Vertellingen van vroeger en later tijd
Chapter 35
Clara (zit bij het open raam, aan een klein tafeltje, in een register te schrijven: van tijd tot tijd dwalen hare oogen van het dikke boek naar de straat: de klok slaat zeven uren.)
Reeds zeven uren en hij is nog niet eenmaal voorbijgekomen! Kom, het is tijd, dat ik mijn arbeid staak. Mijne vriendinnen zullen spoedig komen. En, ik weet niet waaraan ik het toe moet schrijven, maar sedert eenige dagen wil het werk zoo goed niet meer vlotten. Ik zet gedurig verkeerde cijfers.--Ik zal morgen niet aan het raam gaan zitten; dan heb ik geene afleiding;--maar het is achter zoo donker.
(Terwijl zij het voorgaande zegt, of beter, denkt, heeft zij het boek weggelegd en zich aan eene grootere tafel neergezet, waarop zij het theegoed in orde schikt. Vervolgens neemt zij eene groote werkmand vol kousen en zet zich aan 't mazen).
't Is ook beter, dat ik zit te werken, wanneer zij komen, dan dat zij mij met die registers bezig vonden. Zij zouden denken, dat ik het uit affectatie deed. Daar wordt gescheld. Hier Fanny! gij wordt verzocht niet te keffen tegen de dames.
Louise. (Binnenkomend). Bonjour Clara!
Clara. Dag Louise! hoe gaat het! en hoe maakt Oom het al?
Louise. (terwijl zij hoed en sjaal aflegt). Zooals doorgaans met het been in 't kussen. 't Was eene uitkomst, dat ik bij u gevraagd werd, want anders moet ik met hem jassen of piketten, van dat de dag nog aan den hemel is tot aan het souper toe, en somtijds tot wij naar bed gaan: recht vermakelijk!--Dag Fanny! Ben je van daag in een goede luim?--He! wat laat het beest zijn tandjes weer zien.
Clara. Kom je zoo alleen? Mij dunkt, Caroline had u wel kunnen afhalen. Zij moet toch één weg met u uit.
Louise. Wel ja! afhalen! Denk je dat de paarden van mijnheer Z. een omweg mogen maken.
Clara. Een paar grachten! 't Is wel de moeite waard om van te spreken.
Louise. Om geen geld van de wereld! Zoo hij één paard had, dan zou het kunnen gaan; maar als men er zooveel heeft dan schikt dat nooit. Let maar op, als zij er straks over begint. Stil! daar hoor ik een rijtuig. Ja! daar is zij.
Clara. O! welk een allerliefste équipage!
Louise. Beeldige paarden, nietwaar? Net zulke beestjes als de Graaf van B. had, met wiens dochter ik school lag, en waar wij mede afgehaald werden als ik er eten ging; maar deze zijn beter onderhouden:--nu! dat is natuurlijk.
Caroline (treedt binnen: de dames zeggen elkander goeden dag, en er wordt over en weder naar den welstand enz. gevraagd).
Caroline. En ik hoor, Louise! dat uw oom weder eene àttaque van podagra gekregen heeft.
Louise. Och ja! Ik geloof, dat hij ook al een losse jongen in zijn tijd is geweest: en dat breekt hem nu op; want, zooals onze schrijfmeester op school placht te zeggen: niemand krijgt meer dan hij verdient.
Caroline. Foei, Louise!--àpropos! ik heb eene boodschap bij u gezonden, om te laten weten, dat ik u wel te huis zou brengen.
Louise. Dat is allerliefst van u: ik hoor, dat uw nieuwe coupé zoo gemakkelijk is, en ik wil haar graag eens probeeren.
Caroline. Neen maar, ik krijg de coupé niet, ik ga met een slee heen.
Louise. (stoot Clara met den voet aan). Een slee! Nu! als oom zooveel paarden op stal had als uw vader, zou ik hem wel beduiden, dat hij mij geen slee stuurde.
Caroline. Ja maar, lieve meid! de paarden zijn van morgen al naar de kerk geweest en van middag heb ik in de plantage gereden, en papa moet morgen vroeg naar buiten om een verkooping.
Louise. Kom! er zijn er immers wel zes of acht bij u op stal.
Caroline. Nu ja, maar de nieuwe blessen moeten gemenageerd worden; en gij wilt de chaispaarden niet voor de coupé spannen?
Louise. Als ik meerderjarig ben en mijn geld binnen heb, zal ik doen als mijn broer Willem: die heeft twee paarden; maar zij rijden den heelen dag.
Caroline. Dat is mogelijk; maar wanneer men zijn boel wat netjes wil houden....
Clara. Allebei suiker en melk, nietwaar?
Caroline. Als 't u belieft. En hoe maakt uw vader het, Clara?
Clara. Wel; maar hij heeft het bijzonder druk; ik zie hem nauwelijks als aan tafel en wanneer wij collationneeren.
Louise. Zoo! dan heeft hij toch tijd om zijn twaalf-uurtje te kunnen gebruiken. Hij zal ook als oom, op zijn koffie gesteld zijn.
Clara. Je verstaat mij verkeerd. Ik bedoel, wanneer wij de minuten vergelijken.
Caroline. Daar begrijp ik niemendal van.
Louise. Uw vader is toch geen horlogiemaker geworden?
Clara (begint aan de dames uit te leggen wat zij door collationneeren en minuten verstaat. Hare vriendinnen houden zich, uit beleefdheid of zij haar begrijpen.)
Clara. Wat een allerliefst patroon! Wat moet dat worden? Een lampekleedje?
Caroline. Neen: een rand voor het tapijt van de groote zijkamer buiten.
Clara. Hemel! welk eene onderneming! Een rand voor die groote kamer!
Caroline. Maak je ook veel tapisseriewerk?
Clara. Ik?--Neen, waarlijk niet: ik heb geen tijd. En wat maakt gij Louise?
Louise. Een kruintje voor een mutsje voor het aanstaande kind van mijn schoonzuster.
Clara en Caroline. Charmant! Allerliefst! enz. enz.
Clara. Ik durf mijn werk haast niet voor den dag halen.
Louise. He! wat een kousen!
Clara. Ja! Ik weet niet hoe mijn vader doet. Hij is een best man; maar hij verslijt schrikkelijk veel kousen.
Louise. Net als oom. Dat komt van die pantoffels.
Caroline. En waarom laat je die niet mazen? Vind je dat werk zoo vermakelijk?
Clara. Neen; maar dat mazen kost een schrikkelijken boel geld, en of ik dit doe of wat anders is wel hetzelfde.
Louise. Je doet het keurig netjes, dat moet ik zeggen.
Caroline. Ja, uw werk is meer nuttig dan het onze: enz. enz.
Louise. Wel Caroline! Ben je niet in den derden hemel, nu de ma chère afgetrokken is?
Caroline. Foei Louise! 't Is mij wel een ijselijk vide, nu zij weg is. En het spijt mij inderdaad.... als men zoo aan iemand gewoon is....
Louise. Ja! maak mij dat niet wijs. Ge vindt het misschien amusant van zoo den godganschelijken dag te hooren: tenez vous donc droite: n' appuijez pas le coude sur la table: prenez du pain dans votre main gauche. En dan te moeten vragen: Mademoiselle, est-ce que j'ose avoir de cici? Mademoiselle, est-ce que j'ose faire cela?
Caroline. Dat is geen Fransch: en Juffrouw Siloin sprak zeer goed Fransch.
Louise. Dan is zij wel de eerste van alle gouvernantes, die niet van est-ce que en j'ose sprak.--En hou je de correspondentie trouw aan?
Caroline. O! spreek er mij niet van. Ik moet haar volstrekt schrijven; maar ik heb niets geen plezier in 't brieven schrijven.
Clara. Heb je goede tijding van haar?
Caroline. O ja! maar zij heeft het ongelukkig getroffen; want de tante bij wie zij zou gaan inwonen, kan haar nog niet ontvangen: en met haar broeder harmonieert zij beter van verre dan van nabij: en nu heeft zij eene kamer moeten huren bij een slager, waar zij 's nachts niet slapen kan van 't geweld, en waar het heel vuil is; maar er is een oude neef van haar, die haar tot gezelschap wil hebben.
Louise. Nu 't is heerlijk! Ja kijk! die dames hebben altijd, als zij hier zijn, een pietlut op haar lijf nog zoo: niets is haar goed genoeg, en altijd roemen zij op haar dierbaar land: alsof zij er niet blijven zouden, wanneer zij het er zoo goed hadden. En komen zij dan te huis, dan is het ellende met zuur bier. Hier willen zij op zijn best een theedoek aanvatten: en daar kunnen zij zelven hare kamer stoffen.
Clara. 't Is waar: maar ik beklaag die menschen toch; want al hebben zij het hier nog zoo goed, zij zijn toch altijd in eene afhankelijke positie: ik schrobde toch ook liever de straat, dan dat ik van vreemden af moest hangen, enz. enz. Wil je nog een koekje, Caroline!
Caroline. Ik weet niet of ik wel durf: Ik ben niet gewoon, iets bij de thee te gebruiken.
Clara. Kom, doe het maar; Juffrouw Siloin ziet het niet.
Caroline. Ik bemin dat gebak anders zeer.
Louise. Ik bemin dat gebak: je l'aime beaucoup! Wel mijn lieve Caroline! Spreek liever Fransch. Ha! ha! die is goed!
Caroline. Nu dan: ik hou er van.--Maar 't is waar, ik ben zoo gewend, van in 't Fransch te denken, dat ik de Fransche uitdrukkingen wel eens letterlijk vertaal.
Louise. Apropos van beminnen. Vertel ons eens Clara-lief! Wij zitten hier toch onder ons: is het waar, wat mij verhaald is? Heb je Mijnheer O. bedankt?
Clara. Men weet ook alles. Wie heeft u dat nu weer overgebabbeld? 't Is waar; maar ik wilde, dat men er niet over sprak. De Heer O. is zulk een achtenswaardig man.
Louise. Ja; maar ik geloof dat hij een pruik draagt. Ik zou geen man willen hebben, die een pruik droeg.
Caroline. En hij is al zoo oud.
Louise. Neen; zoo heel oud niet. Even over de dertig; maar een pruik draagt hij: en men kan ook wel nagaan, waarvan hem al het haar zoo uitgevallen is.
Caroline. Hoe dat? Ik versta u niet.
Louise. Niet?--Neen. 't Is waar: Juffrouw Siloin zal u dat niet verteld hebben.
Clara. Louise! Ik geloof, dat gij al rare dingen op school geleerd hebt. Maar ik heb altijd gehoord, dat de Heer O. een man was van onbesproken gedrag.
Louise. En hij heeft geld ook.
Caroline. Is hij het niet, die dat lieve wagentje met die kaneelkleurige paardjes rijdt?
Louise. Juist! En hij heeft, hoor ik, uitgestrekte goederen bij Doetinchem.
Caroline. Doetichem! Waar ligt dat? dat heb ik nooit hooren noemen.
Louise. Wat! weet je niet waar Doetichem ligt? O! ik dacht er niet aan. Je zult zeker beter te huis zijn in les Cantons.--Maar onder ons gezeid, lieve Clara! de menschen zijn verwonderd dat gij hem niet genomen hebt.
Clara. Inderdaad?
Louise. Wel ja! Iemand, die een lief vermogen en veel verstand heeft, en er niet kwaad uitziet.
Clara. Ik kan mijn vader zoo niet alleen laten.
Caroline. Maar mij dunkt, uw vader zal wel in zijn schik zijn, als gij een goede partij deedt.
Clara. Daar heb ik waarlijk mijn naaldenkoker boven laten liggen.--Excuseert mij: ik kom zoo weer terug.
Louise. 't Is larie van dien naaldenkoker, zij loopt weg, omdat zij er niet meer over hooren wil.
Caroline. Maar wat verwacht zij dan beter, dan dien Mijnheer O.? Zij heeft immers geen fortuin hoegenaamd.
Louise. O! dat weet je zoo niet. Haar vader kan haar niet missen. Zoo zij het huis uitgaat, moet hij zich dadelijk een klerk meer aanschaffen, zij doet bijna al het schrijfwerk.
Clara, (terugkomende.) Caroline! Speel je nog veel piano?
Caroline. O ja. Ik heb laatst op mijn verjaardag een charmante piano gekregen:--die moest je eens komen zien.
Clara. Ja! ik wilde wel, dat ik er een had; al was zij zoo heel uitheemsch niet; maar er is hier geen plaats om haar te zetten. Ik ben alles vergeten, wat ik geleerd heb: 't is een eeuw geleden, dat ik muziek heb gehoord of gezien.
Caroline. Nu! Ik zal u eens meenemen naar de Fransche komedie, als men een mooie opera geeft.
Clara. Ga je nooit naar de Duitschers?
Caroline. Ja! ik ben er verleden winter een paar keer geweest, maar dat is mij te geleerd; en ik ken er niemand.
Louise. Oom wil niet hebben, dat ik naar de Fransche komedie ga; hij zegt, dat zij daar zulke indecente stukken geven. Maar wat zou dat? dan houden wij ons maar of wij het niet begrijpen.
Caroline. Ik begrijp het ook waarlijk niet.
Louise. Juist! zoo moet je zeggen....; maar wat ligt daar voor een boek?
Clara. Dat is een roman, dien mijn nicht B. mij gezonden heeft, Ik heb er nog niet veel van gelezen; maar het begin is heel grappig.
Louise. Laat zien.... un bon enfant.... Wel zoo Clara! mag je de romans van Paul De Kock lezen?
Clara. Och! ik heb zooveel omhanden, dat ik het weer vergeten ben als ik het uit heb. En dan heb ik liever wat vroolijks, daar ik om lachen moet, dan al die hoogdravende of treurige boeken.
Louise. Maar hoe vindt je nog tijd om te lezen?
Clara. O! er is tijd voor alles: 's morgens aan het ontbijt lees ik stichtelijke boeken en 's avonds wat grappigs.
Louise, tegen Caroline. Heb je de romans van Paul De Kock al gelezen?
Caroline. Neen; die mag ik niet lezen.
Louise. Kom! kom! als je naar de Fransche komedie moogt gaan, dan zullen u die ook geen kwaad doen. Wat lees je dan?
Caroline. Ik heb Trevillian geeindigd en ga nu Godolphin lezen.
Louise. Nu dat is zeker stichtelijk! dan hou ik het met Paul De Kock.
Clara. Ik ook. Ik heb wel hooren zeggen, dat die heel gekke boeken minder schadelijk zijn, dan die, waarin de hartstochten op eene meer bevallige wijze worden geschilderd: omdat de laatsten dieper indruk nalaten.
Louise. Ja! schadelijk of onschadelijk: ik weet voor mij zelve wel wat mij kwaad zal doen of niet. Bij ons op school mochten wij ook geene andere boeken hebben, dan die mevrouw X. ons gaf; maar wij wisten er wel raad op.
Caroline. Hoe deedt je dan?
Louise. Er kwam driemaal in de week een dansmeester uit de stad: die bezorgde ons boeken uit een leesgezelschap.
Clara. 't Zal een verheven keus van lectuur geweest zijn.
Caroline. Foei!
Clara. En hoe deedt je dan om die onopgemerkt te lezen?
Louise. O! dat ging zeer goed:--ik sliep met nog drie meisjes op een klein kamertje apart. Als wij in bed waren, werd het licht weggenomen, maar dan leverde elk op zijn beurt een waskaars. Die werd op een flesch gezet en met een lucifer aangestoken, en dan lagen wij in bed te lezen, tot wij slaap kregen. En ook als Mevrouw niet in de schoolkamer was, dan hielden wij de boeken op den schoot, en keken daarin, in plaats van op ons werk.
Caroline. En werd dat nooit gemerkt?
Louise. O! eens:--dat was een grap. Juffrouw Faribole, de secondante, was er achtergekomen; maar terwijl zij bezig was ons geducht de les te lezen, kwam de meid binnen met een klein mooi ingebonden boekje, dat zij op de trap gevonden had en vroeg aan wie het behoorde. Juffrouw Faribole schoot dadelijk toe, als een visch door het water, om het aan te nemen; maar het was reeds, uit gedienstigheid, zes of zeven handen doorloopen en de titel overluid gelezen. Het waren de Contes de Lafontaine. Sedert dat oogenblik sprak zij geen woord meer over ons lezen.
Caroline. Lafontaine! maar ik heb altijd gehoord, dat die een heel goede schrijver was; ik heb ten minste fabels van hem gelezen.
Louise. Ja, maar er zijn er twee. [84]
Clara. O ja! Er is ook August Lafontaine, die romans geschreven heeft. Ik heb er wel van gelezen, maar dat is ijselijk sentimenteel en schwermerisch.
Louise. Dat is wel mogelijk; maar het boek van juffrouw Faribole was geen roman, en moet al een heel slecht boek geweest zijn; want toen ik het in de vacantie aan Oom vertelde, heeft hij aan Mevrouw X geschreven, dat ik niet weer op school zou komen, tenzij de secondante werd weggezonden. Maar zij was al weg om eene andere reden.
Caroline. En welke?
Louise. Zij had een vrijerijtje aan de hand met een officier, die toen te B. in garnizoen lag;--een knappe jongen; maar mij beviel hij toch niet recht. Nu sprak zij hem bijna alle avonden aan 't eind van het perk: wij wisten het allemaal wel;--maar wie wil zulke dingen vertellen? Eens hebben wij een grap gehad: die moet je hooren. Men was bezig de boerderij te witten: daar nam eene van ons, die strafwerk gekregen had, en het de juffrouw betaald wilde zetten, den kalkpot en den witkwast, en besmeerde er het boerenhek mede, waarover de twee gelieven zich gewoonlijk met elkander onderhielden. De maan scheen juist, en belette hun dus de poets, die hun gespeeld werd, te ontdekken. 's Avonds kwam, zooals ik naderhand hoorde, de Officier met twee witte mouwen op de sociëteit, en de sjaal van juffrouw Faribole was glad bedorven.
Caroline. Foei! dat was toch wat te erg.
Clara. Van wie is die koets, die daar voorbijgaat?
(De drie dames kijken het raam uit. Op dit oogenblik gaat een welgekleed heer in politiek, maar met knevels en eene militaire houding, voorbij en groet. De meisjes beantwoorden zijn groet en treden alle drie terug.)
Louise. Wel, is het mogelijk! als men van den wolf spreekt.... maar waarom kleur je zoo. Clara?
Clara. (verlegen) Kleur ik? (Zij neemt Fanny op haar schoot en streelt hem).
Louise. En gij ook, Caroline! zoo waar ik leef.
Caroline. Ik? Maar wat meen je toch? Je kleurt zelve het meest van ons drieën.
Louise. Wel geen wonder! dat zal ik u dadelijk zeggen. Ken je dien Officier?
Caroline. Het is de Heer van T., die hier in garnizoen ligt.
Louise. Wel nu! Hij is het juist, van wien ik u vertelde, en daarom ontstelde ik, toen ik hem zoo op eens terug zag. Nu! hij heeft toch niet mooi met juffrouw Faribole gehandeld; want toen de intrige ontdekt, en zij naar huis gestuurd was, heeft hij zich volstrekt niet meer over haar bekommerd; hij had juist zooveel andere minnarijtjes aan de hand.
Caroline. (verlegen) Ja! ik heb het wel gehoord, dat al de heeren niet veel deugen. Hij is anders iemand die een zeer aangename conversatie en een perfecten toon heeft; en zoo hij al een los grapje gehad heeft, het is aan zijn stand en jaren toe te geven, en misschien heeft hij zich gebeterd.
Louise. Waarlijk! daar begint onze deftige Caroline op eenmaal vuur te vatten. Nu spijt het mij, dat ik u zooveel verteld heb.
Clara. Mij niet: en ik vraag u ernstig af, Louise! of het alles waar is, wat gij van den Heer van T. verteld hebt, dan of het maar praatjes zijn?
Louise. En zij ook al? Maar mij dunkt, waarlijk, dat uwe oogen glinsteren. Zou die Luitenant de bien aime zijn? Aha! Nu begrijp ik waarom mijnheer O. bedankt werd. Zij kon papa niet verlaten, het lieve kind! Clara! Clara! pas op! Wij noemden op school den Luitenant: l'amoureux des onze mille vierges.
Caroline. (de toppen harer vingers bekijkende) Maar als hij zich nu toch voor goed wil etablisseeren.
Louise. Juist, hij zal nu gaan zingen:
Oui, c'en est fait: je me marie enz.
Maar de vraag is: met wie van u beiden?
Clara. Niet met mij, want na hetgeen ik van hem gehoord heb, zou ik hem hartelijk bedanken.
Caroline. (Een weinig scherp). Maar heeft hij u dan gevraagd?
Louise. Hier zal nog twist en misverstand komen, zoo ik het niet verhoed. Komt, laat ons doen gelijk wij op school deden, wanneer er oneenigheid was. Wij zullen rechtertje spelen. Ik zet mij hier neer. Maar nu moet gij beiden trouw de waarheid spreken.
Caroline. Ik weet niet of....
Louise. Geen genade! Biechten moet je. Maakt de Luitenant u zijn hof?
Clara. (In hevige spanning) Caroline! Ik bezweer u: zeg mij, maakt Mijnheer Van T. u zijn hof?
Caroline. (half schreiende) Ik weet niet.... ik geloof.... van ja.
Clara. Dan is hij een diep verachtelijk wezen.
Caroline. Hoe!.... gij zegt.... (zij begint sterk te beven) Zoo ik durfde.... maar.... (zij tast in haar boezem en een briefje vertoont zich)
Louise. Zoo! ben je al in correspondentie samen? Ik dacht, dat je niet hield van brieven schrijven.
Caroline. Ik heb hem nog niet geantwoord.... ik wist niet.... ik was altijd gewoon, alles wat ik ontving aan Juffrouw Siloin te vertoonen:.... ik wist niet aan wie ik dit briefje zou laten zien.... ik was bang dat papa....
Louise. Geef! (zij doorloopt den brief) Waarlijk een formeele declaratie! Het spijt mij voor u, Clara!--en voor mij zelve; want ik zal het maar gul bekennen: hij heeft mij, toen ik school lag, ook het hof gemaakt; maar ik had geen zin in hem. Hij had een kameraad, die mij veel beter beviel. Ik herken zijn hand nog: hij schreef lieve briefjes op rosé papier.
Clara. Mij heeft hij niet geschreven; maar dat verstaat zich. Hij wilde zich met mij niet compromitteeren. Gij beiden zijt rijke partijen; dat was heel wat anders;--maar mij--mij dus te misleiden, die in den waan verkeerde, dat het louter liefde was, die hem dreef!--O die lafaard!--Caroline, van welke dagteekening is dat briefje?
Caroline. Van gisteren. Hij heeft het mij in de komedie in de hand gestopt.
Clara. En hij had mij, een oogenblik te voren, op deze plaats eeuwige liefde gezworen! O, hoe ben ik gestraft! Nu zie ik, wat zijne bedoelingen waren! Gerechte Hemel! ben ik dan zoo verachtelijk, dat een zoogenaamd fatsoenlijk man zich niet schaamt mij met oneerlijke oogmerken zijn hof te maken? Is mijne familie niet zoogoed als die van iemand hier?
Caroline. Mijn lieve Clara! Ik kan het waarachtig niet helpen. Ik wist niet.... ik ben recht ongelukkig....!
Louise. (zingende) Ah! que les hommes sont méchants.
Caroline. Wie kon ook zoo iets verwachten?
Louise. Stil! en wenscht elkander liever geluk, dat u de oogen zijn opengegaan; want die schelm was op weg, om eene van u, zoo niet beiden, ongelukkig te maken.
Caroline. Ik wil niets meer van hem weten.
Clara. Ik ban hem voor altijd uit mijne gedachten.
Caroline. Ik zal hem zijn briefje verscheurd terugzenden.
Louise. Neen! nog beter: laat Clara het in eene enveloppe doen en hem doen toekomen met de vermaning, van in 't vervolg liever in 't geheel niet te schrijven;--want, zooals een oud philosoof zeer juist heeft aangemerkt: woorden vervliegen, maar letters blijven. Zij kan dan met de les van Vader Cats besluiten:
Twee op eenen tijdt te vrijen Siet men selden wel bedijen.
De raad der vroolijke Louise werd gevolgd, en hare beide vriendinnen hebben naderhand geen last meer van de aanzoeken des Luitenants gehad. Tot verder naricht kan ik vermelden, dat de beminnelijke Clara, het ware boven den schijn hebbende leeren op prijs stellen, thans de bruid is van den achtingswaardigen Heer O., die zich gelukkig door eene eerste weigering niet uit het veld heeft laten slaan. Louise speelt nog trouw jassen met haar Oom, en dit stille leven, benevens den omgang met hare lieve schoonzuster, begint hare schoolsche wildheid wat te temperen. Caroline erlangt, sedert zij op zich zelve staat, zachtjes aan meer vastheid van karakter. Aan minnaars ontbreekt het haar niet; maar zij aarzelt nog eene keuze te doen. Hooren wij eens iets meer bepaalds omtrent haar, wij zullen niet nalaten, zulks aan onze Lezeressen mede te deelen.
DRIE JONGENS BIJ 'T BELEG VAN LEIDEN.
Hoe de jongens in de zestiende eeuw krakeelden en vochten, gelijk in de negentiende.
Gij kent waarschijnlijk allen, mijn jonge vrienden! althans in de hoofdtrekken--of 't zou wel schande wezen--de geschiedenis van 't beroemde beleg van Leiden. Immers, waar van den opstand onzer voorvaderen tegen Spanje gesproken of geschreven wordt, daar vergeet men niet, melding te maken van de standvastigheid, waarmede de Leidsche burgers, maanden achtereen, niet alleen tegen den vijand, maar ook, wat nog bezwaarlijker was, tegen hongersnood, pestziekte, gebrek, verraad, verleiding en tweespalt kampten. Daar ik alzoo onderstel, dat u de voornaamste bijzonderheden van dat beleg bekend zijn, is het geenszins mijn plan, u hier te herhalen, wat gij elders beter en breedvoeriger lezen kunt, maar wil ik u enkel eenige schetsen leveren, waarin ik knapen opvoer nog van jeugdigen leeftijd evenals gij, doch die ter gelegenheid van dat beleg geene geheel onbelangrijke rollen speelden. Ik vlei mij, dat gij, wat ik u omtrent hen heb mede te deelen, niet zonder genoegen en nut zult lezen. Vooraf echter moet ik u waarschuwen, dat ofschoon mijn verhaal, wat de hoofdzaken betreft, niet van de historische waarheid zal afwijken, ik echter enkele omstandigheden van luttel gewicht uit mijn verbeelding heb bijgebracht, om daardoor aan mijn vertelling meer kleur en ronding te geven:--waarom ik u dan ook aanraad, later bij onze geschiedschrijvers of bij voorbeeld in het belangrijke boekje, getiteld: Leidens belegering en ontzet in 1573 en 1574 (te Leiden bij D. Noothoven Van Goor, 1853) de geschiedenis nog eens aandachtig na te lezen: gij zult dan vanzelf gewaar worden, wat in mijn vertelling waar is, en wat waar kon wezen.