Vertellingen van vroeger en later tijd
Chapter 34
Al dadelijk, wanneer wij den toestand der maatschappij in den aanvang der zeventiende eeuw met dien van onze dagen vergelijken, bekomen wij de overtuiging van een onloochenbaar feit, te weten, dat de vormen der samenleving zich toen vrij wat minder beschaafd en gepolijst vertoonden dan tegenwoordig. En geen wonder! men was nog zooverre niet verwijderd van de dagen toen het vuistrecht boven alles gold en er schier geene andere wet gekend werd dan die des sterksten. Geene stad in ons Vaderland die niet, nog maar kort te voren, en velen onder haar herhaaldelijk door religieveeten, door burgertwisten, belegering, uitmoording, door het beurtelings uitwijken en gewapenderhand terugkeeren harer wakkerste burgeren, geleden had: geen dorp, waar niet de brand en alarmklok geklept, waar moord en plundering en pijnbank niet gewoed hadden. Hoe zouden, onder zulke omstandigheden en indrukken, de zeden een zachte, een beschaafde plooi genomen hebben? 't Is waar, de wedergeboorte der letteren, wetenschappen en schoone kunsten had haren invloed op de hoogere kringen uitgeoefend en werkelijk schenen de toon en vormen aldaar op de algemeene ruwheid een uitzondering te maken, maar inderdaad bestond deze grootendeels niet veel meer dan in schijn. De hoffelijkheid en zwier, welke men ten hove en in de omgeving daarvan, waarnam, waren toen, evenals altijd, niet veel meer dan een vernis, dat aan de schors een meer bevallig aanzien gaf, maar dat de kern onaangeroerd liet. En dat liefelijke waas, 't welk geleerdheid en kunsten verspreiden, het had nog geen tijd gehad, om tot de ziel door te dringen, het deed, op weinige uitzonderingen na, evenzeer nog maar alleen de oppervlakte aan. De beschaving der hoven, zoowel als de classieke beschaving, beide waren niet veel meer dan een geleend zondagspak, waarmede men zich bij feestelijke gelegenheden tooide, doch dat den mensch als mensch geheel liet gelijk hij was. Wil men een bewijs? Men vestige eens onbevooroordeeld en zonder conventioneelen bril te gebruiken het oog op Hooft en zijne vrienden van het Muiderslot. Ik twijfel er niet aan of zij wisten er zich ongemeen te vermaken, maar waarin bestaat, wel beschouwd, hunne zoo hoog geprezene verfijning? Immers grootendeels in loutere navolging, wij zouden bijna zeggen naäperij van de gewoonten, vormen en spraakwendingen der ouden. Leest hunne brieven en gedichten, althans, die, waarin zij hun best doen om zwierig of aardig bij uitnemendheid te wezen. Vinden wij niet meestal Latijnsche denkbeelden, in verlatijnscht Nederduitsch uitgedrukt? Treffen wij niet telkens, en dat bij de ernstigste zaken, bij vriendschapsbetuigingen, bij rouwbeklag, bij uitboezemingen, die alleen uit het hart moesten voortkomen, iets aan, dat gemaakt, dat gekunsteld is, dat de natuur uitsluit en de waarheid verkracht? En slaat nu die zelfde mannen eens gade, wanneer zij de pronkgewaden van hoffelijkheid en classicismus afleggen, om eens echt Hollandsch te wezen. Dan schrijft Hooft zijn Warenar en Huijgens zijn Trijntje Cornelisz.;--beide allergeestigst en vernuftigst;--maar bij de lezing waarvan wij toch al tot zonderlinge gevolgtrekkingen moeten geraken ten opzichte der toenmalige begrippen van betamelijkheid. Neen voorwaar, eene natie, welker vrouwen uit deftigen stand een Warenar konden aanhooren zonder blozen,--hoffelijke kringen, die behagen konden scheppen in het vertoonen der klucht van Huijgens--die natie, die hoffelijke kringen verkeeren nog, ondanks allen geleenden beschavingstooi, in een staat van zedelijke ruwheid.
Of, waren de hier genoemde kluchten uitzonderingen op den regel, en juichte men die alleen toe, omdat zij door beroemde mannen als den Drost van Muiden en den geheimschrijver van zijne Hoogheid geschreven waren?--Uitzonderingen waren zij zeker, in zooverre als zij nog modellen van kieschheid mochten heeten, vergeleken bij de morsige, vuile, liederlijke voortbrengselen, die, hoe onschatbaar ook voor de kennis der begrippen, zeden en gebruiken van die dagen, door niemand zonder een gevoel van ergernis en walging kunnen gelezen worden. De letterkunde is een spiegel van de beschaving eener natie; doch waarlijk, als wij de kluchtspelliteratuur van die dagen nagaan, dan bekomen wij van die beschaving al een zeer ongelukkig denkbeeld,--en niet gunstiger wordt ons oordeel, wanneer wij, ons tot eene andere soort van volks-letterkunde wendende, de pamfletten doorloopen, over theologische of politieke geschilpunten gewisseld. De meest freysinnige broodschrijver van thans maakt het op verre na met schelden en lasteren zoo erg niet als de vrome theologen en deftige politieken van die dagen.
En wel drong die ruwheid dan ook de schors uit en openbaarde zij zich, wanneer het op handelen aankwam. Waar ziet men in onze tijden, gelijk toen, de lieden beboeten, pijnigen, inkerkeren, bannen, geeselen, hangen, radbraken, om overtredingen, welke men thans nauwelijks met dien naam bestempelen zou? En mocht de beboete, de gepijnigde, de gekerkerde, de gebannene, de gehangene, al verdedigers vinden, mocht men hem als onschuldig, als ten onrechte veroordeeld beschouwen, niemand was er, die in 't afgetrokkene de straf onevenredig aan het misdrijf oordeelde. Wil men bewijzen? Ik behoef er maar één aan te voeren, doch dat reeds luide genoeg spreekt. Het lot, dat 's Lands Advocaat, J. Van Oldenbarneveld, trof, zal het mij aan de hand doen. Ik wil hier in geen betoog treden over zijne schuld of onschuld: maar zeker is het dat in onze dagen een Minister, al gaat hij eens wat buiten 't spoor, er gemakkelijker afkomt. Hevig was de verontwaardiging, hevig de verbolgenheid van 's mans aanhangers over het tegen hem geslagen vonnis, maar toch, de afkeuring van dat vonnis vloeide alleen voort uit de veronderstelling dat hij niet strafschuldig was: en aan niemand kwam het in 't hoofd te beweren, dat, indien hij werkelijk bedreven had wat men hem ten laste leide, hij niet, ondanks alle vroegere diensten, aan den Staat bewezen, dubbel en dwars den dood zou verdiend hebben. Wat wij alzoo uit de voorbijgegane dagen terug mogen wenschen, zeker niet de lijfstraffelijke rechtspleging.
"Goed" zal men zeggen, "maar bij die ruwheid, welke in onze voorouders niet te miskennen valt, waren zij toch matiger, ingetogener, eenvoudiger, zedelijker dan onze tijdgenooten." Waren zij dit inderdaad? Laten wij dit eens punt voor punt onderzoeken.
Waren zij matiger? Ik weet het niet; maar ik geloof dat op het punt der dronkenschap alleen onze eeuw zich gunstig van de zeventiende onderscheidt. Men loope eens een winkel van antiquiteiten binnen, men beschouwe eens de glazenkasten bij de nakomelingen onzer voormalige Patricische huisgezinnen, of de eigendommen onzer godshuizen, Doelens, Dijk- en Polderbesturen, enz. en men lette op den omvang en inhoudsruimte der bokalen en fluiten, die uit vroegere eeuwen zijn overgebleven. Of twijfelt men er aan, dat die roemers, die anderhalve, soms twee of meer flesschen bevatteden, ooit geledigd werden? Eilieve, er leven nu nog menschen van gevorderden leeftijd, die zich herinneren, zulks of zelven gedaan te hebben, of te hebben gezien of gehoord hoe zulks door anderen was gedaan geworden. Neen voorwaar, wat men nu van drinken prate, het was de zeventiende eeuw vooral, die van deze kunst eene wetenschap maakte. Wie twijfelt, hij leze maar o. a. de volgende regels uit de Wonderwerken van Bacchus van Pers:
Veel menschen zijn alleen, ja schijnen slechts geboren Opdat sij in de lust haer leven lang versmoren: Wien 't swelgen is haer wit en 't suypen haer vermaak Haer alder-grootste vreughd en aengenaemste saek. Al wat haer breyn vermagh, of konstigh weet te dencken, Om zelf een sober man in sijn vernuft te krenken, Wordt kloeklijck hier versiert: hier brenght men voor den dagh Een Meulen die men blaest en niet versetten magh, Of daer men nae 't getal de uren weet te tellen, Of soo de teerlinck loopt syn nagebuur te quellen, Het sy op acht of tien, of so de uren staen, So vele worter mee aen elck bescheijd gedaen. Of noch een ander vond, een beker om te henssen, Een horen na de hoest, dat moet men dan uitflenssen, En suypen dat men steent, en puil-ooght om den kop, En daer past dan terstont een barckemeyer op. Hier is een schuyt of schip, daar een Boerin geladen, Hier moet de ballast uijt of in den emmer baden, So lang de belle klinckt, so mach het aen de mond, Of anders moet de kroes noch eenmael tot de grond.
Wellicht zal men meenen dat dit zwelgen van bekers en roemers iets buitengewoons was, 't welk alleen bij bijzondere gelegenheden plaats vond, en dat men in het dagelijksche leven over 't algemeen matig en ingetogen was. Het is mogelijk; maar even als de mannen nu naar de sociëteit gaan, gingen zij toen naar de herberg en zij dronken er vrij wat meer dan heden ten dage gebeurt, nu in de meeste dier plaatsen van vereeniging meer water met suiker dan wijn gebruikt wordt,--en wat de vrouwen betreft, wáár in ons land gebeurt het thans, dat zij zich tot wijndrinken vereenigen, als dezelfde Pers in 't aangehaalde werk haar verwijt dat zij deden in zijnen tijd? En gewis zoude die schrijver het niet noodig geoordeeld hebben, twee uitvoerige gedichten tegen de dronkenschap te schrijven, indien die ondeugd niet zoo algemeen ware geweest. Hoe de adel daarbij de gemeente voorgegaan was, behoeven wij nauwelijks te herinneren: de brieven van Hendrik van Brederode riekten naar den wijn, en zijne meeste daden waren in overeenstemming met zijne brieven! Hohenlo, die nietige zwager van den grooten Maurits, was zelden nuchteren, en zelfs de bedaarde bedachtzame Willem I was niet afkeerig van een "Duitschen dronk". Verlangt men echter nog een sterker sprekend staaltje van de zoogenaamde matigheid van die dagen? In de reglementen van den Hove van Holland niet alleen, maar van onze meeste Baljuwschappen kan ieder het met zijne eigene oogen lezen, hoe aan de Taalmannen en Advocaten gelast werd, niet anders dan nuchteren voor de Vierschaar te verschijnen; zij waren alzoo in den regel niet nuchteren, anders zou het bevel geen beteekenis gehad hebben; en gewis moet de gegeven ergernis al heel groot zijn geweest, dat men zijne toevlucht moest nemen tot eene bepaling, die in onze dagen als eene duldelooze beleediging door de Balie zou worden opgenomen.
"Maar," zullen onze afschaffers zeggen: "'t was toen alleen aan wijn dat men zich te buiten ging, en dat is heel vergeeflijk; doch toen was men nog onbekend met de gruwzame jeneverpest." 't Is waar, wij lezen bij de oude schrijvers niet van jenever, des te meer echter van koren- brandewijn en Pers vergeet in zijne Suijpstad naast de tempelen van Bacchus en Bierana ook dien van Brandemoris niet.
"Kan men niet ontkennen, dat de dronkenschap van onze voorouders vrij algemeener was dan tegenwoordig, in andere opzichten toch was hunne levenswijze meer matig en ingetogen."--Zoo is men gewoon elkander na te praten en dan worden doorgaans de voorbeelden er bijgehaald van De Ruijter, die als een burgerman leefde en van Jan De Witt, die maar één mannelijken dienstbode had.--Krachtige bewijzen inderdaad! Wat De Ruyter betreft, die als kind nooit weelde gekend en van jongs af op zee gezwalkt en zich met scheepskost gevoed had, ik wilde wel eens weten, waar hij den smaak van fijne spijzen zou hebben opgedaan, of hoe hij zich in eene weelderige levenswijze zou hebben kunnen schikken? Hij was door afkomst, door opleiding, door neiging, een man uit de volksklasse en noch hoogen rang in den zeedienst, noch ridderkruis of hertogstitel konden van hem iets anders maken dan hij was: zijn voorbeeld bewijst dus niets. Maar Jan De Witt dan? Die was toch een volbloed aristocraat, die leefde in Den Haag in de groote wereld en had in weerwil van dat alles maar éénen knecht! Ik zou kunnen antwoorden dat de meesten onzer tegenwoordige Ministers er ook niet meer hebben;--maar ik wil den schijn niet aannemen die Heeren te vleien, door hen met Jan De Witt te vergelijken. Ik zal eene andere vraag doen: toont juist het gestadig ophalen van dat feit, dat de groote Raadpensionaris maar één knecht had, niet aan, dat men zulks iets vreemds, iets ongewoons achtte? Werd het niet zelfs door zijne vijanden als een bewijs, niet van eenvoudigheid, maar van schrielheid aangemerkt? 't Is waar, zij verweten evenzeer aan Cornelis De Witt zijne praalzucht, dat hij zich met een dozijn bont opgeschikte lijfwachten tot den tocht tegen Engeland inscheepte, en moge Jan De Witt dan maar éénen knecht gehad hebben, die bij extra-gelegenheden eene livrei aantrok en achter op eene huurkoets stond, de leefwijze in Den Haag was in zijn tijd en reeds onder Frederik Hendrik alles behalve eenvoudig. Zeker volksvertegenwoordiger vertelde, nu een jaar geleden, ter gelegenheid van eene der discussiën over de tafelgelden des Ministers van Buitenlandsche zaken dat men, toen de Triple Alliantie gesloten werd, geen festijnen gaf. Gemelde volksvertegenwoordiger--ik ben gelukkig zijn naam vergeten--toonde al bijzonder weinig kennis van literatuur of historie te hebben. Van literatuur: want had hij de Media Noche van onze vriendin Bosboom-Toussaint gelezen, hij had niet langer in den waan verkeerd, dat de diplomatie in de zeventiende eeuw de hulp van gast- en feestmalen ontberen kon; van historie: of hij had uit Gowwille, uit St.-Simon, uit madame De Sévigné, uit zoovele anderen, kunnen lezen of men ergens iets belangrijks zonder gastmalen verrichtte. Doch wat haal ik Fransche schrijvers aan? Leest onzen Valkenier, waar hij zegt: "De spijzen smaken niet, zoo ze niet met een Fransche saus zijn overgoten en naar Fransche wijze toebereid. Tot inkoop van wijnen en delicatessen worden jaarlijks vele millioenen vervoerd, vooral naar Frankrijk, hetwelk ze ten verderve van Nederland misbruikt."
't Is waar--om nog eens op de mannelijke dienstboden terug te komen--in Amsterdam hadden de aanzienlijkste ingezetenen er in de zeventiende eeuw ook maar één of hoogstens twee, om de doodeenvoudige reden dat men, volgens de stadskeuren, in Amsterdam niet dan met sleden rijden mocht, het houden van rijtuig er dus van zelf verviel en koetsiers of palfeniers er geheel onnutte meubels zouden geweest zijn.
Over de kleeding behoef ik niet te spreken: ieder zal toestemmen dat die der mannen in de zeventiende eeuw vrij wat zwieriger en kostelijker was dan heden--en wanneer onze aanzienlijke vrouwen eens recht fraai voor den dag willen komen, dan tooien zij zich met de kanten en paarlen harer bet-overgrootmoeders.
Wat dit geheele punt der beweerde eenvoudigheid betreft, wij willen het samenvatten in de aanhaling van wat Karel II, een bevoegd rechter, in 1660 over Holland schreef: "Geene koopmanschappen te groot, geene bruiloften te breed, geene Staten te aanzienlijk, geene huizen te kostelijk, geene kleederen te opzichtig, geene fatsoenen te nieuw, geene neringen te ergerlijk."
Deze laatste woorden leiden ons als van zelve tot de zeden. Waren die ingetogener, dan zij het heden zijn?
Ik gevoel dat ik, deze vraag zullende beantwoorden, mij op glibberig ijs begeve, want zij betreft veelal handelingen, die in 't verborgen plaats hebben en zooveel mogelijk verborgen worden gehouden. Dit is echter zeker, dat, wat het uiterlijke aangaat, onze eeuw voordeelig afsteekt bij de zeventiende, en dus in allen gevalle toont, een grooter gevoel van welvoeglijkheid te bezitten. Daarbij, de betrekking tusschen de beide kunne is thans over 't algemeen van kiescher, van fijner, van edeler aard. Bij het denkbeeld, dat wij ons vormen van het woord liefde, brengen wij ons meer uitsluitend eene gemoedsneiging voor den geest. Van zoodanige onstoffelijke, reine beweging des harten schijnt men in het gulden tijdperk der zeventiende eeuw nauwelijks een flauw denkbeeld gehad te hebben. Immers, leest--ik zeg niet de vuile kluchten van die dagen, waarvan ik u integendeel de lezing ten sterkste afraad--maar de gedichten van onze beste schrijvers, van Vondel, van Hooft, van Cats, van Huygens, waar zij van minnarijen handelen;--schier overal vindt gij de liefde voorgesteld als bloot zinnelijke, schier dierlijke drift, of, poogt de dichter enkele reizen van haar te gewagen als van een meer zuiveren hartstocht, dan valt het terstond te bespeuren, hoe hij zich niet op zijn gemak bevindt, zich geen recht helder denkbeeld van de zaak maakt en zich moet redden door eene navolging der classieken, meestal even gezwollen van stijl als onnatuurlijk van uitdrukking. Alleen de wijze, waarop de huwelijksliefde bezongen wordt, maakt eene loffelijke uitzondering:--maar hieruit volgt nog geenszins dat er toen minder echtbreuk en minder schandalen plaats hadden dan later; de schotschriften van die dagen zoowel als de jaarboeken der rechtbanken kunnen het tegendeel bewijzen.
Maar de menschen waren over 't algemeen godsdienstiger, vromer dan heden.
God alleen weet dit; maar op welke wijze uitte zich die godsdienstigheid? In de ergerlijke religietwisten? In het gedurig verketteren van elkander? In het vervolgen van andersdenkenden? Liever over dat alles een mantel geworpen. Onze voorouders waren ten dien opzichte geen haar beter dan wij.
Waar echte vroomheid huist, daar openbaart zij zich ook in handel en wandel. En waren de denkbeelden aangaande het mijn en dijn, de handelwijze van den mensch jegens zijn naaste in die eeuw zooveel zuiverder, zooveel gemoedelijker vooral dan tegenwoordig? Laten wij hier wederom den toetssteen der vergelijking bezigen.
Wij verheugen ons heden ten dage in het bezit van onbesproken Rechtscolleges, en ik herinner mij niet, zoolang ik leef, een Nederlandschen rechter te hebben hooren beschuldigen dat hij uit gunst of gewinshalve tegen zijn geweten zoude hebben rechtgesproken. Maar hoe herhaaldelijk herkennen wij in de zeventiende eeuw den onmiddellijken invloed der politieke en godsdienstige begrippen op de uitspraken des rechters. Ziet slechts, om een paar voorbeelden te noemen, het verhaal der rechtspleging, tegen Vondel ingesteld wegens de uitgave van den Palamedes. De rechtsvraag wordt in het geding bijna niet aangeroerd. De zaak wordt geheel uit het oogpunt der staatkunde behandeld en de Schepenen, die ter vierschaar zitten, stemmen voor vrijspraak of veroordeeling al naardat zij Staats- of Prinsgezinden zijn.--Of ziet de wijze, waarop de zaak tegen den ongelukkigen Buat is behandeld en overtuigt u, of er oogendienaars bij onze voormalige rechters waren. Spreken de aangehaalde voorbeelden niet luide genoeg ter uwer overtuiging, of acht gij de omstandigheid, dat men in die dagen de staatkunde nog niet van de rechtspraak wist te scheiden, als eenigszins ter verschooning der rechters te kunnen aanvoeren, welnu! ik zal u een ander staaltje geven van de wijze, waarop men in die dagen de rechtsbedeeling verstond, een staaltje, uit het burgerleven getrokken en waarbij de staatkunde hoegenaamd geen rol speelt. In H. Van Muyrs klucht van Frans Joppen en Gerritje De Licht, gespeelt bij de kamer, Vernieut uijt Liefden, tot Gornichem op vasten avont 's jaers 1643 wordt Proper Elsge, de vrouw van den ouden boer, Frans Joppen geheeten, beschuldigd van een verboden minnehandel met zekeren Jaep Jongh-Bloet. De zaak wordt aangebracht bij den officier, en hoewel het bij de instructie blijkt, dat er inderdaad juist niet zooveel kwaads bedreven is, begrijpt de magistraatspersoon het geval toch hoog ernstig te moeten opnemen. Ik laat hier zijn onderhoud met de belanghebbende partijen volgen:
Jaep.
Heer officier ik garen accordeeren met dy, Ick weet dat ick mij een weinig heb verloopen.
Elsje.
Met U 't accordeeren is oock al mijn hopen, Doet ons schant niet open, maar houtet toch secreet.
Ketel-Boeter (Een vriend van Elsjes man.)
Ja heer officier, maket doch dat niemant en weet Haer bedreven leet, men salt u wel betalen.
Jaep.
Voor mijn deel beloof ick u twee silveren schalen, Daar voor sonder langh dralen, u sal meê vereeren.
Boer (De man van Elsje).
En ick zal met een vetten os u keucken stoffeeren, Op dat daarin mijn wijfjen mach blijven van dees daet, En siet Elsge dat ge sulcken spel voortaen laet, Of 'k soude worden quaet en het u niet vergeven.
Elsje.
Och Frans 'k en sal niet weer doen van al mijn leven, Ik salder voor beven, en houden mij soo 't betaemt.
Officier.
Op hoop van beterniss ben ick te vreden met 't geen ghij raemt, Daarom voortaen u schaamt van sullicx meer te plegen, Doch eer dat wij oprijderen onze wegen, Soo laat ons ter degen geven een stichtige leer Van 't geen bij ons hier is voorgedragen weer. enz.
Gij ziet het, dezelfde magistraatspersoon, die hier voor een os en een paar schalen het recht verkoopt, spreekt de zedenles van het stuk uit: een klaar bewijs, dat feiten, waarvoor men heden ten dage een rechter volgens de Wet zou straffen, en aan de openbare verachting prijsgeven, toen als zeer natuurlijk en geoorloofd beschouwd werden.
En wat de Praktizijns betreft, dat er in onze dagen ook kaf onder het koren schuilt, zal ik niet weerspreken; maar over 't geheel koestert men achting voor den stand van Advocaat en van Procureur. Doorloopt de kluchten van de eerste helft der zeventiende eeuw en ziet, hoe men er toen over dacht. Moeten wij de helft gelooven van hetgeen wij daar lezen, dan was de dronkenschap hun minste ondeugd en dan was de beroemde Patelijn, bij de meesten van hen vergeleken, nog een heilige.
Hebben wij thans gelukkig eene betere samengestelde Balie, wij missen ook twee zaken, welke men toen bezat, de politieke uitzetting en een wettelijk stelsel van verklikking. De politieke uitzetting was een recht, 't welk zich de Stadsregeeringen aanmatigden, om iemand, buiten vorm van proces, binnen 24 uren de stad te doen ontruimen met verbod van er weer in te komen.
Volgens het stelsel van verklikking, in 1652 uitgevonden door Jan De Witt, werd aan den Procureur-Generaal en andere officieren gelast, a. zich in de veerschuiten en anderszins te informeeren door expresse personen op hen, die seditieuse propoosten voeren en uitbreiden; b. de seditieuse personen aan de poorten te doen aanhouden; c. de drukkerijen te bezoeken, en, daar zij werkelijke suspicie vinden, de letters en personen na zich te nemen; d. bij notificatie alle goede ingezetenen te animeeren en te waarschuwen om op zoodanige personen regard te nemen en ze bekend te maken, met belofte van recompens.
Wij mogen waarlijk aan de tegenwoordige lofredenaars van Jan De Witt wel vragen, hoe zij eene dergelijke Resolutie rijmen met de hoedanigheid van liberaal, welke zij hem toekennen of met de burgerlijke vrijheid, welke zij beweren, dat in die dagen bestond.
En nu de kooplieden? Waren zij zooveel gemoedelijker dan die in onze dagen? Ik zal hier de archieven der O. I. Maatschappij niet ontrollen; ik zou gewis te wijdloopig worden, maar ik vraag, of men in onze dagen kooplieden zou vinden, die, ingeval van oorlog, kruit en lood aan den vijand verkochten, zooals zij 't zich in de dagen van Frederik Hendrik veroorloofden? Of, deden zij het al, zij zouden zich er ten minste voor schamen en het antwoord niet geven, 't welk een Amsterdamsche koopman gaf, toen iemand hem dit landverraad verweet en hem vroeg of hij dan met den duivel zelf negotie zou doen?
"Och!" zeide hij, "viel er wat aan te verdienen, ik zou er een gezegend zeil aan wagen!"
Ik geloof hiermede te hebben bewezen, dat behoudens al den eerbied, dien wij onzen voorouders schuldig zijn voor het vele groote, goede en schitterende, dat door hen verricht is geworden, wij niet te lichtvaardig noch in 't algemeen hen als modellen ter navolging aan het nageslacht mogen voorstellen. Menschen blijven menschen d. i. te zeggen, zwakke en zondige schepselen.
DE DRIE JONGE MEISJES.
Een bedrijf in eene samenspraak.