Vertellingen van vroeger en later tijd

Chapter 40

Chapter 403,443 wordsPublic domain

En daar hun geschrijf de meeste lezers heeft, zoo sluipen ongemerkt--met en benevens politiek, zedelijk en allerlei ander venijn, waarmede wij ons hier niet hebben op te houden--die door hen gebezigde vormen van samenstelling de schriften en de taal des onnadenkenden binnen: en zoo hooren wij dagelijks volzinnen als:

"Zij hebben zich ontmoet en gesproken." (gallicisme).

"Die vrouw, schoon als zij is (anglicisme), zou mij niet weten te behagen." (gallicisme).

"Die zakdoeken wasschen zich niet te best." (gallicisme).

"Ziedaar een opvallend verschijnsel." (germanisme).

"Er waren meerdere menschen aanwezig." (germanisme).

"In het eind, zij bedankte hem." (gallicisme).

"Ik durf" (voor: "ik mag") daar niet van eten, al laat gij het u goed smaken."(germanismen).

"Zij zag hem met onwil aan," voor: "met tegenzin." (germanisme).

"Nu, wij willen zien." (anglicisme).

"Het gezelschap zat rond de tafel." (anglicisme, en, voor zooverre Rotterdam eene voorstad is van Engeland, rotterdamisme).

"Ik heb van den zomer eene reis naar Londen gemaakt." (gallicisme).

"Wandelingen worden bij de vleet (en helaas! niet het minst door de dames) gemaakt (gallicisme): afgezien van de moeite, aan het maken van zulke dingen verknocht." (germanisme).

"Bij manden vol worden ons dagelijks bemerkingen aangevoerd, en worden wij aan allerlei dwaasheden herinnerd." (germanismen).

"Zij was reeds dicht de zestig genaderd," (anglicisme).

"Een baardige Heer en zijn blondlokkig dochtertje." (allerlei-isme).

"U is wel goed." (geen taal ter wereld) enz. enz. enz. Ik zou er drie jaargangen van "Holland" mee kunnen vullen.

En nu de schoolmeesters.

Ik bedoel hier natuurlijk het ras, de kaste, niet de individu's.

Wanneer een Franschman spreekt van épiciers dan meent hij daarmede niet alle "kruideniers" zonder onderscheid.

Zoo ook geldt niet allen Schoolmeesters, en evenmin allen Dagbladschrijvers of Vertalers, hetgeen ik hier van hen zeg. Er zijn er onder, die zeer knap en verdienstelijk zijn, en, om met Boileau te spreken:

Il en est jusqu'à trois que je pourrais nommer, maar ééne zwaluw maakt geen lente, en de uitzondering bevestigt slechts den regel.

De Schoolmeesters dan--om tot hen terug te keeren--behandelen de taal evenals Le Nôtre en zijne navolgers de tuinen en perken, die zij hadden aan te leggen: alles moet precies even stijf en regelmatig zijn: de rustbanken op gelijke afstanden en eene groote bank aan 't eind: geen slingerbochten, geen verrassende wendingen, geen bevallige ongelijkheden vooral, en dan alles volkomen geharkt, geschoffeld en gesnoeid.

Volgens hen mag men b. v. nooit zeggen: "de plaats, waar hij van daan kwam;"--maar: "de plaats, waar van daan hij kwam."

Nooit: "ik heb een huis gekocht, en er het dak afgenomen;" maar: "het dak van hetzelve afgenomen."

En met de uitspraak, die zij zich geroepen achten te leeren, maken zij 't nog vrij wat erger.

Zij zijn zoo bevreesd, aan eene letter of syllabe onrecht te doen ten koste eener andere, dat zij aan alle dezelfde waarde geven.

Zoo lezen en zeggen zij b. v.:

"Ik heb dikWIJLS aan mijNEN zoon geZEGD: joN-GelIN-G, het is eenE moeielIJKE en kunstIge zaak, met mensCHen om te gaan."

In plaats van:

"'K heb dikw'ls an m'n zoon gezeid: jong'ling, 't is 'n moeil'ke en kunst'ge zaak, met mens'n om te gaan," enz. enz.

Wat nu de mans betreft, voor zooverre zij geen dagbladschrijvers of schoolmeesters zijn:

Een gedeelte hunner schrijft niet en spreekt er daardoor niet slechter om.

Een ander gedeelte bezit eenige opvoeding;--doch, wanneer zij in de noodzakelijkheid komen te schrijven en zich alzoo een zekeren stijl te vormen, mistrouwen zij zich zelven en gaan te rade, waar zij de beste voorbeelden meenen te zullen vinden, of wel zij schrijven gedachteloos na.

Sommigen, en daaronder vooral de publicisten, de staathuishoudkundigen enz., vormen hun stijl naar dien der politieke journalen.

Anderen, als de kooplieden, de winkeliers enz., vervallen ongemerkt in den stijl, waarin de beursberichten of aankondigingen zijn vervat.

Weer anderen, en daaronder de praktizijns, de ambtenaren, de bureaulisten, doorspekken hun gruwelijk Nederduitsch nog met de stadhuis- en kanselarijtermen, die zij in hun beroep dagelijks hooren.

En dan boven en behalve dat, wanneer zij 't recht mooi willen maken, flikken zij hun taal nog op met wat schoolmeestersgekunsteldheid.

Een lief Hollandsch, dat men per slot bekomt.

Met u, mijn waarde vriendinnen! is het anders gesteld:

In de eerste plaats, wanneer geleerde Taalkenners Hand- of Woordenboeken schrijven, doen zij zulks, volgens hun eigen prospectussen, alleen voor de (beschaafde?) mans, maar met de vrouwen bemoeien zij zich niet. Uit den aard der zaak behoeft gij alzoo de Taal niet te kennen.

Gij schrijft uw huishoudboek, de waschlijst, en voorts nu en dan een enkelen brief aan ouders, kind of vriendin:--aan de zoodanigen in één woord, voor wie gij u niet geneert. Uw stijl behoeft niet mooi, niet kunstig, niet sierlijk te zijn: uwe taal niet zoo precies Siegenbeeksch of Weilandsch: mits men maar verstaat wat gij bedoelt. En daardoor juist blijft uw stijl los en ongedwongen, ja vormt hij zich zelven en verkrijgt iets eigenaardigs;--en daardoor juist blijft uwe taal in overeenstemming met uwe gesprekken, en vrij van stijve gemaaktheid.

In bedoel natuurlijk de zoodanigen onder u, die geene auteurs zijn, en haar geweten niet bezwaard hebben met het lezen van politieke of staathuishoudkundige vertoogen.

En wat uwe uitspraak betreft: gij spreekt uwe taal nog zooals gij die van uwe moeders gehoord hebt, en de lessen van den "Hollandschen meester" zijn gelukkig lang door u vergeten. Gij bewaart alzoo, 't zij dat gij schrijft, 't zij dat gij spreekt, nog het palladium onzer Taal en Spraak: en ik ga mijn betoog hieromtrent evenals de oplossing van een wiskundig voorstel sluiten, met te zeggen:

"Wat te bewijzen was."

Maar, wat nu verder?

Verder niets, of niet veel:--ik wilde in de eerste plaats u mijn dank betuigen, en u den lof toebrengen, waar gij recht op hebt. Mogen allen het met mij erkennen, dat, zoo nog hier of daar redelijk Neerduitsch gesproken wordt, wij het alleen aan u te danken hebben.

Zoo uwe kinderen of broertjes op de scholen geoefend zijn geworden in 't kunstmatig (!) lezen,--gij hebt er ten minste voor gewaakt, dat zij natuurlijk bleven spreken.

Zoo men hun vertelde, dat men, van zaken gewagende, niet hy of zij, maar dezelve gebruiken moest, gij hebt gezorgd, dat dit leelijke woord althans nooit in de conversatie voorkwam.

Zoo men hun pa-ard en wee-reld, pa-ars en vers, si-jerp en pagie, van-gen en Fran-schen, knip-je en doos-je leerde zeggen, gij hebt hun geleerd, naar de wijze uwer moeders en grootmoeders, paird en waireld, pairs en vairs, cherp en page, vang'n en france'n, knippi en dauche [87] uit te spreken.

Nogmaals, voor dat alles dank ik u.

En nu mijn raad en mijn verzoek:

De eerste strekt alleen daartoe, dat gij u nooit laat wijsmaken, dat de Grammaire, veel minder dat de Schoolmeesters de spraak beheerschen moeten.

Waar het op taalwetten te pas komt, zijn de Schoolmeesters even slechte beoordeelaars, als, waar sprake is van Landswetten, de Advocaten.

En toch, indien deze mijne stelling waar is, is zij dit ten opzichte van de twee hier genoemde rassen uit twee volkomen tegenovergestelde redenen.

Immers, de Advocaten willen altijd de bestaande wetgeving veranderd hebben: en de Schoolmeesters daarentegen schreeuwen over elke voorgestelde verandering moord en brand.

De eerstgemelden zijn mannen van beweging: de laatstgenoemden mannen van behoud.

Nu, tegen dit laatste zou ik mij niet zoozeer verzetten,--indien hetgeen die Heeren behouden willen, niet juist zoo willekeurig en nieuwerwetsch ware; terwijl hetgeen gij behouden wilt, de aloude vrijheid is in spraak en stijl.

Blijft--dit is nu ten slotte mijn verzoek--blijft die even wakker als voorheen verdedigen: onderhoudt met elkander en bij uwe lievelingen die wendingen in de volzinnen, die ongedwongen losheid in de uitdrukking, die in 't oneindige genuanceerde verscheidenheid in de klanken, die bevallige zachtheid in de uitspraak, welke onze Taal vanouds in den mond van beschaafde vrouwen gekenmerkt heeft, en welke, in naam der Heilige Eenparigheid, ons barbaarsch geslacht van Taalkenners ten eenenmale zou wenschen uit te roeien en te doen vervangen

Door sijfflend mondgebies en rochlend keelgegrom, Door kwekkend kwaakgeklep en snorkend neusgebrom.

Gij zult daarbij steeds een ijverig bondgenoot vinden in

Uwen Onderdanigen Dienaar en bestendigen Bewonderaar,

J. van Lennep.

AANTEEKENINGEN

[1] Ik spreek hier natuurlijk niet van de kleeding der dames: dezen kleeden zich thans wel geheel anders dan hare overgrootmoeders; maar--maar als vanzelf spreekt--natuurlijk altijd even sierlijk.

[2] Over het voorkomen van Amsterdam in eene vorige eeuw.

[3] Het wapen, dat Wagenaar in zijne Beschr. v. Amst. opgeeft als dat van Willem Eggert, is het zijne niet, maar dat van een lid van zijn geslacht.

[4] Ik heb van deze dochter een der heldinnen gemaakt van mijne Legende getiteld: "Jacoba en Bertha".

[5] Ik geef hier het grafschrift, zooals er behoorde te staan, zooals er nog tot even na 1700 stond, en zooals het bij Fokkens en Le Long is overgenomen. Maar voor 200 jaren vergiste zich Izaak Commelin in 't overschrijven en liet de hier cursief geplaatste woorden weg, waardoor Eggert en niet de Kapel gedoyteert werd. Dapper, Van Domselaar, C. Commelin, Van Nidek, Wagenaar zelf, schreven de fout trouwhartig na, en wat vreemder is, bij 't overschilderen der letters volgde men niet den oorspronkelijken tekst van 't grafschrift, maar de verminkte kopie.

[6] De Burgemeesteren Klaas Meeuwiszoon en Jacob Gerrit Teeuwiszoon.

[7] "Wandeling in het midden der zeventiende eeuw, door Joannes Aurelius." Amst. Gebr. Kraay, 1859.

[8] Ik voor mij heb althans, 't zij in 1831 België, 't zij later de Krim of Italië het tooneel des oorlogs was, de krijgsoperatiën nergens beter dan op de kaarten van Blaeu kunnen volgen.

[9] Vermakelijker zeker dan hetgeen Vondel hier zegt, en wel den geest kenmerkende van den tijd, waarin zij geschreven werden, zijn de uitdrukkingen, waarvan kok in zijn Vaderl. Woordenb. op 't artikel Blaeu (Joan) zich bedient: "Al ware 't ook, dat de aanzienlijke rang van een der zes en dertig Raaden van 't machtig Amsterdam te zijn, zijnen naam niet vereeuwigde, zijn uitgegeven Atlas en Stedeboeken zouden dien voor den roest des tijds genoeg beveiligd hebben."

[10] Zie deze meer omstandig vermeld in mijn Iets over D. P. Pers en zijne werken, geplaatst in het tijdschrift Nederland. Jaargang 1853, bl. 249-298.

[11] Vondel spreekt van dien wijngaard aldus:

De wijngaard aen de straet, geleyt van maegdenhand Tot daer 't gehemelt deckt de nonneledikant, Hingh swanger, in een nacht, van rijpe muskadellen.

Zie mijne uitgave Deel II, bladz. 192.

[12] D. i.: "huwelijksmaker" en niet heiligmaker zooals velen zeggen--eene zeer bekende koeksoort.

[13] "Kameraadjes, vriendinnetjes," van cara: "dierbare, lieve."

[14] Betuttelen is: "critisch nazien," 't Fransche: mettre les points sur les i.

[15] Baeren is hier "bruisen."

[16] "Blijf ik."

[17] Noch is: "neen."

[18] Versteen ick: "word ik onbeweeglijk en ga niet."

[19] De kortste gelegenheid om van Den Haag naar Amsterdam te komen, was toen over 't Haarlemmermeer.

[20] Versta: "laat hen klappertanden, terwijl zij onder den schoorsteen kruipen om zich te warmen."

[21] Is hier een woordspeling te zoeken, zooals de kapitale letter schijnt aan te duiden, dan had wellicht de bruiloft in den Doel of Doelen plaats.

[22] "Amsterdam, rijk aan ponden" (geld).

[23] De ooren van den Winter namelijk. Zie vers 1.

[24] Hij wil zeggen: "indien het te slecht weer is, dan zal ik over 't Sparen (d. i. over Haarlem), en zoo verder van daar naar Amsterdam met rijtuig gaan."

[25] Adelaer is Allart Crombalgh zelf, die, als ik boven zeide, door den zang van Tesselschade uit het "kerkgewelf" tot haar gelokt was.

[26] Glaukus is hier de Zuiderzee, waar de Vechtstroom zich bij Muiden in uitstort, wat in deze regels dichterlijk wordt voorgesteld.

[27] Lees: "sta niet naar uw leven (begeef u niet roekeloos in gevaar), vermits ik bevreesd ben dat gij mocht omkomen."

[28] Dat is: "zonder huif of kaper op 't hoofd." De huif was bepaald de dracht der getrouwde vrouwen.

[29] Anna en Tesselschade:--diertje wordt hier voor "meisje" gezegd, evenals dikwijls bij Cats.

[30] Het eerste onlangs staat hier in den zin van: "niet lang geleden," het ander in dien van "sedert kort."

[31] De toortsen van Cupido.

[32] Men herinnere zich, dat Machteld met laurieren gekapt was.

[33] Naam, dien hij aan de gelaurierde schoone geeft.

[34] Men store zich niet aan de wijze, waarop Hooft die namen geheel verschillend spelt dan zij elders luiden. Men gaf in die dagen volstrekt niets om de spelling van voor- of geslachtsnamen.

[35] Bij letterkeer voor Kampen. Hooft wil, evenals Huyghens gedaan had, den naam verbloemen.

[36] Vastert of vasthart is eene overzetting van den naam Constantijn.

[37] "Cupido, de Minnegod."

[38] "Om menschen in zwijnen te veranderen," als Circe deed.

[39] "Aangewaaid."

[40] Darren is "durven," 't Eng. To dare.

[41] "Wilt gij, dat ik tot haar spreke als Alard tot mij deed?"--Het slaat op 't verzoek, door Huyghens gedaan. Zie blz. 90, reg. 33 en volgg.

[42] "Hij voelt geen echte liefde, die er zoo luide over spreken kan."

[43] "Daar liefdebrand in woont."

[44] Zoo althans schijnt Brandt (Leven van De Ruyter, bl. 77) er over te denken, waar hij zegt, dat door dit Grootburgerschap De Ruyter in staat werd gesteld, "tot de hoogste ambten van Stadsregeeringe te komen. Men vergete niet, dat in de hiërarchie van die dagen een Regeeringslid, al was hij maar Commissaris, nog altijd een hooger personage werd geacht, dan een dienaar der Regeering, al was hij ook Veldmaarschalk of Admiraal.

[45] Zie dit breeder ontwikkeld in mijn verhaal, getiteld: de Twee Admiralen.

[46] Leven van de Ruyter, blz. 741.

[47] Men weet, dat De Ruyter kort voor zijn overlijden door den Koning van Spanje met den titel van Hertog was vereerd geworden, doch dat Engel, op wien die bij zijns vaders dood overging, uit besef van de wangunst en opspraak, die zoo geheel ongewoon eene benaming hier te lande verwekken zou, den Koning verzocht, die te verwisselen tegen die van Baron, als ten onzent meer gebruikelijk:--welk verzoek dan ook door den Koning werd toegestaan.

[48] De aanhaling der zoo beroemde formule uit de bekende vertelling der "Veertig roovers, door eene slavin verdelgd," brengt mij onwillekeurig de voorstelling te binnen, welke ik eens in den schouwburg bijwoonde van een drama--natuurlijk uit het Fransch overgezet--hetwelk uit die vertelling getrokken was. Toen nu het tooneel de spelonk verbeeldde, waarin de schatten der bandieten verborgen waren, en hun hoofdman zich aan den ingang vertoonde, riep hij met luider stemme:

"Sesamé, open u!"

De vertaler had gewis het Fransche woord Sésame voor een onvertaalbaar tooverwoord of voor een eigen naam aangezien en daarom de moeite niet genomen, een woordenboek in te zien, wanneer hij zou gevonden hebben, dat Sésame (zeezaad) eene soort van oliezaad is, bij den Levantschen handel zeer bekend. Maar hadden dan noch hij, noch de tooneeldirecteur, noch de regisseur, noch de acteur, die de rol vervulde, of vroeger, of althans ter dezer gelegenheid, de Arabische Nachtvertellingen nageslagen?

[49] Woolwich.

[50] Hier Uilenburg, in 't vorige vers, reg. 3, Uylenburgh, en toch zijn de twee gedichten terzelfder gelegenheid gemaakt. Waarschijnlijk kwamen zij bij verschillende boekverkoopers uit, die verschillende correctors bezigden; en in allen gevalle stoorde zich toen niemand aan de wijze waarop een eigen naam, 't zij voor- of toenaam, gespeld werd.

[51] In zijn Amsterdam, VI Deel, III Boek.

[52] Thebe.

[53] Tesselschade:--hare vertaling is nimmer in druk verschenen en het handschrift zoekgeraakt.

[54] Nagelbloem, giroflé.

[55] Nagelpoêr staat voor nagelpoeder, "fijngestampte kruidnagel."

[56] Maria van Medicis.

[57] Gaston van Frankrijk, broeder van Hendrik IV.

[58] Kosmo stamde van moeders zijde van de Duitsche keizers af.

[59] De tocht naar Chattam, onder 't beleid (zoo 't heette) van Cornelis De Witt, Ruwaard van Putten, had kort te voren plaats gehad.

[60] "Die veler lieden zeden zag en steden."

[61] En niet ten vier ure, zooals door een abuis bij 't overschrijven, drukken of corrigeeren verkeerdelijk op blz. 645 van 't IIIe deel mijner uitgave van Vondel staat: tegen welke wanspelling van ure voor uren achter 't getal, die eerst in de laatste jaren is opgekomen, de Heer Te Winkel met recht zijne stem verheven heeft.

[62] Zie In Roemers Visscher, blz. 72 dezer Uitgaven.

[63] Tot recht verstand van dezen regel herinnere men zich, dat, in die dagen, de tooneelspelers nog geen vaste jaarwedde genoten, maar hun deel of belooning kregen bij den keer, voor 't spelen der rol, hun toegedeeld.

[64] 't Was eerst in 1655, dat Smient van Burgemeesteren verlof kreeg tot het uitgeven der Fransche Amsterdamsche Courant; wat hij echter reeds eenigszins vroeger, door middel van zekeren Jan van Hilten, had gedaan, en waarbij hij later de hulp had van Cornelis Jansz. Swoll. Hij zelf bleef echter, door de uitgebreide correspondentie, die hij zich had weten te verzekeren, voortdurend de ziel van de onderneming.

[65] Zie Vondels Leven en Werken, II. 224.

[66] Aldaar, II. 223.

[67] Aldaar, II. 223.

[68] Gij schrijft voor de eeuwigheid.

[69] Zie mijne vertelling, Cornelia Vossius, geplaatst in de Romant. Werken, Dl. XIV.

[70] Izaak, de eenige van zijn kinderen, die hem overleefde, was bij den dood zijns vaders uitlandig.

[71] Zie Wagenaar, Amst., IV. 416.

[72] Zie Wagenaar, Amst. (op 't jaar 1628).

[73] Bij de rolverdeeling, van Vondels hand geschreven, en voorkomende in een exemplaar van "de Gebroeders," dat in mijn bezit is, komen alléén mannen voor: en toch vermeldt de plaat, waar de platte grond van den toenmaligen Schouwburg op is afgebeeld, eene Personenkamer voor vrouwen.

[74] Bij den kastelein Punt werd al 't zilver weggeroofd, en de waarde der juweelen, enz., op dien avond gestolen of vermist, werd op bijna een millioen gulden begroot.

[75] Als een tegenhanger dier voorbeelden van zelfopoffering diene het voorbeeld van zelfzucht, mij indertijd verhaald door wijlen mijn ouden leermeester Prof. H. C. Cras. Deze was mede in den Schouwburg en had zijn lijf niet dan met moeite gered, toen hij op het voorplein werd aangehouden door een welgekleed heer, die volstrekt zijne medehulp wenschte te hebben, om te zoeken naar zijn .... hoed.

[76] Het gedeelte van het gebouw naar de zijde der Keizersgracht bleef staan: de kamers van den kastelein leden maar weinig, die van de Regenten geheel niet van het vuur.

[77] De vlam was zoo sterk, dat die door geheel Holland, zelf op Texel, gezien werd.

[78] Het getal der slachtoffers van den brand bedroeg niet meer dan achttien, zijnde gevonden lijken van:

1. J. de Neufville Van Lennep. Allen Dinsdag 2. Cornelia Bierens, zijne vrouw. voormiddag. 3. Louis André. 4. Mw. Lubs, geb. Feitama. 5. Hare dochter. 6. De jonge François Van Oostveen. 7. De dochter van den waagdrager Wijland. 8. Abraham de Haes. 9. De kleêrmaker van den troep Van Neyts. Donderdag. 10. De tooneelmeester Brinkman. Vrijdag nam. 11. Mw. Teixeira de Mattos. Zat. morgen. 12. De machinist Teffers. Zondag morgen. 13. P. van Eik. 14. De knecht van Verhamme. Zondag morgen. 15. De Directeur Rauws. 16. Js. de Wolff.

Terwijl vertrapt en aan ontvangen kwetsing in zijn huis is overleden:

17. Johannes Roos.

en van het dak des Schepens Huydecoper gevallen is:

18. Gerrit Kuik, een pijpgast.

[79] Dat die Vlaamsche Operisten alles behalve liefderijk werden behandeld in de pamfletten, na het ongeval uitgekomen, en hun de schuld daarvan gegeven werd, zal niemand verwonderen, evenmin als dat er een heftige pennestrijd in proza en in rijmelarij ontstond tusschen hen, die in den brand een Godsoordeel wilden zien en hunne tegenstanders. Het getal der prulschriften in rijm en onrijm bij die gelegenheid uitgegeven, is niet te bepalen: ik bezit er voor 't minst 150. Hooger verdiensten hebben daarentegen sommige der menigvuldige platen, waarop de brand, zoo binnen als buiten het gebouw, de ruïne daarvan, enz. enz., zijn voorgesteld.

[80] Ao 1679 gaf Doctor Cornelis Bontekoe zijn Tractaat van het Excellenste kruyd Thee aan het licht.

[81] Moederbaren komt tweemaal voor in den Roman der Kinderen van Limburg, H. S. Maatsch. Ned. Lett. te Leiden, p. 7. C. 4.

"Soenes moederbaren, die weet wanen hes gheboren."

Verder nog eens p. 19. C. 2.

[82] De lezer bedenke dat de hier geschetste toestand op eene stoomboot was zooals ruim 40 jaren geleden.

[83] Huijdecoper, Achilles IIe bedrijf.

[84] De dames zijn hier blijkbaar in de war; maar hoe minder zij daaruit geholpen worden, hoe beter.

[85] Wat dit gezegde, 't welk gij, mijn lezers, wel eens gehoord of misschien zelve gebezigd zult hebben, eigenlijk beteekent, durf ik met geen zekerheid bepalen. Wel weet ik, dat kortelas een verbastering van contelas of conteau (mes) is: en zoo luidde het oorspronkelijk misschien: "geef hem sneden, snij hem met uw mes." In denzelfden zin zou, "geef hem van de neuten", wezen: "zend hem van uw kogels toe."

[86] Zooveel als "Schermmeester."

[87] Ik bedoel namelijk, volgens de Fransche uitspraak van ai, ch, ge, ang, ce en au.