Part 4
"Ja!"--Trientje zuchtte.--"Als ik naar den kerseboom kijk, denk ik altijd aan Dirk, maar de baas--" ze wees op Hendrik--"de baas zegt: je mag geen menschen en planten vergelijken--maar, ik kan 't toch niet laten.... altijd als ik den kerseboom zie, denk ik aan mijn Dirk. En nu zal hij er uit moeten."
"Als we nu 's met ons drieën aan Hendrik vroegen of hij mocht blijven staan!" zoo stelde Klaar hoopvol voor.
Trientje schudde 't hoofd.
"Och nee, als de baas zoowat in zijn hoofd heeft, helpt er geen redeneeren tegen. De baas zegt: hij heeft lang genoeg geduld gehad en nu is 't uit. Neen, de kerseboom van mijn jongen, van mijn Dirk, heeft wel zijn laatste voorjaar beleefd!"
"Maar als er nu van 't jaar toch nog 's kersen aankwamen," opperde Klaar, die het zoo gauw niet opgaf; "er zitten toch bloesems aan! Kijk maar!"
"Zoo'n enkel bloesempje zegt niets; dat heeft hij elk jaar gehad," sprak Trientje mistroostig. "Neen, 't is wel waar zooals de baas 't uitdrukt: 't is een doe-niet, maar--ik kan hem toch zoo slecht missen!"
Oude Hendrik kwam met stijve, afgemeten passen op de bank toegestapt. Hendrik was stijf en afgemeten in al zijn doen. Houterig ging hij naast zijn vrouw zitten.
"Mag hij niet blijven staan?" vroeg Greet, terwijl ze naar den boom wees.
"Toe--alsjeblieft," zei Klaar smeekend.
"Neen, neen," sprak Hendrik plechtig, "hij is mij lang genoeg tot ergernis geweest; ik zou er zonde aan doen zoo'n doe-niet nog in zijn kwaad te stijven."
"Maar--als er nu van 't jaar nog 's tien pond lekkere kersen aankwamen," zei Klaartje en ze zag den ouden man vol verwachting aan.
"Dán kan hij blijven," klonk 't op denzelfden plechtigen toon.
De kinderen keken op naar de schaarsche bloesems.
"En als er nu maar 's twee pond aankwamen....?"
"Of één--of--een half," waagde Greetje te veronderstellen.
Klaar hield haar adem in. Wat zou nu 't antwoord wel wezen?
Maar hoor, daar klonk het, weer even bedaard: "Dán kan hij blijven."
Nu waren ze gerustgesteld. Ze vonden, dat de kansen toch nog niet zoo slecht stonden; er waren toch bloesems aan; die kon oude Hendrik toch maar niet weg redeneeren.
Op den terugweg hadden Greet en Klaar het druk over den kerseboom van Hendrik en Trientje en thuis kregen Vader en Moeder 't verhaaltje in geuren en kleuren te hooren.
"Moeder, zou u denken, dat er nog wel een half pond aan komt?" vroeg Greet.
"Kindlief, hoe wil ik dat weten, ik ben geen tuinman," lachte Moeder. "Je moet maar telkens eens gaan kijken hoe 't met de bloesems staat; je weet wel: als je de bloempjes niet meer ziet, komen er kleine, groene bolletjes te voorschijn; die worden grooter en grooter, de zon stooft ze langzamerhand zacht en rood en--"
"Dán zijn de kersen er!" riep Klaartje vroolijk uit. "Ik ga vast elken dag uit school kijken, hoor!"
"Ik ook," zei Greet.
De kinderen hielden woord. Elken dag gingen ze naar Baas Hendrik's bleekveld. De oude kerseboom had zeker nog nooit zooveel belangstelling ondervonden. 't Scheen heusch, dat hij 't op prijs stelde en zijn best deed z'n bloesems zonder mankeeren voor kleine, groene bolletjes in te ruilen.
Greet en Klaartje gaven thuis getrouw verslag van zijn vorderingen, zoodat ieder er goed van op de hoogte bleef.
Maar op een ochtend, na een stormnacht, kwamen de meisjes terneergeslagen thuis. 't Bleekveldje lag bezaaid met groene bolletjes aan steeltjes: allemaal afgewaaide, nog onrijpe kersen.
"Er zitten er nu nog maar een stuk of wat aan," jammerde Greetje; "zou dat wel een half pond wezen?"
"Hendrik zei, dat hij 't wel gedacht had, want dat deed die kerseboom altijd! Maar Moeder, 't kwam toch door den storm; de kerseboom kon 't niet helpen," riep Klaartje onder tranen.
Moeder had maar werk haar kleine meisjes tot bedaren te brengen. Er zouden een paar vroolijke neven komen--Vader was al naar den trein om hen te halen--wat zouden die er wel van zeggen, als Greet en Klaar er straks nog zoo bedrukt uitzagen!--
De neven kwamen. De neven hoorden 't verhaal over den kerseboom aan en waren vol belangstelling. Zij hadden verstand van vruchtboomen, beweerden ze. Als Greet en Klaartje straks weer naar school waren, zouden ze dien boom wel eens gaan bekijken; misschien dat zij er nog raad op wisten.
In een oogwenk verhelderden de gezichtjes nu. De kinderen hadden veel vertrouwen in de knapheid der groote neven.
"Als er maar een half pond aan komt," zei Greetje, "dan mag hij blijven staan van ouden Hendrik."
Toen zij 's middags uit school kwamen hollen, verlangend 't oordeel der neven te hooren, werden zij verblijd met de tijding, dat er misschien nog wel een pond van terecht zou komen. Maar, dan moesten zij ook precies doen wat de neven zeiden.
Dit beloofden Greet en Klaar grif.
Veertien dagen lang mochten ze niet meer naar den boom gaan kijken, zei Neef Karel, want daar kon hij op 't oogenblik niet goed tegen. De kerseboom schaamde zich, omdat hij zooveel groene bolletjes had verloren en zou nu uit verlegenheid ook die, welke hij nog overhad, wel eens kunnen loslaten, voegde Neef Bert er bij en hij zette een heel ernstig gezicht.
Nu, dit was natuurlijk maar een grapje--dat begreep Greet best; Klaartje was eerst nog in twijfel of 't niet waar zou zijn;--maar, grapje of niet, dat deed er niet toe--de neven, die er verstand van hadden, zeiden, dat ze er in veertien dagen niet heen moesten gaan en dááraan zouden ze zich houden.
"Hé--over veertien dagen"--Greet was aan 't uitrekenen--"dan ben ik jarig! Wat leuk!"
"Zijn jullie er dan nog?" vroeg Klaar.
"Neen, maar dan komen we weer terug om Greet te feleciteeren en meteen naar den kerseboom te zien."
Greet keek er Neef Bert onderzoekend op aan of dit nu niet weer een grap was, maar neen, 't scheen toch wel meenens te zijn: Moeder ging er dadelijk op in. Er werd afgesproken, dat zij den vorigen dag al zouden komen, om den heelen jaardag mee te kunnen vieren.
Leuk hoor! Dat was wat prettigs om op te kijken!
Zoo triestig als de zusjes 's ochtends waren geweest, toen de neven kwamen, zoo vroolijk waren ze bij 't afscheid.
Als je 't niet beter wist, zou je gedacht hebben, dat ze blij waren met hun vertrek.
"Tot over veertien dagen," riepen Greet en Klaartje hun na, toen ze al bij 't hek waren. En: "tot over veertien dagen," riepen de neven terug. "Zorgen jullie er maar voor, dat je een mand klaar hebt staan voor de kersen!"--
Veertien dagen gaan gewoonlijk gauw voorbij, maar nu schenen ze te kruipen. 't Was heel moeilijk, veel moeilijker dan ze gedacht hadden, de belofte te houden, die ze den neven hadden gegeven. De meisjes waren er toch zóó benieuwd naar hoe 't wel met den kerseboom zou wezen en nu mochten ze er niet heen. Als ze er Baas Hendrik of Trientje nu maar eens naar hadden kunnen vragen, maar de oudjes kwamen hoogstzelden in 't dorp; ze bleven stilletjes op hun eigen erf en daar was 't nu immers verboden toegang!
Toen ze op zekeren dag, uit school komend, een schaal vol rijpe kersen op tafel zagen staan, werd 't nog moeilijker 't vol te houden. Er waren dus al rijpe kersen! Of de groene bolletjes van Hendrik's boom ook al rood en zacht zouden geworden zijn?
"Nog vier dagen geduld," zei Moeder, die er medelijden mee kreeg, "dan gaan we met ons allen kijken hoe 't met den kerseboom staat."
"Daarmee beginnen we den jaardag dan," stelde Vader voor: "allen in optocht naar ouden Hendrik's kerseboom!"
En ja, zoo gebeurde het ook, toen de lang verwachte dag ten laatste was aangebroken.
Dadelijk, na 't ontbijt trokken ze er op uit: Vader, Moeder, de jarige Greet, Klaartje en de neven. Wat Hendrik en Trientje voor oogen opzetten, toen ze 't gezelschap regelrecht op hun huisje zagen aankomen!
Trientje deed de deur al open.
"Heb ik van mijn leven, zooveel bezoek," riep ze, 't hoofd van verbazing schuddend.
"Trientje, ik ben jarig!" zei Greet vroolijk; "ik ben vandaag jarig!"
"En nu komen we naar den kerseboom kijken of er wat aanzit," juichte Klaar.
"Kersen? Och lieve tijd," zei 't oudje meewarig, "als ze er aan waren, zou 'k ze graag geven, maar--"
"Kersen," zoo liet zich nu ook de plechtige stem van Baas Hendrik uit de achterhoede hooren, "kersen? Die moet je bij mij niet zoeken. Mijn boom is een doe-niet, hij moet er uit, in 't najaar, Burgemeester, maar mijn oude vrouw is er maar danig op tegen."
"Ja Burgemeester," zei Trientje nu erg beverig, "ja, als 'k hem aanzie, dan moet ik altijd aan mijn jongen, mijn Dirk, denken, die heelemaal aan den anderen kant van 't groote water is."--
Greet en Klaartje waren onderwijl al om 't huisje heen geloopen en hadden de neven meegetrokken.
"Er zit niets aan," riep Greetje teleurgesteld, toen ze bij de bank was.
"Hè," zei Klaartje, "hoe saai!"
Maar toen kwamen ze dichterbij en ja--daar schemerde wat roods!--Nog wat dichter er bij--vlak er bij.--
"O, o," juichten de meisjes en sprongen vroolijk in 't rond, "er zijn wél kersen aan! Trientje, kom gauw! Wel een half pond--neen, stellig wel een pond! Kijk, hier zitten er nog meer en dáár--en ginds--o, kom toch gauw kijken!"--
Nu stonden ze allen om den ouden kerseboom heen, de kinderen en de groote menschen!
Vader, Moeder en de neven lachten maar om de verrukking der meisjes.--Trientje schudde 't hoofd en was sprakeloos van verwondering, maar Baas Hendrik keek wat wantrouwend naar zijn "ouden doe-niet", terwijl hij met korte, stijve beweginkjes dichterbij kwam.
"Hendrik, we mogen ze immers wel plukken?" vroeg Moeder toen gauw, en, naar hem toegaande, gaf ze hem een knipoogje van verstandhouding.
"'t Treft mooi voor de meisjes, dat de kersen juist aan de onderste takken zitten," zei Vader; "kijk 's wat aardig, telkens bij trosjes van vier en vijf bij elkaar. Zoo heb ik 't nog nooit gezien!"
Er werd een trapje gehaald, want Greet en Klaar vonden, dat dit bij het kersen-plukken behoorde, al konden ze op gewone tijden wel zoo in den boom klimmen.
Baas Hendrik, die na een apartje met Moeder niet meer wantrouwend keek, bracht ook een weegschaal aan.
"Ik moet 's kijken of ik mijn gewicht wel krijg," meesmuilde hij.
"Wel heb ik van mijn leven," lachte oude Trientje, die nu de toedracht begon te begrijpen, "die jongeheeren uit de stad, weten toch altijd wat nieuws te verzinnen;"--en ze lachte zóó, dat Moeder haar naar de bank moest brengen om wat te bekomen.
"Er zitten draden aan, zwarte draden," riep Klaartje, die de eerste kersen gegrepen had, verbaasd uit.
Greet keek naar de neven. "O, nu begrijp ik 't al! Wat eenig bedacht," juichte ze. "Jullie hebben ze er aan gehangen! O, wat een slimmerds! Maar 't geldt nietwaar, Baas Hendrik, 't geldt toch! De afspraak was: als ze er aan hangen; we hebben niet gezegd: er aan gegroeid zijn."
"Dat weet ik nog niet," begon Hendrik, nu zoogenaamd gewichtig doende, "ik moet ze eerst op de schaal hebben; 't konden wel eens geen echte kersen wezen en--ik moet mijn gewicht ook hebben--tien pond, hebben we gezegd!"
"Neen, neen, een half pond was ook al genoeg," riepen de kinderen, "is 't niet Trientje?"
't Oude vrouwtje, nu weer wat bekomen, knikte.
"Ja, ja, dat hebben jullie afgesproken. Maar nu begrijp ik nog niet, wanneer de jongeheeren dat hebben klaargespeeld. Gisteravond waren ze er nog niet aan."
"Vanmorgen in de vroegte hebben ze 't wis en zeker gedaan," zei Hendrik; "ik dacht ook al, dat 'k zoo wat hoorde op 't pad."
"De jongens waren wel erg vroeg op," zei Greetje nadenkend, "Jans vertelde, dat ze de voordeur al uit waren, toen zij beneden kwam."
Maar de neven zelf zeiden niets. Ze lachten maar en hielpen de laatste kersen plukken, die wat hoog zaten.--
Toen werden ze in triomf naar de weegschaal gebracht.
Hendrik hield zich eerst nog, alsof 't volstrekt tien pond zouden moeten wezen, maar, gaf ten slotte toe, dat hij met één pond ook al tevreden zou zijn.
't Bleek, dat 't er drie waren!
Neen, nu had Baas Hendrik volgens recht en billijkheid toch niets meer te zeggen. Hadden ze aan zijn boom gehangen of niet?--
"Een man, een man--een woord, een woord, Hendrik," sprak Vader bij 't afscheidnemen met krachtige stem, toen de oude man 't alles maar op een grapje voor de kinderen wou gooien en warempel nu weer zijn standpunt tegenover den doe-niet zou gaan innemen.
Hendrik schrikte er van op. Hij schoof zijn pet heen en weer. Dat was een raar geval voor den nauwgezetten, ouden baas; ja, hij had zijn woord gegeven, als je 't zóó wou opvatten!--
"Ja," zoo kwam 't er eindelijk langzaam uit, "ja, als de burgemeester dat meent, ja, dan moet 't ook maar zoo wezen. Nog één jaartje zal ik lankmoedigheid betoonen; ja, daar heb je mijn hand, Burgemeester!"
Of Trientje blij was! Nu zou ze weer een heel jaar lang naar den kerseboom kunnen kijken en dan daarbij aan Dirk kunnen denken, die "heelemaal aan den anderen kant van 't groote water" was.--
En, als 't nu weer voorjaar is, zal Baas Hendrik dan weer zeggen, dat de kerseboom er met den herfst uit moet?--
Wel, wie weet of de oude doe-niet tegen dien tijd zijn leven niet betert--je kunt 't nooit weten--en anders--ik heb er zoo wat van hooren mompelen, dat Dirk van plan is over te komen om zijn oudjes nog eens te bezoeken; misschien weet hij er dan ook nog wel wat op te bedenken om den boom nog een jaar te sparen.
Weest er dan maar zeker van, dat Greetje en Klaartje daartoe wel een handje zullen meehelpen!--
VAN TWEE PAAR PANTOFFELTJES EN NOG WAT.
Er was eens een klein meisje, dat in een groot huis woonde.
Natuurlijk woonde zij daar niet alleen; kleine meisjes wonen nooit alleen in groote huizen! Wèl soms in gezellige kleine huisjes, die ze zelf maken van een paar stoelen en stoven en een gordijn uit Moeders rommelkist en waarin ze met hun poppen huishouden, net precies zooals ze dat zelf willen.
In groote huizen, waar ook nog groote menschen wonen, gaat het niet altijd precies zóó als de kleine meisjes het zelf willen.
Dat is erg vervelend.
Emma, zoo heette dit kleine meisje, wou bijvoorbeeld op St. Nicolaasavond volstrekt zoo lang opblijven als de groote menschen. Zij had gehoord, dat St. Nicolaas 's avonds zou komen, als zij al lang in bed zou liggen, om wat in haar pantoffeltjes te brengen. Maar zij wou dan niet in bed liggen en al lang slapen, ze wou op zijn om den goeden Sint te zien; dat dit niet mocht, maakte haar erg verdrietig, ja, en stout óók, zóó zelfs, dat zij in haar drift haar pantoffeltjes omkeerde, zoodat 't brood en 't hooi, dat er voor 't paard van St. Nicolaas in was gedaan, op den grond viel.
Emma kon er nooit goed tegen, zie je, dat de dingen niet precies zóó gingen als zij het graag wou!
't Hielp niets; ze werd toch op 't gewone uurtje in bed gestopt.--
--Maar Emma was een stijfkopje. Als zij dan niet òp mocht blijven, wou zij tenminste wàkker blijven, net zoolang tot St. Nicolaas kwam!
Met dikke tranen nog in haar oogen, knipperde ze tegen het nachtlichtje en zag er allemaal mooie, gekleurde figuren in. Door dit aardige spelletje trok haar booze bui af en werd ze weer een tevreden, vroolijk, klein meisje.
Gelukkig maar, anders zou 't geen je nu zult hooren, niet gebeurd zijn.
--'t Was zeker al heel, heel laat toen hij kwam, want ondanks haar plan om wakker te blijven, had Emma al geslapen en was de olie van het nachtpitje bijna opgebrand; 't scheen als een gloeiende spijker in de duisternis en sputterde alsof 't zóó uit zou gaan.
Emma was niets verwonderd, toen ze St. Nicolaas bij den haard zag staan;--van bang zijn was natuurlijk geen sprake, welk kind zou er nu bang voor St. Nicolaas zijn!
Nieuwsgierig keek ze wat hij deed: hij bukte zich over de omgekeerde pantoffeltjes en schudde het hoofd, want die pantoffeltjes vertelden hem wat van een klein meisje en een booze bui!
Emma schaamde zich.
"Ik zal er gauw 't brood en 't hooi weer in doen," riep ze en stond meteen in haar lang, wit nachtjaponnetje voor St. Nicolaas.
Deze keek haar vriendelijk aan.
"Dat is braaf," zei hij met zachte, diepe stem. "En kleed je dan maar eens warmpjes aan; je mag een uurtje met mij mee."
Emma trok vlug haar kleertjes aan.
In gewone tijden kon ze dit niet alleen, maar nu ging het zoo vlot,--'t scheen wel of de knoopen vanzelf in de knoopsgaten, de haakjes vanzelf in de oogjes vlogen en de bandjes zichzelf strikten. Ze vroeg geen enkel keertje: "waar gaan we dan heen?" of "hoe kan dat?" en anders was ze toch zoo'n kleine vraagal! Zeker kwam het door 't ongewone van 't geval!
Ja, ongewoon was het stellig wèl, dat daar een klein, klein meisje met St. Nicolaas voortreed door de stille, stille stad, waarop de zilveren sterren vriendelijk neerzagen.
"Nu zal ik je mijn pakhuis eens laten kijken," sprak St. Nicolaas en meteen hielden zij stil voor een groot gebouw aan 't havenhoofd, niet ver van den steiger, waaraan "de stoomboot uit Spanje" vastgemeerd lag. Emma keek tersluiks naar de groote, witte boot. Ze was er dolgraag eens even op geweest, maar toen ze eenmaal in het pakhuis was, vergat ze dien wensch geheel en al. Er waren groote zalen, zoo vol van het prachtigste speelgoed, dat je wel zoo klein en behendig als Emma moest wezen om er gemakkelijk je weg tusschendoor te kunnen vinden. Het was er uitgestald op breede planken, die langs de wanden waren aangebracht, op lange, ruw houten tafels op schragen, die haast braken onder 't gewicht van al deze schatten, ja en ook op den grond stonden zoo maar de prachtigste dingen. 't Kon een wonder heeten, dat er nog niets gebroken of beschadigd was van de fijne eetserviesjes, tooverlantaarns, miniatuur-automobielen, poppenmeubels en al wat er maar meer voor breekbaars was.
St. Nicolaas stond het glimlachend op den drempel aan te zien, hoe Emma vol verrukking rondhuppelde.
"Als je kiezen mocht, wat zou je dan nemen?" vroeg hij.
"Dit serviesje," zei Emma, maar in 't volgende oogenblik wees ze naar een groote pop, die een koffer beeldige kleertjes bij zich had. "O neen, veel liever deze mooie pop, alstublieft!"
"Goed," sprak St. Nicolaas; "maar nu moet je er ook bij blijven."
Van het speelgoed ging het naar de boekenbergplaats.
Hier kwam Emma oogen te kort om al de prachtige prentenboeken te bekijken; om de boeken met enkel verhalen gaf ze niet veel, daar ze nog niet zóó vlot lezen kon.--Er waren er veel meer dan in den grooten boekwinkel, waar ze laatst met moeder was geweest. "Wel honderdduizend maal zooveel," beweerde Emma opgetogen.
"O neen, nog veel meer," sprak St. Nicolaas. "Aan honderdduizend boekwinkels zou ik lang niet genoeg hebben. Je mag twee boeken uitzoeken, die je het mooist vindt."
Dit was een moeilijk geval. Emma zag wel boeken, waarvan ze wist dat haar broertje ze 't allermooist zou vinden, maar voor zichzelf--en daar ging het nu toch om--was ze zoo gauw niet besloten. Ze liep van den eenen stapel naar den anderen en telkens meende ze nog een mooier boek te zien.
Eindelijk had zij de allerprachtigste uitgezocht; ze handelden allebei over poppen.
St. Nicolaas wachtte geduldig. 't Scheen dat hij even, haast onmerkbaar, met 't hoofd schudde. Mogelijk verbeeldde Emma 't zich alleen maar.
Toen ze de deur uit gingen, werd zij er als 't ware toe gedrongen naar de jongensboeken te kijken, waarvan zij wist dat haar broertje ze zoo mooi zou vinden. Ze kon dat grootste nog wel nemen in ruil voor een van haar poppenboeken; St. Nicolaas zou 't zeker goed vinden.
Even draalde Emma--toen keerde ze zich om en liep weg, St. Nicolaas achterna; ze wou toch liever haar boek houden.
Nu was er een reeks zalen aan de beurt, waar het wel Luilekkerland geleek, want al 't lekkers, dat in den St. Nicolaasnacht "gereden" wordt, was hier opgestapeld. Bij zoo'n kolossale hoeveelheid was van uitstallen geen sprake meer geweest.
Hoog opgestapeld lagen daar banketletters, torens vormend, die tot aan de zoldering reikten; ginds was een borstplaatberg en in 't midden van de zalen kon je heelemaal niet loopen, want daar lagen hoopen en hoopen speculaaspoppen en taai-taai-figuren. 't Kleine strooisuikergoed, de dieren van suiker en de chocoladeletters waren in reuzenkisten geborgen. St. Nicolaas tilde Emma op om haar er in te laten kijken en toen mocht ze er allebei haar handen in steken; wat ze greep was van haar.
Toen ze weer op den beganen grond stond, had ze in haar eene hand een konijntje en een poes van suiker en in haar andere hand een groote D van chocolade. [1]
"Dat is mijn letter niet," zei Emma, want een beetje lezen kon ze wel: "mijn letter is een E!"
St. Nicolaas glimlachte. "Ja, je hebt er die D zelf uitgenomen; daar kan ik niets aan doen!"
"Een D smaakt ook wel lekker," zei Emma toen vroolijk en ze zeurde heel niet om de letter nog te mogen ruilen, zooals ze op gewone tijden allicht bij Moeder zou hebben gedaan.
Van Luilekkerland gingen zij naar de pakkamers, waar de zwarte knechts bezig waren duizenden manden in te pakken. Dit gebeurde in vliegende haast. Emma werd duizelig van 't kijken alleen.
Ze was blij, dat St. Nicolaas er bij was; de zwarte knechts trokken wel vriendelijke grimassen tegen haar, maar ze vond het toch wat griezelig hen zoo van dichtbij te zien.
"Dit moet allemaal vannacht nog worden rondgebracht," sprak St. Nicolaas. "Daarom ga je nu weer naar huis; ik heb het erg druk."
De pop en de prentenboeken werden netjes ingepakt om bij Emma thuis bezorgd te worden--het lekkers wou ze liever in de hand houden--en voordat Emma 't wist, reed ze alweer met St. Nicolaas door de stille stad.
"Hier in de buurt woont nòg een klein meisje, dat wel graag op had willen blijven om mij te zien, maar zij is er niet driftig om geworden, dat 't niet kon," sprak St. Nicolaas, toen ze bij een nauw steegje kwamen. "Ik weet, dat zij ook wakker is gebleven om op mij te wachten. We zullen er even binnengaan."
Hoe 't gebeurd was, kon Emma later niet navertellen, maar opeens bevond ze zich met St. Nicolaas onder den schoorsteen van een armelijk vertrekje. St. Nicolaas maakte licht, want 't was er donker.
't Allereerste wat Emma zag, was een paar pantoffeltjes met roggebrood er in. Ze stonden heel precies naast elkaar; stellig waren ze nog nooit in drift ondersteboven gegooid.
Nieuwsgierig keek Emma er rond. 't Kleine meisje, dat op St. Nicolaas wou wachten, lag zeker in 't ledikantje, dat in een hoek van 't kamertje stond.
"Gaat zij nu óók al het moois zien?" fluisterde Emma een beetje verlegen, terwijl ze naar de toegeschoven gordijntjes wees, die zachtjes bewogen.
"Dat kan niet; Doortje is ziek. Maar zij hoort er graag van vertellen en daarom heb ik je hier gebracht," sprak St. Nicolaas.
Een mager handje schoof nu de gordijntjes open en Doortje keek er uit. [2] O, zoo'n tevreden, gelukkige glimlach vloog over haar bleek gezichtje, toen ze St. Nicolaas zag!
"Moeder zei: 't gaf toch niets of ik al wakker bleef, want St. Nicolaas kwam toch niet, maar ik wist wel beter," fluisterde zij.
Onderwijl had St. Nicolaas het papier opgenomen, dat bij de pantoffeltjes lag. "Een schort voor Moeder; een pakje tabak voor Vader; een pet voor Jan en een dasje voor Trui," las hij hardop.
"En wat voor wensch heb je voor jezelf, mijn kind?" vroeg hij toen vriendelijk.
"Ik ben al zoo blij dat ik u heb gezien," stamelde Doortje, "ik hoef niets meer."
"O, maar als je mee hadt kunnen gaan en alles gezien hadt, zou je wèl wat weten te bedenken," riep Emma nu uit, en haar verlegenheid vergetend, kwam ze dichterbij en begon opgetogen haar wederwaardigheden te vertellen.
Doortje luisterde met stille verrukking.
"Waren er ook naaidoosjes?" vroeg ze bedeesd, toen Emma even ophield om adem te scheppen; "een naaidoosje zou ik toch nog wel graag willen hebben als 't niet te veel was! Dan kon ik Moeder helpen met haar naaiwerk."
Naaidoosjes? Ja, dat wist Emma niet. Zij had alleen maar naar dingen gekeken, waar zij plezier in had.
Om zich uit de verlegenheid te redden, liet ze Doortje haar lekkers zien.
"Kijk, een poes en een konijn van suiker en een D van chocolade, een groote! Wil je die hebben? Toe maar, 't is allemaal voor jou! Wat treft het mooi, dat jouw naam juist met een D begint!"