Part 2
Aan 't eind van den tuin was een stal. Tante Bets deed de deur open en bracht Annie bij een bruinen ponnie, die mak en aardig was en zelfs kunstjes kon doen. Als Tante hem vroeg om een poot, lichtte hij den voorpoot op en hij kon ook een klontje suiker uit Tante's zak halen. Wat zouden de jongens dat leuk vinden!--Maar nog mooier werd 't, toen Annie op den ponnie mocht rijden! Tante Bets hield haar vast en zoo ging het 't geheele park door.
Annie genoot, maar vond 't onderwijl toch jammer, dat Piet en Arnold en Kees haar nu niet konden zien. Wat zouden ze voor oogen opzetten: Annie zoo deftig op een ponnie!--
Aan tafel was Annie stil. Ze zat daar in een groote, groote kamer, ja, je kon wel zeggen: een zaal,--alleen met Tante Bets, voor een tafel heerlijke dingen. Tante bediende haar van alles en praatte vroolijk en gezellig, maar telkens was 't Annie alsof ze iets miste. Als er een feestje thuis was en er kwam dessert op tafel, dan was Annie er altijd op uit om gauw met haar oogen de lekkerste stukjes vast uit te kiezen. O wee, als één van de jongens dan ook juist zijn zin op zoo'n stukje had gezet,--wat kon Annie dàn kwaad zijn! Wat had ze dàn vaak gedacht: "hè, ik wou, dat er eens dessert op tafel kwam, zonder dat jullie er bij waren." Maar dat gebeurde natuurlijk nooit. Zoo iets bijzonders als dessert zou Moeder toch nooit geven, als ze niet allemaal present waren!
Nu, hier waren de jongens er dan niet bij; je zoudt dus meenen, dat Annie nu wel erg genieten zou. Tante Bets liet Annie zelf de lekkerste dingen van de schaaltjes kiezen en had er 't grootste geduld bij. Toch was en bleef Annie stil; je kon wel zien, dat ze ondanks dit alles niet den rechten schik had.
Na 't eten zou ze wat kleuren.
Tante had een pracht van een verfdoos en mooie, duidelijke platen.
"Hè ja," zei Annie, met iets van opluchting in haar stem,--"kleuren, dat 's leuk!"
Vol ijver begon ze; Tante Bets bleef bij haar zitten; dat was prettig. Wat zou Annie nu mooi kleuren! Niemand, die aan de tafel stootte of haar 't penseel afpakte of wel wijze opmerkingen maakte over Annie's werk.
Ja, dàt zou je zoo denken,--maar als je na een minuut of tien over Annie's schouder gekeken hadt, zou je gezien hebben, dat er allemaal vegen en halen buiten 't lijntje gekomen waren--een boom werd blauw in plaats van groen en de bruine verf van 't hek was doorgeloopen, alsof 't er op geregend had.--En 't regende nog aldoor: druppelde, druppelde, druppel ging 't op de plaat. Dat waren Annie's tranen. Annie schreide toch zoo en daardoor kon ze ook niet zien, of ze blauw, dan wel groen nam voor den boom.
"Mijn lieve kind, wat scheelt er aan?" vroeg Tante Bets verschrikt, toen ze Annie's verdriet gewaar werd.
"'t Is,--'t is hier ook zóó stil;--je hoort hier niets," schreide Annie; "ik wou weer naar huis, naar Vader en Moeder, en naar Piet en Arnold en--K--Kees!" Met een snik kwam dit laatste er uit.
Tante Bets nam haar op den schoot; ze was gelukkig niets boos; neen, ze zei, dat ze 't zich best kon begrijpen. 't Was hier bij haar ook erg stil en als je thuis dan ook zulke aardige broertjes hadt als Annie....
"Ja," knikte Annie en stemde 't volmondig toe, dat ze aardige broertjes had.
Ze plaagden wel eens of deden wild, vervolgde Tante, maar 't waren toch leuke jongens, en 't was heel natuurlijk, dat Annie 't geen dagje buiten hen kon stellen.
Toen Tante en Annie 't dus hierover zoo eens waren, konden de tranen spoedig gedroogd worden. Samen bedachten ze nu een mooi plannetje en toen liet Annie zich zoet naar bed brengen. Ze was nu weer heelemaal getroost, maar wel tien keer moest Tante haar nog verzekeren, toen ze er al in lag, dat 't heusch zoo zou gebeuren, als ze 't samen afgesproken hadden, namelijk dat Tante morgenochtend vroeg Piet, Arnold en Kees zou laten halen om met Annie met 't mooie speelgoed te spelen en op den ponnie te rijden.--O, die Annie!--'t Alleen-zijn was haar dus niets bevallen. Zou je niet denken, dat ze er door geleerd had in 't vervolg ook meer van de broertjes te verdragen?--
TAFELS KIJKEN.
Als een pijl uit den boog vloog Jo de deur uit. In de lange, rechte straat waren de lantarens al opgestoken; de vlammetjes straalden breed uit, wazig door den mist, en als je dat lange, rechte eind afkeek, schenen ze heel in de verte aan weerskanten van de straat samen te komen in één lichtschemering.
Jo's voetstappen daverden door de stille buurt, die aan den uitersten kant van de nieuwe stadswijk was gelegen. 't Sloeg al half en om kwart voor vijf moest hij op 't Plein zijn. Als hij nu te laat kwam, zou Koo Jaspers bepaald zeggen, dat 't kwam doordat hij zoo'n moederskindje was, dat alles eerst thuis aan zijn Moeder moest vragen. De andere jongens bleven zoo maar na schooltijd rondslenteren op straat, maar Jo had Ma eens en voor al moeten beloven dat niet te doen, en als een flinke jongen hield hij zijn woord ook. Dan maar liever wat harder rennen.
Natuurlijk had Ma 't goedgevonden, dat hij mee ging tafels kijken; dit wist Jo wel vooruit, al had Jaspers ook voorspeld, dat hij zeker niet zou mogen als hij 't eerst ging vragen.
Jo lachte en voelde eens eventjes in zijn zak naar de twee kwartjes, die Ma hem had gegeven. Die mocht hij nu eens net besteden, zooals hij wilde, had Ma gezegd. 't Eene werd vast aan iets voor Ma uitgegeven, dat stond als een paal boven water, en 't andere zou ook zijn weg wel vinden met 't dubbeltje, dat Jo nog van zijn eigen geld had. Met vijf-en-dertig cent kan je een boel doen, als je niet in al te dure winkels gaat en je tevreden stelt met de gewone aardigheidjes van de tafels, zonder in mooie surprises te vervallen.
Hoe meer Jo het oude stadsgedeelte naderde, des te drukker waren de straten, welke hij door moest, en des te mooier de uitstallingen der winkels. Kijkgragen en koopers verdrongen zich er voor. Vooral de speelgoedmagazijnen en de banketbakkerswinkels trokken veel publiek door aardige toespelingen op het Sint-Nicolaasfeest. Jo kon 't niet laten gedurig even stil te staan om er naar te kijken, hoeveel haast hij ook had om op 't Plein te komen. En dan drong hij zich weer met de ellebogen door de menigte verder en liep menigen duw en menige verwensching op om zijn wildheid.
Met een "hallo" werd Jo begroet. Drie van de vrinden waren er al en de vierde kwam even later dan Jo; die was in zijn eentje al een boodschap gaan doen.
"Mocht je van je Moesje?" vroeg Koo Jaspers, flauw een lijmerige kinderstem nabootsend.
"Natuurlijk," zei Jo kortaf, terwijl hij hem een stomp gaf, die hem bijna 't evenwicht deed verliezen. "Zeur nou niet!"
"Jaspers, houd je laffe grappen voor je," riepen de anderen, die Jo, den kapitein van hun clubje, niet door zoo'n vervelendheid van Jaspers, 't minst in tel zijnde lid nog wel, uit zijn humeur gebracht wilden zien. Wat deed 't er ook eigenlijk toe, dat Jo eerst altijd naar huis moest om te vragen of hij mocht? Een flauwe, laffe jongen, die niets durft en niets kan, was Jo toch heelemaal niet, hoor! Jaspers mocht willen, dat hij zoo was als Jo! De jongens waren echt trotsch op den aanvoerder van hun club; in de heele klas was er toch maar geen jongen zoo in trek als hij! Koo Jaspers moest zich dus maar netjes stilhouden!
Dat brachten ze hem gauw aan zijn verstand en met heel wat minder praats liep Jaspers mee met de anderen, de drukste winkelstraat in, waar je rechts moest houden en waar je maar voetje voor voetje vooruit kon komen, zoo verbazend vol was 't er.
De jongens vonden 't leuk. Telkens stonden ze stil voor de uitstallingen.
"Ga jij veel koopen?" vroeg Wim Vaasen aan Jo. "Heb je veel bij je? Ik drie dubbeltjes!"
"Ik acht-en-dertig cent, zeg," riep Rudolf Roose.
"En ik een kwartje! Hoeveel jij?"
"Zestig cent," zei Jo, en toen met iets van trots: "Ik heb twee kwartjes van Ma gekregen daareven; 'k mag er net mee doen wat ik wil!"
"Nou zeg!" klonk het met onverholen bewondering en Jo groeide er in, dat de jongens nu dan toch zagen hoe Ma hem vertrouwde en 't dus dáárom niet was, dat hij 't Ma vooruit moest vragen, als hij met de jongens uit wilde!
Jo speelde eerst de rijke meneer in de winkels, waar ze de tafels gingen kijken. In 't bewustzijn van zijn bezit kon hij moeilijk tot een keus komen: de eenvoudige prulletjes als suikeren scharen, mesjes, lilliputter-chocola-lettertjes en brokken gebroken borstplaat liet hij maar aan de anderen over. Hij was erg lastig bij 't uitzoeken, maar 't eind was dan, dat hij toch den winkel weer uitging zonder iets te hebben gekocht, behalve in een van de fijnste chocolademagazijnen, waar de andere vier eerst niet in wilden, omdat daar toch niets van hun gading of liever niets voor hun magere beurzen te vinden was;--daar kocht hij een groote, mooie borstplaat voor Ma, in een doos, voor een van zijn beide kwartjes. De vrinden stonden intusschen op een kluitje bij de deur, die onophoudelijk open en dicht ging om dames en kinderen binnen te laten, die dan verdwenen in de groote kamer achter den winkel, waar de tafels waren. Buiten stonden een paar rijtuigen te wachten; 't gerinkel van de paardebelletjes klonk vroolijk en feestelijk, telkens als de deur openging.
De jongens waren blij, toen Jo zijn borstplaat gekocht had. Ze voelden zich niet erg op hun gemak in dien deftigen winkel met nuffige, kleine meisjes en jongetjes, die er uitzagen als de kleine Lord--zij waren beter op streek in de drukte op straat, en zoo gauw ze dan ook weer buiten waren, lieten ze hun joligheid den vrijen teugel; arm in arm hosten ze zingend door de menigte. Een paar jongens van school, die ze voorbij liepen, werden aangehaakt. Frans Walgraver, een jongen met een vroolijk, rond gezicht, was dadelijk bereid mee te gaan, maar Paul Wezels, een kleine, magere bleekneus, die iets schuws in zijn blik had en je zoo onzeker door zijn bril kon aankijken, deed vergeefsche pogingen om los te komen uit den greep van Wim en Rudolf. Dit prikkelde de opgewonden bende juist om van de grap ernst te gaan maken.
"Stribbel maar niet tegen!" riep Koo Jaspers. "Mee zul je en mee moet je, of je wilt of niet. Wij gaan langs de tafels en jij moet ons trakteeren!"
"Ja, mannetje, daar kom je niet af," zei Jaap, terwijl hij Paul steviger beet pakte. "Weet je wel, dat 't een groote eer voor je is, dat je de beroemde club mag onthalen? Kapitein, spreek ook eens een woordje mee!"
"In naam der club, je bent onze gevangene," zei Jo zoo barsch mogelijk, terwijl hij den hem verwilderd aanzienden Paul meetrok, en toen zachtjes: "Kom, jô, ga nou maar even mee, des te eerder laten ze je met rust--wat is dat nou--effentjes!"
"Och maar, maar...." stotterde Paultje, die trilde van zenuwachtigheid en van koude--"ik, ik kan niet en--en--'k heb geen geld ook!"
"Dat zijn jokkens," gilde Frans. "Je hebt geld in je zak--je hebt me daarnet zelf verteld dat je boodschappen ging doen!"
Paul trachtte nog iets in 't midden te brengen, maar er hielp niets aan. De vroolijke bende omjoelde hem en maakte zoo'n spektakel, dat zijn zwakke stem er geheel onder verloren ging. Sommigen van de voorbijgangers keken glimlachend naar dat jongensgedoe, maar anderen, meer haastig gebakerd, bromden over zoo'n opstootje in de toch al zoo drukke straat en een politieagent, die er voor te zorgen had, dat 't verkeer niet gestremd werd, gelastte hun door te loopen. Als Paul gehoopt had nu te kunnen ontsnappen, had hij toch buiten den waard gerekend! De jongens waren minder dan ooit van plan hun buit te laten gaan, nu ze gehoord hadden, dat Paul, ondanks zijn beweren van het tegendeel, wèl geld op zak had. Zoo'n schriele, die zich altijd maar hield, alsof hij niets had, nooit eens mee kon doen! Zoo'n stiekemerd! Dat zouden ze hem nu wel eens betaald zetten! Ook Jo, die zelf zoo royaal en openhartig was, had Paul nu met één slag tegen zich ingenomen. Jo vond 't maar wat gezond, dat Paultje nu eens op zijn nummer werd gezet. Eerst hield hij hem nog vast, maar 't hoefde niet meer; Paul begreep, dat hij toch niet tegen Jo's sterke knuisten was opgewassen en liep gedwee mee.
"Naar Schoenmakers, jongens!" riep Jo op 't drukke kruispunt, waar ze de Markt moesten oversteken. "Daar houden we groote smulpartij en Paul speelt voor Sint-Nicolaas!"
Door de drukte raakten de jongens van elkaar en Jo en Paul waren den anderen op een gegeven oogenblik een heel eind vooruit, de Markt op. Bij de apotheek op den hoek werd hun weg versperd door een reeks van rijtuigen. Paul wierp schichtige blikken om zich heen, terwijl hij zich aan de vensterbank van de apotheek vastklemde.
"Och Jo," kwam er toen half huilend uit, "laat me nou toch even hier binnen gaan--een boodschap voor Moe!"
Jo keek Paul scherp aan bij 't licht, dat uit de apotheek straalde. Was dat nu maar een uitvlucht van schrielen Paul om aan het trakteeren te ontkomen?
"Denk je, dat 'k dat geloof?"
"Gerust, Jo, 't is waar! Kijk, hier is het recept van den dokter!"
"Is ze dan ziek?" vroeg Jo, terwijl hij snel een blik sloeg op 't papiertje, dat Paul uit zijn zak had opgedolven.
"Neen, maar altijd zoo erg moe. Ze moet rust houden, zegt de dokter; maar Moe doet 't niet, want ze heeft altijd maar naaiwerk, en dit drankje wil ze ook al niet laten klaarmaken, omdat 't zoo'n vreeselijk duur middel is--een gulden voor maar zoo'n klein fleschje! Maar ik ga 't toch halen voor Moe. 'k Heb daarnet stilletjes 't recept uit 't sleutelmandje genomen en een gulden heb ik ook, van mezelf--laatst toen 'k jarig was, heeft Oom Arie er een in mijn spaarpot gestopt. En nu krijgt Moe 't toch, dan wordt ze weer sterk, want zóó kan 't niet langer!" zei Paul, die, aangemoedigd door iets in Jo's gezicht, zich liet gaan, zooals hij 't nog nooit had gedurfd tegenover een van de jongens.
"Meer geld heb ik niet bij me, alleen dien gulden, en die is voor Moe, dien krijgen jullie niet al.... al sla je me dood," barstte Paul los met ongewone heftigheid.
Jo voelde zich bij Paul's woorden als een struikroover.
"Houd je gulden maar," fluisterde hij haastig, want de anderen kwamen er al aan, "en ga nu eerst toch maar even met ons mee, anders heb je op school geen leven, dan plagen ze je mal."
"Ja," knikte Paultje, die plotseling zijn heldhaftigheid kwijt was en weer ineenkromp tot 't schuwe jongetje, dat zijn heele schoolleven lang 't mikpunt van alle plagerijen was geweest. "Maar, maar hoe moet ik dan.... Frans weet, dat ik geld bij me heb, en...."
"Hier!"--Jo stopte hem zijn kwartje en dubbeltje in den zak.
"En nou speel je maar eens flink op; vertel hun, dat je er niet meer voor over hebt dan vijf-en-dertig cent, en daarmee is 't uit! Als de lui zien, dat je niet bang voor ze bent, laten ze je wel met rust!"
Paul wilde nog wat in 't midden brengen, maar daar kwamen de overigen al, en voordat hij nog goed begreep wàt Jo eigenlijk tegen hem had gezegd, was hij al met den vroolijken troep in den winkel bij Schoenmakers.
Zonder Jo was er niets van Paultje en zijn geld terechtgekomen.
Onbeholpen legde hij 't kwartje en 't dubbeltje op de toonbank en vragend keek hij naar zijn beschermer, die de zaak in handen nam. Jo kocht er een flinken voorraad gebroken borstplaat voor, dien ze toen onder elkaar verdeelden. Ook Paul kreeg zijn part, maar hij was zoo overbluft, dat hij 't zou hebben laten liggen, wanneer Jo 't hem niet in den zak had gestopt, toen ze den winkel uitgingen. De anderen stonden verbaasd over Paultjes royaliteit; en dat nog wel zonder tegenstribbelen! Ze keken hem dadelijk met heel andere oogen aan. De kleine Wezels viel toch per slot van rekening mee, en dat de kapitein van hun club hem onder zijn bescherming had genomen, deed hem ook nog een paar graden in de algemeene achting rijzen.
Veel gauwer dan hij 't had durven hopen stond Paul weer op straat; den gulden had hij nog, borstplaat bovendien, en in zijn ooren klonk nog Jo's hartelijk: "Beterschap met je Moe!" toen hij uit de mistige straat de warm verlichte apotheek binnenkwam.
"Wij gaan ook maar naar huis, hè?" zei Jo, terwijl ze den tegenovergestelden kant opgingen. "Ons geld is toch op en...."
"'t Jouwe niet," zei Jaspers, die graag op andermans zak teerde en vooral op dien van den goedgeefschen Jo.
Jo kreeg een kleur. Dat hij zijn geld niet meer had, kon hem niets schelen, maar dat de jongens hem nu voor schriel zouden houden, dáár kon hij niet goed overheen. Onwillekeurig stak hij zijn hand in den zak;--hij voelde iets hards: de doos voor Ma.... en toen bedacht hij blij hoe hij gelukkig voor zijn Moeder geen versterkende middelen hoefde te koopen. Ma was sterk en gezond, en al moesten ze zuinig leven, Ma hoefde zich toch ook niet ziek en moe te maken met naaiwerk voor anderen! Toen Jo dit bedacht, viel bij dit alles die eene kleine opoffering zoo volkomen in 't niet, dat hij opeens weer de oude, vroolijke Jo werd, die zich met wat malligheid van de zaak afmaakte en toen, in zijn hoedanigheid van kapitein, de club met een grappig toespraakje ontbond tot de volgende samenkomst.
GEEN BANGERD.
In de Kerstvacantie hadden Wim en zijn vrindjes, en nog een heeleboel jongens en meisjes met hen, er aldoor op gehoopt, maar 't was niet gekomen. In Januari hadden ze er toen stellig op gerekend, maar na een paar dagen vorst was de dooi weer ingevallen. Dus, mis, hoor, nog steeds geen ijs! Er waren er, die toen den moed opgaven en hun schaatsen opborgen, maar oude menschen, die verstand van 't weer hadden, beweerden, dat Februari nog wel eens echt wintersch zou kunnen worden. Dat hadden ze al vaker beleefd: na slappen winter een echt guur voorjaar met vorst en sneeuw en ijs. En 't bleek, dat die oudjes 't bij 't rechte eind hadden gehad. Begin Februari sloeg het weer om en 't werd nog een ouderwetsch nawintertje.
De scholen gaven 's middags vrijaf. De kinderen konden dus nog echt hun schâ inhalen.
Even buiten 't dorp was een mooie baan, die druk bezocht werd; al te druk, zeiden sommige jongens, die zelf goed konden rijden en dus minachtend neerkeken op de krabbelaars, die hun daar den weg versperden. Daarom gingen zij liever buiten de baan en reden op de Vaart zelf, waar ze beter de ruimte hadden.
Maar op de Vaart was 't heel wat gevaarlijker. Wim's Moeder was er niets goed over te spreken, toen ze er van hoorde. Eindelijk gaf ze aan Wim's aanhouden toe, wanneer hij wilde beloven, niet op de Vaart te zullen gaan, als er vlaggetjes geplaatst waren, tot teeken, dat 't ijs niet vertrouwbaar was.
Dit beloofde Wim en toen was Moeder gerust. Zij wist, dat ze op Wim aan kon.
Vroolijk fluitend trok hij er op uit, met zijn schaatsen, aan de riempjes bengelend, om zijn hals.
"We hebben al op je gewacht," zei Hein van den dokter, toen hij bij de baan kwam. "'t Is hier zoo vol; ga je mee naar de Vaart? De andere jongens gaan ook!"
Wim, die al van verre de vlaggetjes gezien had, probeerde er zich af te maken. "Och, waarom--nu is 't hier toch niet zoo vol."
En toen Hein hem met alle geweld mee wou hebben, zei hij: "Maar 't ijs is er nog niet goed; zie je de vlaggetjes dan niet?"
Hein begon te lachen: "Och, schei toch uit met die flauwe praatjes! Kees is 't daarnet gaan probeeren! Nou, als 't Kees kan houden!"--
Kees, de dikkerd, kwam er ook bij. "'t IJs niet sterk?--Net zoo sterk is 't als dit hier--wat ik je zeg!"
"Ik ga toch liever niet mee," zei Wim; "ik heb Moeder beloofd, dat ik 't niet zou doen."
"Uitvluchten!" riep Piet. "Je bent bang, anders niets, flauwerd!"
En de anderen begonnen nu ook te roepen van "bangerd," "flauwerd".--
Nu moet je weten, dat Wim allesbehalve laf was; hij was zelfs heel flink. Dat ze hem nu allemaal voor een flauwen jongen aan zouden zien, vond hij dus vreeselijk.
Driftig keerde hij zich naar de jongens toe en hij was op het punt om te zeggen: "ik zal je toonen, dat ik 't best durf, net zoo goed als jullie, 'k ga mee."--Maar toen op eens dacht hij aan Moeder; hij zag haar bezorgd gezicht en herinnerde zich zijn belofte.
"Neen," zei hij flink; "ik doe 't tóch niet. Noem me maar bang, als je wilt;--ik blijf hier."
't Was een saaie middag voor Wim. Heel dikwijls had hij een gevoel van spijt over zijn opoffering. Dan kostte 't hem de grootste moeite niet één, twee, drie onder het staketsel door te kruipen en naar de andere jongens te rijden, die de grootste pret hadden op de Vaart, waar 't ijs, ondanks de waarschuwende vlaggetjes, o wonder, toch sterk genoeg bleek te zijn. Dan dacht Wim een oogenblik: "Maar als Moeder wist, dat 't toch sterk genoeg was, zou ze 't misschien wel goed vinden."
"Neen," klonk 't stemmetje van binnen, "je hebt Moeder beloofd niet te zullen gaan, als er vlaggetjes waren uitgezet en daaraan moet je je houden--niet 't voor jezelf goed zien te praten."
Wim luisterde naar die waarschuwende stem, maar saai had hij 't daar, op zijn eentje, bij al die krabbelaartjes; daar gaat niets af.
Tegen den tijd, dat ieder naar huis ging, zakte Wim ook af. Eigenlijk was hij blij, dat de middag om was. Landerig slenterde hij op zijn eentje naar huis. Hein en nog een paar jongens kwamen achter hem aan. O, hij behoefde niet eens om te kijken om te weten, dat ze 't over hem hadden, triomfantelijk, omdat 't ijs toch sterk genoeg was geweest, hem uitlachten en voor bang uitmaakten.--Dat hinderde hem geducht.--
In de stille straat, waar Hein woonde, stond lange Toon, een jongen, aan wien ze allemaal een hekel hadden, omdat hij valsch en geniepig was en vol leelijke streken zat. Maar niemand durfde hem recht aan, want hij was sterk en vocht valsch. Daarom gingen de jongens hem meestal uit den weg. Nu was hij bezig 't kleine zusje van Hein, dat er aan 't sleden was, te plagen; hij dreigde haar 't sleet je te zullen afnemen.
Toen Wim dit zag, vergat hij zijn eigen verdrietelijkheden.
Zonder bedenken vloog hij op den veel grooteren jongen aan.
Onderwijl waren de anderen naderbij gekomen, en toen Wim eindelijk, met een buil op zijn hoofd, en een bloedneus, duizelig overeind krabbelde, overwonnen, maar toch dadelijk bereid om weer van voren af aan te beginnen, als 't noodig mocht zijn, was 't eerste, wat hij hoorde, een luid bravo-geroep van Hein, die nu toch wel gezien had, dat Wim geen bangerd was.
Hein nam hem mee naar binnen, om 't bloed van zijn gezicht te wasschen, en boven, bij 't fonteintje, zei hij 't hem ook eerlijk.
En hieruit blijkt, dat Hein óók een ferme jongen was, evengoed als Wim.
DE OUDE NOTEBOOM.
Ze waren met een troepje van zes op de zonnige speelplaats der school aan het touwtje springen, dicht bij 't hooge hek van latwerk, waar je den noteboom door kon zien. Hij stond op een verwaarloosd plekje grond naast de speelplaats. Daar tierden brandnetels en distels welig tusschen de meidoorn- en vlierstruiken, waarvan de takken hoog waren opgeschoten, terwijl de taaie stengels van de klimmende, wilde boekweit er zich omheen hadden geslingerd. 't Was er een warbosch van door en in elkaar groeiende struiken en planten, maar de noteboom, de oude noteboom, stak er met zijn eerwaardige kruin machtig boven uit als een koning, die zijn gebied overziet.
Die noteboom was een groote vrind van de kinderen. Hoeveel neusjes zich in 't speeluur wel tegen 't latwerk drukten om naar hem te kijken! Als hij niet zoo'n oude, verstandige noteboom was geweest, zou hij er bepaald trotsch op zijn geworden, maar nu wist hij wel beter en begreep hij best, waar 't hun eigenlijk om te doen was--om zijn noten! De meesten rolden helaas tusschen de brandnetels, maar toch, een enkele kwam dicht bij 't latwerk te land, zoodat lenige vingertjes, met takjes en stokjes geduldig peuterend, ze wel naar zich toe konden halen, en dan die pret om er den groenen bolster af te doen en de noot te kraken op de steenen, onder den voet, of tusschen sterke, witte tandjes!--
"Hè nee, 'k schei er uit," zei Mies; "'k word zoo warm van 't springen!"
"Ik ook. 't Gaat ook niks leuk meer! Die Jo draait zoo vervelend," riep Lina, die er genoeg van kreeg, omdat ze telkens "af" was. "Gaan jullie mee, kijken of er noten zijn?"