Vertellingen van vroeger en later tijd
Chapter 33
Opmerkenswaardig voor 't overige was de diepe stilte, welke aan de geheele tafel, bij de anders zoo luidruchtige gasten heerschte. Voorzeker had het hun geen moeite gekost zich te vereenigen en gezamenlijk de kozakken ter deure uit te werpen; maar het was, of de plotselijke verschijning van Klein allen, ik zeg niet met schrik geslagen, want het waren moedige kerels, maar in beelden veranderd had: zoo onbeweeglijk zaten zij hem en den Ritmeester aan te gapen. Gewis gevoelden zij het billijke der zonderlinge weerwraak, door den Rus genomen, en daar zij bijna zeker konden nagaan wat daarvan het gevolg zoude zijn, begrepen zij waarschijnlijk, dat het hun niet paste tusschenbeide te komen, maar dat zij het aan Voss moesten overlaten, zich de noodige voldoening te verschaffen.
Wat Klein betrof, deze haalde zijn schade in van den vorigen dag, at en dronk voor vier en onderhield zich met mij over onverschillige zaken, op even vroolijken en ongedwongen toon als anders, terwijl hij zich vergenoegde, nu en dan een blik op de kozakken te slaan, om zich te overtuigen, dat zij aan den hun opgedragen last voldeden. Eindelijk, toen het middagmaal was afgeloopen en het nagerecht stond te worden opgebracht, begreep hij dat het tijd werd om het koddige blijspel, tot nu toe gespeeld, te doen ophouden, en het treurspel te doen aanvangen. Hij rees overeind, en, Voss vlak in 't aangezicht ziende: "heeft u de maaltijd wel gesmaakt?" vroeg hij hem overluid.
"Schwernaut!" was alles wat de woedende Ritmeester kon uitbrengen, terwijl hij oprees, met de gebalde vuist op de tafel sloeg, en zijn gebronsd gelaat de kleur van rood koper aannam.
"Ik ben thans bereid u het dessert toe te dienen," hernam Klein, zich buigende en tevens een teeken aan de kozakken gevende, dat zij zich konden verwijderen.
De Ritmeester antwoordde geen syllabe, maar greep naar zijn hoed en gaf een wenk, die zooveel wilde te kennen geven, als dat hij gereed was; waarna hij een der in zijne buurt zittende officieren op den schouder tikte. Deze begreep de zwijgende uitnoodiging, rees op en maakte zich gereed om mede te gaan.
"Mijn getuige wacht ons reeds buiten," zeide Klein: "derangeert u niet, mijne Heeren!" vervolgde hij tot de overige officieren, waarvan sommigen insgelijks onwillekeurig waren opgestaan. "Vaarwel! B.!" mij met een hoofdknik groetende, "ik ben terstond weder hier."
Met deze woorden vertrok hij, terwijl Voss en diens getuige hem onmiddellijk volgden. Ieder hernam zijn plaats en wachtte, terwijl men het nagerecht opbracht, met gespannen verwachting wat de uitslag wezen zoude van den kamp, die buiten plaats had.
Geen tien minuten waren er verloopen, of Klein keerde, maar thans geheel alleen, terug. Aller oogen waren op hem gevestigd; maar zijn kalme en effene gelaatstrekken waren even ondoordringbaar als altijd. Intusschen, zijne terugkomst zelve zeide, na hetgeen voorgevallen was, reeds genoeg.
Hij nam weder aan mijne zijde plaats, schonk zich in, at van de fruit, die hem werd aangeboden, en hervatte ons gesprek waar hij het had afgebroken, als ware er nooit een ritmeester Voss in de wereld geweest. Eerst des avonds, na zijn vertrek, vernam ik, 't geen ik trouwens wel vermoedde, dat de Pruis, en wel op het eerste schot, levenloos gevallen was. Toen zijne makkers zich over het gebeurde bij den Veldoverste beklaagden, haalde deze de schouders op, zeide, dat Voss zijn verdiende loon ontvangen had en dat hij hoopte, dat het voorval ook hun tot les zoude verstrekken.
Tweegevechten waren voor 't overige te dien tijde zoozeer aan de orde van den dag, dat men spoedig de geheele gebeurtenis vergat, of er althans niet meer van gewaagde.
Nog eenmaal, en wel op den volgenden dag, verscheen Klein aan de table d'hôte van Mad. D.; doch deze reize wederom in burgerkleeding. Niemand kreeg in 't hoofd hem in zijn maaltijd te storen.
MARIA VAN BOURGONDIË.
Scheen er ooit een Vorstin door haar geboorte bestemd om een schitterende rol op het wereldtooneel te vervullen, dan was het gewis de dochter van Karel den Stoute. Andere rijken in Europa mochten het in uitgebreidheid van het zijne winnen: niet één was er, hetwelk zulk een keur van vruchtbare en door natuur of ligging bevoorrechte Vorstendommen, zulk een aantal groote, bevolkte en machtige steden, zulk eene menigte welgelegene havens, zooveel bronnen van welvaart, zooveel handel, nijverheid en landbouw vereenigde, als het gebied, dat hij door erfrecht verkregen, of door de wapenen aan zich onderworpen had. Tot dat gebied toch behoorden, behalve Bourgondië, Fransch Comté en de overige erflanden van het Bourgondische Huis, al de bezittingen, die vroeger, 't zij aan de Hertogen van Brabant, van Gelre en van Gulik, 't zij aan de Bisschoppen van Luik en van Utrecht, 't zij aan de Graven van Vlaanderen, van Henegouwen, van Holland, 't zij aan de Heeren van Friesland, van Mechelen en van zoovele andere landschappen of steden waren onderworpen geweest. En toch, toen de held, die geheel Europa met den roem van zijn naam vervulde, toen de fiere en machtige Vorst, die reeds van een Koningskroon droomde, in den strijd voor Nancy gevallen was en zijn heerschappij aan zijn een en twintigjarige dochter overliet, kon men zeggen dat haar eenig erfdeel bestond in de bloote titels, die zij voerde. Immers Bourgondië en Fransch Comté waren reeds vermeesterd door de wapenen, maar vooral door het goud van den onverzoenlijken tegenstander haars vaders, den sluwen Lodewijk XI, die haar dringen wilde, zich te verloven aan den zevenjarigen Dauphin, terwijl, van de andere zijde, de Keizer van Duitschland, Frederik III, reeds zijne legers samentrok om haar te noodzaken, aan haars vaders woord gestand te doen en zijn zoon Maximiliaan te huwen. En had zij nog maar alleen de geheime lagen of het geweld van buitenlandsche vijanden te vreezen gehad; maar gevaarlijker nog dan dezen voor haar gezag, waren haar eigen onderzaten. De dood van den gevreesden Karel was het sein tot hernieuwing dier tooneelen van oproer en tegenstand, welke zijn krachtige arm zoo vaak beteugeld had. Terwijl Holland, den hulpeloozen toestand der arme Jonkvrouw misbruikende, haar dat beruchte Groot-Privilege afperste bij 't welk haar, 's Lands wettige Gravin, de vrijheid ontnomen werd van buiten toestemming van 's Lands Staten te trouwen, van schattingen te eischen, van munt te slaan, van tollen te heffen, van recht uit te oefenen, van dagvaarten te beschrijven, in 't kort, van eenige daad van souvereiniteit te verrichten, haasteden zich de altijd woelige Gentenaren de door Karel aangestelde overheidspersonen af te zetten, eenigen der aanzienlijkste Edelen door beulshanden te laten ombrengen, aan Maria de teruggave af te dwingen van hunne vroeger verbeurd verklaarde voorrechten en vrijheden, in één woord, geheel den meester over haar te spelen.
Haar eenige hoop op uitkomst scheen gelegen in het aantal zelfs harer onderdrukkers en in hunne verschillende inzichten en belangen, die onvermijdelijk tot onderlingen twist moesten leiden. Weldra borst die twist dan ook geweldig uit. Lodewijk XI namelijk had een gezantschap naar Maria gezonden, zoo 't heette, om haar van zijn deelneming in haar verlies te verzekeren, doch eigenlijk om het vuur des oproers levendig te houden. En dan nog welk een gezantschap? Aan een dochter van Karel van Bourgondië, aan een Vorstin uit den Huize van Frankrijk zond hij, in stede van een zijner Staatsdienaren of Rijksgrooten, Olivier Le Daim, zijn barbier!--Dan onder al haar wederwaardigheden verloochende Maria haar rang en afkomst niet, weigerde Lodewijks boosaardigen vertrouweling te zien, en liet hun weten, dat zij vooreerst noch lating, noch Spaansche vlieg behoefde. Niet veel echter bekommerde zich de baardschraper over deze afwijzing; de bedoelingen, waarmede hij gekomen was, konden daarom evengoed bereikt worden; en, Maria's Staten rondreizende, wist hij, zoo in Vlaanderen als in Henegouwen, onderscheidene steden voor 's Konings belang te winnen.
De Gentenaren echter, die het hierin met hun Vorstin eens waren, dat zij van geene Fransche overheersching gediend bliefden, zonden van hunne zijde een Gezantschap aan Lodewijk, en verzochten hem, zijn vordering van Maria's hand voor zijn zoon te laten varen en vooral geen oorlog tegen haar te voeren; daar niet Maria, maar de Staten des Lands de regeering op zich genomen hadden. Lodewijk toonde hun aan, dat hun voorgeven logenachtig was, en dat de Hertogin aan hare moeder Margaretha, aan de Heeren van Himbercourt en Hugonet en aan Adolf van Kleef, volmacht gegeven had tot het bestuur. Hierdoor werden de Gentenaren zeer verbitterd en beschouwden zich als bedrogen door hun Hertogin. Himbercourt en Hugonet werden door het gepeupel gegrepen, op de pijnbank gebracht en op het schavot onthoofd, ondanks de tranen van Maria, die in persoon de oproerlingen om het leven van haar staatsdienaars kwam bidden.
Intusschen zagen de Vlamingen een oorlog tegen Frankrijk op handen en daarom ook naar een bekwaam krijgshoofd om, die hen ten strijd zou voeren. Nu bevond zich in den kerker van Kortrijk die Adolf van Egmond, die vroeger zijn vader Aernout met geweld van Gelres zetel gestooten, in den kerker gesmeten en wiens Hertogdom Karel de Stoute zich toegeëigend had. Op dezen woesteling sloegen de Gentenaren 't oog, haalden hem uit zijn gevangenis, stelden hem aan het hoofd van hun leger, ja zeiden hem zelfs, ter belooning voor de diensten, die zij van hem verwachtten, de hand toe hunner Hertogin.
Met drift greep Adolf de gelegenheid aan om de verloren macht te herwinnen en, na jaren van diepe vernedering, met des te schitterender luister weder voor den dag te treden. Immers, de Gelderschen, die, nog steeds aan hem gehecht, in hem den ontaarden zoon voorbijzagen om alleen den wettigen Vorst uit het oude stamhuis in hem te eeren, hadden hem opnieuw tot hun Heer uitgeroepen, en, zoolang zijn afwezigheid duren moest, het bestuur der zaken aan zijne zuster Katharina opgedragen. Wat had niet Maria van den heerschzuchtigen onverlaat te vreezen, als deze, gelijk men verwachten kon, in Vlaanderen oppermachtig werd en dan eerlang naar hare hand zou dingen. Gelukkig voor haar echter werden Adolfs heerschzuchtige droomen niet verwezenlijkt: reeds bij zijn eerste krijgsverrichting, een aanval op de stad Doornik, sneuvelde hij met de wapens in de hand en onder het uiten van zijn oorlogskreet: "Gelre! Gelre!" Een dood, meer roemrijk dan hij had mogen hopen of verdienen; doch die Maria's hart, dat van zulk een echtgenoot gruwde, met blijdschap vervulde.
Nu zond Keizer Frederik een statig Gezantschap, uit Bisschoppen en Rijksvorsten samengesteld, naar Gent, om de hand der Hertogin plechtig af te vragen. Intusschen had zich een ander mededinger daarvoor opgedaan, namelijk de zoon van Hertog Jan van Kleef. Deze laatste, die zich binnen de stad ophield, stelde alle middelen in 't werk om Maria te overreden, dat zij 's Keizers voorstel in beraad zou houden. Maria echter had reeds haar besluit genomen, en, zoomin als haar vader of grootvader, was zij van wat zij eenmaal bepaald had af te brengen. Toen derhalve het Gezantschap, ter volle raadsvergadering toegelaten, haar den verlovingsbrief vertoonde, met den diamant, welken zij vroeger, op last haars vaders, aan Maximiliaan gezonden had, en haar vroeg of zij dien erkende, antwoordde zij ronduit, dat zij zulks van ganscher harte deed. Al de omstanders waren verbaasd, Hertog Jan en de Kleefschen niet weinig verslagen, en de Gezanten verrukt over deze rondborstige verklaring. Van dit tijdstip af ging alles als van zelf. De Raad van Regeering zoowel als de Staten bekrachtigden de toestemming der Vorstin, en deze werd met den Hertog van Beijeren, namens Maximiliaan, ondertrouwd. Weldra kwam de bruidegom zelf met een gevolg van twaalfhonderd Vorsten en Edelen. Hij zelf was op 't schitterendst uitgedost in een zilveren harnas met goud ingelegd, en, gelijk zijn gevolg, met den Bourgondischen sluier omhangen. Den 18den Augustus werd het huwelijk voltrokken, en Maximiliaan in het volgende jaar plechtig als Momboir of Voogd van Vrouw Maria, in haar Staten erkend.
De stap, door Maria zoo onverhoeds gedaan, met die vaste beradenheid, eigen aan het geslacht, waar zij uit sproot, was niet slechts gerechtvaardigd door de omstandigheden, waarin zij zich bevond, maar ook door de persoonlijke hoedanigheden van den man, aan wien zij haar toekomstig lot vertrouwde. Maximiliaan werd alom, wegens zijn zachtmoedig, bedaard en minzaam karakter, zoowel als wegens zijn goed verstand en oordeel geprezen. In den oorlog was hij dapper en ervaren, en door eene bijzondere tegenwoordigheid van geest onderscheiden. Aan het Duitsche hof, waar velen, ook onder de aanzienlijkste Edelen, aan brasserij en dronkenschap waren overgegeven, onderscheidde hij zich door matigheid in spijs en drank; kunsten en wetenschappen beschermde hij, en in de muziek was hij zeer bedreven. Zijn hoofdgebrek was een al te groote toegeeflijkheid, die somtijds in zwakheid en ongestadigheid ontaardde.
Nu door deze echtverbintenis het bestier van lands- en krijgszaken weder onder één opperhoofd gebracht was, en alles een geregelder gang verkreeg, herstelde zich spoedig het krijgsgeluk, dat Maria den rug had toegekeerd. Lodewijk zag zich genoodzaakt een bestand te sluiten en Bourgondië te ontruimen. Met Engeland werd een verbond van vrijen handel aangegaan, en de betrekkingen ook met de overige naburen op een vasten voet gebracht.
In het jaar 1478, den 20sten Juni werd aan Maria een zoon geboren, die later bestemd was om onder den naam van Filips I, de kronen van Kastilië en Arragon te voeren.
Was Vlaanderen nu tot rust gekeerd, en eerbiedigden de Zuidelijke gewesten Maria's heerschappij, in het Noorden was deze nog zoo licht niet te vestigen. In Holland werd de tegenstand voornamelijk gevoerd door de Hoekschen, daarin gesterkt door Maria's Stedehouder zelven, Wolfert Van Borselen. Reeds onmiddellijk na Karels dood hadden zij, in de meeste steden, hunne tegenpartij uit de regeering weten te krijgen; thans had deze de overhand weder bekomen en op sommige plaatsen, als te Leiden en te Haarlem, de Hoekschen ter stad uitgedreven. Vergeefs was het, dat Borselen te Rotterdam een dagvaart beschreef van Edelen en Steden: de Baljuw der stad, Jan Van Reimerswael, niet zonder reden beducht, dat de dagvaart zelve meer aanleiding tot tweespalt dan tot herstel der rust zou geven, liet de poorten bezetten, weigerde den intocht aan de Afgevaardigden der Hoeksche steden, en verzocht den Stadhouder zelven de stad te verlaten. Hieruit ontstond nieuwe verbittering: al de steden, vooral 's-Gravenhage, werden tooneelen van gestadige vechtpartijen. De valkeniers van den Stadhouder, die Hoeksgezind waren, schoten uit de ramen van het hof op de Kabeljauwschen, die, op hunne beurt, door de Haarlemmer, Leidsche, Delftsche en Amsterdamsche poorters ondersteund, het Hof overvielen en plunderden. Borselen hernam het, doch zag zich kort daarop genoodzaakt het aan zijn tegenpartij over te geven, en naar Rotterdam te wijken, 't welk hij intusschen bemachtigd had, en waar hij zijn hof vestigde. Ook daar kon hij het niet houden, en trok naar zijn stad Veere, Rotterdam ter bewaring latende aan Joris, Bastaard van Brederode.
In Gelderland was het inmiddels even weinig rustig. Inweerwil hunner verslagenheid over den dood van Adolf, hadden de Staten van dat Hertogdom terstond het besluit genomen om zijne zuster Katharina met het voortdurend bestier en tevens met de voogdij over zijne onmondige kinderen te belasten. Te gelijk was door hen een gezantschap gezonden aan Lodewijk XI, die, daar beloften hem nooit iets kostten, hun zijne ondersteuning tegen Maximiliaan toezeide. Intusschen begeerde Willem Van Egmond, Hertog Aernouts broeder, de voogdij over zijn achterneven, en maakte zich meester van Arnhem, terwijl de Hertog van Kleef, die toch eenig deel begeerde van de erfenis van Karel den Stoute, nu de hand van Maria zijn zoon was ontgaan, dezen laatste tot Hertog van Gelre wilde doen aannemen. En, als had men nog geen Heeren genoeg, het Graafschap Zutfen werd door de Staten verpand aan Hendrik Van Schwartsenberg, Bisschop van Munster, en deze kort daarop tot beschermer van het gansche Hertogdom aangenomen; terwijl de jonge Karel, Adolfs zoon, als Hertog erkend werd.
Het was Maximiliaan, nog voortdurend met Frankrijk in krijg gewikkeld, langen tijd onmogelijk zijn tegenstanders binnen 's lands te beteugelen: eindelijk echter liet hem de overwinning, bij Guinegate in Artois op Lodewijk behaald, de handen vrij. Naar Holland overgekomen, en door de Kabeljauwschen wel ontvangen, ontsloeg hij Borselen van zijn Stadhouderschap, 't welk hij opdroeg aan Joris Van Lalaing;--en de rust eenigszins hersteld ziende, maakte hij een verdrag met Katharina van Gelre, waarbij zij de rechten zijner Gemalin op het Hertogdom erkende en zich tevreden stelde met de stad en voogdij van Gelder levenslang te behouden. Leiden werd intusschen door de Hoekschen onder Broekhuizen, het Hoeksgezinde Dordrecht daarentegen door de Kabeljauwschen onder Jan van Egmond bemachtigd, die kort daarna zich ook van Gouda, Schoonhoven en Oudewater meester maakte. Maximiliaan, weder in Holland gekeerd, bekrachtigde het door Egmond en de Kabeljauwsche partij verrichtte, liet de vierschaar spannen over de Hoekschen, verscheidenen uitbannen en sommigen onthoofden. Door deze gestrengheid werd de rust in Holland hersteld, ofschoon de burgerkrijg in het Sticht te heviger bleef woeden. Weldra onderwierpen zich de Geldersche Staten, van alle zijden bestookt, aan den Aartshertog, die nu met zijn Gemalin in de meeste steden plechtig werd gehuldigd. Wel bleef Arnhem nog in handen van Jan van Kleef; maar het liet zich aanzien, dat die stad, zoowel als het Sticht, op den duur aan de zegevierende wapenen van Maximiliaan geen weerstand zoude kunnen bieden. Maria had haar gezag nagenoeg gevestigd gezien, en de tijd scheen voor haar gekomen, dat zij, na zooveel stormen en gevaren in rust en vrede het geluk zou kunnen smaken, dat haar als gade, als moeder en als vorstin tegenlachte, en dat zij zoowel verdiende. Dan helaas! zij mocht alleen den dageraad van die blijde toekomst beleven. Buiten Brugge uitgereden, stortte zij van 't paard en bezeerde zich deerlijk aan het been. Nog zou de kunst wellicht middelen tot haar herstel hebben gevonden, had vrouwelijke kieschheid haar niet weerhouden om de bekomen kwetsuur aan de beschouwing en het onderzoek der heelmeesters te onderwerpen. Dit had ten gevolge, dat de gewonde deelen, niet naar behooren verzorgd, spoedig door het koudvuur werden aangetast, en zij, weinige dagen na haren val, den 27sten Maart 1482, in nauwelijks zes en twintigjarigen ouderdom binnen Brugge overleed, tot groote droefheid van haar echtgenoot, die haar teeder beminde en altijd met hartelijke genegenheid herdacht.
DE ZEDEN ONZER VOORVADEREN MET DE ONZE VERGELEKEN.
Een mijner geachte vrienden, aan wiens bekendheid met de vroegere gewoonten, gebruiken, oudheden en maatschappelijke toestanden van ons Vaderland de stad Amsterdam niet weinig verschuldigd is, vergastte sommige onzer letterkundige kringen op een vertoog, waarin hij de ingetogenheid en eenvoudigheid in handel en wandel van de voorvaderen afschilderde en ten voorbeelde stelde. Na den afloop der vergadering hem dankende voor het gehoorde, gaf ik hem te kennen dat al het door hem bijgebrachte volkomen waarheid behelsde, doch dat ik niettemin zou durven aannemen, op de eerstvolgende bijeenkomst eene verhandeling voor te dragen, waarin ik juist het tegendeel zou bewijzen van hetgeen door hem was betoogd, en alzoo tot eene uitkomst geraken, lijnrecht met de zijne in strijd. Dit mijn eenigszins vermetel beweren gaf natuurlijk stof tot een vriendelijken redetwist, die echter uit hoofde van plaats en gelegenheid toen niet lang kon gerekt worden. Ik had te dier gelegenheid op het aangezicht der weinige getuigen van ons gesprek hunne verbazing meenen te bespeuren over mijn blijkbaren twijfel aan de voortreffelijkheid in alle opzichten onzer voorouders boven ons: eene voortreffelijkheid welke zij en wij allen toch van kindsbeen af gewoon zijn geweest, zoo breed te hooren uitmeten, en ik hield mij overtuigd dat zij mij verdacht hielden, uit zucht tot plagerij of tegenspraak een grillige paradox te hebben opgeworpen. Dit had tengevolge dat ik werkelijk in 't naar huis gaan mij zelven afvroeg, of ik mij inderdaad niet had laten vervoeren door die zekere neiging, den lieden van levendige verbeelding ingeschapen, om ook de ongerijmdste stellingen, zoodra zij maar iets aanlokkelijks hebben, te verdedigen en daarbij aan het vernuft vrij spel te geven, ten koste van de waarheid en het gezond verstand;--ja of inderdaad het door mij beweerde geen paradox was. Dan, hoe meer ik nadacht en peinsde over de zaak, hoe meer zich nieuwe gronden ter bevestiging mijner stelling voor mijnen geest opdeden, hoe meer ik tot de slotsom geraakte, dat, zoo werkelijk de vroegere tijdperken onzer geschiedenis en bepaaldelijk die der zeventiende eeuw, zich vrij wat roem- en luisterrijker voordoen dan het onze, het er echter verre af is, dat men de zeden en gewoonten dier eeuw ons ter navolging behoeft aan te bevelen. Het zijn de gronden voor die stelling, welke ik thans voornemens ben aan het oordeel mijner lezers te onderwerpen.