Part 3
"Zeg, daar heb je dat kind van Rietspaan! Net doen of we haar niet zien."--En Bertha nam Truus en Gonne bij den arm en draaide zich opzettelijk zóó, dat "'t kind van Rietspaan" gelegenheid kreeg de breede haarstrikken van 't drietal te bewonderen.
"Mag ik meedoen? Wat spelen jullie?" klonk 't op den ietwat zangerigen toon van een Oostersch kind.
"Niks," antwoordde Lina snibbig.
"Hè, flauw! Je bent toch aan 't touwtje springen! Zie ik toch, ja?"
"Als je 't ziet, waarom vraag je 't dan nog?"
"Nou ja! Zal ik voor jullie draaien?"
"Nee; we scheien er uit."
"Wat gaan jullie dan nou doen?"
Jo haalde haar schouders op. "Och!"
Ze duwden zoo'n beetje tegen elkaar aan, de zes; ze giegelden en smuusperden met elkaar en Doortje Rietspaan stond er naar te kijken met haar groote, donkere oogen, die nu nog grooter en donkerder geleken.
"Als 'k jarig ben, mag ik van mijn Tante meisjes vragen," zei ze op eens; "maar als jullie zoo vervelend doen, vraag ik je lekker niet."
"We zouden toch niet gekomen zijn, nietwaar Lien?" giegelde Gonne, terwijl de anderen het uitproestten.
"Verbeeld je, op een partijtje bij dat kind!"
"Nee, geen partij," verbeterde Doortje eerlijk; "spelletjes doen en raadseltjes opgeven en zoo--"
"Raadseltjes opgeven en zoo," bauwde Truus haar na.
"Dank je, hoor! Da's goed voor bewaarschoolkindertjes.--"
De tranen sprongen Doortje in de oogen. Overmorgen zou ze jarig zijn en nu had Tante vandaag gezegd, dat ze een paar kennisjes op visite mocht hebben.
Met een blij hartje was ze naar school gehuppeld. Als ze met zóó'n invitatie kwam, zouden ze haar toch wel meetellen, dacht ze, en ze had 't speeluur haast niet kunnen afwachten. Wie ze vragen zou? Ze was nog maar zoo kort hier op school!
"Wel," had Tante gezegd, "de meisjes, die 't aardigst voor je zijn."
Och, Tante wist 't niet, dat de meisjes geen van allen aardig voor haar waren. Doortje had 't nooit thuis verteld, omdat ze het zoo naar vond en zich er ook over schaamde. Maar ze had bij zichzelf gekozen: Mies, omdat die er zoo vroolijk uitzag en Jo, omdat ze vriendin met Mies was, en Truus, omdat alle meisjes haar zoo aanhaalden en Bertha, omdat ze naast haar zat. En nu,--nu deden ze zoo!
Doortje keek met een brandend gevoel in haar oogen naar de meisjes, die geen acht meer op haar sloegen en gehurkt op den grond voor 't hek zaten.
Waarom sloten ze er haar toch altijd buiten? Ze bedacht toch van alles om vriendelijk tegen ze te zijn met een griffel te leenen of een potlood of door soms voor te zeggen. Als ze maar eens wat heel groots kon doen, dan zouden ze misschien ook wel een klein beetje van haar gaan houden!
Doortje keek verlangend naar 't vroolijke gedoe van haar zes klasgenootjes. Ginds waren andere groepjes gezellig aan 't spelen en zij--zij stond hier zoo zielig alleen.
De wind ruischte door de takken van den ouden noteboom. Rrt--rrt--rrt--rrt.--Daar vielen weer een paar noten. Met een harden plof kwamen ze op den grond terecht.
"Hè--jammer," zei Jo. "Weer allemaal tusschen de brandnetels! Geen een naar dezen kant."
"Laat 's kijken, daar ligt er een. O nee, 't is een omgekruld blad; wat vervelend!"
Gonne had opgekeken. "O, zie dat malle kind van Rietspaan eens!" riep ze.
"O, als de Juffrouw dat bemerkt!"
Alle zes kwamen ze overeind; ze staarden met open mond en oogen naar Doortje, die vlug over 't hooge hek klauterde en nu met een behendig sprongetje midden tusschen de brandnetels en distels terecht kwam.
"Die durft, zeg!" klonk het bewonderend van Jo. "Verbeeld je, dat de Juffrouw er nu eens aankwam!"
"Kom hier staan, Bertha; zoo, en jij ook, Truus; anders ziet ze haar nog," riep Mies, net alsof Doortje een van hun clubje was, die ze moesten beschermen en niet maar "dat kind."
Zes neusjes tegen 't latwerk gedrukt, zes paar oogen glurend door de tusschenruimten, vol aandacht turend naar 't kleine, donkere figuurtje, dat daar, of 't zoo maar niets was, dapper op verboden terrein rondscharrelde tusschen de hooge brandnetels, die haar in 't gezicht sloegen telkens als ze bukte, en de scherpe dorens, die haar jurk al hadden gescheurd en bloedige schrammen op haar handen achterlieten.
"Er moeten er wel een boel liggen! Maar zeg, zou jij 't durven?" vroeg Bertha.
"Nee hoor, al waren 't er honderd," antwoordde Jo.
"Ze is er zeker dol op!"
"Nou, ze vindt er ook nooit eens een!"
"Nee, omdat zij niet hier op ons plaatsje mag zoeken; nogal glad!" riep Mies. "Jullie jagen haar altijd weg."
"En jij dan? Net of jij 't niet doet!"
"O, kijk toch eens wat een schort vol. Ze komt alweer terug."
"Als de Juffrouw nu nog maar even weg blijft."
Geen een zei: "wat zou dat--'t is immers "'t kind van Rietspaan" maar!"
Er waren ook meisjes uit andere klassen bij gekomen; allen stonden er nu in de grootste spanning naar te kijken, hoe Doortje, zoo vlug alsof 't een dagelijksche toer voor haar was, weer over het hek klauterde.
Een beetje bedremmeld om 't aangegroeide publiek, liep Doortje op de zes met 't springtouw toe. Wat zag ze er uit met de blaren in haar gezichtje, de beschramde handen en de leelijke scheur in haar jurk!
"Daar," zei ze en ze liet de punten van haar boezelaar los, zoodat al de noten over den grond rolden. "Voor jullie!"
De meisjes keken, alsof ze Latijn had gesproken.
"Toe dan, raapt ze op," zei Doortje, terwijl ze de te veel naar 't hek gerolde noten terugschopte. En toen, snibbig tegen een kind uit de laagste klas, dat wou bukken: "Blijf d'r af, jij--is niet voor jou!"
"En--en--jij hebt ze gehaald," stotterde Mies nu. Jo, Truus en Lina waren al aan 't oprapen.
"O, wat een hoop! Kijk toch eens, Mies!"
Nu lagen ze alle zes op den grond. Zakken en blouses werden volgestopt en juist perste Gonne de laatste in haar zak toen de bel luidde.
"Hier," zei Mies haastig en ze wou Doortje een handvol toestoppen. "Waarom heb je zelf niet meegegrabbeld?"
Maar Doortje hield haar handen op den rug. Ze schudde van neen en keek bepaald heel donker, toen Mies ze haar wou opdringen.
Op 't zelfde oogenblik kwam één der groote meisjes Doortje zeggen, dat ze bij de Directrice moest komen.
"Nu krijgt ze zeker een standje," zei Mies halfluid, terwijl ze Doortje nakeek, die zoo blij wegliep, alsof haar in plaats van een standje een cadeautje wachtte. "Toch vreeselijk goedig van haar, ons al die noten te geven!"
"Ja; heb je ooit zoo'n mal schaap gezien?" vroeg Gonne lachend, waarna ze op haar luidruchtige manier 't gebeurde aan meisjes, die er niet bij waren geweest, ging vertellen.
De andere drie kwamen er ook bij loopen, maar Jo voegde zich bij Mies.
"Zeg, 'k vind het vreeselijk sneu, dat ze haar toch heeft gezien. Zou ze erg boos wezen?"
Mies haalde haar schouders op.
"Weet je, Jo, 'k heb er erg 't land over, dat we Doortje altijd zoo hebben geplaagd; ze is toch eigenlijk wel een aardig kind en--"
Jo gaf haar een duwtje. "Stil, de Juffrouw!"
De lessen begonnen, maar Mies kon er niet met haar gedachten bij blijven. Telkens keek ze om. Kwam Doortje nog niet? Dan was 't zeker wel vreeselijk erg.
De noten lagen haar als lood in den zak.
Eindelijk, daar ging de deur open. De Directrice bracht Doortje zelf binnen. Ze zag er heelemaal niet boos uit, maar Doortje had een behuild gezichtje. Nu fluisterde de Directrice een heelen tijd met de Juffrouw, die toen ook heel vriendelijk tegen Doortje was.
In de eerste oogenblikken zaten ze allen heen en weer te draaien en haar aan te staren.
Toen de les werd voortgezet, ging 't al wat beter en toen de Juffrouw begon te vertellen, zooals ze 't laatste uur 's Donderdagsochtends altijd deed, werden ze weer geheel rustig.
't Was dan ook zoo'n mooi verhaal over een jongetje, dat in huis kwam bij een groot gezin, waar de kinderen niets lief voor hem waren en hem nooit meetelden, maar die hij toch langzamerhand door allerlei kleine vriendelijkheden voor zich wist te winnen.
Mies kon 't niet helpen, dat ze gedurig aan Doortje moest denken. Er waren er wel meer, die aan Doortje dachten. Dat kon je wel zien aan het tot over de ooren kleuren van sommigen en het niet durven opkijken van anderen. Maar Mies liet 't niet bij denken alleen. Om twaalf uur wachtte ze Doortje op en stopte haar op eens de noten in de tasch; die kon ze nu gewoon niet houden!--
Doortje keek er nu niet donker om. Neen, ze lachte Mies, die haar gezellig een arm gaf, toe, door haar tranen heen, en fluisterde, een beetje verlegen nog, maar toch overgelukkig: "Die eet ik nooit op--ik bewaar ze onder in mijn kastje en ik zal mijn Pa en Ma in Indië schrijven, dat jij zoo lief voor mij bent, ja?"
Even later vertelde zij met een stralend gezichtje aan Tante, dat haar beste vriendinnetje op haar jaardag zou komen; aan die had ze genoeg; en of ze dan mocht blijven eten ook.
En op 't verwaarloosde plekje grond liet de noteboom, de oude vriend van de kinderen, voor en na al zijn noten tusschen de distels en brandnetels rollen. Slechts enkele kwamen er nog terecht bij de speelplaats, vlak bij 't hek, waar Doortje toen dien ochtend over was geklommen.
WEER GOED GEMAAKT.
Tom van den burgemeester was een echte bengel! Wat hij al niet voor kattekwaad uitvoerde--nu, daar konden de menschen op 't dorp een boekje van opendoen--soms met een zucht, maar meestal met een lach want, hoe ondeugend en lastig Tom kon zijn, ze mochten hem allemaal graag lijden om zijn open, rondborstig karakter. Leelijk, geniepig plagen, valsch doen bij werk of spel, mensch of dier expres leed veroorzaken--ho maar, daar was onze Tom niet van thuis. Integendeel sprong hij altijd in de bres, als hij andere jongens zoo zag handelen, en, al waren ze veel grooter dan hij, met zijn vuisten moesten ze kennismaken, en ferm ook.
Geregeld een paar maal in de week, kwam Tom met een buil hier of daar en gescheurde kleeren thuis, tot groot ongerief van zijn Moedertje, dat met Juf maar druk werk had, om haar oudste netjes in de plunje te houden. Maar als Tom dan zoo vol vuur vertelde van 't arme, kleine katje, dat hij uit de handen van Krelis en Teunis, "die wreede boerenpummels", had bevrijd, ja, dan kon Moeder toch niet boos blijven en was zelfs in haar hart trotsch op haar fermen, kleinen ridder, terwijl ze 't minder fraaie woord, dat hem ontsnapt was, maar op den koop toe nam.
Zijn zusjes, Greta en Mies, waren dol op hem en beschouwden hem als een held. Tom kon alles en grooter feest wisten ze zich niet voor te stellen, dan een poppenpartij in 't priëel met Tom er bij als gast. Heel dikwijls gebeurde dit echter niet; gewoonlijk had de bengel veel meer lust, om met zijn kornuiten te ravotten, dan zoo voorzichtig met die breekbare poppen te moeten omgaan. Breekbaar, ja, heel licht breekbaar; dat had hij al een paar maal tot zijn schade ondervonden en daardoor was zijn spaarpot al weer zoo licht als een veertje geworden. 't Sprak van zelf, vond Tom, dat hij Greta's pop, Bella, een nieuw kopje gaf, toen hij die had gebroken, en dat Mies een nieuw badpoppetje van hem kreeg, toen hij 't aardige, kleine, rose Bébeetje bij een gevaarlijken toer had laten verongelukken. Daar was Tom altijd vlot mee: had hij wat uitgevoerd, ruiterlijk bekende hij schuld en was dadelijk bereid, de schade weer goed te maken.
Bij zoo'n gelegenheid zei Vader eens: "Tom, Tom, tot nu toe heeft je onbesuisdheid nooit onherstelbare gevolgen gehad, maar denk eens aan, hoe vreeselijk 't zou zijn, als je door onvoorzichtigheid of woestheid een ongeluk veroorzaakte, dat nooit, zelfs niet met den besten wil, goed te maken was!"
Dat klonk ernstig en maakte indruk.
Een paar dagen lang deed hij werkelijk zijn best, wat minder wild te zijn; Juf zei, dat ze wel een poosje vacantie kon nemen, nu Tom haar zoo weinig verstelwerk verschafte.
Toen kwam de laatste schoolmorgen voor de groote vacantie. Alle kinderen waren uitgelaten bij 't vooruitzicht, nu weldra vier lange weken vrij te zullen zijn. De aandacht was niet meer bij de lessen, doch de onderwijzers zagen gelukkig vandaag wat door de vingers en lieten maar veel zingen. Heisa, wat klonk dat ferm en frisch! Tom's stem werd boven alles uit gehoord.
't Was een uitkomst voor den levendigen jongen, zoo ongestoord de blijdschap, waarmee hij tot overvloeiens toe vervuld was, te mogen uitjubelen. Vier weken vacantie! Uit logeeren gaan naar Oom en Tante in Scheveningen! Met de neven in zee zwemmen, stoeien in de duinen! Geen wonder, dat Tom, met zoo'n verrukkelijken tijd in 't verschiet, bijna niet stil kon blijven zitten. Zoo gauw de schoolbel dan ook luidde, stormde Tom hals over kop naar buiten, schreeuwend, tierend, van louter malligheid zijn kameraads de petten afslaand, boksend met den een, schermend met den ander, bereid tot 't uithalen van alle mogelijke grappen. 't Scheen wel, dat zijn bengelsnatuur zich met vernieuwde kracht moest doen gelden, na den dwang, dien hij zich de laatste dagen had aangedaan.
Eindelijk nam hij een handvol kiezelsteentjes van den grindhoop aan den weg en keilde ze, zoo ver ze wilden gaan. Geen haar op zijn hoofd dacht aan de waarschuwing van Vader, die hem zoo vaak op 't gevaarlijke van steentjes gooien had gewezen.
Daar kwam een karretje op twee wielen met een ezel er voor gespannen den weg af sukkelen.
"Wacht even," riep één van de jongens, maar Tom luisterde niet en ging door met zijn uitbundig spel. O wee, daar trof hij 't ezeltje, dat geducht schrikte en een zijsprong deed. De kar kiepte achterover! De oude man, die er schrijlings op zat, tuimelde er af.
Alle jongens verdrongen zich om den gevallen grijsaard, die zich erger bezeerd scheen te hebben, dan in 't eerste oogenblik gedacht werd.
"Leun maar op mij," zei Tom ongerust. "Toe dan; probeer eens op te staan!"
"Ik kan niet, wezenlijk, ik kan niet! Mijn linkerbeen, o, ik geloof, dat het gebroken is!"
Kermend liet hij zich weer op den grond zakken.
Tom keek radeloos rond. Met verschrikkelijke duidelijkheid klonken hem nu Vader's woorden in de ooren: "nooit goed te maken, zelfs met den besten wil nooit goed te maken!"
Een paar jongens hadden hulp gehaald op de dichtstbijzijnde boerderij. Voorzichtig werd nu de gekwetste naar zijn huisje vervoerd, dat een eindje buiten 't dorp stond, terwijl Piet van den smid en Tom met de ezelkar volgden.
"'t Is een heele schâ voor hem," zei Piet, hoofdschuddend kijkend naar 't partijtje gebroken bloempotten en gehavende planten in de kar. "Hij kwam zeker van de bloemenmarkt in de stad."
Tom antwoordde niet en probeerde zich te herinneren, of hij niet nog ergens wat geld had. Zijn spaarpot was leeg, maar och, wat zat hij dáárover te tobben! Die schade zou Vader desnoods graag vergoeden. Neen, als 't dát alleen was....
Alsof Piet zijn gedachten had geraden, begon hij: "Als ik Janus was, zou ik liever al mijn bloempotten breken, dan kreupel worden, en jij?"
"Kreupel? Denk je dat?" viel Tom verschrikt uit.
"'k Heb er een zwaar hoofd in; een been breken, als je zoo oud bent, is geen gekheid. Misschien zal hij nooit weer goed kunnen loopen."
Tom werd zoo koud, alsof 't midden in den winter was. Janus ongelukkig-worden door zijn onbedachtzaamheid--o, 't was vreeselijk om 't in te denken--maar als 't eens uitkwam zooals Piet zei, wie moest dan voor Janus zorgen, wie den kost voor hem verdienen? Hij had kind noch kraai op de wereld en leefde van 't geen zijn tuin opbracht. Tot nu toe had hij 't wel niet ruim gehad, maar toch ook nooit armoede geleden. Doch, als de oude man zijn plekje grond niet meer kon bebouwen, niet meer in staat was zijn groenten, bloemen en vruchten aan de markt te brengen.... Tom wou niet verder doordenken. Tot Piet's verbazing sprong hij pardoes van 't wagentje en holde naar huis, waar hij Vader en Moeder onder bittere tranen alles vertelde. Beide spraken heel, heel ernstig met hem. Vader beloofde daarop dadelijk naar Janus te zullen gaan zien, wat Tom al een beetje kalmer stemde, evenals Moeder's voorstel, om alle schade eerst te betalen en dan van Tom's weekgeld in te houden. Hij had dan tenminste 't gevoel, dat hij deed wat hij kon.
't Scheen Tom toe, dat Vader eindeloos wegbleef. Ongedurig liep hij heen en weer. Wat de zusjes ook verzonnen om hem op te beuren, hij kon er niet eens naar luisteren. Telkens zag hij den ouden tuinder kermend van pijn in zijn eenvoudig slaapkamertje en Vader, bedenkelijk 't hoofd schuddend, aan zijn bed staan.
Na een uur van vreeselijke spanning ontdekte Tom's scherpe blik een tipje van Vader's hoed boven de heg. Hij popelde om er heen te vliegen en was toch ook weer bang voor 't geen hij mogelijk zou hooren.
"Tom, Tom," riepen de zusjes, die vooruit gehold waren en nu met Vader den tuin door kwamen: "'t Been is niet gebroken en de dokter zegt, dat 't best terecht kan komen. Wees nu ook weer vroolijk."
"O Vader, is 't waar?" vroeg Tom, terwijl hij beurtelings rood en bleek werd en hij begon wezenlijk weer te schreien. "Ik heb er Onzen Lieven Heer zóó om gevraagd en nu ben ik zoo blij--dáárom huil ik"--en Tom, de bengel, drukte zijn gezicht tegen de jas van Vader, die onderwijl bedaard verslag deed van zijn bezoek.
Neen, 't been was niet gebroken, maar verstuikt en zou met eenige weken rust weer in orde zijn, terwijl bij onderzoek gebleken was, dat de val en de schrik voor den ouden man verder geen slechte gevolgen hadden gehad.
Met opgeluchte harten gingen Vader, Moeder en kinderen nu aan 't overleggen, hoe ze Janus gedurende zijn gedwongen rust 't best zouden kunnen bijstaan.
Tom was stil; hij scheen iets op zijn eigen houtje uit te spinnen. Toen de zusjes naar bed waren, had hij nog een apartje met Vader en Moeder. 't Liefst zou hij daarop dadelijk naar Janus zijn gegaan om hem te zeggen, hoe 't ongeval hem speet, maar Vader vond 't beter den ouden man, die boven alles rust noodig had, nu niet meer te storen. Den volgenden morgen kon hij immers zoo vroeg gaan als hij wou.
Nu, dit deed onze Tom dan ook. Vóór dag en dauw was hij er al op uit en toen hij pas tegen de koffie warm, moe en stoffig terugkwam, keek hij zóóveel vroolijker, dat de zusjes niet konden nalaten te vragen, wat hij toch had uitgevoerd.
"'k Ben bij Janus geweest!"
"Was hij erg boos?"
"Nee, 't is me vreeselijk meegevallen" en Toms oogen schitterden. Meer konden ze niet uit hem krijgen.
De volgende ochtenden verscheen Tom weer niet aan 't ontbijt en toch was hij wel bijtijds op geweest. Mietje, de keukenmeid, verklaarde tenminste, dat ze hem al in de vroegte het tuinhek had zien uitgaan.
Greta en Mies begrepen er niets van. Vader en Moeder haalden glimlachend hun schouders op, als ze er naar vroegen en Tom, die gewoonlijk pas weer tegen koffietijd kwam opduiken, wou er heelemaal niet over spreken. Ja, 't scheelde niet veel, of Greta en Mies zouden hem boos hebben gemaakt met haar vragen, vooral toen ze over zijn logeeren bij Oom en Tante in Scheveningen begonnen.
"'k Blijf de heele vacantie thuis; nu weet je 't en zeur nu niet meer," zei hij korzelig. Daarmee moesten ze zich tevreden stellen.
Wat Tom dan toch zoo vroeg op 't pad deed en waarmee hij 't zoo druk had, dat 't uit logeeren gaan er bij scheen te moeten inschieten?--
De marktbezoekers in 't naburige stadje, die gewoon waren hun inkoopen bij Janus te doen, keken vreemd op, toen ze op zekeren ochtend een blozend jongensgezicht met ronde appelwangen boven de manden jonge groenten en vruchten in 't welbekende stalletje zagen uitkijken, in plaats van 't gerimpelde, magere gelaat van den ouden tuinder. Maar 't bleek al spoedig, dat ze evengoed door dezen nieuwen koopman werden bediend, die, al had hij in 't begin nog wel eens moeite om de juiste dingen gauw te vinden, de lui met een grapje in hun humeur wist te houden, zoodat ze niet ongeduldig van hem wegliepen. In plaats dus van klanten te verliezen, kreeg Janus' stalletje er gedurig nieuwe bij, die begonnen met mee te lachen om de snaaksche invallen van den jongen en eindigden met ook van hem te koopen.
's Donderdags op de bloemenmarkt had hij letterlijk geen handen genoeg om allen te helpen, die van hem bloemen en planten wilden koopen, omdat ze nergens anders zulke mooie waar voor hun geld kregen.
Had 't ezeltje op den heenweg een heel wat zwaarder vrachtje te torsen dan vroeger met den ouden baas, daar de nieuwe bij 't gewone partijtje bloempotten nog een heele bezending planten en bloemen inlaadde, die bij de achterpoort van burgemeesters tuin gereed stond, op den terugweg had hij 't dan ook bijzonder gemakkelijk en mocht zijn baasje gerust in 't leege karretje zitten.
En koopman Tom? Hoe vond die 't nieuwe leven? Had hij geen spijt van de opgeofferde vacantiepret?
Nu, eerlijk gezegd viel 't hem in 't begin verbazend moeilijk om ferm bij zijn besluit te blijven, vooral toen er brieven van de neven kwamen vol opsommingen van de pret, die ze aan 't strand hadden, en met dringende vragen om toch ook te komen aan het eind.
Met leede oogen zag hij Greta en Mies in zijn plaats gaan om van al die heerlijkheden te genieten, terwijl hij zich vrijwillig moe maakte met voor hem ongewoon werk en dat nog wel in de vacantie!
Maar wanneer hij dan voor Janus 't verdiende geld mocht uittellen en de dankbare woorden hoorde van den ouden man, waren die spijtige gedachten plotseling verdwenen en voelde Tom, zonder er uitdrukking aan te kunnen geven, dat al 't plezier in Scheveningen niet opwoog tegen de blijdschap, die hij op dat oogenblik smaakte.
't Kwam uit, zooals de dokter gezegd had. Met eenige weken rust was Janus weer geheel in orde en op den laatsten dag van Tom's vacantie kon de oude tuinder zijn werk weer zelf opnemen.
Dat was een gewichtige ochtend, toen koopman Janus en koopman Tom samen naar de markt reden als waardig slot van deze weken.
Moeder stond er vroeg voor op en kwam ook inkoopen doen van groenten en vruchten en ten slotte kocht ze een pot met mooie, vuurroode geraniums.
Dien vond Tom op zijn kamertje staan, toen hij 's middags thuis kwam. Er was een strookje papier op een stokje in de aarde bij gestoken. "Tot herinnering" stond er op geschreven; niets meer, maar 't was ook voldoende.
De herinnering aan deze zomervacantie was van grooten invloed op 't verdere leven van bengel Tom, die, hoewel hij druk en vroolijk bleef, toch veel van zijn onbesuisdheid en onbedachtzaamheid verloor.
DE KERSEN.
"Zoo'n doe-niet, zoo'n sta in den weg," zei oude Baas Hendrik, terwijl hij bij den knoestigen kerseboom op zijn bleekveldje stond. "Ja, 't is nu voor 't laatst, dat je een voorjaar beleeft; in den herfst moet je er uit. 'k Heb lang genoeg geduld gehad. Altijd bladeren, maar nooit kersen! Waarom heb 'k dán een kerseboom, als ik er nooit kersen van plukken kan?"
Hendrik liep nu met korte, afgemeten stappen om den kerseboom heen en schudde zijn bruine, verweerde vuist tegen den doe-niet.
Greet en Klaar, de kleine meisjes van den burgemeester, die bij Trientje op de bank voor de keukendeur zaten, keken verschrikt bij deze bedreiging van Hendrik tegen zijn kerseboom. Zij kwamen graag bij de oude luidjes op visite en dan was deze boom met zijn lagen stam en breede, knoestige takken een prettig kameraadje voor haar beidjes. Ze konden er zoo gemakkelijk zonder hulp inklimmen, deden gymnastische toeren aan de takken of zaten er schrijlings op bij het paardje spelen.--Met groote oogen keken ze nu naar het bleekveld en probeerden 't zich voor te stellen hoe dit er wel zou uitzien zonder den kerseboom.
"Zeker erg raar," dachten ze.
"Neen, Hendrik moet hem laten staan," zei Greet op beslisten toon als slotsom van haar overdenking.
"Dat doet hij niet," sprak nu Trientje droevig voor zich heen, "o neen, dat doet hij niet. Hendrik heeft 't zich nu eenmaal in 't hoofd gezet, dat hij er uit moet, omdat hij geen vruchten draagt en nu moet hij er uit ook--och heden--de boom, dien mijn Dirk nog geplant heeft als zoo'n kereltje!"-- En ze wees met haar taankleurige, rimpelige hand een hoogte van een paar turven aan.
"Dirk, die al zoo lang in Amerika is?" vroeg Greet.