Vertellingen van vroeger en later tijd

Chapter 8

Chapter 83,738 wordsPublic domain

Deze winkel toch is de winkel der Blaeuen, en de afbeelding van den zonnewijzer boven 't huis vindt gij op de titelbladen der werken, die zij drukken, terug. Wij willen binnengaan: het zal ons de moeite loonen. Joan, de oudste der twee gebroeders, door wie de firma gedreven wordt, is afwezig: hij moet heden "aen Schepensbank zitten;" want de Blaeuen, al zijn zij boekdrukkers en boekverkoopers, worden onder de Amsterdamsche Patriciërs gerekend: zij zijn vermaagschapt met de Hoofden, de Graeven en wat de stad aanzienlijkst rekent; Joan Blaeu was in 1653 een der vijf Gecommitteerden, aan wie de Regeering de zorg had opgedragen de stad te beschermen tegen een aanval van Graaf Willem Frederik, waarvoor men, hoezeer dan zonder grond beducht was. Bij het vertrouwen, dat hij alzoo bleek te genieten, zou hij gewis tot hooger waardigheid kunnen stijgen, indien de zorg voor zijne uitgebreide zaak hem niet belette zich naar eisch aan politieke belangen te wijden. Zijne afwezigheid moet ons echter niet verhinderen, ons voorgenomen bezoek te volbrengen. Zijn broeder Cornelis staat in den winkel, en zal ons terechthelpen. Is Joan meer de man van studie en geleerdheid, Cornelis is vooral de man van bedrijf. Joan leest, vergelijkt, cijfert, teekent, vindt uit, en brengt de resultaten van zijn onderzoek ten papiere; Cornelis houdt de briefwisseling en de boeken, ontvangt de bestellingen, doet de verzendingen, en heeft, in één woord, de zorg over 't dagelijksch beheer. Joan is het hoofd, dat denkt; Cornelis de arm, die uitvoert. Niet, dat Joan een bloote kamergeleerde zou zijn, tot praktische bedrijven onbekwaam, of dat Cornelis zou verstoken zijn van wetenschappelijken aanleg en theoretische kennis; integendeel gebeurt het meer dan eens, dat bij ziekte of afwezigheid van den eenen broeder, de ander diens taak nevens de zijne opneemt en naar eisch weet te vervullen: wij spreken hier alleen van wat in den regel plaats heeft, en waarbij de gebroeders de rollen onderling verdeeld hebben, met het oog op elks bijzonderen aanleg en liefhebberij.

Niet van gisteren dagteekent de roem, dien zich de naam van Blaeu verworven heeft. Willem Janszoon, de vader der gebroeders, in 't jaar 1571 te Amsterdam geboren, had de wis- en sterrekunde bij den vermaarden Tycho-Brahè geleerd en het alras in die vakken tot meer dan gewone hoogte gebracht. Te Amsterdam eene drukkerij hebbende opgezet, deed hij die inzonderheid strekken, om de vruchten zijner nasporing in 't licht te geven: zijne voornaamste werken, het "Graadboek" en het "Licht der Zeevaart," beide aan de toenmalige eischen der wetenschap beantwoordende, moesten wel met erkentelijkheid ontvangen worden in een land, dat zijne plotselinge opkomst vooral aan de zeevaart te danken had. Die werken werden populair en hun maker niet minder. Geen schipper, die Willem Janszoon Blaeu niet kende en zich zijne boeken niet aanschafte: geene reederij, die op touw werd gezet, zonder dat Blaeu geraadpleegd was: geen belangrijk besluit, met betrekking tot waterstaat, inpoldering of scheepvaart, dat door 's Lands Staten genomen werd, zonder dat Blaeu was gehoord. Zoo breidde zich 's mans naam, al verder en verder, ook buiten de grenzen van zijn vaderland uit, en mannen als Galileï, Des Cartes en dergelijken achtten het eene eer, briefwisseling met hem te houden, gelijk Falck het een voorrecht rekende, zijn afbeeldsel te maken, en Barlaeus, Hooft en Vondel, hem te bezingen. Wat den laatstgenoemde betreft, hij had aan Blaeu bovendien persoonlijke verplichting. Zijne "Begroetenis aan Frederik Hendrik," zijne "Geboorteklock voor Willem van Nassau," zijn "Zegesang op den Bosch," zijn "Gysbreght van Aemstel" zijn op de keurige pers van Blaeu gedrukt en met zeldzame netheid uitgegeven. Maar ook weten wij, dat Vondel bij hem als vriend des huizes behandeld werd en op zijn gemak was: dit getuigen niet zoozeer de deftige bijschriften en lofdichten van Vondel op Blaeu, als wel zijne geestige, schalksche, bevallige, soms aandoenlijke gelegenheidsdichtjes, het gezin betreffende. Cornelis Blaeu loopt een blauwe scheen: de dichter is straks in de weer, om hem, met boertend rijm en met de belofte van een blauwe kous uit zijn kousenwinkel, op te beuren. Sijtje Blaeu wordt aangezocht door Filips van Ghysen, zeepzieder te Delft, Vondel weet op vernuftigen trant met hunne minnarij te schertsen, en te zinspelen zoo op het beroep van den vrijer, als op dat van 's vrijsters vader. Joan Blaeu trouwt met Geertrui Vermeul uit Ter Gou, Vondel bezingt hun echt op eigenaardige wijze: hij voorziet den schoorsteen van Katharina Blaeu met een leerzaam rijm en de zerk van Maria Blaeu met dit liefelijk en zinrijk grafschrift:

Hier leght Maria, snel verdort. De tijt der schoonste bloem is kort.

Thans--men herinnere zich, dat wij 't jaar 1664 schrijven--zijn er achttien jaar verloopen, sedert Willem Janszoon Blaeu overleden is; maar zijne beide zoons hebben de zaak in stand gehouden, ja nog aanzienlijk uitgebreid. Wilt gij er bewijs van? Onze vriend Cornelis, die ons met zijne gewone minzaamheid ontvangen heeft, is bereid, het u te leveren. Hij verzoekt ons, hem te volgen, en, eene achterdeur openende, die op straat voert, gaat hij ons voor, den Nieuwendijk over, de Gravestraat in, naar een steegje, dat reeds naar zijne firma 't Blauwe steegje genoemd is. Hier bevindt zich de ruime en aanzienlijke drukkerij, welke de vorige, die op de Bloemgracht stond, vervangen heeft. Wij treden binnen: wat al persen zijn hier aan 't werk! Wij tellen er negen, die ieder den naam eener Muze voeren: de eerste, Calliopee, levert bijbels en godgeleerde boeken: de tweede, Clio, is aan de Latijnsche, Melpomene aan de Grieksche letterkunde gewijd. Thalia schaft Oostersche boeken, Polyhymnia de lectuur van den dag. Erato, (de muze der minnezangen!) werkt voor de wiskunde, en (vreemder nog!) Terpsichore levert niets af dan stedebeschrijvingen. Beter aan hare taak geëigend, is de taak, die Urania vervult: zij drukt de land- en zeekaarten en zij is dan ook de lieveling der Blauen; want zij heeft den grondslag van hun roem, grootendeels ook van hun fortuin gelegd. Euterpe eindelijk--en het ergert niet weinigen, zelfs onder hunne beste vrienden--wordt gebezigd tot het drukken van Roomsche Kerk- en Misboeken.

Wat ons betreft, die gaarne op elke plaats, wat zij merkwaardigst heeft, bij voorkeur aanschouwen, wij vragen meer bijzonder naar de platen van den Atlas en naar de prachtige exemplaren van dit reuzenwerk. Cornelis voldoet aan ons verlangen: hij toont ons die treffelijke landkaarten, waarvan er niet eene is, aan welke geen schatten zijn ten koste gelegd, en wier voltooiing geen jaren arbeids gekost heeft. Maar ook geen gehucht, geen beekje, geen heuvel, geen moeras, geen bosschage, geen dijk, geen landweg, geen grensscheiding, geen kreek, geen klip is vergeten, en, hoe ook de politieke indeeling van Europa veranderen moge, voor al, wie er belang in stelt, om het terrein, waarop deze of gene belangrijke gebeurtenis voorvalt, te leeren kennen, zal immer de Atlas Blaviana een welkome wegwijzer zijn [8]. En dan! hoe heerlijk is alles uitgevoerd! Prachtige afbeeldingen, wapens, vignetten, zinnebeelden, versieren elke kaart: de Rijken, de Gewesten, de Afdeelingen zijn door verschillende gekleurde lijnen van elkander onderscheiden: de steden, vestingen, havens aan hare eigenaardige gedaante te kennen: met duurzaam goud zijn zij overdekt: geen dorpje, hoe klein ook, of het is door een gouden stip aangewezen, en, wanneer men eene kaart opslaat, verbeeldt men zich in 't eerst een rijken sterrenhemel te zien, zoo kwistig is er het goud overheen gestrooid. Zeker, alleen uit de wereldstad, de kroondraagster van Europa, kon zulk een pronkstuk te voorschijn worden gebracht; een werk, dat aan zooveel nauwgezetheid van bewerking, zooveel weelderigheid van uitvoering paart: dat van zulk een rijkdom van kennis en tevens van zulk een verfijnden smaak getuigt; dat met zooveel zorg in betrekkelijk zoo korten tijd is samengesteld: dat, en door het nut, 't welk het stichten moet, en door typographischen luister, al wat tot nog toe in welk vak van wetenschap hier te lande verschenen is, verre achter zich laat, en elders niet licht iets ontmoeten zal, dat het overtreft. Stellig maakte dan ook Vondel geen misbruik van het voorrecht, den dichters wel verleend, of--wil men--van het gebrek, dat hun wordt toegeschreven, om nu en dan een weinig te overdrijven, toen hij aldus tot lof van den nieuwen Atlas zong:

De waereld is wel schoon, en waerdigh om t' aenschouwen: Maer reysen heeft wat in: de kosten vallen swaer: Men magh den Oceaen niet al te veel betrouwen: De bergen steygren steyl, de bosschen sien te naer: De stroomen gapen wijd om overheen te stappen: De mylen recken staegh: de landen strecken veer. Die Rijcken tegens een, gedeelt door vyandschappen, Die staen in 't harrenas en trecken hun geweer; De bittre kou verkleumt; de hitte brandt de leden: De lucht die hangt vol damps, of moord met felle pest: Men vindt ongastvry volck en onbewoonde steden, Woestijnen, daer gediert des nachts verlaet sijn nest En brult en huylt, om roof en aes van vee en menschen: Het sand beswaert den gang, de ganger hijght en roockt, Op 't ongebaende padt: dan is 't vergeefs te wenschen Naar den verlaten haerd, daer moeder eten koockt. O reysgesinde geest, ghy kunt die moeyte sparen, En sien op dit Tooneel de waereld, groot en reyne, Beschreven en gemaelt in klein begrijp van blaêren Soo draegt de schrandre kunst den aerdtkloot op haer deyen [9].

Wij danken Cornelis Blaeu voor al het schoone, dat hij ons heeft laten zien en wij keeren van ons bezoek terug, trotsch op den roem, dien Amsterdam zich heeft verworven, door ook wederom op dit veld van wetenschap het volkomenste geleverd te hebben, dat de wereld tot op dien dag kon aanwijzen.

Wel treurig is hetgeen wij nog hebben te vermelden. Slechts weinige jaren na dat, waarin wij ons bezoek hebben ondersteld, en wel op den 22 Februari 1672, werd de heerlijke en alom vermaarde drukkerij door een noodlottigen brand vernield, waarbij het vuur al de letters en platen verteerde, en de schade op niet minder dan f 382,000 begroot werd. Waren er velen, die de Blaeuen in hun ongeluk beklaagden, niet gering was het aantal derzulken, die--tot het slag van lieden behoorende, dat altijd in den raad des Almachtigen treedt--in dat ongeval eene rechtvaardige straf des Hemels zagen voor het snoode misbruik, 't welk van de Drukkerij gemaakt was, door er Kerk- en Misboeken voor de Roomschen te drukken!

Joan Blaeu overleefde de ramp, die hem getroffen had, niet lang: hij stierf op den 28sten December 1673.--De zes-en-tachtigjarige Vondel herdacht hem met dit zinrijk grafschrift:

Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen, Al 't aertrijk door bekent, Hoe quam hy aan zijn ent? De gantsche waerelt viel den grooten man te kleen.

Is de zonnewijzer verdwenen, die vroeger den vermaarden boekwinkel der Blaeuen aan den voorbijganger in 't geheugen terugriep, nog altijd kondigt, iets verder op, schuins tegenover de Korenbeurs, een steen in den gevel met het opschrift: "de vierighe colom," het huis aan, waar in het eerste vierendeel der zeventiende eeuw, Jacob Aertsz. Calom en Pieter Aertsz. Calom hetzelfde bedrijf van boekdrukkers en boekverkoopers uitoefenden. Wel was hunne vermaardheid verre van die hunner straks vermelde medebroeders in 't vak te evenaren; maar talrijk waren echter de werken van smaak, die van hunne persen verschenen; en waaronder wij b. v. drie van Vondels treurspelen tellen: "Hierusalem verwoest," "de Amsterdamsche Hecuba" en "Palamedes" benevens een aardig bundeltje met kleinere gedichtjes, door hem ter eere der bevallige dochter van Laurens Baeck vervaardigd.

Niet alleen boekverkooper, maar ook dichter en geschiedschrijver, was de man, die, vlak tegenover de Korenbeurs, zijne grootste vermaardheid verwierf, toen die der Caloms begon te verkwijnen en die der Blaeuen nog in hare beginselen was. Hier was de winkel van Dirck Pietersz., of, gelijk hij zich naar den smaak dier tijden ook wel noemde, Theodorus Petrejus. Te Embden in 't laatst der zestiende eeuw geboren, had hij zich in 't begin der volgende als boekdrukker te Amsterdam gevestigd, vóór 1610 in de Oude Brugsteeg, aan het Water, daarna op het Water, beide reizen in een huis, waar eene witte pers in den gevel prijkte. Van dit werktuig, 't welk niet alleen van buiten tot versiersel zijner woning strekte, maar ook daarbinnen ijverig werkzaam was en hem aanzienlijke voordeelen verschafte, ontleende hij zijn bijnaam, dien hij echter niet dan op lateren leeftijd bezigde en dan nog wel als eene soort van pseudoniem. Waar het zijn beroep gold, bleef hij den naam van Dirck Pietersz(oon) voeren, en, als zinspreuk, den letterkeer van dien naam, ick strii op sno eerde, welke woorden het randschrift vormden van een schild, binnen 't welk de Christen Ridder was afgebeeld, ten strijde toegerust en staande op een wereldbol. Al de werken, bij hem uitgegeven, voeren op het titelblad dit zinnebeeld, 't welk in de vroegere in een eenvoudig ovaal staat, doch in de latere met fraaie allegorieën is omslingerd, en twee genieën tot tenants heeft, met het onderschrift: Durate.

Talrijk zijn de werken, door Dirck Pietersz., onder dezen naam en onder dien van Pers, in 't licht gegeven, zoo in proza als in poëzie, even verschillend van strekking als van vorm: geschiedenissen, stichtelijke rijmen, leerdichten, sonnetten, gezangen, bijschriften enz. [10] Onder zijne gedichten, waarin hij, vaak op bedriegelijke wijze, den trant en stijl van Cats nabootst, stellen wij bovenaan een leerdicht in drie zangen, waarin hij tegen de onmatigheid te velde trekt, door haren aard en gevolgen op kluchtige wijze voor te stellen. Hij is echter niet partijdig, gelijk de afschaffers van latere dagen, die er niet tegen hebben, dat men zich een roes drinke, mits men 't niet aan jenever doe. In navolging van Mohammed en ten voorbeelde aan de temperance-societies, strijdt hij tegen elken drank, die dronken maakt. In zijn eersten zang stelt hij de volgelingen van Bacchus ten toon, in zijn tweeden die van de Godin Bierana (de bierdrinkers), en in den derden die van den God Brandemoris (hen, die zich aan jenever, of--juister uitgedrukt--korenbrandewijn, te buiten gaan). Men ziet, dat er niets nieuws onder de zon is; maar tevens, dat men toen hier te lande krachtiger bier dronk dan in onze dagen.

Wij tellen 't jaar 1627 en stellen ons den Schrijver en drukker voor, op een zomerschen achtermiddag onder zijn luifel zittende, met vrouw en kinderen om hem heen: hij ziet er kloek en welgedaan uit: en al is noch hij noch zijn gezin in 't Zondagspak gedost, hunne plunje is toch van deugdelijke stoffage en kondigt welvaart aan. En geen wonder: zijne zaken gaan voor den wind: werken, als de "Gulde Winckel" en de "Warande der Dieren," met fraaie kunstplaten van Marcus Gheraerts, waarvoor hij den teekenaar, en bijschriften van Vondel, waarvoor hij den dichter niet heeft behoeven te betalen, hebben vrij wat uitgaven beleefd en zijn in aller handen. Pers is rijk geworden en heeft nu ook het voorbeeld gevolgd van alle rake lieden: hij heeft zijne afbeelding laten maken. Hij wil die in 't koper doen brengen; maar nu moet er een bijschrift onder staan; en tot wien zou hij zich beter te dien einde kunnen wenden, dan tot Vondel? Ongelukkig heeft hij, die vrij streng Gereformeerd is, den dichter, wiens Arminiaanschgezindheid zich in menig bijtend gedicht geopenbaard heeft, sedert een jaar of wat links laten liggen, en aan andere drukkers de eere overgelaten, 's mans pennevruchten te vereeuwigen. Dit maakt hem huiverig, zijn verzoek tot hem te richten. Maar tot wien zal hij zich wenden? Hooft is een te groot heer, Coster is nog erger anti-Dordtsch dan Vondel, Cats maakt geen bijschriften, Huyghens kent hij niet en,

Al 't oov'rige is een hoop, onwaard dat men dien noeme.

Hij heeft dus zijne stoute schoenen aangetrokken en zich, onder inroeping der herinneringen van vroegere vriendschap, schriftelijk tot Vondel gewend. Zal deze aan zijn verzoek willen voldoen? Of zal de bode een weigerend antwoord brengen?--Neen, de poëet was altijd in den grond een goedhartig man, zwak genoeg, om zelfs een vijand te verplichten, laat staan het aan een ouden bekende te vergeven, dat deze hem wat verwaarloosd heeft. Ha! daar komt de uitgezonden knaap van de Oudebrug aansnellen: hij heeft een brief in de hand:--het antwoord is ongetwijfeld gunstig.

--"De gebiedenis van Sinjeur Vondel," zegt de jongen, terwijl hij, voor de luifel stilstaande, den brief aan zijn meester overhandigt: "en UEd. had maar te kiezen."

--"Hij zendt mij keuze, Brecht!" roept Pers verheugd uit, terwijl de knaap zijn weg vervolgt en in de steeg verdwijnt, om zoo in het achterhuis te geraken.

Met driftige nieuwsgierigheid breekt Pers den brief open: "Twee bijschriften in plaats van een!"--En terwijl vrouw en kinderen de hoofden samensteken, om toe te luisteren en hij het zijne naar hen overbuigt, ten einde het gewoel op straat den klank zijner stem niet te machtig zij, begint hij te lezen:

Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckels....

--"Ik ben nieuwsgierig wat hij op winckels zal doen rijmen," zegt Anna, de oudste dochter.

--"Wel: kinckels," zegt haar broeder Pieter.

--"Stil kinderen! valt vader niet in de rede," zegt hunne moeder, en Pers hervat:

Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckels En kleed in 't parkament de beenen noch de schinckels Maer 't breyn der geenen die met letters sijn gedoopt....

--"Hij alleen kan toch zoo iets vinden!" roept Pers uit, met lezen ophoudende.

--"Ik versta 't niet recht," zegt zijne vrouw, eenigszins verlegen.

--"Wel Moeder! 't is dunkt mij vrij duidelijk," hervat Pieter: "met het vernuftigh volck bedoelt de dichter de drukkers, die hunne winkels volproppen met boeken, en die niet de beenen en schinckels, dat is het lichaam--maar wel het brein, d. i. de denkbeelden, van hen, die den letterdoop ontvingen (die tot auteurs geboren zijn) kleeden met parkament, of, als wij zouden zeggen, in druk uitgeven."

--"Ei! ei!" zegt Moeder.

Pers vervolgt:

Komt en siet Perssius uw glori, hoogh geseten,

Een goedkeurend knikje: de man was er niet weinig mede gestreeld, dat Vondel hem nog steeds den roem der boekverkoopers achtte:

Die midden in het choor der Hollandsche Poëten....

Weder een vroolijke lach op het gelaat: hij had niet verwacht, dat Vondel hem in het koor, en nog wel midden in het koor der dichters plaatsen zou.

Met 't drucken van sijn rijm, veel geld te samen hoopt.

Hier verdwijnt de glimlach en maakt plaats voor een zuur gezicht. "Hm!" zegt Pers, "wat gaat het den lieden aan, of ik geld verdiene of niet?"

--"Wel!" merkt zijn oudste dochter aan: "'t is toch altijd iets vleiends, wat de dichter hier zegt, door te doen uitkomen, hoe groot het debiet van vaders werken is."

--"Nu ja!" hervat Pers: "dat kan wel zijn; maar toch.... dat geld samen hoopen en dat nog wel met mijn rijm, alsof ik dat bij voorkeur drukte.... ik weet niet; maar ik ben het met mijzelven ter nauwernood eens of ik den regel als eene hoffelijkheid dan wel als een spotternij moet aanmerken.

--"En nu het andere bijschrift?" zegt Pieter.

Pers leest:

Ghy burgers en ghy vremden, Dit 's Perssius van Embden. Sijn beeld na Phebus swijmt, 't Sij dat hij dicht of rijmt, Die sijn boecken, en prenten Op 't dierste weet te venten.

Hier zien vader en kinderen elkander een poos stilzwijgend aan; want wederom weet geen hunner of de laatste regels moeten worden opgevat als eene lofspraak, waarbij te kennen gegeven wordt, dat Pers boeken verkoopt, die veel waarde bezitten, dan wel als een verwijt, dat hij ze den lieden duurder aansmeert dan wel behoort.

--"Joost heeft mij beet gehad," zegt eindelijk de boekverkooper, terwijl hij het papier bij zich steekt, "en het mij ingepeperd, dat ik in de laatste jaren niets meer voor hem druk."

Het portret kwam--zonder bijschrift--in 't licht.

In de gouden Reael.

Het is de dertigste April van het jaar 1567. Wij treden een deftig koopmanshuis op het Water binnen, in welks luifel wij een fraai vergulden reaal zien prijken, naar welk muntstuk men gewoon is den bewoner, Laurens Jakobszoon, in onderscheiding van zoovele anderen als dien naam dragen, te noemen. Wij slaan in 't voorbijgaan een blik in de zijkamer, waarvan de deur openstaat en ons vergunt, op de tafel, midden in 't vertrek, een soort van offerkist te onderscheiden, met twee hangsloten voorzien. Verder doorloopende, komen wij in eene achterkamer, waar wij een zestal lieden, om eene tafel gezeten, bijeen vinden. De kloekgebouwde man, in de kracht zijns levens, doch wiens geestige bruine oogen, die tintelen van vuur en vernuft, hem jeugdiger nog doen schijnen dan hij werkelijk is, wiens blonde, een weinig rosachtige lokken in zoo weelderigen overvloed het gezond en blozend aangezicht omringen, is de heer des huizes. Zwart daarentegen is het krullend haar en de kegelvormige baard, en helder blauw zijn de oogen des beeldschoonen jongelings, die aan zijne linkerzijde is gezeten. Deze is Nikolaas Pauw, de telg uit een beroemd Amsterdamsch geslacht, dat reeds meermalen regeeringsambten heeft bekleed. Naast hem zien wij Floris Roodenburg, den schutterhoofdman, uit adellijken huize, wel ijverig voor de zaak der gewetensvrijheid, maar toch tot de zoodanigen behoorende, die zich niet gaarne onvoorzichtig wagen. Dit was onder anderen gebleken uit zijne weigering om 't verbond der Edelen te teekenen en uit zijne zorg, om eene quitantie van gelden, door de Amsterdamsche Gereformeerden aan Brederode verstrekt, en welker bezit hem in gevaar kon brengen, te verscheuren en door te slikken. Verder vinden wij hier Frank De Wael, mede uit een burgemeesterlijk geslacht en die, schoon ouder dan Reael, zich, in al wat tot de politieke zaken betrekking had, door het scherper doorzicht van dezen leiden laat: voorts Harman Harmanszoon, in wiens spijker of pakhuis "'t Nieuw Jeruzalem." op de Oude-Zijdskolk, de eerste predikingen der Gereformeerden hadden plaats gehad, en eindelijk, aan de rechterhand van Reael, Adriaan Reinierszoon in 't Kromhout. Niet minder dan Pauw, schoon op geheel andere wijze, levert hij naar 't uiterlijke een contrast op met den man, die tusschen hen gezeten is. Zoo levendig als het uitzicht is van Reael, zoo droog en stemmig is dat van Reinierszoon, of Kromhout, gelijk hij meest genoemd wordt. Naar de strenge wijze der Calvinisten zit hem 't haar sluik op 't hoofd en elk vlokje, dat dreigde zich wat verder te vertoonen dan aan de deftigheid voegt, is onverbiddelijk weggeschoren, zoodat de groote ooren zich geheel vrij vertoonen. Een onhebbelijk lange neus, een grove bruine knevel en slecht gekamde baard, een perkamentkleurig gelaat, strekken niet, om 's mans schoonheid te verhoogen; maar toch kenmerkt het geheel ijzeren vastheid van karakter, en uit de donkere oogen spreekt niet alleen eene kalmte, die vertrouwen inboezemt, maar ook tevens eene scherpzinnigheid, die aan de onbehaaglijke trekken iets bevalligs bijzet.