Vertellingen van vroeger en later tijd
Chapter 4
Je l'ai vu porter-s-en terre, Mironton ton ton mirontaine. Je l'ai vu porter-s-en terre Par quatre-s-officiers (ter).
"De eerste draak sijn rok, de tweede sijn broek, de derde sijn waap', de vierde draak niemendal, 'y was te lui om wat te draak.--En ier ebje nou Malbroek sijn kraf. Zie nou of jij lees kan, wat daarop keskreef staat."
En hier begonnen wij allen, zelfs zij, die lezen konden, hardop het grafschrift te spellen:
H. i. e. r. hier l. i. g. t. ligt M. a. l. mal b. r. o. e. k. broek, Malbroek. Hier ligt Malbroek.
"Ier ebje nou Loutjes moeder. Loutjes moeder 'ad soo een eele mooie neus; maar Eeren en Daam, sij was bank als sij uitga, dat aar neus nat word. Daar eb sij bij haar selve bedak, dat Laurens ook paraplui verkoop; want Eeren en Daam, Laurens vertoon niet alleen tooverlantaar, Laurens verkoop ook parapluie, maak nieuwe paraplui, raccomodeer paraplui, verruil ouwe paraplui, verzoek wel vriendelijk om de kunst en recommandatie.... daarom eef zij Laurens verzok van als sij uitga te gaan zitten op haar neus met sijn paraplui, dat aar neus niet nat wor.--Ier ebje nou Loutje op moeders neus."
Op deze aanbeveling, met zooveel kieschheid en dus ongezocht te pas gebracht, volgde de voorstelling van een oom van Laurens, die een schoorsteen in zijn neus had en van een anderen heer, uit wiens neus kleine neusjes voortkwamen.
"Mijn grootvader ad een eele mooie buik. Maar nou 'ad ie sooveel aardappele met spek kekeet, dattie sijn buik niet kon draak over Straat.--Soo 'et ie in drie nakte geprakkiseerd, ie sou late maak een kruiwaak en daarop sijn buik foortkrui. Ier ebje nou mijn krootfader, die sijn buik foortkruit over straat.
"Ier ebje de bakker, die de bolle blaas, toe, toe, toe, daar 'aal de bakker de warme bol uit de oof,--daar kom de broodweker en 't brood week onkelukkik een beetje te likt: daar kom de diender en pak de bakker mee--daar kom de dufel en wil 'm ook meê pak.--Mijn mottie wees, neen mijn mottie wees.--Jij sel 'm niet eb.--Ik sal 'm eb.--Daar 'eet de dufel 'm in sijn mand kepak en loop met 'm wek: en 'eef een zak kulde ook meê kenoom--daar loop 'm de pakkerin achterna en pak de dufel bij de staart.--Ier leelijke moriaan, ik moet mijn man weêrom 'eb.--Ok pakkerin laat los:--neen ik laat je niet los foor ik mijn man weêrom eb.--Ok liefe papekaaisneus laat los, je sel je man weerom eb.--Neen, leelijke swartsmoel, ik mot mijn kelt weêrom eb ook.--Ok pakkerin laat los, je selt je kelt weêrom eb.--Daar ruk hij zich los en laat de pakkerin staan met sijn staart in 'aar 'and.--En as nou die Eeren en Daam te freede sijn, versoeke wel friendelijk de kunst en recommandatie."
Met dit aandoenlijke en leerzame drama werd altijd de vertooning besloten.
Ruim vijftig jaren zijn verloopen, sedert ik die 't laatst bijwoonde, en nog staat zij mij niet alleen even levendig voor den geest als toen; maar gaarne zou ik er eene representatie van Rachel of een concert van Jenny Lindt voor verzuimen, om die nogmaals te zien--mits door Laurens zelven gegeven.
En vrij wat meer gaf ik, indien ik die zien kon in dezelfde kinderlijke gemoedsstemming van die dagen.
Ik heb sedert meermalen kinderpartijen bijgewoond. Ik heb de opvolgers van La Haye, Beekman en Laurens hunne pogingen zien aanwenden, om de kinderen te vermaken en tevens "zoet te houden." Geen hunner slaagde; geen hunner had er trant van. Een staaltje ten bewijze. Ik hoorde een vertooner van marionetten, na zich met aangenomen deftigheid midden in de kamer gesteld te hebben, tegen eenige baldadige knapen zeggen:
"Jonge Heeren! bedenkt, wie gij zijt, en waar gij zijt!"
"Niet op school," riepen de jongens, en werden woeliger tegen de vermaning in.
In zekeren opzichte hadden zij gelijk. Zij waren niet op school, zij waren uit voor hun plezier, en in dat geval zijn kinderen van oordeel, dat bestraffingen niet tot het programma behooren.--Maar de kunst is, te zorgen, dat zij niet in de gelegenheid komen eene bestraffing te verdienen; de kunst bestaat alleen daarin, dat men met hen spele en hen voortdurend bezig houde: en die kunst verstond Laurens vooral in hooge mate.
't Is echter mogelijk, dat de "lieve jeugd" ook veranderd is sedert mijn tijd, en dat zij, wat ons een kinderlijk vermaak schonk, thans kinderachtig vinden zou.
't Is mogelijk, herhaal ik,--ofschoon ik het niet geloof. De "lieve jeugd" is, wat men van haar maakt: en indien onze ouders, toen wij klein waren, de ronzebons, de Chineesche schimmen en de tooverlantaarn laf hadden genoemd, dan hadden wij er waarschijnlijk ook onze neusjes voor opgetrokken.
Gelukkig waren onze ouders daar nog niet verlicht genoeg toe en konden zij nog met den goeden La Fontaine zeggen:
Si peau d'âne m'étoit conté, J'y prendrois un plaisir extrême.
Een hoofdstuk dat tot overgang dienen moet.
Ik heb in de vorige hoofdstukken gesproken over Amsterdam, zooals het vroeger was en zooals het heden ten dage is; ik acht het niet ongepast, ja eenigszins plicht, nu ook iets te zeggen over Amsterdam, zooals het zou kunnen worden.
Een rijke stof, zal men zeggen, en daar een dik boekdeel over te schrijven viel.
Wanneer men maar eens nagaat, wat aantal ellenlange verhandelingen er gehouden zijn geworden in onzen Gemeenteraad, ter aanprijzing of ter afkeuring van de meest onbeduidende verandering of wijziging van het bestaande, en waar het de meest onbeduidende zaak betrof, dan kan men al licht tot de slotsom komen, dat iemand, die op gelijke wijze de vraag wilde behandelen, hoe de Stad zelve uit haar vervallen toestand ware op te heffen, een werk zoude voortbrengen, dat meer rijen in een boekenkast vullen zou, dan Wagenaar met al zijne vervolgen.
Wie zulk eene onderneming tot stand bracht, zou ongetwijfeld een zeer loffelijken arbeid verricht hebben;--of de lezing daarvan zeer vermakelijk wezen zou, daaraan zij het mij vergund te twijfelen; immers voor negen tienden zou het boek over geldvragen loopen, en cijfers zijn, gelijk al wat positief is--positieve menschen niet uitgezonderd--op den duur droog en vervelend.
Alzoo ik nu niets meer vrees, dan mijnen Lezers en mijzelven te vervelen, ben ik volstrekt niet voornemens, mij in cijfers te verdiepen; en zoo ik, als vrucht mijner overpeinzingen, wellicht punten zal aanroeren, die de stoffelijke belangen der Stad betreffen, ik beloof vooruit, dat ik mij daarbij nooit aan eenige becijfering zal schuldig maken: ik laat zulks over aan hen, die t'avond of morgen opgewektheid mochten gevoelen, om te onderzoeken in hoeverre mijne beschouwingen in toepassing konden gebracht worden.
Eene tweede belofte, die ik afleg, is, dat ik getrouw zal blijven aan den titel, dien ik aan dit mijn geschrijf heb gegeven, en alzoo wel deugdelijk zal oppassen, naar geen vast plan te werk te gaan, al wat naar orde en regelmaat zweemt te vermijden, en mij stil te laten medesleepen met den stroom, dien mijne gedachten volgen:--mij echter voorbehoudende, van die gedachte alleen datgene op 't papier te brengen, wat ik geschikt acht om eenige belangstelling bij mijne lezers op te wekken, of voor 't minst een glimlach om hunne lippen te doen spelen. Wie op zijn eigen boot eene rivier afvaart, gaat nu eens vroolijke landschappen, bevallige steden, schilderachtig gelegen kasteelen of oude gedenkstukken--dan weder treurige, eentonige heiden of dijken voorbij; doch hij roept de genoodigden, die hem op dien tocht vergezelschappen, alleen dan op het dek, wanneer er wat bijzonders te kijken valt.
't Is waar, dat gemeenlijk zijne reisgenooten van de tien keeren, dat hij hen roept, negen keeren aan hetgeen hij hun toont, niets bijzonders vinden.
Het onderwerp echter, dat ik nu ga behandelen, zal zeker aan vele, zoo binnen als buiten Amsterdam wonende Lezers, belangrijk toeschijnen: het wenschelijke namelijk, dat er verbetering kwam in de aanwijzing van de woonplaats der ingezetenen, en daardoor eene groote aanleiding tot ongemak en beklag werd weggenomen.
Dat mij dit onderwerp het eerste voor den geest komt, behoeft niemand te verwonderen. Wie over Amsterdam wil spreken of hooren spreken, moet beginnen met er zich, gelijk men 't noemt, te oriënteeren; om de lieden hiertoe in staat te stellen, heeft men de Stad eene bepaalde indeeling gegeven en de huizen van nummers voorzien; heeft men daarbij den besten weg ingeslagen?
Ik veroorloof mij, dit bepaald tegen te spreken.
Parijs is vrij wat grooter dan Amsterdam, en toch heeft het geene de minste moeite in, den persoon, dien men zoekt, te vinden; mits men het nummer wete van het huis, door hem bewoond, en de straat, waar het in gelegen is--alles natuurlijk voor zooverre die straat nog bestaat, wat bij de verfraaiingen op reusachtige schaal, welke Parijs tegenwoordig ondergaat, niet altijd het geval is.--De nummers zijn groot, en, dank hebbe de goede verlichting, ook bij nacht zelfs op een afstand leesbaar. De eene zijde van de straat heeft alleen evene, de overzijde onevene getallen; men weet dus terstond, aan welke zijde men zoeken moet; en ook zonder gids loopt men voor zich uit totdat men het nummer vindt van het huis, waar men wezen moet.
Amsterdam biedt ons geen der hier genoemde voordeelen aan. Toen er voor eenige jaren sprake was, om het toen bestaande stelsel van indeeling der stad in wijken te veranderen, vleide ik mij, dat een nieuw en meer rationeel stelsel de bezwaren van het vorige zou wegnemen. IJdele hoop! dwaze verwachting! In plaats van Wijken kwamen er Buurten, en in de plaats van de bestaande nummers, die zwart geschilderd waren, kregen wij andere nummers, die rood geschilderd waren. Dát een en ander geschiedde ongetwijfeld, om eene heel wijze reden, die ik niet onderzoeken, laat staan beoordeelen wil; doch het ongerief, waarover men zich tot dien tijd beklaagd had, was niet weggenomen.--Ten einde zulks zonneklaar te bewijzen, zal ik den beklagenswaardigen toestand schilderen van een heer, die, nooit te Amsterdam geweest zijnde, er een vriend bezoeken kwam. Ik dien echter aan mijne Lezers den noodigen tijd te geven, om in die stemming te geraken, welke hen kan voorbereiden tot het schenken van eene onverdeelde aandacht aan een zoo treurige vertelling, en ik sluit daarom dit Hoofdstuk.
Vertelling van den Heer, die bij een vriend te Amsterdam zou gaan logeeren.
Gemelde heer was en is nog een Belg, die te Brussel woont, veel gereisd, Parijs, Londen, Berlijn en andere hoofdsteden herhaaldelijk bezocht heeft, en er zich dan ook op placht te beroemen, dat hij op reis niet verlegen was en overal spoedig en gemakkelijk zijn weg wist te vinden. Ondanks al zijn reizen en trekken, was hij, tot in den afgeloopen zomer, nimmer in de zoogenaamde Hoofdstad van Nederland geweest. Toch was hem door een Amsterdammer, met wien hij elders kennis gemaakt en vriendschapsbetrekkingen had aangeknoopt, het voorstel gedaan, eenige dagen bij hem te komen doorbrengen. Dat voorstel was later bij een brief herhaald en door hem aangenomen, en de tijd gekomen, waarop aan de uitnoodiging gevolg zou worden gegeven.
Onze Brusselaar zet zich op den spoortrein, met het adres van zijn vriend in zijne portefeuille: X Smit, op de Keizersgracht, tusschen de Weesperstraat en Muidergracht W 424, en, vindt hij het huis niet, dan moet hij al zeer dom zijn, denkt hij; en hij denkt tevens, dat hij niet dom is, maar daarentegen begaafd met den bult der localiteit, welke hem overal het uitvinden van den naasten weg gemakkelijk maakt.
Hij spoort tot aan den Moerdijk, stoomt tot Rotterdam, begeeft zich van daar met den Hollandschen trein naar Den Haag, waar hij nog in 't voorbijgaan 't een en ander wil gaan kijken, terwijl hij zijn koffer, met een behoorlijk adres voorzien, naar Amsterdam vooruit zendt. Hij houdt zich in de Hofstad eenige uren op en rijdt met den laatsten trein naar Amsterdam.
"Mijnheer!"' vraagt hij, op de hoogte van Sloterdijk gekomen, aan den eenigen zijner medepassagiers, die niet slaapt, "is de Keizersgracht moeilijk te vinden?"
Ongelukkig richt hij deze vraag tot een dier positieve lieden, waarvan ik in het vorige Hoofdstuk gewag maakte, tot een dier lieden, die eene vraag beantwoorden, zooals zij gedaan wordt, zonder daarbij te onderzoeken, of de vrager nu op de hoogte zal zijn van hetgeen hij wenscht te weten. Het antwoord luidt dan ook droogweg:
"Neen, mijnheer! gij loopt de poort in, al rechtuit en als gij de eerste brug over zijt, slaat gij de eerste straat rechts in en gij komt vanzelf op de Keizersgracht."
"O!" denkt onze reiziger: "dan zal ik wandelen: ik heb toch geene bagage: ik ben stijf als eene hark van 't rijden: het weer is fraai en een wandelingetje zal mij goeddoen."
Had hij deze gedachte overluid doen hooren, misschien had de positieve man, van wien wij 't ergste niet willen denken, het noodig geacht, hem te waarschuwen, dat de Keizersgracht lang is, en dat het wandelingetje wel eens eene wandeling zou kunnen worden; doch ongelukkig werd het gesprek niet doorgezet en onze Brusselaar alzoo overgelaten aan zijne illusiën.
De trein houdt te elf uren stil: misschien was het er wel een paar minuten over;--doch ik wil goede vrienden met de Directie van den spoorweg blijven en neem dus maar liever aan, dat de trein aankwam op de minuut, die op het briefje vermeld staat.--Onze Brusselaar stapt den wagen uit, volgt eerst den stroom zijner reisgenooten binnen de poort, en vervolgens de route, hem aangewezen, en bevindt zich alzoo, na tien minuten gaans, op de Keizersgracht, tegenover de kerk de Zaaier.
Nu spreekt het vanzelf, dat hij het huisnummer 424 zeer goed onthouden heeft; maar niet zoo precies de letter W, en nog veel minder de bijvoeging: "tusschen de Weesperstraat en de Muidergracht," eene bijvoeging, die hem--als Belg en als bezoeker van Parijs en Londen gewoon alleen aan den naam der hoofdstraat en aan het huisnummer te hechten--al vrij overtollig was voorgekomen, en waarop hij alzoo weinig acht geslagen had. Hij begeeft zich nu aan den huizenkant en beproeft de nummers te lezen. Bittere teleurstelling! Niet alleen, dat hij ze niet lezen kan; maar hij kan ze zelfs niet vinden, als zijnde daar ter plaatse op de binnenzijde der deurposten of op de lijst geschilderd, maar zóó, dat zij altijd in de schaduw blijven. Eindelijk komt hij aan een huis, waar eene lantaarn tegenover staat, bij wier licht hij het nummer zien kan. Dat nummer is 334.
"Mal genoeg!" denkt hij bij zich zelven, "dan heb ik nog vijf-en veertig huizen te loopen: dat is verder dan ik dacht."--Men bedenke hierbij, dat hij deze berekening grondt op de meening, waarin hij verkeert, dat hij aan de zijde, waar hij loopt, alleen evene nummers zal aantreffen.
Hij is nu eenmaal op weg en moet wel voortgaan: intusschen slaat hij nu en dan een oog op de roode merken, welke hij onderstelt nummers te zijn, en op de gaslantaarns, en hij mompelt bij zich zelven:
"De nummers zijn te Parijs tienmaal zoo groot en de straatverlichting is er tienmaal zoo goed: ergo zijn de nummers hier honderdmaal kleiner dan wel behoorde:"--een volkomen logische gevolgtrekking.
En nog treft onze vreemdeling het in zeker opzicht niet zoo heel ongelukkig; want het is geen lichte maan.--Ieder, die in Amsterdam bekend is, weet, dat wie zijn leven liefheeft nooit met lichte maan te voet uitgaat; want dat het dan in den regel stikdonker is
Er bestaat eene overeenkomst tusschen de Stad en de gascompagnie, dat deze de lantaarns niet behoeft te laten branden, wanneer het lichte maan is. Ongelukkig hebben de belanghebbende partijen vergeten, zich bij deze overeenkomst van de goedkeuring en medeteekening der Maan te verzekeren: zeker is de nachtgodes daarover verstoord geworden: althans zij houdt zich schuil zoo dikwijls men aan hare medewerking, waarop bij het vaststellen der bedoelde bepaling gerekend was, behoefte zou gevoelen.
Onze wandelaar is al verder en verder doorgeloopen: hij komt aan eene brug--die, welke over de Leliegracht ligt--en staat eenige oogenblikken in twijfel, of hij verder gaan zal. Hij wacht, tot er iemand voorbijkomt, en vraagt: "is dat nog altijd de Keizersgracht, daar over die brug?"--Door het bevestigend antwoord een weinig gerustgesteld, stapt hij moedig verder: wederom aan een huis gekomen, waar licht aan de deur brandt, gaat hij er voor staan en leest nu: "ZZ 254."
Nu is hij geheel uit de lijken geslagen; want hij begrijpt niets van het nummeringstelsel, dat hier gevolgd wordt, noch hoe zich 254 kan bevinden tusschen 334 en 424. Op eens schiet hem in de gedachte, dat er op het adres, 't welk hij in zijn zak heeft, nog voor het huisnummer een letter staat, en wel de letter W.
"Mijnheer!" vraagt hij aan een jongmensch met een flambard op 't hoofd en eene sigaar in den mond, die hem tegenkomt: "ben ik nog ver van W 424?"
"Ik weet er u niets van te zeggen," is 't antwoord.
"Zeker ook een vreemdeling evenals ik," denkt hij.--Maar ach! hetzelfde antwoord bekomt hij van al, wie hij ontmoet. 't Is beschamend voor de Amsterdammers; maar van de tweemaal honderdvijftig duizend inwoners, die de stad nagenoeg bevat, zijn er misschien vier vijfden, die de letter niet weten van de buurt, waar zijzelven in wonen:--en misschien niet een, die terstond weet te zeggen welke grachten of straten eene buurt bevat.
"De naam van de buurten staat op de hoeken der straten," zegt een medelijdend voorbijganger.--Ja, hij staat er; maar 's nachts is 't zoogoed als stond hij er niet.
Intusschen heeft onze wandelaar de klok van de Westerkerk halftwaalf hooren slaan: hij begint te vinden dat de Keizersgracht lang is: en hij is nog maar aan de Leidsche gracht.
Wederom vraagt hij, na de brug te zijn overgegaan, aan een dikken heer, die op eene stoep staat, of hij nog op de Keizersgracht is; wederom ontvangt hij een bevestigend antwoord.
"Waar moet mijnheer wezen?" vraagt op zijne beurt de dikke heer, die merkt, dat de man verlegen is en die gedienstig van aard zijnde, hem zoo mogelijk terecht wil helpen.
--"W 424."--
--"Ja, dat weet ik niet."
--"Bij mijnheer Smit."
--"Ja! het adresboek heeft derd'halve kolom met dien naam:-- dan zal de rechte moeilijk te vinden zijn."
Onze Brusselaar denkt er niet aan, het adres, dat hij bij zich heeft, uit zijne brieventasch te halen. En wat zou het hem ook gebaat hebben? hij had toch geen licht, waar hij het bij zou hebben kunnen lezen. Weinig opgebeurd door de gedane mededeeling, zet hij alzoo zijne ontdekkingsreis voort. "Wat doet mijn vriend ook een naam te dragen, die zoo algemeen is?" bromt hij bij zichzelven en peinst op allerlei dwaze en niet uit te spreken namen, welke hij aan zijn vriend, zoodra hij hem ziet, zal voorstellen, bij den zijnen te voegen.
Ja, zoodra hij hem ziet. Maar wanneer zal dat heuglijk tijdstip komen? De Keizersgracht schijnt zonder eind; de straat wordt al meer en meer eenzaam; de nummers hoe langer hoe minder leesbaar; en gelukt het onzen vreemdeling, er nu en dan een uit te vorschen, het dient alleen om hem de onaangename overtuiging te geven, dat hij volstrekt niet is, waar hij wezen moet.
"Vooruit! vooruit!" roept hem zijn gesternte toe; als aan den Joodschen zwerver van Sue, met wien hij begint te vinden, dat hij vrij wat overeenkomst heeft, t. w. met den zwerver.
--"Vooruit! vooruit!"--daar staat hij aan de Reguliersgracht. "Had ik maar eene vigilante genomen," denkt hij, "dan ware ik al waar ik wezen moet."
Misschien--misschien ook niet; want de koetsiers der vigilantes weten wel een huis te vinden, wanneer men de straten noemt, waarnevens het gelegen is, maar zijn in de letters der buurten evenmin ervaren als hunne overige stadgenooten.
--"Vooruit! vooruit!" en zie--bons! daar stuit hij op den Amstel. Hij kan niet verder; tenzij hij in 't water loope.
Vermoeid en mistroostig gaat hij tegen de leuning van de brug staan en wacht tot er iemand voorbijkomt, wat ruim tien minuten duurt. De eerste, die zich opdoet, is blijkbaar geen lid van het Afschaffingsgenootschap, hij beschrijft allerlei halve cirkels en bogen op de brug en zwaait hem eindelijk voorbij. De tweede is een schroomvallige heer, die hem op zijne nadering voor een bedelaar aanziet en haastig doorstapt, zonder hem te woord te staan: de derde, die met drift komt aangeloopen, heeft blijkbaar groote haast, doch luistert niettemin naar de vraag, die tot hem gericht wordt.
--"Zou mijnheer ook kunnen zeggen, waar ik W 424 moet zoeken? Ik heb geloopen van het begin der Keizersgracht af tot hiertoe, zonder het te vinden."
--"Ik weet niet, misschien moet je aan de overzij wezen," antwoordt de voorbijganger, zonder stil te staan en vervolgt met versnelde schreden zijn weg.
--"Aan de overzij!" herhaalt onze Belg, in wanhoop, "aan de overzij!" en een licht, ongelukkig een bedrieglijk licht, gaat voor hem op. "Dwaas, die ik was, niet te beseffen, dat de eene kaai zoogoed Keizersgracht moet heeten als de andere. Nu ben ik zeker den verkeerden weg geloopen en moet ik langs de andere zijde terug. In 's hemels naam dan!"
Hij hervat zijne wandeling; doch nu in omgekeerde reden: hij heeft de binnenste zijde van den dubbelen boog, dien de Keizersgracht beschrijft, afgeloopen, en, onbewust dat, achter zijn rug, over die rivier, welke hij als eene uiterste grens beschouwt, nog eene tweede Keizersgracht ligt, onbewust, dat hij zich met elke schrede al meer en meer van het voorwerp zijner nasporingen verwijdert zet hij deze langs den buitensten boog weder voort.
Hij beproeft nogmaals de huisnummers te lezen. Helaas! het is middernacht geslagen. Aan de huizen branden geen lantarens meer.
Hij wil in de tapperijen inlichting vragen: men ziet hem voor een stillen verklikker aan: men roept hem toe, dat men na klokke twaalf niet meer opendoet en men grendelt de deur dicht. Hij wendt zich tot de klepperlui. Zij verzekeren hem achtereenvolgens, dat de Buurt, waar hij zich bevindt, de letters AA, BB, of CC draagt; maar zeker niet Buurt W is:--en dat hij veel verder zal moeten wezen.
Weldra kan onze wandelaar nauwelijks meer den eenen voet voor den anderen zetten. "Helaas!" denkt hij, "dat zijn hier ook al de Parijsche of Londensche trottoirs niet!"--en al meer en meer zwaarmoedig en bedrukt strompelt hij verder.
Het is pijnlijk, toestanden te beschrijven, gelijk aan die, waar onze vreemdeling in verkeerde; ik wil dan ook al de gewaarwordingen niet ontleden, welke hij op zijne verdere wandeling gevoelde: gewaarwordingen van afgematheid, van ongedurigheid, van twijfelmoedigheid, van verlegenheid, van spijt, van angst. Genoeg zij het te zeggen, dat, zoo hij onder 't voortgaan nog altijd eenige hoop had gevoed de gezochte woning te vinden, en daardoor nog eenigen moed om zijne nasporingen niet op te geven, beide, hoop en moed, zijn boezem geheel verlieten, toen hij zich eindelijk weder aan de Brouwersgracht bevond: vlak bij de houten brug, aan wier overzijde hij zijn ontdekkingsreis begonnen was.
Waar hij per slot onder dak kwam en hoe laat het toen was, weet ik met geen zekerheid te zeggen: dit weet ik alleen, dat het niet was ten huize van den heer X. Smit. Niet voor den volgenden morgen kwam hij daar te land, nadat hij het adres van 't huis uit zijn brieventasch had gehaald en de woorden, welke hij als overtollig had beschouwd, den voerman, die er hem heen zou brengen, op den weg hadden geholpen.
Hij had nu althans de ondervinding opgedaan, dat men, om in Amsterdam iemand te vinden, aan het nummer weinig heeft, zoolang men den naam der gracht of straat, waar hij woont en die der aangrenzende grachten of straten niet van buiten heeft geleerd.
Zeker is dit niet altijd even gemakkelijk, en leert het hier gegeven voorbeeld, hoe fraai het nummeringstelsel te Amsterdam berekend is, om de vreemdelingen, ja zelfs de Amsterdammers, in de war te brengen.
Tot hun troost kan ik hun in 't voorbijgaan zeggen, dat in Den Haag een nog dwazer stelsel gevolgd wordt:--daar voert ieder huis drie nummers in plaats van een.