Vertellingen van vroeger en later tijd
Chapter 36
Het was op Maandag den 23sten Juni 1572, dat de stad Leiden de zijde van den Prins van Oranje gekozen en den Hertog van Alva tot vijand verklaard had. Hoewel zulks zonder merkbare opschudding had plaats gehad, waren er echter hier en daar eenige baldadigheden aan kerken, kloosters en geestelijke gestichten bedreven, die natuurlijk den wrevel en 't misnoegen der Roomschgezinde ingezetenen hadden opgewekt. De Overheid, begrijpende, dat alleen eensgezindheid onder de burgers in staat was, de stad tegen den algemeenen vijand te beschermen, vaardigde hierom een publicatie uit, waarbij zij hen tot eendracht maande en de zoodanigen met straf bedreigde, die iets verrichtten wat de goede harmonie en orde konde storen. Doch hoe wijs en verstandig zulk een maatregel ook wezen mocht, en hoezeer hij belette, dat de burgers eenige dadelijkheden tegen elkander bedreven, hij kon niet verhinderen, dat zij, die in politieke en godsdienstige denkwijze van elkander verschilden, elkander met den nek bleven aanzien en er nu en dan ergerlijke tooneelen plaats hadden.
Tusschen de volwassenen bepaalde zich dit echter bij woorden, maar niet alzoo tusschen de jonge knapen. De kinderen van die dagen, zelfs die van deftigen huize, leefden meer op straat dan tegenwoordig plaats heeft, en zoo waren zij veel meer in de gelegenheid elkander ieder oogenblik te ontmoeten. Nu scholden de knapen, wier ouders de Hervormde leer waren toegedaan, de zoons van Roomsch-Katholieke ouders voor Papisten en Kardinalisten (aanhangers van den Kardinaal Granvelle), en wederkeerig gaven de laatstgenoemden aan de andersdenkenden den scheldnaam van Geuzen. Van woorden kwam men niet zelden tot daden: en menige jongen kwam thuis met een blauw oog, een bebloeden neus of een buil in den kop, met eenige vlokken haar minder op 't hoofd en eenige gaten of scheuren meer in zijn wambuis of broek: ja 't liep zoo grof, dat men zich aan weerskanten tot partijen vormde, tusschen welke eerlang regelmatige gevechten plaats hadden, waarin nu de eene, dan de andere zijde het onderspit dolf.
Dat was zeer verkeerd, elkander dus uit te jouwen en te slaan, omdat men tot een verschillend kerkgenootschap behoorde. Doch ik wil er die knapen niet hard over vallen, immers zij leefden in een tijd, toen de strijd over geloofspunten schier overal de lieden tegen elkander in 't harnas had gejaagd: toen de Hervormden aan de Roomschgezinden verweten dat dezen hun geloof door brandstapels en schavotten wilden doen zegevieren, en de Roomschgezinden wederkeerig aan de Hervormden, dat dezen zich niet ontzagen kerken en kloosters te verwoesten en onschuldige priesters en nonnen te mishandelen.
Nu zegt het spreekwoord:
Als de ouden zongen, Zoo piepen de jongen,
en dat spreekwoord was ook hier bewaarheid geworden.
Wanneer menschen, groot of klein, zich tot het een of ander doel vereenigen, dan kiezen zij zich doorgaans een of meer hoofden of leidslieden: en zoo hadden zich ook weldra de beide vechtende partijen elk een aanvoerder gekozen: de Roomschgezinde jongens zekeren Gijsbrecht Korneliszoon Schaeck, een dikken, stevigen krullebol, zwart van haar en wenkbrauwen, met een breeden platten neus, een frissche gezonde kleur, een wijden mond, van hagelwitte tanden voorzien, en een paar groote heldere, vroolijke blauwe oogen:--de Protestanten zekeren Willem Aelbrechtz Berkheij, of Barkeij, een knaap, wiens ouders van Schotsche afkomst waren. Deze knaap had wit blond haar en lichtbruine oogen: zijne trekken waren regelmatig en fijn, en, hoezeer zijn gelaat mager en bleek, ja eenigszins van de kinderziekte geschonden was, had hij over 't geheel een innemend voorkomen. Beide knapen waren ongeveer van gelijken leeftijd, tusschen de veertien en vijftien jaar; Schaeck muntte meer uit door lichaamskracht en kloekheid; Berkheij door behendige vlugheid en schrander overleg. Schaeck was een bol in 't kaatsen en kegelen; Berkheij had zijn gelijke niet in 't knikkeren en balgooien. Schaeck was sterk als een stier en wist stompen en stooten te geven, die iemand omver deden tuimelen; Berkheij was glad als een aal en volleerd in de kunst van zijn weerpartij 't beentje te lichten. Nu ging er bijna geen dag om, of de twee partijen waren handgemeen, en hunne ouders, in stede van zulks te verbieden, lieten hun stil hun gang gaan, zoo zij hun dwaasheid niet nog aanmoedigden.
Van de groote kloppartij bij de Pieterskerk.
Eens, in 't laatst van Augustus van datzelfde jaar 1573, stond Schaeck weder met een hoop jongens op het plein bij de Pieterskerk, toen hij van verre Berkheij en de zijnen langs de Kloksteeg naderen zag.
"Past op, jongens!" riep hij: "daar is dat Geuzenvolkje weer: dezen keer zullen zij den dans niet ontspringen.--Hier Olfert! gij met drie jongens achter de kerk: gij, Piet Pietersz. met drie anderen ginds om den hoek achter 't Begijnhof, ik blijf hen met de overigen hier afwachten: wij trekken samen terug: zij vervolgen ons, en als zij voorbij zijn, dan springt gij van weerszijden uit uwe schuilhoeken voor den dag en toffelt hen op den rug, dat zij voorover buitelen."
Aan het bevel werd gehoorzaamd: de beide toegesproken knapen met hun makkers begaven zich in de hun aangewezen hinderlagen: en Schaeck, de overigen om zich heen houdende, veinsde met hen in een diep gesprek te zijn en den naderenden vijand niet te bemerken.
De krijgsmanoeuvre, hoeveel eer zij deed aan de tactiek van den bevelhebber, was echter niet zoo vlug in haar werk gegaan, of Berkheij had er van verre iets van bespeurd en terstond van zijne zijde besloten, daarvan partij te trekken ten zijnen eigenen voordeele en ten verderve van den vijand. Zijn oogmerk met één woord aan zijne kameraden bekend gemaakt hebbende, trad hij bedaard vooruit; doch nauwelijks was hij op de hoogte van 't Begijnhof, of, in plaats van op Schaeck aan te vallen, zwenkte hij met zijn geheele bende rechts, stormde den hoek van 't Begijnhof om, en trok daar Piet Pietersz., eer deze 't verhoeden kon, de beide beenen van onder 't lijf weg, zoodat de arme jongen op een alles behalve zachte wijze achterover rolde, terwijl zijn drie makkers door die van Berkheij deerlijk werden toegetakeld en zoogoed als buiten 't gevecht gesteld.
"Weergasche Geuzen!" riep Schaeck, die inmiddels tot ontzet der zijnen aansnelde: "dat zult gij mij betaald zetten," en onder 't uitspreken dezer woorden deelde hij rechts en links stompen uit, ten gevolge waarvan een zijner weerpartijders met bebloeden neus van het slagveld terugweek, en een ander, die een vuiststoot in de maag ontvangen had, langen tijd vruchteloos naar zijn adem hijgde. Berkheij, nederduikende, sloeg den arm om de knie van Schaeck, met oogmerk om hem van de baan te lichten; doch de andere pakte hem zoo geweldig bij den strot, dat hij het been moest loslaten en zijne handen gebruiken om zich van den greep zijns vijands vrij te maken. Intusschen was de strijd algemeen geworden: en er waren al verscheidene oogen blauw en verscheidene wambuizen gescheurd, toen iemand, wiens tusschenkomst niet verwacht noch voorzien werd, zich in den strijd kwam mengen. Het was een deftig, welgekleed heer, wiens voorkomen den aanzienlijken burger, en, meer nog den kloeken en welberaden man verkondigde. Met een zijner vrienden van achter de kerk omkomende, had hij het gevecht nauwelijks gezien, of, begrijpende dat het onnut ware hier woorden of bedreigingen te verspillen, trad hij toe en trommelde de vechtende knapen met zijn rotting zoo geducht op de knokkels of op den rug, dat zij huns ondanks wel moesten uitscheiden. Zijn medgezel volgde dit voorbeeld en weldra waren al de vechtenden rechts en links teruggestoven, en bleven alleen Schaeck en Berkheij nog over, die beiden met bebloed gelaat en vaneengereten kleederen op den grond lagen te worstelen en het niet schenen te willen opgeven.
"Schaamt gij u niet?" vroeg de onbekende, hen met geweld van elkander rukkende: "is dit manier van doen tusschen Leidsche jongens onder elkander? Komt! staat spoedig op, en geeft elkaar de hand."
"Hij scheldt mij voor Geus uit," bracht Berkheij al hijgende en stotterende uit.
"En gij hem voor Papist," zeide de vreemde heer: "dat weten wij al lang. Maar dat is nu juist wat de Heeren van de Regeering niet hebben willen. Aan dat uitschelden moet een einde komen en niemand mag om zijn geloof gemolesteerd worden. Komt! geeft elkander geen namen meer; gij zijt immers allen brave jongens onder mekaar. Geeft elkander liever de hand en laat het uit zijn."
Berkheij voldeed, hoewel schoorvoetende, aan de uitnoodiging; doch Schaeck keerde zich wrevelig om, en al mompelende, dat de "menheir" goed spreken had en zeker zelf waarschijnlijk wel een Geus was, droop hij knorrig af. Het gevecht werd toen echter niet hervat, en evenmin de volgende dagen, vermits er op den 30sten dierzelfde maand, ten gevolge der dringende vertoogen, door dien zelfden vreemden heer bij de Regeering gedaan, een publicatie verscheen, waarbij die straatgevechten verboden werden op een boete van drie gulden voor ieder jongen, door de ouders of opzichters te betalen; terwijl wie geen geld had, op water en brood gezet zou worden. Dit werkte; want noch de ouders van Schaeck, noch die van Berkheij, noch die van Olfert of Piet Pietersz. waren lieden, wien 't erg zou geschikt hebben, om den wille hunner baldadige jongens drie gulden boete te betalen; waarom zij hun dan ook het vechten wel streng verboden;--maar met dat al was tusschen de knapen de wrevel niet geweken en meermalen had men Schaeck hooren zeggen, dat borgen geen kwijtschelden was, en dat hij zijn leed nog eens geducht op Berkheij zou wreken.
Waar het koekhakken al toe leiden kan, en hoe Schaeck wraak nam van Berkheij.
Niet lang na het gebeurde was Haarlem door de troepen van Alva belegerd geworden en dit had aanleiding gegeven, dat er bezetting in Leiden gelegd werd. Zoo was op 8 October de Heer Van Assendelft met een vendel aldaar gekomen, die op 3 Februari 1573 door Jonkheer Jacob Van Egmond vervangen werd. De krijgsknechten in die dagen waren gewoonlijk vergezeld van een hoop zoetelaars, vrouwen en knapen, allen tot den tros of trein behoorende en bestemd om den soldaten onderscheidene diensten te bewijzen. Er bestond in die dagen nog in 't algemeen weinig krijgstucht; maar vooral was dit het geval met de zoogenaamde huursoldaten. Dezen waren doorgaans niet veel meer dan een samenraapsel van ongebonden gelukzoekers, die schrale soldij bekwamen en ten koste van vriend en vijand teerden. Maar waren zij overal, waar zij zich vertoonden, een plaag en een last voor burgers en boeren, nog bonter maakten zij het, die tot den tros behoorden, en dit was te Leiden ook het geval:--zoodat er door de Magistraat aldaar meer dan eene publicatie werd uitgevaardigd om de vrouwen en kinderen van de uitheemsche soldaten te weren. Dat er tusschen die trosknapen en de Leidsche jongens ook nu en dan vechtpartijen ontstonden zal men licht beseffen, en dit had ten gevolge, dat de publicatie van 30 Augustus, waarvan hierboven gesproken is, den 18den Februari 1573 moest worden hernieuwd; terwijl bij publicatie van 21 Maart door het Bestuur nogmaals een besluit werd afgekondigd, waarbij aan alle soldaten-vrouwen en jongens gelast werd, de stad te verlaten, op veertien knapen na, die tot de dienst der Fransche Kapiteins Androssy en Chevalier en des Graven Baselot werden uitgezonderd.
Eens--het was nu in 't laatst der maand Mei--gebeurde het, dat onze vriend Schaeck zich met zijn trouwe makkers Olfert en Pietersz. naar de Hoogewoerd begaf (waar sedert de komst der bezetting voortdurend kramen stonden met koek en krakelingen), ten einde aldaar zich met koekhakken te vermaken. Dan nauwelijks waren zij in 't gezicht van het einddoel hunner wandeling gekomen, of zij bespeurden reeds dat aldaar iets buitengewoons, waarschijnlijk weer een vechtpartij plaats had. 't Was toen evenals heden: is er ergens een standje, dan moeten de jongens er bij zijn: en zoo draafden ook Schaeck en zijn vrienden, zoo hard als hun holsblokken het maar toelieten, naar de koekkramen toe. Hoezeer zij al nader en nader bijkwamen, viel het hun echter moeilijk te onderscheiden wat er eigenlijk gaande was, want er stond een kring soldaten en leegloopers om de vechtenden heen; doch eindelijk ontwaarden zij dat het twee vechtende jongens waren, waarvan de nederliggende, de kleinste van de twee, deerlijk door den grootste geslagen werd. De omstanders lachten of keken onverschillig, en er was niemand, die er aan dacht de vechtenden te scheiden.
"Foei!" zeide Schaeck, toen hij bespeurde wat er gaande was, "is dat niet een schandaal, dat de grootste den kleinste slaat?"
"Laat hem maar begaan," zeide Olfert, zijn handen wrijvende: "zie je niet, wie het is, die daar zijn vet krijgt, 't is Berkheij, nu, dat heeft hij lang verdiend."
"Om 't even," zeide Schaeck: "Berkheij moge een Geus zijn, 't is in allen gevalle een Leidsche jongen, en die andere is een vreemde trosknaap, dus, ik trek voor de Leidenaars partij." En meteen door de omstanders heendringende, sprong hij op de twistenden toe, en pakte den vreemden trosknaap bij den kraag.
"Hei daar!" riep hij: "laat dien jongen los: je ziet immers, dat het je portuur niet is."
"Dank je, Schaeck!" zeide Berkheij: "zonder jou ging die vervloekte Waal mij wurgen."
De trosknaap, een lange, vijftienjarige, sterkgespierde jongen, die, bij 't leger opgevoed, boven de Leidsche knapen het voordeel had van in de scherm- en vechtkunst wel geoefend te zijn, trad met een grimmigen blik op Schaeck toe.
"Dat zul je mij betaald zetten," zeide hij: "waar bemoeit gij je mee?" En meteen hief hij zijn arm op en bracht Schaeck een slag toe, die hem zou nedergeveld hebben, doch die nu, daar de andere even bukte, alleen het gevolg had, dat die hem de muts van den kop deed vliegen; hij ontving echter van dezen een stomp terug die ook niet mis was, en nu gingen zij voort met elkander stompen en slagen toe te dienen. De vreemde knaap had, als ik zooeven zeide, het voordeel van meer geoefend te zijn, doch hij was reeds wat vermoeid door zijn vorig gevecht, terwijl Schaeck nog frisch en krachtvol was: 't geen de kans meer eenigszins gelijk maakte. De omstanders, verre van een poging aan te wenden om hen te scheiden, vermaakten zich met den strijd te aanschouwen, en moedigden zelfs de beide kampvechters aan: "Braaf zoo, Leeuwtje!" riepen de soldaten: "geef hem van de korteletten!" [85]--"Pas er op!" schreeuwden de Leidenaars, "laat u door dien Waal niet overbluffen!" en zoo vochten zij voort alsof een van beiden er bij moest neervallen.
Maar nu klonk eensklaps een barsche stem:
"Hoe is het? Worden de publicatiën op deze wijze in acht genomen?"
De omstanders zagen om: de burgers weken eerbiedig terug en de soldaten maakten bedremmeld plaats: een hunner nam den trosknaap bij de schouders en schoof hem op zijde, terwijl Berkheij, die inmiddels bekomen was, Schaeck bij de mouw trok en hem influisterde: "Pak u weg, daar is onze nieuwe Burgemeester."
Schaeck keek op en herkende nu in den nieuwaangekomene denzelfden heer, die hem nog eens in een vuistgevecht gestoord had, en die niemand anders was dan de beroemde Pieter Adriaansz., bijgenaamd Van der Werff, die, na lang rondgezworven te hebben, ten vorigen jare in zijn geboortestad teruggekomen en nu onlangs (den 17den Mei) tot Burgemeester benoemd was. Nu wilde Schaeck zich wegmaken; maar een van de omstanders, die zeker zijn ijver wilde toonen, hield hem vast en trok hem voor Pieter Adriaansz.
"'t Is goed zoo!" zeide deze tot den burger: "maar gij hadt beter gedaan hem straks het vechten te beletten, dan hem nu aan te houden. Waarlijk!" vervolgde hij, den knaap beschouwende, "ik geloof dat dit niet de eerste keer is, dat ik u zie plukharen.--En waar is die andere gebleven?"
"Die is hier," zeide een heer, die met den Burgemeester gekomen was, en den trosknaap had vastgehouden op het oogenblik dat hij ontsnappen wilde: "bij mijn ziel! een wakkere knaap!" voegde hij er binnensmonds bij.
"Ik dank u, Hopman!" zeide Pieter Adriaansz.: "Ik zie, dit is hier weer een twist, uit het koekhakken voortgekomen. 't Is hoog tijd, dat daartegen gewaakt worde. Hoe is uw naam?" vervolgde hij, zich tot den trosknaap wendende: "gij zijt niet van hier, geloof ik."
"Ik heet Roelof Arentsz., bijgenaamd 't Leeuwtje," antwoordde de knaap: "en behoor bij het vendel van den Kapitein Baselot."
"Nu! gij zult nader van mij hooren," hernam de Burgemeester: "ik heb geen macht om u te straffen; doch ik zal dit aan uw Kapitein overlaten. En gij"--hier nam hij Schaeck bij den kroeskop en keek hem vlak in 't aangezicht: "hoe heet gij?"
"Gijsbrecht Korneliszoon Schaeck," antwoordde deze, hem met vrijmoedigheid aanziende.
"Welnu, Gijsbrecht Korneliszoon Schaeck! dit is de tweede reis dat ik u met eigen oogen vechten zie, en daar het mij blijkt, dat gij een verstokte zondaar zijt, zult gij acht dagen op water en brood zitten op den Gravesteen."
"Mijnheer! dat is niet billijk!" zeide Berkheij, zich plotseling voor den Burgemeester stellende.
"En waarom is dat niet billijk, jonge spring-in-'t-veld?" vroeg deze, de wenkbrauwen alles behalve vriendelijk samentrekkende.
"Omdat!" antwoordde Berkheij, "zoo er iemand op water en brood moet zitten, ik het in dit geval moet wezen; want ik heb eigenlijk met dien anderen jongen gevochten omdat wij ruzie kregen over 't koekhakken, en Schaeck is mij komen ontzetten."
"Ja, ja! dat is zoo!" riepen Olfert en Piet Pietersz. ter bevestiging.
"Ei zoo?" zeide Pieter Adriaansz.: "maar mij dunkt.... waart gij de knaap niet, wien ik verleden zomer vechtende vond met denzelfde, die u thans te hulp is gekomen?"
"Ja, Heer Burgemeester!" antwoordde Berkheij.
"Juist! Hij wilde u toen de hand niet geven. Zijt gij dan sedert goede vrienden geworden?"
"Dat juist niet," zeide Schaeck: "maar hij is een Leidsche jongen, en die andere is een Waal."
"Jou moeders zoon moge een Waal zijn!" riep Roelof Arentsz., bijgenaamd het Leeuwtje: "mijn moeder was van Leiden, en heeft gediend als zoetelaarster onder den Graaf van Egmond, wiens ziel bij God is."
"En gij dient nu als trosknecht bij Kapitein Baselot?" vroeg de Hopman, die den Burgemeester vergezelde;--"en zoudt gij geen zin hebben zelf de piek te dragen?"
"Dat beloof ik u," antwoordde het Leeuwtje, terwijl zijn oogen glinsterden.
"Welnu! ik ben de vrij-vechtmeester [86] Andries Allertsz., wien de Heeren van de stad gecommitteerd hebben, om de namen op te schrijven van al wie vrijwillig ten dienste der goede stad Leiden de wapenen opvatten. Ik geloof dat gij aanleg hebt en ik zal aan uw Kapitein vragen, of hij u aan mij wil overdoen: ik zal zien of ik een goed soldaat van u maken kan."
"Zeer goed zoo," hernam de Burgemeester: "maar zoo hij een Leidenaar is, dan moet hij mij ook beloven met de andere Leidsche jongens in vrede te leven en hun daarop de hand geven; en gijlieden zult onderling hetzelfde doen," vervolgde hij tot Schaeck en Berkheij, "onder die voorwaarde alleen zal aan elk uwer de straf worden kwijtgescholden."
De knapen, blijde er zoo af te komen, haastten zich aan het bevel te voldoen, en dit te gereeder, omdat zij werkelijk geen wrok meer tegen elkander voedden. Berkheij was aan Schaeck dankbaar voor de hem bewezen hulp: en deze achtte Berkheij voor zijn edelmoedige tusschenkomst bij den Burgemeester. Zij werden dan ook van dit oogenblik even trouwe vrienden als zij vroeger vijanden geweest waren, en hielden eveneens goede kennis met het Leeuwtje, sedert zij in dezen een stadgenoot erkenden. Het koekhakken werd bij publicatie verboden.
Maar wat dunkt u van de wraak, die Schaeck genomen had?
Hoe het met het Leeuwtje afliep.
Hopman Allertsz. had zijn woord gestand gedaan, en, met toestemming van den Waalschen Kapitein, den jongen Arentsz. aangenomen bij het vendel, dat ter beproeving van het ontzet van Haarlem werd opgericht. Dat ontzet mislukte, gelijk u bekend is: Haarlem zag zich verplicht, zich aan den Spanjaard te onderwerpen en billijk konden die van Leiden verwachten, dat zich de vijand eerlang bij hen voor de poort zoude vertoonen. De bezetting werd er ook aldra belangrijk vermeerderd, wat aan de eene zijde den burgers wel eenige gerustheid kon inboezemen, doch aan de andere zijde nieuwe aanleiding tot gedurige twisten en krakeelen gaf: zoodat er nieuwe proclamatiën moesten worden uitgevaardigd, waarbij aan de soldaten op doodstraf verboden werd baldadigheden te plegen. Eene dier proclamatiën gold wederom de jongens, aan wie verboden werd, "voortaen eenijghe kouck met bijlen, houwmessen oft dergelijcke instrumenten te hacken, houwen of slaen, op verbeurte van heur opperste cleet ten behouven van 's Heeren dienaers--dat men nochtans" zoo luidde 't verder, "zou mogen lossen voor VI st., ende sal bovendien de cramer of craemster, die deselve hackinge off houwinge sal gehengen, telcken van gelijcken verbeuren VI st. ten behouve als voren."
Intusschen waren de Spanjaards reeds begonnen eenige schansen om Leiden op te werpen: en in October nam het beleg een aanvang. De beroemde Juliaan Romero leide zijn troepen in de omliggende dorpen en trok voorts naar Brabant, het bevel aan Valdez overlatende, die eerlang de stad nauw insloot.
Welke maatregelen de Regeering van Leiden in deze omstandigheden nam, om den vijand af te weren, hoe er orde gesteld werd om met de aanwezige eetwaren toe te komen, hoe er noodmunten geslagen werden van papier, hoe er door deftige vrouwen inzamelingen werden gedaan ten behoeve der noodlijdenden, dit alles zal ik hier niet ophalen: veel min daarover in bijzonderheden treden. Want ik schrijf hier geen geschiedenis van 't beleg, maar vertel alleen deze en gene omstandigheid, sommige Leidsche jongens betreffende. Ik spring dus eenige maanden over, en zal u herinneren hoe, toen in Februari 1574 Graaf Lodewijk van Nassau dien inval aan de zijde van de Maas deed, die hem een maand later zoo duur kwam te staan, de Landvoogd Requesens het krijgsvolk uit Holland ontbood om hem te keer te gaan. Het gevolg daarvan was dat Leiden van 't beleg ontslagen en op den 25sten Maart de poorten werden opengezet.
Nauwelijks van den vijand verlost, zorgde men ook den overlast van binnen kwijt te raken en zond alle soldaten de stad uit, behalve alleen de vrijwilligers van Andries Allertsz. Men ging weer aan 't bouwen en beplanten van de omgeworpen muren en tuinen: men maakte zich gereed, de kermis als vanouds, vroolijk te vieren; men luidde die op 23 Mei meteen sierlijken omgang der schutters in; en, maar twee dagen later stond Valdez opnieuw met een aanzienlijke krijgsmacht voor de poort. Het was bij het eerste alarm, door 's vijands nadering verwekt, dat de Hopman Andries Allertsz., die hem met een dertigtal burgers en soldaten was tegengetrokken, als eerste slachtoffer van dit tweede beleg moest sneuvelen. Het Leeuwtje, dat zich wakker onder hem gekweten had, ging nu dienen onder den Heer van Noordwijk, den beroemden Johan van der Does, die hem alreede onderscheiden had.
De stad was ingesloten, de nood werd al grooter en grooter en de gemeenschap met de vrienden, die men buiten had, al meer en meer afgesneden. Men was overtuigd, dat door den Prins maatregelen beraamd werden om de stad te ontzetten: doch het was noodig te vernemen, van welken aard die waren, ten einde er zich naar te gedragen. Het was echter een hachelijke onderneming, brieven of boodschappen over te brengen; want voor hem, die in handen der Spanjaards viel, was, bij zoodanige gelegenheid, geen genade te wachten. Onder deze omstandigheden liet Van der Does op zekeren avond in 't begin van Juli den wakkeren Roelof Arentsz. bij zich ontbieden. De knaap verschenen zijnde, vond hem met den Burgemeester Pieter Adriaansz. in gesprek.
"Leeuwtje!" zeide Van der Does: "hebt gij moed en lust om een hachlijke onderneming te wagen, waarmee gij de stad van groote dienst zult zijn?"
"Wat moet het zijn?" vroeg 't Leeuwtje met een glimlach: "hoe hachlijker hoe liever."