaardig, feestelijk gezicht op, en de kerkgangers, die bij 't eerste klokgelui uit hun huizen kwamen, wezen er elkaar glimlachend op.
Thedje was wel een van de vroegsten op dezen heerlijken, lichten Pinkstermorgen, maar haar gezichtje stond niet helder en vroolijk, zooals 't op een feestdag behoort. Met saamgeknepen lippen en gefronste wenkbrauwen spoedde zij zich met een groot deel van haar bloemen voort naar de stille straat, waar Juffrouw woonde. Hoe verder zij kwam, des te harder liep zij. Tot elken prijs wou ze Volkert vóór zijn; al had ze nu geen viooltjes, toch zou ze wel maken, dat Juffrouw een mooi Pinkstertuintje kreeg; er kwamen nu maar wat meer gouden knoopjes in, dat stond vroolijk: gouden knoopjes met Pinksterbloemen en meidoorn aan de hoeken!--Wat zou Volkert op zijn neus kijken, als hij straks kwam en zag, dat hij een vergeefsche reis had gemaakt met zijn viooltjes!
Nu lachte Thedje even. Maar 't was geen blijde, gulle lach en haar gezichtje werd er niet door verhelderd. Ze had zin om Juffrouw's tuintje zoo mooi mogelijk te maken, maar nu niet zoozeer om Juffrouw plezier te doen, dan wel om Volkert Visser verdrietig te maken.
Als je zulke leelijke, zwarte gedachten in je hart hebt, staat dat ook op je gezicht te lezen; daarom zag Thedje er zoo donker uit op dezen feestdag.
De straat, waar Juffrouw woonde, lag stil en verlaten. Er was nog geen enkel Pinkstertuintje in gemaakt.
Geen enkel?--Ja toch, één, voor een van de laatste huizen--was 't soms dat, waar de oude schoenmakersvrouw woonde, bij wie Juffrouw kamers had?
't Hart klopte Thedje in de keel. Ze kon haast niet voort--toch wou ze er gauw heen om te zien of 't werkelijk zoo was.
Ja--ze had zich niet vergist--er was een tuintje gemaakt, vlak voor Juffrouw's venster, een heel mooi tuintje, van boterbloemen en viooltjes--o, zoo'n massa viooltjes! Allen waren ze zorgvuldig op stukjes mos gestoken en frisch met water besprenkeld.--
Tranen van spijt sprongen Thedje in de oogen. Toen werd haar blik donkerder; ze gooide haar eigen bloemen neer, ging op de knieën liggen en begon de dichtstbijzijnde viooltjes uit 't mos te peuteren. Achteloos wierp zij ze aan den kant, de kleine van den steel geplukte viooltjes, die haar verwijtend schenen aan te zien en te vragen: "Thedje, waarom behandel je ons zóó?--Je houdt toch anders zooveel van ons!"--
Nog maar pas was Thedje aan haar vernielingswerk begonnen, toen 't gordijn opgehaald en 't venster opengeschoven werd.
"Goedenmorgen Thedje!" zoo klonk Juffrouw's stem vroolijk: "Een gezegend en gelukkig Pinksterfeest! Wacht, ik kom even bij je!"--
Nog voordat Thedje van den schrik bekomen was, had Juffrouw de voordeur al open gedaan en stond voor haar.
Thedje lag nog op haar knieën, erg verlegen, en dit werd er niet beter op, toen Juffrouw zich bukte om haar een kus te geven en daarbij zei, dat ze den laatsten tijd veel aan Pinkstertuintjes gedacht had, maar zich niet had kunnen voorstellen zelf nog eens zoo'n mooi te zullen krijgen.
Thedje zag vuurrood; ze liet 't hoofd hangen en speelde met de weggeworpen viooltjes.
Maar toen Juffrouw voortging het tuintje te bewonderen en nog eens zei, dat ze 't toch zoo lief van haar vond zooveel moeite voor haar gedaan te hebben, kon Thedje's eerlijk hartje 't niet langer uithouden. Ze barstte in snikken uit en vertelde Juffrouw alles.
Dat was een droevig begin van den feestdag voor Thedje en ook voor Juffrouw. Zulke leelijke gedachten en voornemens had Thedje gehad en Juffrouw meende nog wel, dat 't er bij Thedje even licht en vroolijk van binnen uitzag als bij haar zelf!--
Dacht Thedje dan zóó 't Pinksterfeest te kunnen tegengaan, 't feest van Gods Heiligen Geest, die de harten van de groote menschen, maar evengoed die van de kinderen wil verblijden en verlichten en van liefde wil vervullen----?
Thedje schudde 't hoofd, toen Juffrouw haar dit zoo ernstig vroeg.
Daarop gingen ze naar binnen en hier, op Juffrouw's kamer, hoorde Thedje van een jongen, die door iedereen achteruit werd gezet en daardoor onverschillig leek, ofschoon hij toch evengoed behoefte aan hartelijkheid had als een ander kind. Mocht Thedje nu zoo jaloersch op hem wezen, Thedje, die thuis door Vader en Moeder omringd werd door liefde? Mocht zij 't hem misgunnen, dat Juffrouw ook van hem hield en 't hem misschien wat meer toonde, omdat hij niemand anders had die hem liefde bewees?
Thedje's tranen vloeiden rijkelijker, maar 't was nu als 't ware een mild regenbuitje na een onweer, dat ontspant en goed doet.--
O, ze voelde nu wel, hoe leelijk die jaloezie was geweest en ze had er zoo'n spijt van,--
Gelukkig toch, dat Juffrouw zoo gauw gekomen was! Nu kon 't tuintje met een klein beetje moeite weer in orde gebracht worden en Volkert zou 't nooit behoeven te weten.
Samen met Juffrouw ging ze naar buiten om de losse viooltjes weer op het mos te steken en dit te schikken, zooals 't gelegen had. Ze zei niets bij dit werkje--gedurig vielen er nog tranen op de kleine viooltjes.
Toen 't klaar was, wou Thedje stilletjes met haar eigen bloemen weggaan, maar Juffrouw riep haar terug. "Hadt je die niet voor mij meegebracht?" vroeg ze vriendelijk en wees naar de gouden knoopjes, de Pinksterbloemen en de meidoorntakken in Thedje's schort. "Ik wil ze dolgraag van je hebben om mijn kamer feestelijk te maken--dan zal 't net zijn of ik twee Pinkstertuintjes heb, één buiten en één binnen!"--
Toen brak de zon weer door bij Thedje. Haar oogen schitterden, terwijl ze Juffrouw de bloemen letterlijk in de armen duwde. Dat Juffrouw ze tòch nog hebben wou en niet boos was, deed Thedje's hartje opspringen van blijdschap. Ze had er behoefte aan Juffrouw nu ook nog een plezier te doen, een heel groot plezier!--Op haar teenen ging Thedje staan om 't Juffrouw in te fluisteren: "Volkert mag wel 's bij ons thuis komen--Moeder heeft 't ook al gezegd--en ik zal niet meer jaloersch op hem wezen, ook niet als Vader en Moeder lief voor hem zijn en--en--'t volgend jaar mag hij weer uw Pinkstertuintje maken."--
"Neen," zei deze, "dan weet ik nog wat beters: dan doen jullie het samen.--Maar zoover zijn we nu nog niet. Eerst willen we dit Pinksterfeest blij vieren--ik geloof wel, dat we 't nu kunnen----is 't niet, Thedje?"
Thedje knikte; haar gezichtje straalde--ze begreep wel, hoe Juffrouw 't bedoelde; ja, nù kon ze ook blij en vroolijk wezen op 't feest, want de leelijke gedachten waren weg en ook in haar hartje was 't licht en vredig geworden.
DE KLEINE HOUTSNIJDER.
Fani was een droomer, die altijd aan andere dingen dacht dan aan zijn werk, een treuzel, en--een bangerd. Wil je 't wel gelooven, dat hij 's avonds niet onder de dennen achter hun huisje durfde te loopen, omdat 't dan zoo vreemd ruischte en zuchtte, hoog in de slanke toppen? Dat deed de wind natuurlijk en dit wist Fani ook wel en toch--was hij bang.
Moeder zei, dat het van de sprookjes kwam. Je moet weten, dat zijn Vader eens een sprookjesboek voor hem uit de stad had meegebracht en sedert hij dat had gelezen droomde Fani meer dan ooit, ook op klaarlichten dag als hij goed wakker was.
Hij dacht aan niets anders dan aan dwergjes, toovenaars en feeën en wat het malste was, hij was er vast van overtuigd, dat hij ze nog eens zou zien ook, in 't bosch of in de bergen. Alles wat in de sprookjes stond, was echt waar voor hem.
Toen hij dit eens aan Toni, den geitenhoeder, vertelde, lachte die hem hartelijk uit, en zei, dat hij van zijn leven nog geen dwergjes had gezien en als ze er waren, moesten ze toch zeker daarboven in de rotsen huizen, waar hij zoo vaak met zijn geiten was.
Na dien tijd sprak Fani er maar nooit meer met hem over en met Moeder niet en met niemand, want hij wou niet uitgelachen worden, maar 't sprookjesboek stopte hij weg op 't zoldertje, waar hij sliep, in de kist onder zijn Zondagsche kleeren, en 's morgens vroeg, voordat Peter en Franzli, zijn kleine broertjes, wakker waren, las hij er in.
Al was Fani de oudste, toch had Moeder weinig aan hem bij haar werk, en ze kon toch zoo best wat hulp gebruiken als ze zoo dagen achtereen met de kinderen alleen was. Fani's Vader was koopman; hij reisde met zijn marsje op den rug overal in den omtrek heen waar kermis was. De menschen kochten wat graag de aardige snuisterijtjes, die hij uit hout wist te snijden, vooral zijn dierfiguurtjes waren zoo mooi en natuurlijk alsof ze leefden. Houtsnijden, dat was anders wel iets, waarin Fani ook plezier had, maar Vader, die 't hem zou leeren, was zoo ongeduldig geworden, omdat Fani eerst maar niet den slag beet had kunnen krijgen van de koeien, geiten en herten, die hij altijd maakte.
Fani had zoo dolgraag eens een dwergje willen probeeren, maar toen de diertjes telkens mislukt waren en er van al zijn knutselen en knoeien toch niets was terechtgekomen, was Vader boos geworden en had gezegd, dat Fani, als hij geen diertjes kon leeren snijden, er dan maar liever heelemaal mee moest uitscheiden; zoo'n droomer zou het toch tot niets brengen! Later moest hij maar houthakker boven in de bosschen worden, dat was zwaar werk en daarbij zou hij dat droomen en treuzelen wel afleeren.
Zoo had Vader gesproken en Moeder had met een zucht gezegd, dat Vader wel gelijk had. Toen kreeg Fani dus geen les in 't houtsnijden meer, maar voor zichzelf bleef hij zich oefenen, 's winters ieder vrij oogenblikje na schooltijd op 't zoldertje of in 't schuurtje, zoo lang het licht was, en 's zomers buiten op een stil plekje bij 't beekje. Hij probeerde niets anders te maken dan de dwergjes en toovenaars en feeën uit zijn sprookjesboek en knutselde op zijn eentje zonder dat iemand er iets van wist of zag, net zoo lang, totdat 't hem beter gelukte en zijn dwergjes eindelijk net zoo goed uitvielen als de diertjes, die Vader maakte.--Maar hij durfde er thuis toch niet over te spreken of ze te laten zien, omdat Vader toen zoo boos was geweest, en stopte al wat hij maakte onder in de kist bij 't sprookjesboek.
Zoo kwam Juni in 't land, de tijd van de kermissen en jaarmarkten, en daar Vader al een heele poos ziek was, moest Fani er met het marsje op uit.
't Eerst was het groote dorp, dat verder het dal in lag, aan de beurt. Dit was nu niet zoo ver weg of Fani kon 's avonds weer thuiskomen. Alleen zoo'n eind door 't bosch te loopen was niets voor hem, maar gelukkig, 't beekje hield hem gezelschap. 't Kabbelde zoo vroolijk alsof het met hem babbelde en toen Fani dorst kreeg, gaf het hem heerlijk frisch water te drinken.
't Was al middag, toen Fani in het dorp kwam. De kermis was er in vollen gang; 't plein stond vol kramen en tenten; muzikanten toeterden en bliezen, kooplui schreeuwden om 't hardst hun waren uit en kinderen sloegen de trom of bliezen op goedkoope mondharmonica's uit de speelgoedkraam tegenover het logement. 't Was een leven van belang.
Fani, die uit het stille bosch kwam, werd er beduusd van. Hij stond het met groote oogen aan te kijken uit een verborgen hoek bij de speelgoedkraam, waar leege kisten waren opgestapeld, en vergat heelemaal, dat hij ook wat te koop had. Maar al had Fani er ook aan gedacht, hij zou toch nooit als die andere kooplui hebben durven doen.