Vertellingen van vroeger en later tijd

Chapter 9

Chapter 93,715 wordsPublic domain

Het was in dat zelfde pakhuis van Harmansz., waar wij zoo even van gewaagden, dat, nu eene maand geleden, alzoo op 30 Maart, eene vergadering plaats had gehad van de aanzienlijkste voorstanders der nieuwe begrippen, waarop dezen zich verbonden hadden, binnen de maand den honderdsten penning hunner goederen op te brengen, ten einde eene som van omtrent f 11,000 bijeen te brengen, tot terugbetaling van voorschotten, gedaan voor kosten, aan wapenen, pakhuishuur, reizen enz., ten dienste hunner zaak besteed. Tot de inzameling dier gelden moest de offerkist dienen, bij Reael geplaatst; en het is, om thans zoowel te onderzoeken wat de giften hebben opgebracht, als te overwegen, wat den Gereformeerden onder de bestaande omstandigheden te doen staat, dat de huidige samenkomst in den Gouden Reael is belegd.

Gewis, geen Amsterdammer meer dan Reael kan gerechtigd en bevoegd zijn, om bij beraadslagingen voor te zitten als die hier gevoerd zullen worden; want niet een heeft meer dan hij getoond, hoezeer hem de zaak der gewetensvrijheid ter harte gaat, noch is hij het voorstaan daarvan met meer beleid en vastberadenheid te werk gegaan. Reeds de Vlaming Pieter Gabriël, die 't eerst, en wel in de Engelsche steeg den catechismus was begonnen te verklaren, had Reael onder zijne toehoorders mogen tellen: het was Reael, die, met Reinier Kant, Frank De Wael, Maarten Coster, Albert Heyes en Willem Floriszoon, den leeraar Jan Arendszoon uit Kampen ontboden en gepoogd had te bewerken, dat het prediken te Amsterdam dezen vergund werd. Toen dit tegenstand had gevonden bij de Overheid, die nog schroomde in strijd te handelen met de strenge plakkaten, had hij, en duizenden zijner stadgenooten op zijn voorbeeld, dag aan dag de prediking bijgewoond, door Gabriël en Arendszoon, te Overveen, in 't open veld gehouden: inmiddels telken dage huiswaarts keerende, om den indruk gade te slaan, door deze stoute handelwijze op de Regeering gemaakt.

Bemoedigd door hetgeen hij had waargenomen, was hij een der hoofdbewerkers geweest, dat eerlang ook even buiten de Haarlemmerpoort herhaaldelijk gepredikt werd, en dat, toen de Overheid zulks beletten wilde, de toehoorders zich gewapend naar de vergadering begaven, gereed, desnoods geweld met geweld te keeren. Niet tevreden, den schrik onder de Regeeringsleden gebracht en hen van lieverlede gedwongen te hebben, de prediking op stads grond te gedoogen, had hij nog andere leeraars uit Embden en van elders doen overkomen, om zoo te Amsterdam als door heel Holland de nieuwe leer te verbreiden. De beeldstormerij, die in Augustus 1566 hier ter stede als elders plaats vond, had hem nieuwe aanleiding geschonken, om de sidderende Overheden te doen berusten in al wat hij ten voordeele zijner geloofsgenooten verrichtte. Naar Sint Maarten gereisd, had hij Nikolaes Schelte, pastoor aldaar, overgehaald, Gabriël en Arendszoon in hunne taak te komen verlichten en had hun in 't Leprozen kerkje doen prediken, ja zelfs bij Burgemeesteren bewerkt, dat er de beelden op hun last waren uitgenomen. Doch had hij getoond hoe onverflauwd zijn ijver was, hij had tevens doorslaande bewijzen gegeven, dat hij langs geene andere dan vreedzame wegen zijn doel wenschte te bereiken, en dat al, wat naar oproer of geweld zweemde, hem tegen de borst stuitte: ja hij was bijna 't slachtoffer geweest van zijne zucht, om alle baldadigheden tegen te gaan, en ontkwam slechts door een wonder den hem toegedachten dolksteek, bij gelegenheid, dat hij de plundering van 't Minderbroedersklooster zocht te beletten. Steeds in al wat de rust der stad betrof door de Overheden geraadpleegd en hun vertrouwen genietende, was hij een der voornaamsten geweest onder de teekenaars van de overeenkomst (of zoogenaamde "Orde"), op 30 September 1566 gemaakt, en bij welke den Gereformeerden grooter vrijheid werd toegestaan. Maar niet alleen bij de Regeering van Amsterdam, ook bij Prins Willem te 's-Gravenhage, en bij Brederode te Vianen, had hij de belangen voorgestaan dier Gereformeerde Gemeente, die hem bij elke gelegenheid tot haar Gemachtigde benoemde. Thans echter was de toestand dier Gemeente, na de krachtige maatregelen, door de Landvoogdes genomen en die de uitwijking, niet alleen van Brederode, maar zelfs van Oranje hadden ten gevolge gehad, op eens hoogst bedenkelijk geworden. Velen, die, om 't geloof naar Amsterdam als naar een toevluchtsoord waren heengestroomd, hadden de stad weder verlaten, en hun voorbeeld was reeds gevolgd door menigen burger, die er zich niet langer veilig achtte. Het was onder den indruk dier gebeurtenissen, dat de personen, die wij bij Reael aantreffen, zich vereenigd hadden.

--"Wat nieuws?" vraagt, na eene korte stilte, Adriaan Reinierszoon Kromhout: "zeker weinig, dat voordeel geeft."

--"Bevestigt het zich?" vraagt Roodenburg, "dat de Prins van Oranje het land voorgoed verlaten heeft?"

--"Gij behoeft er niet meer aan te twijfelen," antwoordt Reael met een blik, waarvan de somberheid de aanwezigen te meer treft, naarmate men die minder van hem gewoon is.

--"En"--herneemt Kromhout, "dat de Landvoogdes eene bezetting soldaten in Amsterdam wil leggen, met Noircarmes aan 't hoofd?"

--"Noircarmes! dien gruwzamen moordenaar! den beul van Valencijn!" roept Frank De Wael uit.

--"Noircarmes, den beul van Valencijn," zegt Reael, bevestigend.

--"De tijding is zeker," voegt Pauw er bij: "mijn vader, en"--hier wijst hij op Roodenburg, "ook de zijne hebben heden morgen Burgemeester Buick naar Brabant vergezeld, om de Landvoogdes te bewegen, dat zij de stad van bezetting verschoone."

--"Uw beider vaders!" roept Kromhout: "maar dat is immers blijkbaar een valstrik, dien men hun spant. Hoe zouden Burgemeesteren kunnen denken, dat Madame de Parma of die van haren rade een verzoek zouden inwilligen, hun gedaan door twee burgers, die zich juist als voorstanders der Gereformeerden hebben doen kennen?"

--"En niet zonder reden gewis," zegt Reael, "heeft Buick hen tot zijne medeafgevaardigden doen benoemen. Ik herken hierin de list van dien schalken vos, die hen van hier heeft willen verwijderen, omdat hij hun invloed bij de goede gemeente vreest: en misschien ook, omdat hij de geheime hoop voedt, dat hun de terugkeer uit Brabant niet zal vergund worden.--Twijfelt er niet aan, vrienden! Noircarmes zal hier komen en de vervolging zal aanvangen tegen al, wie in de leste troebelen gemoeid is geweest.--Ik wil u meer zeggen: ik ben hedenmorgen vroeg, namens Burgemeesteren, verzocht geworden, mij voor een tijd uit den weg te maken, tot de bui ware overgewaaid."

--"En wat was uw antwoord?" vragen allen als uit éénen mond.

--"Ik heb," herneemt Reael, "mij willen vergewissen, in hoeverre die raad uit ware belangstelling sproot, dan wel alleen gegeven was opdat, indien ik bleef en mij eenig leed wedervoer, Burgemeesteren alle verantwoordelijkheid deswege van zich af konden schuiven.--Ik heb verlangd, dat mij een eervol getuigschrift, onder Stadszegel, verleend werd, om mij tot paspoort te dienen. Het antwoord strookte niet volkomen met de beleefdheid der waarschuwing: immers, het luidde, dat Burgemeesteren thans te veel overkropt waren met bezigheden, om aan mijn verzoek te voldoen; doch dat men 't stuk mij zou nazenden, indien ik de plaats mijner bestemming opgaf."

--"En wat is thans uw voornemen?" vraagt Kromhout.

--"Mijn besluit in dezen zal afhangen van de gezindheid, die ik bij mijne vrienden bespeur. Willen zij met mij het dreigend onweer trotseeren, goed en bloed opzetten en desnoods hun leven ten offer brengen aan de zaak der gewetensvrijheid, ik zal met hen pal staan,--achten zij het meer geraden, zich naar de omstandigheden te voegen en elders een gunstiger tijd af te wachten, ik zal, wat het mij kosten moge, mij van hier verwijderen en geduld oefenen."

--"Ik denk er over als gij," zegt Kromhout: "en uw gedrag zal het mijne bepalen."

--"Met mij," zegt Pauw: "is het een bijzonder geval, en, wat er gebeure, ik mag de stad niet verlaten: mijn vader heeft mij de bezorging zijner zaken, gedurende zijne afwezigheid, opgedragen:--ik mag zijn vertrouwen niet teleurstellen, en moet zijne terugkomst verbeiden."

--"Ik," zegt Harmansz., "zie evenmin kans, mij te verwijderen, en mijne zaken in den steek te laten.--Wat mijn leven betreft, het is in Gods hand, en ik acht mij elders niet veiliger dan hier."--

--"Wat mij betreft," zegt De Wael, "ik volg Laurens Jakobsz.: blijft hij, zoo blijf ik ook: acht hij 't raadzaam te vertrekken, zoo pak ik mijn boeltje."--

--"En Reinier Kant?" vraagt Kromhout: "hij zou immers hier komen. Laat hij zich nu wachten, hij, die altijd de voorste was bij elke handeling en elken voorslag?"

--"Ook mij ontrust zijn uitblijven," antwoordt Reael: "wat brengt Stijntje?"

Deze laatste woorden worden gericht tot de dienstmaagd, die binnentreedt en haren meester een briefje ter hand stelt.

--"Wordt er antwoord gewacht?" vraagt Reael.

--"Neen meester! de jongen, die 't bracht, heeft zich terstond weer verwijderd," antwoordt Stijntje.

--"'t Is wel! laat ons alleen," herneemt Reael, "van Kant!" vervolgt hij, zoodra de dienstmaagd uit de kamer is: "zou hij verhinderd zijn?--Maar wat is dat?"

--"Is hem iets overkomen?" vraagt Kromhout, bespeurende, hoe de kleur op 't gelaat van zijn vriend, nu deze 't briefje geopend heeft, onder 't lezen verschiet.

--"Van den beurtman. 29 Aprilis. Ik berg mij. Berg u ook.-- Kant.--Ziedaar den geheelen inhoud van 't briefje," zegt Reael.

--"Heeft Kant gevaar geroken?" roept Kromhout: "is Kant heengegaan, zonder ons zelfs vooraf te waarschuwen, dan voorwaar mogen ook wij alle hoop wel opgeven."

--"Nog één punt moet opgehelderd worden, eer ik mij van hier begeef," zegt Reael: "het is heden de dag, waarop wij bepaald hadden, de giften, in de kist verzameld, te tellen. Uit het meer of min aanzienlijke der bijeengebrachte som, zullen wij kunnen opmaken wat wij te vreezen of te verwachten hebben."

Onder het uiten van deze woorden rijst hij op, en gevolgd van zijne vrienden, begeeft hij zich naar de zijkamer. Daar verbeidt hen een aandoenlijk schouwspel. Eene vrouw in rouwgewaad, armoedig, doch zindelijk gekleed, staat bij de offerkist, waar zij juist hare gift heeft gebracht.

--"Het is de weduwe, die haar penninksken offert!"--fluistert Reael Kromhout in. "God geve, dat ook de vermogenden van hun rijkdom gegeven hebben, gelijk zij van hare armoede."

Met gebogen hoofd en zedig nijgende, glijdt de arme vrouw de zes vrienden voorbij, en verwijdert zich, terwijl allen, als door een zelfde gevoel gedreven, den breeden hoed van 't hoofd nemen, en haar eerbiedig groeten.

--"En nu," zegt Reael: "de kist onderzocht. De vrienden hebben, zoo ik hoop, de sleutels meegebracht?"

Pauw en Roodenburg, die met hem tot bewaarders der penningen waren aangesteld, halen op deze vraag ieder een sleutel voor den dag, Reael vertoont den zijnen: de twee hangsloten en het slot der kist worden geopend en het deksel afgelicht.--Bij den eersten blik, daar binnen geworpen, openbaart zich op het gelaat van de aanwezigen een trek van teleurstelling.

--"Er is niet veel goud bij," zegt Roodenburg.

--"De benoodigde f 11,000 zijn er althans niet," merkt Harmansz. aan.

Het geld wordt uitgestort en nageteld: het bedrag is f 747-8 stuivers en 6 penningen.

--"En nu," zegt Reael, "heb ik althans geen verder bewijs noodig, dat een langer verblijf hier niet meer zou zijn dan eene doellooze uittarting van 't gevaar. Indien zij, die zoo boud gesproken en, bij eere, trouwe en mannenwaarheid, zich verbonden hebben den honderdsten penning hunner goederen op te brengen, om zoo heilige schulden af te doen, nog te veel gehecht zijn aan den Mammon, om hun woord na te komen, zullen zij dan hun leven veil hebben voor de zaak des Heeren?--Met dezulken is niets voor 't oogenblik aan te vangen: en wij zullen moeten wachten tot hun geweten en gewis ook eene bittere ondervinding hen tot andere inzichten doen komen.--Vrienden! mijn boeier ligt aan de kaai.--Ik ga heden avond onder zeil naar Medemblik. Wie vergezelt mij?"

--"Gaat uwe vrouw mee?" vraagt Kromhout.

--"Zij zal bij hare moeder blijven," antwoordt Reael, "die devoot Katholiek is, doch haar om haar geloof niet kwellen zal en waar niemand haar zal moeien; wij zullen later zien, of zij zich bij mij zal kunnen voegen."

--"Maar de mijne zal mij niet alleen laten trekken," zegt Kromhout: "al mijne verwanten en de hare zijn heftig op ons gebeten, over hetgeen zij onze kettersche gevoelens noemen, en zij zou bij hen eene hel op aarde hebben."

--"Zij zal mij welkom zijn," zegt Reael.

--"En nu de gelden?" vraagt Pauw.

--"Breng die aan de vrouw van Cornelis Loefszoon," antwoordt Reael, "die den Heer Van Brederode gehuisvest en er zelfs geen dank voor bekomen heeft.--Of weet iemand er een beter gebruik voor?--Niet?--Wel, dan zij het zoo. Vriend Frank! ik reken ook op uw gezelschap t' avond?"

--"Ik zal er zijn," zegt De Wael.

En, werkelijk, nog dien zelfden avond voerde de boeier van Reael hem en De Wael, benevens zekeren bontverkooper, Matthijs Janszoon genaamd, en Kromhout met zijne vrouw en veertienjarig dochtertje het IJ uit. Den tweeden Mei kwam het gezelschap te Medemblik; doch zich daar niet veilig achtende, trok het met een karveelschip naar Wieringen. Vruchteloos toefde het daar op de beloofde paspoorten: de Regeering van Amsterdam liet hun weten dat zij die zelven konden halen: bewijs genoeg, dat de afgifte nimmer bedoeld was geweest. Inmiddels onderricht, dat men hen vervolgde, waren zij naar Vlieland overgestoken, met oogmerk, om aldaar eene gelegenheid te zoeken, om verder te komen. Alle schepen, schuiten, pinken waren echter in beslag genomen en te hachelijker werd de toestand der vluchtelingen, toen de Schout een verzoek van Burgemeesteren van Amsterdam bekwam, om hen te vatten. Gelukkig kregen zij er kennis van, en, van den nood eene deugd makende, vonden zij eene oude krabbeschuit, die wel een halfjaar in den grond gelegen had, bij nacht, boven water en staken zij er mede van land. Doch zoo lek was dit broze vaartuig, dat zij den koers naar Harlingen wendden, om daar binnen te loopen. Dan pas waren zij in 't gezicht dier haven gekomen, of daar vertoonde zich een schouwspel, wel geschikt om hen met nieuwe angsten te slaan. Een schip, dat een honderdtal vluchtelingen vervoerde, waaronder de Heeren Van Batenburg, de Friesche Edelen Beima en Galama, den Jonker Van Ilpendam en andere lieden van aanzien, werd aanboord gelegd en overweldigd door een oorlogsvaartuig, 't welk de Stadhouder van Friesland had afgezonden. Met reden beducht, dat hun een dergelijk lot zou treffen, hielden de Amsterdammers af, en zeilden naar 't Wad, den Abt genaamd. Hier brachten zij den nacht door, besteedden dien om de lekke schuit met het linnen, dat zij bij zich hadden, te kalefateren, en sukkelden zoo voort, totdat zij eindelijk den 20sten Mei behouden te Embden aankwamen.

Hoe, elf jaar later, de staat van zaken binnen Amsterdam veranderde, hoe zoovelen, die vroeger met levensgevaar ter stede uitgevlucht en ellendig en berooid als ballingen hadden rondgezworven, zich door dien omkeer aan 't hoofd der regeering hunner stad gesteld zagen, hoe Adriaan Pauw en Kromhout onder de eerstbenoemde nieuwe Burgemeesteren geteld werden, hoe eindelijk ook Reael, kort daarna te Amsterdam teruggekeerd, er aanzienlijke ambten bekleedde, en hoe zijn roem nog verdonkerd werd door dien van zijn doorluchtigen zoon, dat alles is te vaak verteld en te algemeen bekend, om hier nog herhaald te worden.

In Visschers Roemer.

Wij zetten onze wandeling voort, en, op den Eersten November van 't jaar 1623 het Damrak ten einde gekomen zijnde, slaan wij rechtsom, de "Uiterste" of "Nieuwe Brug" over. De nieuwe huisjes, die hier de zware (voor vijf jaren weggebroken) Sint-Olofspoort vervangen, aan de rechterzijde latende, vervolgen wij onzen weg langs de kaai, die, onder den naam van "Houttuinen," zich uitstrekt langs het IJ. Aan den "Schreiers-hoek" en "-toren" gekomen, houden wij altijd rechts en volgen de kaai, met groene boomen beplant, langs de gracht, die voorheen de "Uiterste" of "Stedegraft" geheeten werd. Zij heeft dien naam echter afgelegd, sedert het buitendijksch land aan de overzijde meer en meer betimmerd werd, en de kaai wordt nu, naar de vaartuigen, tot wier gewone ligplaats zij verstrekt, de "Geldersche Kaai" genoemd. De overzijde, vroeger de timmerwerf van de vloot, is gedurende de laatste vijf-en-twintig jaren dicht met huizen bezet en met straten en stegen doorsneden. Geen anderen toegang heeft zij vooralsnog met de eigenlijke stad, dan door de kleine Waterpoort, over de brug van dien zelfden naam, die wij voor ons zien. Maar zoover reikt onze wandeling niet. Wij staan stil voor eene woning, die, even voorbij Schreiershoek, zich door hoogte, breedte en bouworde voordeelig van de belendende huizen onderscheidt. De hooge voorgevel is van roode baksteenen opgebouwd, smaakvol afgewisseld met gele tufsteenen en, waren wij hier slechts eene maand vroeger gekomen, wij zouden dien geheel verscholen zien achter de groene en breede wingerdbladeren; slechts enkele en thans verdorde zijn er van overgebleven aan de ranken, die, oprijzende uit den houten koker, binnen welken de stam vervat en tegen schade beveiligd is, zich op de hoogte der eerste verdieping naar alle zijden uitbreiden, en, zich om en langs de vierkante kruisramen heenslingerende, in 't najaar de bewoonsters der bovenkamers op het plukken van hare gouden trossen schijnen te noodigen [11].

Het onderhuis is geheel bekleed met een houten beschot: fraaie houten pilasters rijzen aan weerszijden van de deur en tusschen de vensters, en torsen eene kroonlijst met keurig beeld- en snij- en lofwerk voorzien. Niet minder sierlijk gesneden is het lijstwerk, dat de ramen omvat, en keurig van uitvoering is het beeldje, dat, boven de deur prijkende, een visscher vertoont, doch blijkbaar niet een van de gewone soort; althans uit het schepnet, dat hij, omgekeerd, in de linkerhand houdt, stort hij geen visschen, maar muntspeciën in een open koffer uit, en zijn vischwant ligt, aan denzelfden kant, heengeworpen over balen, vaten en koopmansboeken; terwijl, rechts van hem, allerlei zinnebeelden van kunst en wetenschap op elkander zijn gestapeld en hij met de rechterhand een roemer omhoog heft. Dit fraaie beeldhouwwerk, evenals het geheele onderhuis, door een groene luifel beschut, zinspeelt op den naam des laatsten bewoners, en kondigt ons aan, dat wij, wanneer wij langs de drie blauwe stoepsteenen de deur zijn binnengetreden, ons bevinden

in 't saligh Roemers huys, Wiens vloer betreden wordt, wiens dorpel is gesleten Van Schilders, Kunstenaers, van Sangers en Poëten.

Ik zeg het "saligh Roemers-huys;" want de man, die zijn naam aldus in den vorm van een rebus boven zijne deur heeft laten beitelen, Roemer Visscher, is niet meer: voor drie jaren is hij, tot smart van allen, die hem kenden, overleden.

Maar het is niet in het huis des rouws, dat ik u thans wil inleiden: integendeel, de rouw is geweken en alles kondigt vreugd en vroolijkheid aan. Voor de stoep prijkt eene eerepoort van sparretakken, hulst en nimmerdor, bestoken met oranje-appels en vlaggen van papier en klatergoud, en saamgebonden met veelkleurige linten: en van die eerepoort hangt in 't midden eene sierlijke kroon af, waar, al moge het welriekende gebloemte der Junimaand er aan ontbreken, toch geen bontgekleurde bloemen falen, uit gaas, wit papier en andere stof op 't kunstigst vervaardigd. Festoenen en vlaggedoek zijn om de deur geslingerd, die openstaat en ons het gangportaal doet zien, waar twee gouden naamcijfers, in een wit ovaal, ons tegenblinken. De straat, aan weerszijden is (niet zwart gelijk men in de 19e eeuw zal zeggen, als eene afschuwelijke mode de mannelijke sekse bijna uitsluitend in effen donkere kleederdracht zal gestoken hebben, maar) bont van menschen: net gekleede buurkinderen, met blozende wangetjes, staan gereed, het Bruidspaar, als 't van 't kantoor van Huwelijkszaken terug zal keeren, met loovertjes, suikererwten en speculatie te bestrooien; want de Bruid, die verwacht wordt, is de jongste dochter uit den huize, is Maria Tesselschade, Roemer Visschers dochter.

Al behooren wij niet tot de genoodigden, en al is het nu een dag, waarop zelfs de gulheid van den "ronden Roemer," die aan elken beschaafden bezoeker een welwillend onthaal waarborgde, geene anderen, dan die tot het feest behoorden, zou hebben kunnen toelaten, wij maken gebruik van den tooverstaf der verbeelding, die elken toegang voor ons opensluit en niet gedoogt, dat er iets voor ons verborgen blijve: wij treden de lange gang ten einde en eene achterkamer binnen, waar reeds een aanzienlijk deel der gasten vergaderd is en de komst van het Bruidspaar verbeidt.

Wij zullen met die gasten, althans met velen onder hen, nader kennis maken: maar vooraf willen wij een blik om ons heen slaan.

Reeds in gewone dagen levert de kamer bijzonderheden genoeg op, om ons eenige uren met het beschouwen daarvan bezig te houden. Ik spreek niet alleen van de roode gordijnen van kostbaar kroonsaai, die voor de langwerpige boogvensters hangen, met kleine in lood gevatte, rijk beschilderde ruiten: van de fraai gebeeldhouwde kolommen, die de hooge schouw steunen, boven welke een keurig fruitstuk van Adriaan Van Utrecht prijkt: noch van de sakredaanhouten glazenkast met keurig porselein; meer nog dan een en ander verdient dit trezoor uwe opmerking, waarop fijne roemers prijken, door de kunstvaardige handen der dochters van den huize op 't bevalligst gesneden en met opschriften versierd: en die beeldjes en vruchten, door haar uit was geboetseerd: en, aan den wand, dat borduurwerk in ebbenhouten lijsten, en die teekeningen of schoonschriften, waarmede zij vroeger haren vader op menigen geboortedag hadden verjaard. Ook het afbeeldsel van den vader prijkt er; dat rustig en krachtvol wezen, waar goedhartigheid en schalksch vernuft op zijn vermengd: en naast het zijne hangen de afbeeldsels van zijne vrienden, en herkent men het diep gegroefde gelaat van den geleerden vriend en medestrijder van Willem I, Dirk Volkertsz Coornhert, en de fijne aristocratische trekken van den classiek-gevormden koopman, Hendrik Laurenszoon Spieghel.--Maar voor dat alles en nog meer, dat de pronkzaal bevat, wij hebben er thans geen oog voor; want deze dag is, als wij reeds zeiden, een buitengewone: de zwart en wit geruite marmeren vloer is bestrooid met loovertjes en winterbloempjes, acht festoenen van groen en gebloemte zijn met het eene einde vastgemaakt aan krammen, in de bovenhoeken van het vertrek, en aan het midden van elke bovenlijst geslagen, terwijl de andere einden zich vereenigen aan een knop, op korten afstand van den wand in de zoldering bevestigd: en van dien knop hangt, vlak tegenover den schoorsteen en voor den grooten Venetiaanschen spiegel met kristallijnen rand, een zware kroon van goud en gebloemte, met zijden linten doorstrikt, boven eene kleine verhevenheid, waarop, in een prachtig getooiden armstoel, de Bruid "te pronk" zal zitten--gelijk de gewone uitdrukking luidt.--Nemen wij de gelegenheid waar, om, zoolang die "bruidstroon" nog ledig blijft, het oog te slaan op de aanwezige gasten, die de komst der nieuwgetrouwden verbeiden, en aan welke inmiddels, door net getooide Juffers, speelnooten der Bruid, hippocras en hylikmaker [12] wordt aangeboden.