Vertellingen van vroeger en later tijd
Chapter 38
Welk een heerlijk veld opent zich voor een opmerker? Geen jaargetijde als dit is zoo rijk voor de nieuwtjes, de tijdingjes, de praatjes, de intriges, de historietjes, de schandaaltjes. Overal hoort men gefluister en geklap; overal ziet men gegluur en gelonk: het hoofd wordt zoo opgevuld en gepropt met de menigte van logens en waarheden, die door een gekoeskoest zijn voorgedragen, dat het geene moeite meer is, de vertellingen te zoeken of na te sporen: maar wel om die uiteen te houden en in eene bekwame schikking voor te dragen, tot welk laatste wij echter niet gehouden willen zijn.
Dan, wat ook in dit seizoen stof tot gepraat moge verschaffen, er is geen voorval dat de eerste coterie van Amsterdam zoo lang, zoo tot walgens toe bezig houdt dan het Casino. Reeds in de lente van het voorafgaande jaar, dadelijk na het sluiten der winterfeestvermaken, begint men elkander met angstige oogen aan te zien en half bevend toe te fluisteren, dat er in 't vervolg geen Casino meer zijn zal; dat de onkosten te groot zijn; dat de helft der Sociëteit zich wil afscheiden; dat de dansende heeren bedanken, en de etende het feest alleen niet in stand kunnen houden enz. Anderen, minder afgeschrikt door de gemaakte zwarigheden, houden staande dat alles op den vorigen voet blijven zal, en dat er voor de afvallende leden genoeg nieuwe zullen opkomen: anderen weder nemen een middelweg, en verhalen dat, ja, het Casino zal instorten, doch als een Feniks veel schooner uit zijne assche herrijzen zal, gelouterd van al het onreine, dat zijn vroegeren luister is komen bezoedelen.--Deze woordenwisselingen duren tot aan het begin van November: dan begint de hoop op een Casino in aller hart veel schooner dan ooit te herleven: doch nu is de vraag welke commissarissen de zorg van een zoo belangrijk vermaak op zich zullen nemen: beurtelings worden alle rijke ingezetenen, alle hoofden van groote huizen gedoodverfd; de heeren, aan welke hun gewicht in de fatsoenlijke wereld aanspraak op dien post geeft, beginnen al de zwarigheden en onaangenaamheden, daaraan verknocht, op te tellen, om op zulk eene wijze dubbele eer en dank te behalen in geval zij de op hen gevallen keuze aannemen.--Nu worden de convocatiën gedaan. Zes of zeven heeren verschijnen daarop en representeeren de massa der leden; bedeesd en verschrikt zien zij elkander aan; en willen uit elkanders oogen lezen, wie de opengevallen commissaris-plaatsen vervullen moeten. Een hunner waagt het eindelijk, binnensmonds den naam van een der aanwezigen te mompelen; en als van de moeielijkste taak verlost, haast nu elk der aanwezigen, met dien naam het stembriefje in te vullen. De gekozene commissaris verbergt zijn genoegen onder een scheven lach, haalt de schouders op, murmelt eene verontschuldiging, die, als van zelf spreekt, niet aangenomen wordt, en laat zich de hem opgedragene lasten welgevallen.--Vergenoegd komen de mans en broeders terug; de minnaars, meisjes en Moeders zijn in de wolken; het vaderland is gered! het Casino staat meer onwankelbaar dan ooit. Eene tweede convocatie geschiedt; de voorgestelde nieuwe leden worden geballoteerd en bijna eenparig aangenomen; die, welke bedankt hebben voor hun lidmaatschap met verwondering rondgenoemd: de redenen dezer aftreding onderzocht: de daad bij allen afgekeurd. "Deze," zegt men, "bedankt omdat hij niet danst: nu, maar men moet betalers ook hebben:--die, omdat hij een ongelukkige inclinatie heeft, en dat het hem te hard valt, zijn meisje te ontmoeten en niet met haar te mogen dansen: goed, maar hij moest toch lid blijven om er zijne zusters te kunnen brengen, die nu geen cavalier hebben: die weder is in den rouw: ja, maar hij kon die uitgaaf toch wel doen, toekomende jaar wordt hij weder lid:--die heeft het te druk; maar hij moest blijven om het Casino in stand te houden," enz.
Thans beginnen onder de Dames de vragen: "gaat gij naar het eerste Casino?--denkt gij dat het brillant wezen zal?--wat doet gij aan?--zou die en die er komen?--ik ben benieuwd of A en B. het weder zoo druk samen zullen hebben?" en de antwoorden: "neen, op het eerste Casino ga ik nooit, dat is nooit geanimeerd:--ik denk wel dat hij er wezen zal, doch hij zal zich wel stil houden, omdat Papa C. er ook komt,--neen, met A. en B. is het glad af.--Ik denk mijn japon van voorleden jaar aan te doen en mij niet en frais te stellen," enz.
Dan, de dag van het feest, is eindelijk gekomen. Reeds van den vroegen morgen af snorren Ferminet en Teissier in hunne cabriolets van de eene schoone naar de andere; menige jonge vrouw, bij welke zij vast beloofd hadden te twee uren te komen, zit vruchteloos tot negen uren hen af te wachten; zij verwaarloozen de getrouwde dames, parce qu'elles ont toujours la ressource des toques. Hoe klopt het hart der jonge meisjes, die voor de eerste maal in de wereld verschijnen zullen, op het gezicht der fraaie tooisels, welke haar aangeboden worden, op het denkbeeld der op haar wachtende genoegens. Eindelijk zijn zij klaar; de kapper is niet gekomen, doch de moederlijke handen hebben haar werk gedaan; hoe juicht die verrukte moeder, nu zij hare telg, geheel naar haren zin, zoo lief en bevallig voor haar ziet staan; hoe oplettend gaat zij het gansche toilet nog eenmaal na, om alles weg te ruimen wat misstaan mocht, om alles bij te brengen wat meer aanlokkelijkheid geeft. Eene slede houdt voor de deur stil: het is de oude grootmoeder, welke haar petekind, haar juweeltje, toch ook eens opgeschikt zien wil: het lieve meisje gaat voor haar staan, draait en wendt zich om en om, verhaalt van wie zij die kam ontving, hoe mama van hare eigene bloedkoralen een snoer voor hare dochter afgestaan heeft: waar zij de bloemen gekocht heeft, die het eenvoudig kleed garneeren, enz. Grootmoeder hoort dit gesnap, en ziet het onschuldige hartje aan met dat melancholieke genoegen, hetwelk den gevorderden leeftijd bevangt bij het aanschouwen van de jeugd in al hare kracht en verbeelding. Nu komen ook de jongste zusjes en broertjes om Marie te bewonderen: "hé wat is Mietje mooi! ga je naar 't Casino, Mietje? Zal ik ook zoo mooi wezen mama, als ik groot ben en naar 't Casino ga?" hoort men de kleintjes nu uitroepen.
Het is acht uren geslagen: ik verlaat dit huiselijk tooneel, en snel naar den Garnalen Doelen, waar nog maar alleen de Commissarissen gereed staan om de dames in te leiden; en de recipiëerende vrouwen om eene dienaresse aan de Heeren te maken.
Nog bibberen wij van koude in het tochtig en weinig comfortable lokaal: doch dit is de schuld onzer voorouderen, welke meer gezorgd hebben voor groote kerken dan voor groote feestzalen, en aan welke men het verwijten moet, indien men zich met de lage, stoffige en koude kamers van den Doelen vergenoegen moet.
Daar begint het geraas van koetsen, brommers en sleden; daar schaart zich het nieuwsgierig gemeen om de deur van het Hotel, ten einde de fraaie kleedingen te zien. Wie is die zwarte mantel, welke zich onder dien volkshoop bevindt? Helaas! het is die ongelukkige minnaar, die in het Casino niet verschijnen durft, en echter zijne onvergetelijke zielsgodin bij het verlaten van haar rijtuig, al is het maar voor een oogenblik, wil bewonderen.
De entreezaal wordt voller en voller: de heeren en dames scheiden zich bij het inkomen van elkaar, en vormen twee afgezonderde groepen, Wie is die vrijpostige, die het waagt, zich reeds dadelijk tot de dames te wenden en om de gunst eener wals te vragen?--Dertig duizend gulden aan jaarlijksch inkomen geven hem die stoutheid. De meisjes zien hem steelswijze aan: arme schapen! hij is voor u verloren; met het voorjaar gaat hij naar Parijs; en de aanlokkelijkheden der groote stad zullen hem aldaar voor altijd kluisteren.
Een ander volgt hem, nog stoutmoediger dan hij. Van zijn inkomen zal ik maar niet spreken; op zijn Stichtschen adel is hij hoovaardiger dan de eerste op zijne rijkdommen.... doch wij zullen Langendijk niet napraten.
Ter zijde wat, mijne heeren! daar komt Mevrouw X. aan: al de jonge vrouwen regelen zich naar haar, wat kleeding, spreekwijze, kapsel en manieren betreft: de heeren vliegen om haar als de vlinders om de kaars: zij ontvangt hunne eerbewijzingen met een blik van protectie, glimlacht en meesmuilt bij beurten, beschouwt zich zelve dikwijls met welgevallen, en verbleekt op het gezicht van Mevrouw Y., die fraaier garnituur heeft dan zij.
Bedeesd en beschroomd komt de jonge V. de dames ten dans vragen: de nufjes zien hem naderen en verschuilen zich achter de andere dames, of dringen zoo diep zij kunnen tusschen de menigte om zijn lastig aanzoek te ontwijken. Eéne echter wordt door hem aangeklampt; dan, ofschoon haar danskaartje nog bijna geheel openstaat, veinst zij zich voor alle dansen geëngageerd: de arme sukkel keert verslagen terug; hij ontdekt wel in het vervolg van den avond dat hij bedrogen is, doch heeft het hart niet wraak te nemen of zich te beklagen.
Daar komt Mevrouw Z. binnen met hare dochters. Dezen hebben het vorige jaar, in stilte en van alle vermaken verstoken, tehuis doorgebracht: thans echter hebben zij hare belijdenis gedaan. God heeft het zijne gehad: nu komt de beurt aan de wereld; want dat beider dienst zich niet zoude laten vereenigen, is eene lang vergeten les; alles heeft zijn tijd: godsdienstige gedragingen komen in de kerk te pas, doch zijn allergevaarlijkst, verpestend, doodelijk voor den goeden smaak.... dan, ik begin waarlijk te moraliseeren.... och neen! ik praat maar na.
Mevrouw Z. presenteert hare dochters aan de recipiëerende dames, en, naardien Mevrouw Z. eene vrouw is, welke veel menschen ziet en hare gasten uitmuntend ontvangt, spreekt het van zelf dat de meisjes een bij uitstek gunstig onthaal genieten:--Clara slaat bedeesd de blauwe oogen neder en durft ze niet naar Mevrouw V. te richten, hoe deze ook door voorkomende vriendelijkheid haar zoekt gerust te stellen: Corinna daarentegen snapt en keuvelt, totdat een blik van mama haar blozend doet ophouden.
Daar laat de muziek zich hooren: daar beweegt zich de opeengepakte massa: de cavaliers halen hunne dames af, de sjaals, palatines en fichus worden aan de zorg der moeders of niet dansende zusters toevertrouwd; de andere dames trachten eene goede zitplaats te verkrijgen, en de wals begint.
"Met wie danst Henriëtte?" vraagt eene bezorgde moeder aan hare buurvrouw. "Met een der nieuwe leden, geloof ik; ik heb hem ten minste nooit meer gezien."--"Zoo! dat kan ik niet gelooven: ik heb haar verboden met iemand te dansen, die mij niet gepresenteerd is."--"Wat heeft Mejuffrouw S. een fraai garnituur topazen! Heeft haar vader eene erfenis gekregen?"--"'t Is schande dat men zijne dochters zoo zwierig opschikt als men zijne crediteuren niet betaald."--"Wat ziet Sijlvia er zot uit."--"Hebt ge die veeren wel gezien van Mevrouw P., die komen dan volstrekt niet met de rest van hare kleeding overeen."--"Zie eens, hoe Annette zich aanstelt met dien Engelschman, en wat walst die heer bespottelijk."--"Hebt gij mijn, Hansje al zien walsen? zij danst al zeer lief."--"Zoo, waar heeft Mevrouw Q. dien nieuwen adorateur opgedaan?"--"Hé, dat is al een oude kennis; maar hij komt niet meer bij haar aan huis, want haar man.... (gefluister)"--"Het verwondert mij dat Keetje nog dansen durft, zij is immers al drie maanden ver."--"Wat zeg je van de historie van.... (gefluister) o het is alles weder in der minne geschikt."--"Ja, dat is tegenwoordig mode; ik ga ook toekomende jaar eens met een ander op het pad."--"Het verwondert mij hoe Juffrouw N. zich nog durft vertoonen na wat in de familie gebeurd is."
Het wordt later; de speeltafeltjes worden opgezet en de bejaarde of niet dansende lieden gaan zich met hombre en whist vermaken.
Wie zijn die twee jongelieden, welke in de quadrille al de passen bederven, al de figuren in de war maken? Die heer is anders een goed danser en de juffrouw eene der beste elèves van Guédon en naderhand van Nys. Ach! zij vergeten de quadrille, den dans, de menschen, het casino: zij hebben alleen oogen voor elkander. Deze dans is gedaan: Het meisje zoekt een eenzaam hoekje: de jongeling gaat een anderen kant op, doch alleen voor de leus: daar zitten zij naast elkander: zij praten, zij gloeien, hunne oogen schieten vlammen, hunne.... onvoorzichtigen! hoe afgelegen gij zit, morgen weet de geheele stad, hetgeen gij vruchteloos voor indiscrete verspieders zoekt te bedekken.
Mijn goede mijnheer H., hoe loopt gij zoo de kamer op en neer? Is het uwe vrouw, die gij zoekt? och! de limonade, welke gij haar brengen wilt, komt te laat. Een ander is u reeds voorgekomen, en de conversatie van dezen is uwer beminde veel te aangenaam, dan dat zij u voor uwe vriendelijkheid dank zoude weten.
Hoe ziet gij zoo droevig, arme F.? Is uwe aangebedene schoone niet gekomen? Mij dunkt, ik zie haar in gindschen hoek der zaal, luidkeels lachende met hare vriendinnen.--Of is zij hedenavond niet zoo vriendelijk jegens u als naar gewoonte?--Heeft zij haren arm voor het souper u geweigerd? Ha! ik raad het al, nu gij zulke straffe blikken op gindschen pronker werpt: gij hebt gedaan, arme F.! uw rijk is uit.
Wie zijn toch die meisjes, welke er zoo lief en innemend uitzien, en welke niemand ten dans vraagt? Wacht daar gaat er toch een heer op af.--Neen, hij kiest de mottige freule X. Wat mag toch de reden van zulk eene dwaze handelwijs zijn? Die is zeer eenvoudig: de freule is naar de mode; en al wordt zij tachtig jaren, zoolang zij dansende blijft, zal zij uit routine gevraagd worden; die meisjes daarentegen zijn met al hare bevalligheden en verstand weinig bekend, en daardoor minder in trek.--O! zoo ik slechts jongere beenen had, hoe gaarne zou ik die onbillijkheid goedmaken!
Hoe beminnelijk ziet Marianne er uit! Met al de verrukking der zuiverste onschuld geeft zij zich aan de vermaken toe, welke hare jeugd zoo eigen zijn. Hoe gloeien de rozen op hare frissche wangen! hoe zwoegt haar wassende boezem! voor haar zijn op het gevaarlijk pad, hetwelk zij betreden gaat, nog geene doornen zichtbaar, schoon zij weet dat die zich aldaar bevinden; maar zij vreest die niet: te rein is hare ziel dan dat het denkbeeld zelf aan afwijking van hare plichtsbetrachting ooit bij haar op zoude komen. Eene brave moederlijke vriendin heeft de uitmuntende zaden in haar ontkiemend gemoed met overleg opgekweekt en tot heerlijken wasdom gebracht. Van die vriendin door den loop der omstandigheden gescheiden, zijn de gedachten van Marianne echter bij haar; en de vreugde, welke zij thans smaakt, is te grooter wanneer zij zich het genoegen voorstelt, die vreugde aan hare vriendin te zullen mededeelen.
Hoe mal zit gindsche zot te kijken! met de beide handen in den zak, het hoofd op zijde, de beenen wijd uitgestrekt en vaneen gespreid, en het bovenlijf overdwars gebogen. Nu en dan gaapt hij met eene uitnemende gratie en fluit hardop, alsof hij in een paardenstal ware, de muziek na. Heeft de knaap geene opvoeding gehad; acht hij zich van de voorschriften der beleefdheid ontslagen? Of waant hij dat zijne buffelachtigheid voor gracieux zal doorgaan? Zoo men hem aanmerkingen wegens zijn onbehoorlijk gedrag doet, antwoordt hij met een lompen jordaanschen vloek, dat hij daarvoor zijn geld betaald, en niet verkiest om zich voor iemand te geneeren. Heet dit tegenwoordig dan savoir vivre bonton? Waarlijk, dan zoude men de petits marquis uit den tijd van Molière bijna terugwenschen; want al is geveinsde beleefdheid slechts vleierij, zij is toch altijd beter dan geveinsde lompheid.
De speeltafeltjes worden weggeruimd, of liever in eettafels herschapen; de jonge dames zoeken hare plunje wederom op en nemen de armen der aanwippende heertjes: zij, welke geen cavalier vinden, klampen zich aan hare voorgangsters alsof zij hansje sjokken speelden, en niet zelden trekt een ridder zes à zeven dames als aan een touw de eetkamer in. Nu ziet men rond naar eene aangename plaats. Helaas! de beste zijn overal reeds genomen. Het spreekt van zelf dat de elegante Mina en de bevallige Julia, dat de trotsche Margaretha en de rijke Bertha (welke vier altijd samen partij maken,) de heeren vragen, in plaats van door dezen gevraagd te worden het spreekt van zelf, zeg ik, dat dezen de beste plaatsen voor zich en voor hare uitverkoornen genomen hebben. En waarom, vraagt men nu, hebben deze dames aanspraak op eene betere plaatsing dan anderen? Zijn hare mans Commissarissen? Neen.--Doen zij de honneurs? Geenszins.--Wat dan? Wel, zij brengen er zich zelven, is dit niet genoeg? Zij verbeelden zich in goeden ernst, dat zonder haar het Casino onmogelijk zoude kunnen bestaan: verbeelden zich dit en niet zonder reden; want elke gekskap zegt het haar: intusschen zijn het vier ijdelheden, die men zonder den fraaien opschik, de paarlen, de juweelen de kanten enz. enz., waarmede zij behangen zijn, als volkomene nulliteiten zoude aanmerken.
Men schuift door: men dringt, stoot, roept, hemt, duwt, kijft, geeft stoelen aan, zet tafels bij, langt borden aan, laat wijn komen, en begint te eten. De tafeltjes leveren wederom een groot verschil op: aan het eene praat men: aan een ander lacht men: hier vrijt men: daar gluurt men: hier werken de oogen: daar de handen: ginds de voeten: hier eet men: daar drinkt men: hier wordt gerammeld: daar gezwegen. Eene tafel, waaraan acht heeren zitten, is de stilste van alle: de verveling is op elks gelaat te lezen. Dan deze, waaraan zes jonge meisjes, doch welke reeds meer Casino's beleefd hebben, zich door eenige studenten tot het proeven van Champagne laten overhalen, en, angstig naar mama omziende, eens even de lippen aan het lekkere vocht zetten, deze is een weinig luidruchtiger.--Wat hijgen en draven die knechts, die heeren, die Commissarissen! Eén man slechts is impassibel: het is de groote Weimer, die als een waakzaam generaal, alleen de oogen overal laat weiden, en het oppertoezicht houdt.
Het souper is afgeloopen, en wordt door den luchtigen wals vervangen. Zwaaiende en zuizende staat men op: luchthartig en gezwind snort en snelt alles dooreen: Er is geen band, geen hindernis, geen stijfheid, geen decorum meer. De vrijer, die vóór het souper het niet zoude hebben durven wagen, het hem geweigerde meisje aan te spreken, gaat nu brutaal weg met haar walsen, ja walst de ouders der schoone bijna omver. De lokken der dames worden achter de haren weggestreken, of hangen, als Meduza's kapsel, in 't rond: de jabots verliezen plooi en witheid: de bloemen zijn verflenst: de cabretten handschoenen laten, door scheur op scheur, de meerdere of mindere blankheid der handjes beschouwen: en aan hem, die thans eerst de zaal binnentrad, zoude het geheel, dat zij nu oplevert, geen bekoorlijk, neen, maar veeleer een aanstootelijk schouwspel vertoonen.
De tijd verloopt: de bouillon wordt alom ingezwolgen: de meesten der aanwezigen vertrekken of nemen geen deel aan den dans meer: de cirkels der walsen, de omvang der quadrillen verwijden zich, alleen de onvermoeide springers huppelen nog op het maatgeluid en vermaken zich des te meer, naarmate zij meerdere ruimte hebben verkregen. Dan alle aardsche vreugde moet een einde nemen, en de schrikkelijke wenk van den dansmeester kondigt het besluit der laatste Santeuse aan: nu worden mantels, sjaals, doeken, palatines, enz. door de bezorgde moeders en nog bezorgder minnaars opgezocht, de heeren steken zich in den ruigen schanslooper of pyjakker, of omhangen zich met den breeden, met fluweel gevoerden mantel, en halen de sigaar voor den dag, die hen naar huis moet verzellen. Overal buigt en neigt men: de sleepers rijzen uit hun slaap en uit hunne sleden op en staan aan de voordeur vergaderd: de benedenzaal van Weimer is te klein om al de menschen te bevatten, die tot nog toe vruchteloos op het voorkomen hunner rijtuigen wachten: dan eindelijk raakt de een vroeger, de ander later, in de voor hem bestemde equipage: en Morpheus houdt zich gereed om den verkwikkenden slaap over de vermoeide leden van de hem verwachtende dansers uit te storten.
EEN STAATS-EXAMEN IN 1851.
De dag, waarop de examina een aanvang nemen, is aangebroken. Ten gevolge van het Besluit, waardoor aan allen, of zij wat weten of niet, de toegang tot de Academische lessen is verzekerd, hebben zich 7000 candidaten aangemeld. Onder hen bevinden zich:
1000 Leerlingen van al de klassen der verschillende gymnasiën.
1000 Leerlingen van onderscheiden inrichtingen van middelbaar onderwijs.
500 Jongelieden, die vroeger privaat-onderwijs genoten hadden, doch sedert Juli 1850 zuinigheidshalve hun leermeester hebben afgeschaft.
2000 Leerlingen van scholen van lager onderwijs.
50 Knapen, die te Breda, Medemblik of Delft zijn afgewezen geworden.
De overigen hebben nimmer eenig onderwijs genoten.
De voorzitter der staats-commissie, tot de jongelieden, die tegenover zijne tafel staan: Jongelieden! dewijl uw getal zoo aanzienlijk is, dewijl het toch maar een examen is voor de leus, en dewijl wij geleerde lui wel wat anders en wat pleizierigers te doen hebben dan het ondervragen van botterikken, zoo zullen wij er maar met den Franschen slag doorheen slaan, u het Examen bij paren afnemen, en u in elk vak eenige korte vragen voorstellen, genoeg om te oordeelen, hoever gij het gebracht hebt. Laten er dus twee uwer voor de tafel komen. Gij, jongelief, hoe is uw naam?
Jongeling. Jan Blokkert.
De voorzitter. Goed! gij zult voor een tijd uw naam verliezen, evenals aan 't bagno, en No. 1 heeten. Waar hebt gij onderwijs genoten?
No. 1. Aan het Gymnasium te X.
De v. Best. Hebt gij een ontslag of getuigschrift?
No. 1 reikt het papier over met een triomfantelijken blik.
De v. Hm! hm! summa cum laude!.... Ja! daar geven wij niet om. Wij zien uit eigen oogen. (Tot een ander) En gij, hoe is uw naam?
De andere jongeling. No. 2.
De v. Hm! hm! Niet dom! Maar ik dien uw doop- en familienaam op te teekenen.
No. 2. Pietje Vlug.
De v. En bij wien hebt gij onderwijs genoten?
No. 2. Bij niemand.
De v. Niet!--nu, dat is 't zelfde. Gij zijt dus een autodidakt?
No. 2. Neen, ik ben een biljartjongen.
De v. Zoo! en gij hebt liefhebberij gekregen voor de studie?
No. 2. Volstrekt niet voor de studie; maar wel om student te zijn, evenals de Heeren, die ik dagelijks in 't koffiehuis zie.
De v. Ei!--Nu, gij kunt uit hun gesprekken misschien wat hebben geprofiteerd.--Gaat nu met u beiden in de kamer hier naast: daar zullen de Heeren bij u komen.
Onderzoeker. Jongelieden! Ik zal u het examen in 't Latijn afnemen. Maar weet gij mij ook vooraf te zeggen, wat dat woord examen beteekent?
No. 1. Dat beteekent eigenlijk een bijenzwerm.
Ond. Aliquid decis! (Tegen No. 2) En wat weet gij er bij te voegen?
No. 2. Dat het zooveel beteekent, als dat het dubbel en dwars uit is.
Ond. Dat het uit is! Hoe verstaat gij dat?
No. 2. Wel ja. Ex is "uit:" en amen is ook "uit," ten minste onze Pastoor zeit het altijd als wij naar huis kunnen gaan.
Ond. Egregie! uitmuntend!--Daar had ik nooit op gedacht. (tegen No. 1) Weet gij wel wat een Pons asinorum is?
No. 1. (Zit zich te bedenken).
No. 2. Wel! Pons asinorum is klaar water.
Ond. Hoe meent gij dat?
No. 2. Hebt gij ezels ooit andere pons zien drinken als klaar water, Mijnheer?
Ond. Inderdaad, gij hebt gelijk. Nu zullen wij eens zien, of gij iets van de Dichters begrijpt. Lees eens deze ode van Horatius.
No. 1. (Leest) Persicos odi puer apparatus.
Ond. Hoe vertaalt gij dat?
No. 1. "O knaap! Ik haat den Perzischen toestel."
Ond. Niet kwaad, maar wat te letterlijk.
No. 2. Ik zou 't anders vertalen.
Ond. Hoe dan?
No. 2. Wel, 't is klaar, dat Horatius zich in een koffiehuis bevond, en dat hij tot den knecht zei: "dank je Jan! ik lust geen ingemaakte perziken."
Ond. Inderdaad! dat is eene remarkable interpretatie, die mij nog nooit was voorgekomen! Wij zullen eens tot eene andere ode overgaan. Hoe verklaart gij dezen regel:
Tecum vivere amen, tecum obeam libens?
No. 1. "Met u zoude ik willen leven, met u gewillig sterven."
Ond. Niet kwaad! (tegen No. 2) en gij?
No. 2. Wel, Horatius zit weer in zijn koffiehuis en zeit: "met thee wil ik leven en sterven."