Vertellingen van vroeger en later tijd

Chapter 39

Chapter 394,030 wordsPublic domain

Ond. (Met een goedkeurenden hoofdknik). Zeer merkwaardig!--Daar had ik nooit aan gedacht! dat zou bewijzen, dat het theedrinken in die dagen al was uitgevonden. Wij willen nu Virgilius eens bij de hand nemen. Lees en vertaal dezen regel, No. 1!

No. 1. (Leest) Formosum pastor Corydon ardebat Alexin, Delicias domini.

"De herder Koridon beminde zeer den schoonen Alexis, de vreugde zijns meesters."

Ond. Dat is nu niet woordelijk genoeg.

No. 2. Neen, dat zeg ik ook.

Ond. Hoe zoudt gij 't maken?

No. 2. Wel: "de Pastoor Jacob (of Koo) Rydon braadde een mooien haring, een delicieus hapje voor een heer."

Ond. Egregie!--Gij hebt zeker de overzetting van Bilderdijk gelezen;--doch de uwe is nog nauwkeuriger. (tegen No. 1) Die Ecloga zal u waarschijnlijk te zwaar wezen: Lees en vertaal liever deze eens.

No. 1.

Tityre, tu patulae recubans sub tegmine fagi, Silvestrem tenui musam meditaris avena.

"Gij, Tityr! nederliggende onder het dak der schaduwrijke beuk, speelt op uw dunne schalmei een landelijk lied."

Ond. Hm! Tenuiter! gedrongen en stijf! (tegen No. 2) Hoe vertaalt gij deze regels?

No. 2. Wel, dat is dood gemakkelijk. "Gij, Titi! (wie Titi is weet ik uit den Sarivari) liggende onder het beukenberceau, denkt, dat ik de dochter van den boschwachter in het hooi heb beetgehad.

Ond. Egregie! eximie! Dat is om alle Commentatores van spijt te doen barsten. Gij zult een eerste criticus worden, dat voorspel ik u. Ik ga u thans verlaten en plaats ruimen voor den examinator in het Grieksch.

Wij zullen aan onze lezeressen het examen in 't Grieksch sparen ('t is al wel, dat wij ze op Latijn trakteeren) en tot dat in de Wiskunde overgaan.

Onderzoeker in de wiskunde. Waarom wordt wiskunde aldus genoemd?

No. 1. Omdat het eene wisse kunde is.

Ond. Tenuiter! (tegen No. 2) Hoe denkt gij er over?

No. 2. Wel, 't is van wisschen en kunde.

Ond. Van wisschen en kunde?

No. 2. Wel ja. Ik heb dat wel eens bijgewoond. De meester, of de jongen, staat voor 't bord, met eene liniaal, een stuk krijt en eene spons: en de heele kunst bestaat daarin, om wat lijnen, letters of cijfers, daar geen drommel uit wijs kan worden, op te schrijven en gauw weer uit te wisschen.

Ond. Egregie! Wel doordacht. Gij geeft ten minste reden van uw zeggen. (tegen No. 1) Voor wie is de meetkunst vooral nuttig?

No. 1. Voor hen, die hun verstand willen scherpen.

No. 2. Voor de snijers en schoenmakers.

Ond. Egregie! Wat is een driehoek?

No. 2. Een steek.

Ond. Welke is de kortste weg tusschen twee gegeven punten?

No. 1. De rechte lijn.

No. 2. Mits er geen sloot tusschen ligt of geen beeren op zijn.

Ond. Daar is veel van aan:--Nu zal ik u eenige problemen ter oplossing geven: reken eens uit: Wanneer een heer en eene dame in een logement een kalfslever voor hun ontbijt ordonneeren, de heer 1/52 ons Nederl. eet, en de dame een half-vierendeel oud gewicht, hoeveel blijft er dan over?

Terwijl No. 1 zich aan 't cijferen zet, antwoordt

No. 2. Niemendal, als er maar een hond in de kamer is.

Ond. Precies.--Een heer laat een huis bouwen van drie verdiepingen; doch als de tweede klaar is, bemerkt hij dat hem het geld ontbreekt voor de derde. Wat doet hij om zijn huis te voltooien?

No. 1. Hij vraagt geld te leen.

No. 2. Hij neemt de eerste verdieping weg, zet die op de tweede en krijgt op die manier zijn derde verdieping.

Ond. Maar dan stort immers de tweede onmiddellijk in.

No. 2. Daar geeft hij niet om: hij bewoont alleen de derde; de tweede verhuurt hij.

Ond. Wel gevonden.--Nu het een en ander over cijferkunst: wat was de helft van twaalf bij de Romeinen?

No. 1. Zes.

No. 2. Neen, zeven.

Ond. Recte. Wat is optrekken?

No. 2. Hetzelfde als opkuieren.

Ond. Wat is boekhouden?

No. 2. Een boek niet weerom geven.

Ond. Wat verstaat gij door een deficit?

No. 2. Een heer zonder neus.

Ond. Wat door een surplus?

No. 2. Iemand met een bochel.

Ond. Wat is XXX in de algebra?

No. 2. Het merk van oude Engelsche ale op 't vat.

Ond. Wat is speculatie?

No. 2. Sinterklaas-gebak.

Ond. Wat is eene breuk?

No. 2. Iets daar men terstond den meester bij moet halen.

Ond. Perfect! Wanneer een schip in volle zee, de wind Z. O., en de schipper 45 jaar oud is, hoe lang is dan de groote mast?

No. 1. Dat kan niet uitgerekend worden, omdat de deelen der vergelijking niet tot elkander....

No. 2. Gekheid: ik zal 't wel zeggen: de mast is in dat geval zoolang als de afstand van den wimpel tot het dek.

Ond. Eximie! (tegen No. 1) Maakt eene vink een koppel?

No. 1. Neen.

No. 2. En ik zeg al!

Ond. Hoe bewijst gij dat?

No. 2. Wel, ik vraag aan No. 1: maken twee vinken een koppel?

No. 1. Ja.

No. 2. Dus maakt een vink (namelijk een vink meer) een koppel.

Ond. Egregie!--Hoeveel staarten heeft eene kat?

No. 1. Maar een.

No. 2. En ik zeg: drie,

Ond. Hoe bewijst gij dat?

No. 2. Op de volgende wijs;

Geen kat heeft twee staarten. Een kat heeft een staart meer dan geen kat,

dus

heeft een kat drie staarten.

Ond. Voortreffelijk! Nu eene vraag over de logica. Wat is een non sequitur?

No. 1 (bedenkt zich.)

No. 2. Eene trekschuit, waarvan de lijn breekt.

Ond. Eximie. Wij zullen tot de aardrijkskunde overgaan. Wat is de aarde?

No. 1. Rond.

Ond. (tegen No. 2.) Duidt gij haar beter aan.

No. 2. De aarde is iemand, die vijf zonen heeft, waarvan er twee bevroren zijn.

Ond. Hoeveel vossestaarten zijn er noodig om van de aarde tot de maan te reiken?

No. 1. (verlegen). Dat weet ik niet.

No. 2. Eene, als ze maar lang genoeg is.

Ond. Hoevele mijlen ligt Amsterdam van Java?

No. 1 (overijld). Eene, als ze maar lang genoeg is.

Ond. Male.

No. 2. Evenveel mijlen als Java van Amsterdam.

Ond. Hoe diep is de zee?

No. 1. Dat zal wel verschillend wezen, naarmate.... (hij stottert).

No. 2. Overal een steenworp diep.

Ond. In welk land wonen de meeste dronken lieden?

No. 1. Dat weet ik niet.

No. 2. In Lapland.

Ond. Welke bergen worden door de reizigers het meest bezocht?

No. 1 (verlegen). De Mont-Blanc.... neen.... de Chimborasso.

Ond. Gekheid! die worden maar zeer zelden bestegen. (tegen No. 2) Weet gij het?

No. 2. De herbergen.

Ond. In welke steden komt men gewoonlijk 's nachts eerst aan?

No. 2. In de bedsteden.

Ond. Noem eene kaap, waar weinig dooven wonen.

No. 2. Aan kaap Hooren.

Ond. En eene gastvrije kaap.

No. 2. Kaap Kom-maar-in (Comorin).

Ond. Wat is eene rivier?

No. 2. Eene rivier is iemand, die naar zee gaat.

Ond. Welke plaatsen zijn bekend wegens den grooten invoer van wijn en van snuif?

No. 2. Termonde en Terneuze.

Ond. Wat houdt men algemeen voor het beste goud?

No. 1 (aarzelende). Dat van Californië komt.

No. 2 Dat men in zijn zak heeft.

Ond. Egregie. Ik verlaat u thans en ruim mijn plaats in voor den examinator in de Geschiedenis.

Onderzoeker in de geschiedenis. Ik zal u eenige vragen doen uit de algemeene geschiedenis. Waarom zeilden de Argonauten naar Kolchos?

No. 1. Om het gulden vlies te halen.

Ond. (tegen No. 2). En hoe denkt gij er over?

No. 2. Omdat zij geen kans zagen er over land te komen.

Ond. Egregie. Weet gij, hoeveel koningen van Rome er geweest zijn?

No. 1. Zeven.

No. 2. Acht.

No. 1. Wel neen:--Romulus, Numa Pompilius, Tullus Hostilius, Ancus Martius, Tarquinius Priscus, Servius Tullius en Tarquinius: dat is zeven!

No. 2. En de zoon van Keizer Napoleon maakt acht.

Ond. Mooi! eximie! daar had ik zelf nooit aan gedacht.--Zeg mij nu eens welk volk der oudheid het meest gedrukt heeft?

No 1. De Chineezen.

Ond. Male!

No. 2. De Persen.

Ond. Egregie!--Welke soort van haar had Bucefalus, het paard van Alexander?

No. 1. Bruin haar.

Ond. Male. Gij slaat er maar een slag in. (tegen No. 2) Weet gij het?

No. 2. Paardenhaar.

Ond. Egregie. En aan welke zijde het meeste?

No. 1 (verward). Aan de rechterzij.

Ond. Pessime!

No. 2. Aan de buitenzij.

Ond. Juist! Van paarden gesproken, welke zijn de makste?

No. 1. Die 't best onderwezen zijn.

Ond. (haalt medelijdend de schouders op).

No. 2. De paarden in de bedsteden.

Ond. Voortreffelijk. En welke de koppigste?

No. 2. De stokpaarden.

Ond. En waarom mag een dood paard niet meer loopen?

No. 2. Omdat men anders doode paarden voor levende verkoopen zou.

Ond. Uitmuntend! Weet gij welke paus vóór de invoering van het Christendom geleefd heeft?

No. 1. Toen kon er nog geen Paus zijn.

No. 2. Wis en drie!--Paus-anias.

Ond. Zeer goed! Hoe heette zijne vrouw?

No. 1 (Ziet beteuterd voor zich).

No. 2. Pausani-japon.

Ond. En hoe heette hij toen hij klein was?

No. 2. Pausani-buis.

Ond. Eximie. En hoe heette Mozes, toen hij klein was?

No. 1 (geheel van de wijs.) Mo-buis.

Ond. Male! (tegen No. 2) zeg gij het eens.

No. 2. Mozesje.

Ond. En hoe heette de vader van Mozes?

No. 2. Mo-vijf.

Ond. Egregie. En waarom verdronken de Egyptenaren in de Roode Zee?

No. 2. Omdat zij niet aan wal waren gebleven.

Ond. Zeer goed. Nu nog een paar vragen uit de nieuwere geschiedenis en staatkunde. Waarom zal het Rusland nooit gelukken, de Poolsche nationaliteit geheel te vernietigen?

No. 1. Omdat.... omdat....

No. 2. Omdat er altijd twee polen zullen overblijven.

Ond. Perfect! noem mij eens een tijdgenoot van Corneille?

(No. 1 is van zijn stuk en weet niet wat te zeggen.)

No. 2. Zijn snijer.

Ond. Wij hebben onlangs verkiezingen gehad. Wie hebben het meeste verstand van kiezen?

No. 1. De beschaafde lieden.

Ond. Male. Gij zijt een aristocraatje. (tegen No. 2) Wie hebben het meeste verstand van kiezen?

No. 2. De tandmeesters.

Ond. Egregie!--Welke Europeesche kronen hebben zich het best tegen den revolutie-geest gehandhaafd?

No. 1 (stotterende). Rusland.... en....

No. 2. De Amsterdamsche Drie Kronen.

Ond. Mirifice! Mijn tijd is om: Ik groet u. Een der andere Heeren zal u over de Geschiedenis des Vaderlands en de Taalkunde ondervragen:

Onderzoeker. Waarom, mijne jonge vrienden, kwam Alva naar de Nederlanden?

No. 1. Om den opstand te dempen.

No. 2. Omdat de Nederlanden niet naar Alva kwamen.

Ond. Waarom werden Egmond en Hoorne onthalsd?

No. 1. Omdat men hen van hoogverraad betichtte....

No. 2. Omdat zij van adel waren, anders waren zij gehangen geworden.

Ond. Recte! Van adel gesproken, waarom zond Lodewijk XIV aan De Ruyter de orde van St.-Michiel?

No. 1. Omdat.... omdat....

No. 2. Omdat De Ruyter die nog niet had.

Ond. Egregie. Brandt schreef de geschiedenis van De Ruyter. Welke geschiedenissen zijn beter dan die van Brandt?

No. 2. Die van blusschen.

Ond. Bene. Wat was het eerste, dat De Ruyter deed, als hij 's morgens uit zijn bed stapte?

No. 1. Bidden.

Ond. Male!

No. 1. Ontbijten.

Ond. Pessime.

No. 1. Zich wasschen.

Ond. Ik verlang niet dat gij er naar raadt. Weet gij het of niet?

No. 1. (huilende). Neen.

Ond. (tegen No. 2). En gij?

No. 2. Wel zeker:--het eerste wat hij deed, als hij uit zijn bed stapte was: plaats maken.

Ond. Rectissime!--En welke logeergast had De Ruyter op zijne kamer, die alle ochtenden vroeg uitging, zonder 't huis te verlaten?

No. 2. Zijne nachtkaars.

Ond. Voortreffelijk. Nu nog eenige staat- en landhuishoudkundige vragen. Wat is hier te lande de hoogste post?

No. 1. Koning.

Ond. Dat is geen post.

No. 2. De duivepost.

Ond. Optime! Wat zou, sinds de spoorwegen, nog de beste vaart in ons land zijn?

No. 1. De vaart op de Oost.

Ond. Is die in ons land? (No. 1 kijkt bedrukt voor zich.)

No. 2. Welvaart.

Ond. Wat noemt men een landeigenaar?

No. 2. Iemand, die 't land heeft.

Ond. Welke boeren gaan meestal naar 't leger?

No. 2. Boeren die vaak krijgen.

Ond. Wat is de beste kaas?

No. 2. Presentkaas.

Ond. Wat zijn de duurste inlandsche steenen?

No. 2. Jan-Steenen.

Ond. Welk bier pakt iemand terstond bij 't hoofd?

No. 2. Een barbier.

Ond. Welk een haas laat zich hier te lande gemakkelijkst vangen?

No. 2. Een ossehaas.

Ond. En welke zijn de goedkoopste hammen?

No. 2. De boterhammen.

Ond. Gij wilt student worden. Is er ooit onder de groenen een vermaard man geweest?

No. 2. Jan Gras.

Ond. Heeft hij kinderen nagelaten?

No. 2. Ja, een broer, Dorus-Gras.

Ond. Wat is de meest geliefkoosde les van een student?

No. 2. Een kales.

Ond. En zijn geliefkoosd nastuk.

No. 2. Een stuk-in.

Ond. Welke is thans de eerste leerstoel hier te lande?

No. 2. De tafelstoel.

Ond. Egregie! Wij zijn zoo van lieverlede op Onderwijs en Taal gekomen. Hoeveel soorten van letters zijn er?

No. 1. Twee: klinkers en medeklinkers.

Ond. (tegen No. 2) En volgens u?

No. 2. Vier: schrijfletters, drukletters, rooie letters en sinterklaasletters.

Ond. Egregie. Welke letters zijn nat?

No. 1. Die pas geschreven zijn....

Ond. Male.

No. 2. A en Y.

Ond. Welke letter is eene vrouw?

No. 2. K.

Ond. Met welke kan men meten?

No. 2. Met de L.

Ond. Welke gebruikt men na den eten?

No. 2. De T.

Ond. Eximie! Wat is de vocativus van kat?

No. 1 (half wanhopend). O kat!

Ond. Male. (tegen No. 2) Wat is de vocativus van kat?

No. 2. Poes!

Ond. Excellentissime. Het examen is afgeloopen.

(De beide jongelieden worden binnengelaten om hunne bewijzen van toelating te ontvangen. No. 1 heeft 3 punten, No. 2 heeft er 25, en de Voorzitter schrijft een vertrouwelijken brief aan Prof. Y. te X., met aanbeveling om laatstgemelden jongeling honoris causa het Doctoraat in de letteren te doen opdragen).

AAN DE BESCHAAFDE VROUWEN IN NEDERLAND.

LIEVE VRIENDINNEN!

Misschien vindt gij deze wijze van u toe te spreken wel wat heel familiaar; maar wanneer men eens mijnen leeftijd bereikt heeft, aan jicht en rheumatiek lijdt, het vroeger blond der haren in afschuwelijk muisvaal heeft zien veranderen, zonder nog van eene menigte andere lastige voorboden des ouderdoms te gewagen, dan heeft men er ten minste dit bij gewonnen, dat men weder, evenals op zijn vijftiende jaar, zich jegens de schoone sekse wat meer gemeenzaamheid veroorloven mag. Men is dan weder iemand sans consèquence geworden, of gaat er althans voor door.

En dan, hoe zou ik u anders betitelen? Hadt gij liever:

MEVROUWEN, JONKVROUWEN EN JONGE JUFFROUWEN?

Dat ware, dunkt mij, wat lang, en, hoe algemeen ook, nog niet algemeen genoeg: er zouden vitters zijn, die beweerden, dat er juffrouwen gevonden worden, die niet jong zijn.

Of wel:

LIEVE DAMES?

Foei! dat ware een aanhef, goed voor een goochelaar, die zijne toeren begint, of voor een calicot, die zijne sitsjes aanprijst.--

Of anders:

BEVALLIGE SCHOONEN?

Zoo iets zegt men van den katheder; maar al onderstel ik zeer gaarne, dat gij allen schoon zijt, zoo is het niet uit dat oogpunt, dat ik u deze reis beschouwe.

Maar waarom niet eenvoudig, zonder er veel omslag bij te maken:

Aandachtige Lezeressen? of Welwillende of Bescheiden of Waarde

Daar zou ik op zich zelf niet tegen hebben; maar het is juist als Vriend, dat ik u iets heb te verzoeken en aan te raden: en bij vriendschappelijken raad en verzoek wordt vriendschap over en weder ondersteld.

Alzoo:--ik blijf bij:

LIEVE VRIENDINNEN!

Mijn uitgever, of, om juister te spreken, de uitgever van Holland, is een beste, hupsche vent, met wien ik het altijd en in alle zaken uitnemend heb kunnen vinden: er is maar één punt, waarover ik, sedert ik hem als Redacteur ter zijde sta, het gedurig met hem aan den stok heb gehad.

Hij beweert namelijk, dat wij bij de inrichting van onzen Almanak, wat de keuze van de onderwerpen, zoo der stukken als der plaatjes, betreft, er hoofdzakelijk naar moeten streven om u te behagen.

Dit ben ik volkomen met hem eens: maar hij beweert, dat ik zulks niet genoeg in 't oog houde.

Hij zegt, dat ik er te veel in laat sluipen, van bloot wetenschappelijken aard: dat de dames niet gediend believen van zoodanige lectuur; dat die voor haar te droog is: dat ik in den Almanak wat meer bloempjes en krulletjes en lieve portretjes moet zien te krijgen: ja de hemel weet, wat hij mij al vertelt.

Op al die vertoogen heb ik hem steeds geantwoord, dat hij niet weet wat hij zegt: dat ik 25 jaar langer dan hij ondervinding heb van hetgeen aan beschaafde Dames al dan niet behaagt: dat onze Nederlandsche vrouwen, vooral onze Nederlandsche meisjes, er in 't geheel niet op gesteld zijn, beschouwd en behandeld te worden als wezens, die alleen van futiliteiten gediend believen: dat zij even gaarne op zijn tijd smaak vinden in een goed stuk ossevleesch en ingeleide snijboonen, als in taartjes en ulevellen; of, om niet metaphorisch te spreken, dat een historisch, ja ik zou haast zeggen een wijsgeerig vertoog haar nu en dan even welkom is als eene romance of een liefdesverhaaltje. Ik heb hem gewezen op de talrijke opkomst van het schoone geslacht in de Rederijkerskamers, bij de opvoering der ernstigste en meest classieke stukken: op het aantal beschaafde vrouwen, dat zich telkens verdringt waar begaafde sprekers zich over bloot wetenschappelijke onderwerpen doen hooren: op zoovele genootschappen, wier strekking geheel ernstig is, en die in de jongste tijden uitsluitend door vrouwen zijn opgericht, niet alleen tot een weldadig of godsdienstig doel, maar ook tot het lezen en bestudeeren onzer dichters, ja zelfs tot het ontvangen van onderricht in de sterrekunde, in de natuurkunde of in de geschiedenis van China.... ik weet niet wat ik er niet al heb bijgehaald. Maar 't heeft niet mogen baten. Hij blijft--ja, zoo zijn die Boekverkoopers!--hij blijft maar beweren, dat vermits almanakken als de "Holland" tot de werkjes behooren, bestemd en (advertentie-stijl) bijzonder geschikt tot St.-Nicolaas- of verjaarsgeschenken, het er eigenlijk minder toe doet--hier komt het hooge woord er uit--hoe de Dames, die den Almanak misschien lezen, maar zeker niet koopen, hem vinden dan wel, hoe haar vrijers enz. er over denken. Dezen toch, naar een boekje uitziende, dat zij als een welgevallig cadeau zouden kunnen aanbieden, letten daarbij minder op de soliditeit van den inhoud, dan wel op een behaaglijk en smaakvol uiterlijk, en zijn vooral gesteld op verguldsels, mooie plaatjes en aanlokkelijke titels.

In één woord, hij meent, dat zoo ik, in plaats van een geleerd stuk, als ik eerst voornemens was, eene bijdrage in den Almanak lever, waarbij ik in 't bijzonder de Dames aanspreek en mij richte naar den smaak, dien hij in haar veronderstelt, zulks hem wel een paar honderd exemplaren meer zal doen verkoopen.

Bij een dergelijken redetwist moet een Redacteur wel altijd de minste wezen.

Ik heb derhalve moeten eindigen met hem te beloven, dat ik aan zijn verlangen zou voldoen:--en ik ben terstond gaan overleggen, welk onderwerp ter bereiking van het vereischte doel het meest geschikt ware.

Laat ik mij haasten u te zeggen,--eer gij mij beschuldigt van in herhalingen te vallen, dat ik deze reize volstrekt niet verlegen was om stof. Neen! die had ik in overvloed:--het kwam er alleen op aan, eene goede keuze te doen.

Ik moet een onderwerp vinden, dat reeds door de aanlokkelijkheid van zijn titel eene aangename lectuur beloofde, dat heel pleizierig, heel vermakelijk, heel onderhoudend is, waarvan de bloote vermelding elken anderen almanakschrijver deed bersten van klinkklare spijt, dat hij er niet op gekomen was: in één woord, iets dol prettigs en behaaglijks:--en ik vestigde daarom mijne keus op.... de spraakkunst.

Mij dunkt, dat ik reeds vanhier de gezichten zie, welke gij trekt, en hoe gij opkijkt, als wildet gij vragen: "is het ernst?--of is het eene flauwe mystificatie? wil Mr. Jacob Van Lennep den spot met ons drijven? of is hij waarlijk van plan ons te onderhouden over het boekje van A-SPA, of over dat oudere met een "Haan" voorop, of wel over die dikke boeken, die men zegt dat Dr. Bril, of Dr. De Jager, of wijlen de geleerde Heeren Bilderdijk en Kinker geschreven hebben? Nog eens, is 't meenens, of is 't gekheid?"

Elke dezer beide onderstellingen zoude u kunnen nopen, zoo niet om den Almanak geheel dicht--dan althans om de volgende bladzijden over--te slaan en iets te zoeken, dat u meer belangwekkende lectuur beloofde.

Eilieven! doet dat niet: al ware 't maar, opdat mijn uitgever niet zou kunnen zeggen, dat hij gelijk had.

Hoort ten minste vooraf wat ik bedoel wanneer ik zeg, dat ik u over spraakkunst onderhouden wil.

Ik heb volstrekt geen plan om Philamintes of Belises van u te maken: ik ken niets onverdraaglijkers dan eene geleerde vrouw:--of het moesten twee geleerde vrouwen zijn.

Ik ben dan ook geenszins voornemens, mij in grammaticale bespiegelingen te begeven: u van geslacht, getal en naamval, van onderwerp, voorwerp en gezegde enz. enz. aan 't oor te malen. Wanneer ik van de spraakkunst gewaag, neem ik dat woord in zijne eenvoudige beteekenis als de kunst om goed en zuiver te spreken: en dan richt ik hetgeen ik daarover zeggen wil tot u, omdat, over 't geheel, gij alleen de taal onzer vaderen--ik moest liever zeggen onzer moederen--nog welluidend, zuiver en onvervalscht spreekt.

Velen zullen beweren, dat hetgeen ik daar zeg eene paradox is: en misschien zijt gij zelven nederig genoeg, om het er insgelijks voor te houden. Ik wou dat gij te dien opzichte gelijk had: 't is een groot voorrecht, eene paradox te hebben uitgevonden: en er is nauwelijks een onder de mannen der wetenschap, van de wijsgeeren der oudheid af tot aan den eersten lofredenaar eener belasting op de inkomsten toe, die zich zonder dat een naam zou gemaakt hebben.

Ongelukkig is mijne bewering geene paradox, maar de uiting eener eenvoudige waarheid, van welke ik sedert lang overtuigd ben, en die ik, des gevergd, door bewijzen staven kan.

En toch--stellen de roman- en novellenschrijvers, als zij hedendaagschen zeden beschrijven, onze Nederlandsche vrouwen niet voor, als haar dagelijksche gesprekken met Fransche woorden doormengende?

Alleen een bewijs, dat die roman- en novellenschrijvers geene beschaafde vrouwen kennen, of wel, dat zij elkander gedachteloos napraten. Eene zoodanige voorstelling mocht geldig zijn veertig jaar geleden: tegenwoordig laat hier te lande eene beschaafde vrouw, wanneer zij hare moedertaal spreekt, zich bij ongeluk niet de honderdste part uitheemsche en bastaardwoorden ontvallen, die sommigen onder onze taalkundigen, mijn vriend Alberdingk Thijm bijvoorbeeld, zich met opzet veroorloven.

Daarbij, lieve vriendinnen! het zuiver spreken zit hem niet in het angstvallig vermijden van uitheemsche woorden of terminatiën. Ik zal er u nooit hard over vallen, dat gij mij vraagt naar mijne familie en niet naar mijn gezin: gij drukt u, mijns inziens, veel juister uit, wanneer gij zegt mijne verklaring van straks voor een gracieus compliment te houden, dan wanneer gij die eene bevallige plichtpleging noemt; en ik hoor u liever een werk van mij amusant dan vermakende noemen.

"Maar," zult gij vragen, "wat dan verstaat gij er door, wanneer gij zegt, dat wij alleen nog zuiver Nederduitsch spreken."

Ik zal u dit ophelderen: zuiver Nederduitsch te spreken is, naar mijn begrip, onze taal naar den eisch te doen hooren, zoo wat vormen als klanken betreft.

In beide opzichten hebt gij nog de oude, gezonde overleveringen behouden, die de Dagbladschrijvers aan de eene zijde, en de Schoolmeesters aan de andere, mooi op weg zijn te vernietigen.

Ik zal u eerst eens vertellen, aan welke misdrijven tegen de Taal die Heeren zich dagelijks schuldig maken en vervolgens aantoonen, dat gij u daarvan zuiver houdt, en waarom.

Vooreerst, wat de Dagbladschrijvers betreft, onder welke rubriek ik mede rangschik de schrijvers van maand- of weekbladen en de vertalers.--Daar hun bedrijf grootendeels bestaat in het overbrengen van volzinnen uit eene taal, welke zij ten halve, in eene taal, welke zij slecht verstaan, en zij daarbij doorgaans gejaagd en overhaast te werk moeten gaan, zoo is het hun niet zoo erg kwalijk te nemen, dat er over 't algemeen een pot-pourri uit hunne handen komt, waarvan wel de woorden nu en dan Hollandsch, de samenstelling echter Fransch, Engelsch of Hoogduitsch is.