Vertellingen van vroeger en later tijd

Chapter 5

Chapter 53,840 wordsPublic domain

Zoekt men daar iemand, die b. v. in No. 120 heet te wonen, dan kan men bijna zeker zijn, dat aan de huisdeur op den eenen deurpost 120, op den anderen 121 te lezen staat, behalve nog een nummer, dat grooter is:--doch op de huisdeur van den buurman vindt men 119 en 120. Op welke van de beide getallen 120 moet men nu afgaan? Ik heb eens het geheele Voorhout driemalen rondgewandeld, om een mijner toenmalige ambtgenooten te zoeken, die er woonde en wiens huisnummer ik had opgeschreven. Ik vond dat nummer driemalen terug, en daar ik niet gaarne aan een verkeerd huis aanschel--aanbel moet ik hier zeggen, daar 't Den Haag betreft--liep ik weer naar mijne kamer zonder mijn bezoek te hebben afgelegd.

--"Maar," zal iemand mij toevoegen, "gij cantator temporis acti! was het dan, in vroeger tijd, toen er nog geen huisnummers bestonden, nog niet veel moeilijker iemands woning te vinden?"

--"Volstrekt niet," antwoord ik met vol vertrouwen, "want toen was er geen huis, dat zich niet door zijn eigen naam onderscheidde, of althans in de buurt gelegen was van een zoodanig, door geheel de stad bekend gebouw. Men had den Bonten Mantel, de Reaal, de Vergulde Pers, den Gouden Ketting, den Pool, den Moor, den Atlas, de Moriaantjes, Parijs, Zeerust, 't Paradijs, 't Nieuwe Testament, den Liesveldschen Bijbel, de Lelie onder de doornen, enz. enz. en geen kind, dat u niet terecht kon wijzen. Ik heb in het derde deel mijner uitgaven van Vondel het opschrift vermeld van een couvert, dat Tesselschade aan Vondel zond: "Aan Sr. J. Van den Vondel in de Trouw in de Warmestraat."--Had onze Belg toen geleefd en Vondel willen bezoeken, hij zou niet verlegen zijn geweest, om hem uit te vinden. Ieder wist, waar de Warmoesstraat was en ieder kende "de Trouw."

Het zijn juist de nummers, die de oude namen, waaronder de huizen bekend waren, op zeer enkele na, hebben doen vergeten.

Maar is er, nu die namen eens vergeten zijn, een middel uit te denken, waardoor het gemakkelijker worden zal, een opgegeven huis te vinden?

Ik hou het er voor, dat men op onderscheidene wijzen dat doel bereiken zal: en ik zal de vrijheid nemen er eene aan de hand te doen;--doch zulks vordert wel een afzonderlijk Hoofdstuk.

Over de middelen, om iemands woning spoedig te doen vinden.

De groote zwarigheid, welke te overwinnen valt, is, dat men iemands woonplaats, vooral wanneer die op eene lange gracht of in eene lange straat gelegen is, niet dan met eene zeer omslachtige bijvoeging kan uitdrukken. Ik heb zelf meermalen ondervonden, hoe vervelend het is, vooral wanneer ik haast had of het stortregende, genoodzaakt te wezen aan den koetsier der vigilante op het spoorwegterrein, voor te dreunen, dat hij wezen moest "op de Keizersgracht, tusschen de Leidsche-en Spiegelstraten, aan de donkere zijde, bij Van Lennep, de vijfde platte stoep van de Spiegelstraat af."--Gelukkig nog, wanneer de chef der vigilantes, die mij kent, zijnen voerman toeriep: "Over Van Dillen!"--Van Dillen is een stalhouder en woont schuins tegenover mij.--En dan reed ik weg, peinzende over de kleine wonde, mijner ijdelheid toegebracht, en over het betrekkelijke van iemands vermaardheid.

Wat is er nu te doen, om het opzeggen van zulk eene litanie onnoodig te maken. Op het adres van een brief kan men volstaan met Buurtletter en nummer op te geven;--doch daar deze alleen bij de post bekend zijn, dient men in alle gewone gevallen tot een ander middel zijne toevlucht te nemen.

Ik zou, wat mij betreft, het niet ongepast achten, dat men alle lange grachten en straten, van dwarsstraat tot dwarsstraat, door een tweeden naam onderscheidde. Ik wil hier wederom, als in 't vorige Hoofdstuk, de Keizersgracht tot voorbeeld nemen.

Aan die nieuwe indeeling, welke ik voorstel, zoude ik nog een ander nut willen verbonden hebben. In Parijs vindt men een aantal straten, die naar hare bijzondere bestemming, doch ook eene menigte, die tot herinnering van gebeurtenissen of personen genoemd zijn. Zoo brengen de namen als "Rue d'Amsterdam, de Helder, de Breda, de Vienne, de Berlin, de Moskou", nog aan den Franschman den roemvollen tijd voor den geest, toen zijne zegevierende vanen door geheel Europa wapperden. Zoo houden opschriften, als Rue Racine, Rue Jean Jacques Rousseau, Quai Voltaire, Quai Beaumarchais, Rue Favart, Rue Marivaux", enz. de gedachte bij hem levendig aan mannen, op wie zijn land zich verheft.--Aan iets dergelijks is hier te lande nimmer gedacht geworden. Men heeft te Amsterdam, na veel passen en meten, eene plaats gevonden, waarop men een standbeeld voor Rembrandt kon oprichten;--doch standbeelden zijn duur en de plaats om ze te stellen niet meer te vinden:--er bestaat echter een minder kostbaar middel om mede te werken tot het in eere houden der nagedachtenis van groote mannen:--men schenke hun naam aan de straat, waar zij geboren zijn, gewoond of gewerkt hebben.

Welnu, welke zwarigheid zou er bestaan, dit beginsel ook in Amsterdam in toepassing te brengen?--Wij staan wederom aan het houten bruggetje, waar onze wandelaar zijne reis begon. Op deze gracht, tegenover de Groenlandsche Pakhuizen, was de woning van den doorluchtigen Schrijver der Nederlandsche Geschiedenis. Wat zou er tegen zijn, deze gracht te doopen: "Keizersgracht, Hooftkaai?"

Deze naam moet nu in mijn stelsel gelden zoowel voor de eene als voor de andere zijde der gracht. Doch opdat nu niemand in de onzekerheid verkeere, aan welke zijde hij het huis moet zoeken waar hij wezen wil, zoo bezige men aan de zijde, die het naast aan het IJ gelegen is, uitsluitend evene getallen, en plaatse de onevene aan de overzijde. Zoo telle men hier, van de Brouwersgracht af, met 2, 4, 6, 8 enz., en aan de overzijde, waar de kerk staat, 1, 3, 5, 7 enz., zonder de nummers te laten doorloopen nadat men de straat voorbij is.

Op de volgende gracht woonde de vermaarde regent en geneesheer Tulp. Zou het slecht klinken zoo men sprak van: "Keizersgracht, Tulp-Kaai, No. 2, 4 enz.?"

Over de Westermarkt staat de grootste van al de bijzondere woningen in Amsterdam, en hij, die deze woning bouwen liet, was een groot en wakker man. Weet iemand een beteren naam voor die gracht, dan: "Keizersgracht, Huydecoper-Kaai?"

Tusschen de Harte-en de Wolvestraat heeft een vermaard regent gewoond, die het Stadhuis hielp bouwen en den vrede van Munster hielp sluiten. Is er iets tegen: "Keizersgracht, De Graef-Kaai?"

Bestaande namen in eere te houden is plicht. De gracht, die volgt, wordt reeds genoemd: "de gracht van Felix", en, der "verdienstelijke maatschappij" indachtig, zou ik haar geen anderen naam willen geven dan: "Keizersgracht, Felix-Kaai."

Nabij het Molenpad had Hemony zijne werkplaats, de door Vondel bezongen Hemony, de gieter van bijna al de torenklokken, waardoor ons vaderland boven elk ander land beroemd is. Huldigen wij Hemony, wiens klokkenmuziek ons nog bij feestelijke gelegenheden in de ooren dreunt, door de gracht, waar hij arbeidde, den naam te geven van: "Keizersgracht, Hemony-Kaai."

Het zou mij geen moeite kosten op gelijke wijze voort te gaan en een onderscheidenden naam te vinden voor elke afdeeling van de Keizersgracht, ja van alle grachten en straten van Amsterdam. Doch een van beide zal gebeuren: óf mijn voorstel wordt alleen met een medelijdend schouder-ophalen beantwoord; en in dat geval wil ik niet meer moeite aan deze zaak besteden dan noodig is, om te bewijzen dat het plan uitvoerbaar is,--óf het Bestuur neemt mijn denkbeeld over, en dan acht ik het min gepast, der commissie, die in dat geval benoemd zal worden, het genoegen te ontnemen, om zelve de meest geschikte namen te kiezen en voor te dragen.

Ziet! nog dit eene: Rembrandt heeft een standbeeld, en, zoo iemand, hij verdiende het te hebben. Maar is het daarom billijk, dat Vondel en Bilderdijk, dat Blaeu en Quellin, dat Vossius en Van Baerle, dat Surlingh en Van Bree, dat Le Maire en Trip, dat Van Beuningen en Reael, dat De Ruyter en Van Galen de vereering, waar zij aanspraak op hebben, zouden missen?

Een hoofdstuk, dat tot inleiding moet dienen voor eenige volgende.

Het doet mij goed, wanneer ik door Amsterdam wandel, mij te verplaatsen in vroegere dagen: ik denk dan de leelijke, smakelooze Stad der negentiende eeuw weg, om de vroolijke, pittoreske Stad van voorheen voor mijne oogen terug te tooveren: ik zie dan--in plaats van vierkante steenmassa's, die voor Gemeentehuis, Paleis van justitie, enz. enz. moeten doorgaan, en wier naakte gevels, van vierkante gaten voorzien, zelfs door geen symbool de bestemming van het inwendige verkondigen--schilderachtige gebouwen, met torentjes, kanteelingen, gewelven, pilaren en bordessen: in plaats van woonhuizen, die op het getal der vensters en de plaatsing van de deur na, alle precies op elkaar gelijken, alle even stijf, even leelijk, evenzeer verstoken van wat eene architectonische gedachte zou bewijzen--eene verscheidenheid van aardige, nette woningen, bontgeverfde luiken, met uitspringende bovenverdiepingen en nog verder uitspringende luifels, banken en stoepen, met grillig gevormd beeld- en lijstwerk, met zinnebeelden en uithangborden: in plaats van monsterachtige goederenwagens en omnibussen, die den armen voetganger van de kleine steentjes op de stoepen, zoo niet in de kelders, drijven--speeljachten, tent- en roeischuitjes, die in de gracht blijven en niemand hinderen: in plaats van smakelooze zwarte hoeden, zwarte rokken, zwarte jassen, zwarte buizen, zwarte paletots en zwarte pantalons--mantels en bovenkleederen van alle snede en kleur, rijk voorzien van passementen en borduurwerk [1]: in plaats van luchtige karwatsen en dunne rietjes--fiksche rijzweepen, stevige stokken en stootdegens: in plaats van biljartspelers en jeneverneuzen--kolveniers, boogschutters en bierbuiken; in plaats van fatsoenlijke straatslijpers, die sedert jaren om een postje bedelen, en inmiddels hun tijd in de sociëteiten en koffiehuizen verbeuzelen--wakkere, vierkant gebouwde mannen, die nauwelijks een half uur op den dag aan uitspanning schenken kunnen, en, voor handel, nijverheid of kunst levende, tevens met hun eigen roem of welvaart die van de stad helpen bevorderen: in plaats van.... maar ik wil geene vergelijkingen meer maken: ik vrees reeds in herhalingen te zijn vervallen, en, liever dan daar verder aan toe te geven, verwijs ik den lezer naar blz. 3 [2].

Het was dan ook hier mijn doel niet zoozeer, opnieuw eene parellel te trekken tusschen het Amsterdam van voorheen en dat van thans; maar wel, sommigen onzer voormalige stadgenooten tot een afzonderlijk punt van beschouwing te maken. Ik wil te dien einde, waarde lezers en lezeressen, u uitnoodigen tot eene wandeling langs pleinen, straten en grachten: en zoo menigwerf wij de plek voorbijgaan, waar een huis stond of nog staat, welks vroegere bewoner zich een naam verwierf, dezen uit den nacht der eeuwen opdagen, en u, voor zooverre dit noodig mocht zijn, nader met hem in kennis brengen. 't Zal eene tooverlantaarn zijn van bonte en vreemdsoortige figuren, die ik u vertoon; want uit den aard der zake zal ik mijne beelden moeten nemen, zooals zij zich achtereenvolgens voordoen, uit verschillenden tijd, van verschillend slag en karakter;--doch die afwisseling zal, naar ik mij vlei, hare pikante zijde hebben, en beletten dat mijn werk--wat bij 't volgen van regel en methode al licht het geval zou kunnen zijn--op een schoolboek gelijke.

In den Bril.

Wij beginnen onze wandeling van den Dam; maar wij stellen ons dien voor gelijk hij was voor 450 jaren, toen hij nog den naam droeg van "de Plaetse". Kleiner dan tegenwoordig en gedeeltelijk binnen andere grenzen beperkt is de omtrek van het plein. Het Stadhuis, het tweede, dat Amsterdam bezat, of liever, de tot Stadhuis verbouwde woning van Katrijn Matthijssen-Heingenszoons-weduwe, staat veelmeer vooruit dan het tegenwoordige Paleis, als komende met zijn voorgevel nagenoeg op eene lijn met het midden van de Kalverstraat en den Nieuwendijk: het paalt voorts ten noorden aan het Sint Elizabeths- of H. Geestgasthuis, terwijl daarachter en daarnevens--om van een paar stegen en sloppen niet te gewagen, alles is volgebouwd. Evenzeer is de overzijde, tot op de hoogte der Krom-elleboog-steeg, met huizen bezet. Het Waaggebouw, dat ik in mijne jeugd te Amsterdam heb zien afbreken, bestaat nog niet; ofschoon de stad reeds van Albrecht van Beieren het recht der waag verkregen had; doch op de plaats, waar het later kwam te staan, tusschen den Nieuwendijk en 't Water, bevindt zich een aantal woningen: en daaronder treffen wij een huis aan, met een bril in den gevel gehouwen. Met den bewoner van dat huis, waarde lezer! willen wij onze galerij openen. En hij heeft er recht op; want niet één onder de ingezetenen van Amsterdam, die, vóór hem, zich een naam en vermaardheid verwierf, die bij de zijne mochten halen.--Zie! daar treedt hij zijne woning uit. De roode wrong, die om zijn hoofd is geslagen, de violetkleurige tabberd, de rood fluweelen tasch, die aan den gordel hangt, duiden aan, dat hij tot een deftigen stand behoort; maar ook schijnen zijn vijftigjarige ouderdom en de achtbaarheid van zijn voorkomen hem aanspraak te geven op den eerbied zijner stadgenooten. En werkelijk, terwijl hij zich over straat en naar 't Damrak begeeft, is er niemand van hen, die onder de hooge luifels voor hunne woningen gezeten zijn, die niet oprijst, geen der voorbijgangers, die niet de hand aan de kaproen brengt om hem te groeten; want ieder kent hem en draagt hem hoogachting toe; en, al is Willem Eggert een Gentenaar van geboorte, toch is hij met hart en ziel aan zijne nieuwe woonplaats verknocht; en, zoo hij er zelf welvaart en vermogen vergaderd heeft, hij doet er anderen ruimschoots in deelen. Waar ter bevordering der stadsbelangen, ten nutte der burgerij, ter ondersteuning van armen of lijdenden iets verricht of gegeven moet worden, daar is Willem Eggert gereed, met raad en daad te helpen: en zoo is het gekomen, dat evenzeer de deftigste magistraat als de geringste dagloonersweduwe hem liefhebben en in eere houden.

Doch heden schijnt het, dat men hem met dubbele opmerkzaamheid, met verhoogde belangstelling gadeslaat en, terwijl hij verder is voortgewandeld naar de schuiten, die ginds in 't Water liggen, volgeladen met koopwaren, voor zijne pakhuizen bestemd, is menigeen blijven staan en hem naoogen, en vormen zich groepen van twee, drie en meer personen, die zich blijkbaar over hem onderhouden, terwijl in hunne blikken eene mengeling van verwondering, goedkeuring en tevens van leedgevoel te lezen is.

Wat heeft bij hen die tegenstrijdige gewaarwordingen opgewekt? Wat is de reden, dat, nu Eggert, na 't afdoen zijner zaken, huiswaarts keert, enkele meer aanzienlijke onder zijne medeburgers hem staande houden, eenige woorden met hem wisselen, hem geluk schijnen te wenschen, hem de hand hartelijk schudden en toch verslagen van hem heengaan? Zij is deze: voor eenige dagen is aan "de Bril" een ruiter afgestapt, wiens kleed geruit was van zilver en lazuur, 's Graven hoflivrei, en die zich lang met den bewoner onderhield: deze is daarop uit de stad vertrokken en eenige dagen afwezig geweest, en na zijne terugkomst is al ras rondgefluisterd, dat Graaf Willem VI hem, den Amsterdamschen koopman, had benoemd tot Trezorier van Holland:--en ofschoon nu iedereen erkent, dat niemand beter dan Willem Eggert bij machte zijn zal, den verwarden staat der geldmiddelen van de Graaflijkheid te herstellen, toch treurt ieder bij de gedachte, dat hij Amsterdam verlaten zal; want het is allen klaar, dat hij daar niet zal kunnen blijven wonen, en van daar de neerslachtigheid zijner bekenden, nu hij hun vermoeden daaromtrent bevestigd heeft. 't Was reeds een kwaad voorteeken, mompelt men, dat hij voor eenigen tijd een slot aan "'t ende van de Purmer" liet opbouwen, om er--naar men toen vreesde--zijne verdere levensdagen te gaan doorbrengen:--en toch, die vrees werd niet bewaarheid en het is, om zijn bedrijvig beroep met een niet min bedrijvig en geenszins met eene welverdiende rust te verwisselen, dat Eggert Amsterdam verlaten zal.

Maar wederom hebben twee wandelaars hem aangesproken: en aan dezen wil hij blijkbaar, behalve het bericht van zijn aanstaand vertrek, nog iets wichtigs mededeelen. Hij stapt met hen "de Plaetse" weder op, zijne huisdeur voorbij, over den Nieuwendijk, en.... verwonder u niet te veel, lezer! wij zijn in 't begin der vijftiende eeuw--een daarachter gelegen boomgaard in. Die boomgaard is zijn eigendom; maar hij wil daar eene andere bestemming aan geven en, bij zijn vertrek uit de Stad, aan deze een duurzaam geschenk achterlaten. Hij wil haar dien boomgaard afstaan om daarop eene nieuwe kerk te bouwen ter eere van St.-Katrijne, en de middelen, tot dien bouw benoodigd, grootendeels uit zijne beurs bekostigen. De twee mannen, die met hem gaan, zijn de Burgemeesters Symon Sael en Jean Beth. Het geslacht, waartoe de eerstgenoemde behoort, is een van die, welke in het oude rijmpje genoemd worden:

De Saelen, de Waelen, de Schaepen, de Ruischen, Dat sijn er de oudsten van de dry kruysen.

De naam van den laatstgemelde is wellicht de eenige van dien tijd, die in Amsterdam nog niet is uitgestorven.

Aan die beiden maakt nu Willem Eggert zijn voornemen bekend om op dat erf eene kerk te stichten, en met aandacht, eerbied en erkentenis luisteren zij naar 's mans taal.

En nu--voltooien wij wat aan de voorstelling ontbreekt: nog was Willem Eggert niet naar 's-Gravenhage gereisd om zijn trezoriersambt te aanvaarden, of de pereboomen in den boomgaard waren omgehouwen, tal van arbeiders brachten de mastboomen aan, die in den drassigen bodem geheid zouden worden en waarop de kerk zou komen te rusten.

Willem Eggert voldeed aan de verwachtingen, door den Graaf van hem opgevat: hij herstelde den toestand der Geldmiddelen en oogstte er den dank voor in zijns meesters, die hem met gunstbewijzen overlaadde, hem met het slot en stedeken van Purmerende, het aangelegen Purmerland en de dorpen Nek en Ilpendam beschonk, en zijn zoons tot ridders sloeg. Maar tevens verwierf hij zich den haat van 's lands edelen, naijverig op den eenvoudigen poorter, die, als zij, aan 's vorsten disch gezeten was, die, als zij, een kasteel dorst bezitten, en zich "Heer te Purmerende" teekenen, die, als zij, een wapen dorst voeren--sabel met drie zilveren weerhaken [3] en, als zij, zijne dochter [4] aan een edelman ter vrouwe geven. Maar wat kwellingen, wat beleedigingen hij van hen te verduren had, hij troostte zich met de bewustheid, dat hij jegens zijn God, jegens zijn gebieder, jegens het Graafschap en jegens het hem dierbare Amsterdam zijn plicht had vervuld. En wel had de stad aanleiding hem erkentelijk te zijn: immers de oude kronieken getuigen van hem, hoe hij haar overschoone privilegiën bezorgde en men van hem destijds zeide: "dat noyt eenich burger haer profijtelijcker ofte aengenaemer is geweest dan hij."

Was het aan de gehechtheid, welke hij voor zijn meester voedde, aan vrees voor hetgeen hij voortaan van een vijandig Hof te duchten had, of wel aan hetgeen wij toeval noemen, te wijten, dat toen de Graaf op den 30sten Mei 1417 overleed, Willem Eggert hem nauwelijks anderhalve maand overleefde? Zoo tuigt althans het grafschrift, dat nog heden in de Nieuwe Kerk, ten zuiden van het koor, ter wederzijden van een balk, tusschen twee pilaren, te lezen is [5]: "Anno MCCCCXVII den XV dagh in julio, starf den eerbaren Willem Eggert, Heer tot Purmereynde, fundateur van dese kapelle, gedoyteert met twee Vicariën, mede-fundateur van dese kerck, die begraven is onder dese blaeuwe serck."

Aan den ontijdigen dood des vromen mans was het toe te schrijven dat de kerk "niet en heeft tot al sulcke perfectie gebracht ende opghebouwt connen worden als van aenbegin begrepen was."--Wellicht deed hier ook toe, dat Jan Eggert, de eenige onder zijne zonen, die hem overleefde, uit vrees voor den wrok der edelen, of om de woelingen, aan welke 't land ten prooi was, te ontgaan, Amsterdam verliet, zijn slot te Purmerende verkocht aan zijn zwager Gerrit Van Zijl, en zich naar Oostende metterwoon begaf.--Een ander lid van 's mans geslacht, Jan Eggert Hartgerszoon, schijnt echter tot het voortzetten van den bouw te hebben medegewerkt.

Nog eene andere stichting had de stad aan Willem en Jan Eggert te danken, te weten van een college, in de Oude Kerk, ten einde de getijden te zingen, en dagelijks een gedeelte van het Evangelie te lezen en er, des Zondags, eene uitlegging van bij te voegen en andere philosophische en theologische lessen te geven. Jan Eggert Hartgerszoon voornoemd en Wendelmoet, zijne vrouw, breidden deze dotatie uit. Het college zelf ging met verloop der tijden te niet; doch de boekerij, daaraan verknocht, bleef in wezen, en, naar de Nieuwe Kerk verplaatst, werd zij de kern, waaruit later de Stads-Bibliotheek zou voortkomen.

En moge dan die Bibliotheek thans verplaatst zijn en geheel andere boeken bevatten dan het college, door Eggert gesticht, had verzameld, en moge de Katrijne kerk na den brand, die haar in 1645 vernielde, geheel nieuw zijn herbouwd, nog is het billijk dat wie eene van beide bezoekt, nu en dan den edelen man herdenke, aan wien beide instellingen hare eerste wording, aan wien Amsterdam zooveel goeds te danken had. Het huis met "de Bril" bestaat niet meer;--de nagedachtenis van Willem Eggert blijve leven.

In de Mol.

De plek verlatende, waar wij ons tot nu toe hebben opgehouden, doen wij maar weinige schreden naar de zijde der Warmoesstraat; doch tevens doet onze verbeelding een reuzestap. Wij denken de Beurs weg--waarin echter voor velen onzer, die haar hebben zien bouwen, juist het bezwaar niet zal gelegen zijn--en de Groote Vischmarkt terug;--ook dit gaat nog;--maar wij springen van de vijftiende eeuw naar de laatste helft der zestiende vooruit:--en dan ontdekken wij tegenover den steiger van het Damrak, waar de zeevisch aangevoerd en gelost wordt, een huis, op welks top de gril des stichters of des bouwmeesters een mol heeft afgebeeld. Zonderling gewis is de overgang, dien wij maken van het werktuig, dat den slechtziende het gezicht teruggeeft, op het viervoetig diertje, dat tot zinnebeeld der blindheid strekt. Maar niet minder groot dan het onderscheid tusschen een bril en een mol, is dat tusschen den man, die 't voorwerp onzer beschouwing geweest is en den man, dien wij thans doen optreden.

Het is Maandag, de zes-en-twintigste Mei 1578. Van achter de in lood gezette vensterruiten van zijn bovenhuis, gluurt meester Henrik Dirkszoon naar den Dam. Het is daar op Maandag altijd druk en woelig: de boeren en buitenlieden zijn er als altijd met kaas en zuivel op de markt, en de waagdragers zijn er bij de hand aan de in 1560 voltrokken nieuwe Waag. Doch het schijnt deze reis of er geen kooplust bij de burgers, geen werk voor de waagdragers bestaat: en de bonte menigte, op het plein verzameld, woelt en loopt heden niet heen en weder als op gewone marktdagen; integendeel heerscht een doodsche stilte bij den volkshoop, die in dichte groepen afgedeeld, de oogen doorgaans stijf gevestigd houdt op het Stadhuis daar tegenover, en met gespannen aandacht schijnt af te wachten wat er gebeuren zal. Maar die stilte, die onbeweeglijkheid zijn onheilspellend, meer dan eenig gejoel of straatrumoer. Zij schijnen bij die scharen eene eenstemmigheid van bedoelingen, een bepaald overleg, eene vastheid van wil te verkondigen, die niet licht voor overreding, moeilijker nog voor geweld zullen wijken. En inderdaad, het bericht, hetwelk die volksmenigte te gemoet ziet, zal van overwegend gewicht zijn; want daarvan zal afhangen of Amsterdam--om de geijkte uitdrukkingen van die dagen te bezigen--Paapsch blijven of Geus zal worden.