Vertellingen van vroeger en later tijd

Chapter 37

Chapter 373,971 wordsPublic domain

"Ik moet u vooruit waarschuwen, dat er uw leven mede gemoeid is," hernam Van der Does.

"Nu!" zeide de knaap: "dat heb ik meer gewaagd. En bovendien ik ben een wees, en heb bovendien niemand, die om mij treuren zou."

"En gij zult deftig beloond worden, zoo gij slaagt in uwe zending," zeide de Burgemeester.

"Nu!" hernam het Leeuwtje: "als ik den Spanjaard eens sekuur betrekken kan, zal ik loons genoeg hebben."

"'t Is wel!" zeide de Burgemeester. "Zie hier is een holle kogel, dien steekt gij bij u, gij poogt des vijands verschansingen door te sluipen, gij begeeft u naar Delft, en brengt den kogel aan zijn Excellentie."

"En ik breng antwoord terug, niet waar?" vroeg de knaap: "'t is wel, morgen zal ik zorgen hier terug te zijn."

"Maar in allen gevalle is het zaak, dat de brief noch het antwoord in handen van den vijand valle," hervatte Van der Does.

"Begrepen!" zeide 't Leeuwtje: "de Spanjaard is gauw; maar hij zal zijn man aan mij vinden,--morgen ben ik weer hier, of nooit."

"Braaf gesproken," zeide Pieter Adriaansz., "en nu, mijn jongen, God zij met u." Dit zeggende stak hij hem de hand toe, vatte die van den knaap en drukte die met kracht.

"En nu niet langer gemard," zeide Van der Does: "gij zult een geschreven volmacht behoeven, om de stad uitgelaten te worden. Welke poort denkt gij uit te gaan?"

"Ik geloof niet een," antwoordde Arentsz.: "doch laat dat maar over aan mij. Ik zal wel de noodige voorzorgen nemen. Geef mij maar den last voor den wachthebbenden Hopman aan den toren van Bourgondië, dan zal ik de zaak wel verder beschikken."

De Heer van Noordwijk gaf hem 't gevraagde en, nadat de beide Heeren nogmaals den knaap hartelijk de hand geschud en goede reis gewenscht hadden, verliet hij hen en begaf zich naar de woning van Berkheij, aan de Lange Vest bij de Marepoort. Het regende een weinig doch desniettemin--of liever juist daarom--zat Berkheij op zijn stoep met een kopje naast hem, waarin hij het regenwater opving en er een harde korst roggebrood indoopte, 't welk hij met smaak ophapte.

"O jou lekkerbek! o jou smulpaap!" zeide 't Leeuwtje, schertsende: "dat had ik niet van je verwacht, dat je zulke weelde zoeken zoudt.

"Ja!" zeide Berkheij, lachende: "dat is ook een extra saus, die de Hemel ons toezendt, en waarvan wij gebruik moeten maken. Maar wat is er aan de hand?"

"Ik moet op een karrewei uit," antwoordde Arentsz.: "en daarin kunt gij mij helpen. De schuit van uw vader ligt nog altijd in de Vliet?"

"Zoo doet zij," zeide Berkheij.

"Best!" hernam Arentsz.: "dan zult gij mij daarmede van avond buiten de stad brengen."

"Buiten de stad," herhaalde Berkheij verwonderd.

"Ja! ik heb een boodschap van den Burgemeester voor.... om 't even wien. Ik moet door de Spaansche schansen heen, en morgen hier terug wezen. Wil je doen wat ik je vraag?"

"Met genoegen," antwoordde Berkheij: "en dus moet ik je morgen nacht terug verwachten. Tegen hoe laat?"

"Te middernacht," antwoordde Arentsz.: "ben ik met het aanbreken van den dag niet terug, dan reken je maar, dat ik den Spanjool in handen gevallen en dood ben als een pier."

"Kan ik niet meegaan?" vroeg Berkheij.

"Onmogelijk," antwoordde 't Leeuwtje: "vooreerst is 't een zending, die mij alleen belast is: in de tweede plaats kan een er lichter doorkomen dan twee. Hou je nu maar klaar met de schuit, van avond tegen halftwaalf uren."

Berkheij deed als hem gelast was, en 's avonds te halftwaalf uren gleed de schuit een der bogen nabij de Koepoort uit, en de Vliet op. Aan de overzijde gekomen, kroop Arentsz. behendig aan wal, en terwijl Berkheij naar stad terugkeerde, sloop hij, de Vliet langs, door de weide, tot hij op de hoogte van de te Lammen opgerichte schans was gekomen. Daar zwom hij 't water over, school bij het minste gerucht in de biezen weg, vervorderde, meestal op handen en voeten kruipende, zijn weg, bedroog de waakzaamheid der Spaansche wachters, trok Zoeterwoude voorbij en draafde toen als een hollend ros de weiden door, tot hij geheel buiten 's vijands bereik was. Toen stapte hij stevig door, kwam met den dag te Delft, meldde zich daar bij den Prins aan, en overhandigde hem den kogel, die hem was toevertrouwd. De Prins opende dien, nam het briefje, dat er in verborgen was, er uit, liet den knaap een middagmaal geven, als hij er nooit een gehad had, en nimmer weder smaken zou, ontbood hem toen weer bij zich en gaf hem den kogel terug.

"Gij vreest niet den terugtocht te ondernemen?" vroeg de Prins.

"Neen, Uwe Excellentie!" antwoordde de knaap: "ik ben er eenmaal doorgekomen, en met Gods hulp hoop ik, dat het mij weder gelukken zal."

"Hij zij met u, mijn brave jongen," hernam de Prins, hem de hand op 't hoofd leggende: "ga in vrede."

Bemoedigd en vroolijk nam onze knaap den terugtocht aan. Langzaam ging hij voort; want eerst met het vallen der duisternis moest hij aan de schansen terug zijn. Het was werkelijk bereids halfelf toen hij die naderde, en even behoedzaam als te voren langs sloop. Gelijk een slang kroop hij langs den grond om niet ontdekt te worden, en wederom een tijd lang met hetzelfde goede gevolg als den vorigen avond. Reeds was het hem weder gelukt het water voorbij de schans te Lammen door te zwemmen, reeds was hij de weide aan de overzijde doorgekropen, reeds was hij de stadsvest genaderd, reeds meende hij het geklokklok der schuit van Berkheij door 't water te hooren, toen op eens een forsche stem het "sta!" naast hem uitriep en een forsche vuist hem bij den kraag vatte. 't Was die van een soldaat van Valdez, die hier achter een wilg verscholen op de wacht stond. Men had 's morgens de voetstappen van Arentsz. in de natte klei bespeurd en, in het gegrond vermoeden, dat de persoon, die hier langs was gekomen, terug kon keeren, wachtposten uitgezet.

Hoe donker het ook ware, Arentsz. werd terstond twee dingen gewaar: vooreerst, dat een half dozijn Spanjaards op 't alarm afkwamen, ten anderen, dat Berkheij met zijn schuitje midden in de vest lag. Hij besefte tevens, dat, zoo hij een poging deed om zich los te rukken, en die poging mislukte, niet alleen hij, maar ook de hem toevertrouwde brief in handen des vijands zouden blijven: en dat het er op aan kwam in de eerste plaats dien brief te redden. Met de rechterhand, welke hij nog vrij had, tastte hij in de borst, greep den kogel, die aldaar verborgen was en smeet hem, onder het uiten van den kreet: "vang!" met zooveel behendige wisheid over 't water, dat de kogel juist voor de voeten van Berkheij in 't schuitje viel. Op 't zelfde oogenblik waren de Spanjaards toegeschoten en de arme knaap door een zestal handen aangepakt. Twee of drie soldaten brachten de lont aan hun vuurroers en schoten op Berkheij; doch deze, beseffende dat hij toch zijn vriend niet zou kunnen verlossen, had de schuit met een fikschen riemslag weder naar stad doen keeren, en zich toen dadelijk op den bodem van het vaartuig geworpen, zoodat de kogels over hem heen floten en hij ongedeerd weder aan de overzijde kwam, waar hij afstapte en het hem toevertrouwde pand naar den Burgemeester bracht.

Wat den armen Arentsz. aangaat, ik wil het lot dat hem trof niet uitvoerig beschrijven. De omstandigheid, dat door zijn tegenwoordigheid van geest de brief, waarmede hij belast was, hun ontgaan was, verdubbelde de woede der Spanjaarden. Binnen de schans te Lammen gesleept, onderging hij een kort verhoor, waarbij hij volstandig weigerde te antwoorden op de hem gedane vragen; daarna werden hem, op last van den bevelvoerenden Hopman, zonder deernis met zijn jeugd, met de wreedheid, aan die tijden en toenmalige krijgsmanier eigen, neus en ooren afgesneden, en toen werd hij aan een van zijn teenen opgehangen. Gauw als water klom hij tegen zijn eigen been omhoog, doch werd nu door zijn beulen doorschoten. Zijn treurig lot werd door Van der Does in treflijke Latijnsche verzen herdacht.

Wat een onnoozel botje soms beteekenen kan.

Gelijk ik hierboven reeds meer gezeg heb, waarde lezers, ik onderstel, dat de geschiedenis van het Beleg van Leiden u bekend is. Gij weet dan, hoe dapper zich de burgers tegen den vijand kweten en hoe de stad door klimmende ellende, hongersnood, pest en oproer gekweld werd. Gij weet ook, hoe de Staten het kloekmoedig besluit namen, ter verlossing der stad het zeewater over de velden te laten spoelen, en hoe die opoffering aanvankelijk zonder gevolg scheen, daar het water wel Delfland overstroomde, maar het hooger gelegen Rijnland niet bereikte. Wel doorstak men dijken en aarden wallen: wel naderde de vloot van den Admiraal Boisot door vaarten en vlieten, maar dit naderen ging met gedurige schermutselingen gepaard en, bij gebrek aan water, niet dan langzaam in zijn werk. Reeds was men diep in de maand September gevorderd: men wist binnen de belegerde stad dat de schepen, die hulp aanbrachten, niet verre meer verwijderd waren, en toch, het liet zich aanzien, dat de hulp te laat komen en de burgerij door nood gedrongen, tot de overgave zou moeten besluiten. De Spanjaards, ziende hoe, niettegenstaande al de aangewende pogingen, de Zeeuwsche Vlootvoogd zijn doel, het onderwater zetten van Rijnland, niet bereikte, schertsten en spotteden met een onderneming, die zij ijdel achtten en riepen, dat het even onmogelijk was de sterren uit de lucht te grijpen, als Leiden uit hunne macht te verlossen.

In de stad begon men evenzeer te wanhopen aan ontzet: moedeloosheid en vertwijfeling hadden de plaats ingenomen van moed en vertrouwen. Reeds hadden er samenscholingen plaats gehad, reeds had men van overgave gesproken, en al de standvastigheid en volharding van mannen als Van der Werff, Van der Does en Van Hout waren noodig geweest, om de gemoederen in rust en de stad in vrede te houden. Maar 't stond te vreezen, dat ook hun gezag en achtbaarheid eerlang hun invloed verliezen zouden op gemoederen, door wanhoop verteerd.

Eens--het was op den 29sten September--had zich wederom een volkshoop verzameld op het bolwerk bij den toren van Bourgondië en zat van daar, met donkere blikken, naar buiten op de Lammenschans te turen. Het was akelig die menschen aan te zien, die meer geraamten dan levenden schenen, en met holle oogen, uitpuilende beenderen, gerimpeld vel, de bleekheid des doods op het wezen verspreid, in het gras nederzaten: nederzaten, zeg ik, want de meesten hunner waren nauwelijks in staat meer het op de beenen te houden. De eenige die stond was de schildwacht, die niemand anders was dan onze vriend Schaeck, doch thans geheel verschillend van den knaap, dien ik u in den aanvang van mijn verhaal geschilderd heb. Weg waren zijn roode kleur en bolle wangen: het eens te enge wambuis hing hem slap om 't lijf, en, zoo hij stond, 't was niet dan met moeite en leunende op zijn musket. Toch was hij het nog, die moed poogde in te spreken aan de om hem zittende burgeren, en hun bestrafte over hun gebrek aan vertrouwen.

"Geduld nog een weinig, mannen!" zeide hij: "het ontzet nadert alras: hebt gij niet gisteren nog het schieten gehoord achter Zoeterwoude.

"Wat baat dat?" vroeg een der burgers: "de noord-oosten wind drijft telkens het water terug. Boisot kan ons niet naderen dan langs de weteringen, en die zijn alle door schansen gedekt. Ja, al werden Zoeterwoude en Voorschoten verlaten, dan nog zou die vervloekte schans daar--hier wees hij op de Lammenschans--hem het doordringen beletten."

"'t Moest vandaag springtij wezen," zeide een ander, "maar daar bespeur ik ook niets van: het water is nog geen duim gewassen."

"'t Zou ook weinig baten, zoolang de wind noord blijft," zei een derde.

"Kom!" zeide Schaeck: "wij hebben het zoolang uitgehouden: 't is nu misschien maar om een kwade dag zes, zeven meer te doen."

"Gij spreekt als een kind," bromde een groote, schrale kerel naast hem: "eer zes dagen om zijn, leeft er niemand in de heele stad meer. Mijn arm kind is reeds gestorven, omdat mijn vrouw geen zog meer had; zij zelve zal het ook geen vier en twintig uren meer uithouden, en ik heb in acht dagen niets geproefd dan rotte koolbladeren, die ik uit den mesthoop heb gezocht. Er moet een eind aan komen."

"Wat wilt gij dan?" vroeg Schaeck: "de stad overgeven, opdat wij uitgemoord worden als die van Naarden en van Haarlem?"

"Beter een korte dood door 't staal dan die marteldood door den honger," zeide de laatste spreker.

Schaeck antwoordde niet, maar eensklaps zijn geweer schouderende, liep hij met fiere stappen en het hoofd recht houdende, het bolwerk op en neêr.

"Wat scheelt hem nu?" vroegen de burgers terwijl zij hem verwonderd aanzagen. Maar weldra volgden hunne blikken de zijne en ontdekten zij eenige Spaansche soldaten, die aan de overzijde der vest met gekruiste armen naar de stad stonden te kijken. En nu begrepen zij, dat Schaeck zich voor hen goed wilde houden.

"Kom!" riep Schaeck: "gij deedt beter, hier niet zoo lui en lam te liggen: wat moeten die Spanjolen ginds van u denken zoo zij u zien?"

"Eilaci!" zeide er een zuchtende, "of zij ons zien of niet, zij zijn toch wel overtuigd, dat wij aan alles gebrek hebben."

"Dat zal ik hun wel anders beduiden," riep een stem achter den spreker. Deze zag om en ontwaarde Berkheij, die, met een aker en een vischhengel in de hand, den wal opkwam.

"Berkheij!" riep Schaeck, "wel man, ben je aan 't visschen geweest?"

"In de vest bij de Koepoort," antwoordde Berkheij: "en wil je eens zien, wat ik gevangen heb?"

Dit zeggende hief hij zijn hengel omhoog en lichtte uit den aker een visch op, die nog aan 't snoer vastzat.

"Een botje!" riepen de omstanders.

"Ja! maar welke soort?" vroeg wederom Berkheij: "hebt gij een van allen ooit in onze wateren zulke bot zien komen?"

"'t Is waarachtig een zeebot!" zeide een der burgers, nadat hij het vischje meer nauwkeurig bezichtigd had.

"En een bewijs, dat het zeewater binnenstroomt, en de verlossing op handen is," vervolgde Berkheij: "hier Sinjoren!" schreeuwde hij uit al zijn macht, terwijl hij naar de Spanjaards keek en zijn hengel heen en weder slingerde: "hier is versche zeebot! en morgen toon ik u een schelvisch, zoo gij niet voor dien tijd verzopen zijt."

"Een zeebot! een zeebot!" riepen de burgers, bij wie op eens weder de hoop was aangewakkerd. "Een zeebot!" riepen zij, zich met moeite opheffende, en hun laatste krachten inspannende, om met hoeden en mutsen te wuiven.

Verwonderd keken de Spanjaards en luisterden. In den beginne begrepen zij niet, wat dat gejuich en dat heen en weder gewaai van dien visch beduiden moest; maar eindelijk gelukte het hun de van den muur gegalmde kreten op te vangen en wrevelig keerden zij naar hun legerplaats terug.

Maar binnen in de benarde vest werd die kreet teruggekaatst en liep het gerucht van mond tot mond: "er is een zeebot in de vest gevangen! Het zeewater stroomt binnen!" En inderdaad, de springvloed had een aanvang genomen en nog dienzelfden dag veranderde de wind, zoodat het water naar Leiden stroomde. Terstond maakte Boisot van de gelegenheid gebruik, rukte met zijn vaartuigen voort, dreef den vijand terug en drong voorbij Zoeterwoude, welke post, door Valdez verlaten werd. Op den 2den October was reeds de vloot in het Papemeer gekomen en had de schans van Lammen aangetast: doch deze, van een kloeke bezetting en diepe grachten voorzien, was te wel versterkt, om bij verrassing genomen te worden, en nog liet het zich aanzien, dat deze hinderpaal onoverkomelijk wezen of althans het ontzet nog lang vertragen zou.

In de stad was men in gespannen verwachting, en den geheelen dag zat al wie de leden roeren kon op de muren naar verlossing uit te zien. Doch de hoop werd dien dag nog verijdeld en mismoedig keerden de meesten met den invallenden nacht naar hun woningen terug. Niet allen echter hadden zich verwijderd: als ik u verhalen zal.

Welken dienst Schaeck aan Leiden bewees.

De wakkere Bevelhebber, aan wien de zorg voor de stad was toevertrouwd, Van der Does, had zich in den nanacht voor eenige oogenblikken, geheel gekleed, in zijn armstoel ter ruste gelegd, toen hem werd gemeld, dat een paar knapen hem verlangden te spreken. Hij rees op, gelastte dat men hen bij hem zoude laten en herkende in de binnenkomenden, Schaeck en Berkhey.

"Is er onraad?" vroeg hij.

"Neen, Mijnheer!" antwoordde Schaeck: "maar ik geloof, dat de Spanjolen Lammen hebben ontruimd."

"Ontruimd!" herhaalde Van der Does: "en waaruit maakt gij dat op?"

"Wel Mijnheer!" hernam Schaeck: "wij zijn zoo even, ik en Berkhey, nog eens op den wal geweest, en daar hebben wij gezien, hoe zich vele brandende lonten uit de schans naar buiten hebben bewogen, die niet zijn teruggekeerd."

"Misschien een uitval tegen de vloot," merkte Van der Does aan.

"Dan zouden zij reeds handgemeen zijn," zeide Berkhey: "want de nacht is al ver gevorderd en het is nu al ruim een paar uur geleden, dat wij de lonten hebben zien branden, zonder dat er iets gevolgd is. 't Is doodstil in en om de schans."

"Dat zou inderdaad een uitkomst zijn, indien uw gissing bewaarheid werd," zeide Van der Does.

"Wat belet het te onderzoeken?" vroeg Schaeck: "indien uw Edelheid mij verlof geeft, dan ga ik naar de schans, en zie, hoe het daar gesteld is."

"En," zeide Berkhey, terwijl Van der Does op het antwoord peinsde, dan verzoek ik verlof, om hetzelfde te gaan onderzoeken te Leiderdorp. Indien de Spanjolen Lammen verlaten hebben, dan hou ik het er voor, dat zij binnen Leiderdorp niet gebleven zijn.

"Dat geloof ik met u," zeide de Bevelhebber, "en ik sta u beiden het gevraagde verlof toe. Gij zijt beiden wakkere knapen, doch ik zou u het waagstuk, dat gij ondernemen wilt, nimmer hebben durven bevelen: maar nu gij zelven het voorstelt, nu zeg ik er amen op."

In dit zelfde oogenblik meldde zich wederom iemand bij den Bevelhebber aan: 't was een soldaat, door den wachthebbenden vendrig van de Koepoort afgezonden, met de tijding, dat, tusschen die poort en den toren van Bourgondië een stuk der vest en borstwering ter lengte van ongeveer zestien voet, was ingestort.

"Dan voorwaar," zeide Van der Does in zich zelven, "moge de hoop, ons door dien knaap gegeven, bevestigd worden; want is de vijand nog om Leiden, dan zie ik geen kans meer hem, zoo hij die bres bestormen wil, er buiten te houden."

En meteen zijn woning verlatende, trok hij met den boodschapper en de beide knapen naar de bedoelde plaats, waar reeds een aantal burgers in diepe neerslachtigheid en wankelmoedigheid verzameld was. Van der Does sprak hun moed in en beurde hen op door de mededeeling van wat Schaeck hem bericht had. Het begon al te schemeren, toen Schaeck in een schuitje zittende naar de Lammerschans roeide, door de nieuwsgierige blikken van Van der Does en de Leidenaars achtervolgd. Nabij de schans gekomen, zette hij voet aan wal, klom tegen het buitenste bolwerk op, zag niemand, sprong naar binnen: vond de brug nedergelaten, de poort open, en, gelijk hij vermoed had, nergens eenigen zweem van menschen. Al meer en meer bemoedigd stapte hij het wachthuis binnen: alles was ledig en verlaten, en slechts nog eenig huisraad overig. Toen snelde hij weer naar buiten, beklom het bolwerk, en wuifde met zijn hoed tegen de Leidenaars op den stadsmuur. Dit was het teeken, dat hij met Van der Does was afgesproken, en op het gezicht waarvan de burgers een gejuich aanhieven, dat hem ondanks den afstand in de ooren terugklonk.

"Bij mijn heiligen Patroon," zeide hij toen tegen zich zelven, "nu kon ik toch wel eens gaan kijken, of er hier niet nog wat buit te behalen is. Ik heb de vesting veroverd en heb recht, zou ik denken, op wat zich daarbinnen bevindt."

Zoo gezegd, zoo gedaan: hij liep terug naar het wachthuis, doch vond er niets wat hij zijn gading achtte, toen hij, naast de schouwe, een ijzeren pot gewaar werd: hij naderde, en zie! er waren nog stukken hutspot in, overblijfselen van het avondmaal der bezetting. Men kan zich de vreugde voorstellen van iemand, die in de laatste zes weken geen vleesch geroken had, dan een stuk paardedarm, over zulk een vondst. Hij nam zijn hoed nogmaals af, bad een "Vader ons" en zette zich toen aan 't schransen. Reeds was de helft van hetgeen de pot bevatte in zijn holle maag gedaald, toen hij een voetstap hoorde naderen. Met schrik sprong hij op: doch was weldra gerust gesteld, op het zien van een der Leidsche vrijwilligers, dien Van der Does hem had nagezonden, om zich te verzekeren, dat de schans werkelijk verlaten was, en dat Schaeck niet altemet door den vijand gedwongen was geweest het bepaalde vreugdesein te geven.

"Hier, kameraad!" riep de knaap, toen hij de gretige blikken zag, die de nieuw aangekomene op den pot wierp, "neem en eet, maar den pot behou ik. En nu is mijn maal gedaan: nu kon ik den Admiraal wel gaan verwittigen, dat hij vrij de stad kan naderen."

En het nog overgebleven vleesch in een aarden schotel omkeerende, snelde hij met den pot naar buiten, de schans uit, en waadde door het verdronken land naar de zijde der vloot. De Zeeuwen van Boisot werden hem aldra gewaar en wisten eerst niet, wat van den knaap te maken: doch toen hij met pot en hoed begon te zwaaien, en te schreeuwen: "vooruit maar! vooruit maar! de doortocht is vrij!" toen raakte alles in beweging; toen zeilden en roeiden de schuiten op de stad aan, toen verwelkomden zij aan de schans den Hopman Van der Laen, met zijn vrijwilligers, die uit Leiden getrokken, er reeds bezit van genomen had--en Leiden was ontzet.--

's Middags, toen Schaeck en Berkhey te zamen aan den Rijn eenige haringen zaten te orberen en er een goede teug bier bij dronken, haalde laatstgenoemde den buit voor den dag, door hem bemachtigd in de mede verlaten schans te Leiderdorp, welke hij 't 'eerst beklommen had. 't Waren ettelijke spellen zoogenaamde tarokkaarten, die nog bestaan, en onder anderen in 't jaar 1824, toen het vijfde halve eeuwfeest der belegering gevierd werd, op het Raadhuis te Leiden werden tentoongesteld.

Berkhey werd, ter belooning voor de door hem gedurende het beleg bewezen diensten, door de Magistraat met een zilveren penning beschonken, en met een wapen, waarin het zeebotje, eenmaal door hem gevangen en aan den vijand vertoond, was afgebeeld.

Wat Schaeck betreft, hij genoot de eer, dat hij bij den plechtigen optocht, die den 3den October 1577 ter viering van 't ontzet gehouden werd, aan 't hoofd der gewapenden optrekken mocht. Voorts vinden wij zijn wakkere daad in een der versjes, op het ontzet gemaakt, in de navolgende regels herdacht:

Doen Godeshant Dreef den vijandt Bij nacht uijt Lammen-schans, Creech Schaeck dees pot, Riep aen Boijsot; Moocht over dammen thans.

HET CASINO.

De tijd der genoegelijke wintervermaken is eindelijk verschenen: de huisgezinnen, welke de koude van December het langst getart hebben, zijn de stedelijke huis-goden vroeger of later komen terugvinden: de bezendingen der nieuwste modes zijn uit Parijs aangekomen, de modemaaksters doen hunne winkels met de uitgezochtste waren pronken: de koetsiers, in de bonte pelsen gestoken, hebben dag of nacht geen rust meer, doch rijden van huis naar den Amstel, van den Amstel naar de modemaakster, van de modemaakster naar huis, van huis naar de diners, van de diners naar komedies, soupers, soirée's, concerten, ja naar de welsprekendheid, (bijaldien er iemand leest die bij de groote wereld bekend is). Kleedermakers en naaisters, schoenmakers en hoedenmakers kunnen ter nauwernood al hunne kalanten voldoen: alles is in de eerste kringen als ontwaakt uit den zomerschen slaap: alles is beweging, woeling, drukte, gepraat, geroep, gekakel, gebabbel, gelaster.