Vertellingen van vroeger en later tijd
Chapter 31
Uit dit alles blijkt overvloedig, dat het wafelmeisje een afzonderlijk, op zich zelf staand wezen is, aan de gewone zwakheden der menschelijke natuur niet onderhevig, en met de dochters van Eva alleen in gedaante overeenkomende. Intusschen, er zijn sceptici, die hebben durven beweren, dat zij, 's middags ongeveer te half een uur, een wafelkraam voorbij gaande, de bakster en haar maagden hebben zien aanzitten rondom een schotel van groen aardewerk, aardappelen etende als gewone stervelingen. Zoolang echter dit feit niet door stellige, onwraakbare getuigenissen bewezen is, meen ik het er voor te moeten houden, dat de verhalers, of schaamteloos jokken, of door hun oogen misleid zijn geworden.
DE AANSPREKER.
Droevig en ernstig is de gedachte aan den dood: en waarom dan is de bode, die ons het overlijden van een onzer natuurgenooten komt verkondigen, bestemd, om onzen onwillekeurigen lachlust op te wekken? Waarom vinden wij, bij alle volkeren en in alle tijden, bestendig, in het sterfhuis, naast de lijkbaar en op de rustplaats der afgestorvenen, die verschijning terug van onverschillige, belachelijke medevertooners, wier tegenwoordigheid de aandoenlijkste plechtigheid in een bittere parodie herschept?
In gindsche woning heeft een geliefde vader, een teederbeminde echtgenoote, een bloeiende dochter, den laatsten tol aan de natuur betaald. De huisgenooten zijn vereenigd: de stille smart wordt slechts nu en dan afgebroken door een uitboezeming des harten, door een lofspraak op den overledene, door snikken en schreien. Maar op eens, evenals de Clown in het Engelsche drama op het meest pathetisch oogenblik te voorschijn treedt, daar vertoont zich de Aanspreker: zijne verschijning brengt bij al de aanwezigen ongeveer dezelfde gewaarwording te weeg, welke een valsche noot in de muziek bij den kenner doet ontstaan: alles bij hem is in wederspraak met het aanwezige gezelschap: zijn kostuum; want hij draagt den rouw aan 't lijf, dien de huisgenooten nog maar alleen in 't hart dragen:--zijn gelaat; want het staat alleen koud en onbewogen tusschen al die nat bekreten wangen:--zijne redenen: want, terwijl de overigen alleen wenschen te spreken over de deugden des ontslapenen en de grootte van hun verlies, spreekt hij van ceêlen, van zwart lak, van timmerlui, van rouwpapier, van koetsiers en van begrafenis-boete:--zijne innerlijke gemoedsbewegingen; want, terwijl leed en droefheid den boezem zijner lastgevers vervullen, loopen zijne gedachten over het vermoedelijk bedrag van het loon, dat hem wacht, en berekent hij, uit hetgeen hem van den staat des boedels bekend mag zijn, of de fooien min of meer aanzienlijk zullen wezen.
Het noodige is afgehandeld: de Aanspreker is vertrokken: hij heeft zijn kameraden ontboden, die kohort, waarin het bevel nu bij dezen, dan bij genen berust: niet volgens onderlinge keuze of schikking: niet naar vaste beurten: neen: hij, die het eerst aan het sterfhuis ontboden was, is de hopman, aan wiens bestier zich de overigen, zonder morren, zonder tegenspraak, onderwerpen.
De lijsten zijn gemaakt: de ure is gekomen, waarop het rondzeggen beginnen zal. Zie op gindsche brug den besturenden Aanspreker zijn bevelen ronddeelen en aan elk zijn taak aanwijzen. Welke ernst op 's mans gelaat! welke wichtigheid in zijn gebarenspel! 't Is Agamemnon, die den aanval tegen Troje gebiedt: en, op zijn wenk, verspreidt zich het gevolg van snelvoetige Achillessen en draaft langs burgwal en straten, en doet overal de schellen klingelen. De deuren gaan open: de Aanspreker (mits het een deftig huis zij, waar hij voorstaat) legt de rechterhand aan den punthoed, doet hem een hoek van 46 graden beschrijven en heft, met een hoogdravende stem, in dezer voege aan:
--"Maak bekend, dat overleden is, de Hoogwelgeboren Vrouwe Sara Catharina Augusta Wilhelmina van Hevelen tot Heffenberg, Douairière den Hoogwelgeboren Heer Jonkheer Willem Hendrik Lodewijk Baron van Hoogenlinde."
Hij doet zijn hoed nogmaals een boog beschrijven, dekt zich weder en voegt er, als ter bevestiging, in een platten Amsterdamschen tongval bij:
--"De ouwe Mevrouw van Hoogenlinde, schoins hierover in 't hoekhois: zelje 't niet vergeten, vrijster?"
--"Herrejee!" roept de vrijster: "is die dood: nou kijk! mensch! 't Is wat te zeggen! ja, er sterft al heel wat rijkdom tegenwoordig."
Maar reeds is de Aanspreker, zonder zich den tijd te gunnen om het oor te leenen aan de wijsgeerige aanmerkingen der dienstmaagd, een paar huizen verder zijn plechtige formule gaan herhalen.
De dag der begrafenis is daar: het is een deftig lijk: en zoodanige worden nooit ter aarde besteld, zonder dat het een boete kost aan den erfgenaam:--een boete, vermeerderende naar evenredigheid van het vroegere ochtenduur, waarin de plechtigheid voorvalt, en nog hooger stijgende, wanneer die 's avonds plaats heeft: een speculatie, gegrond op de ijdelheid onzer menschelijke natuur, die zich in zulke oogenblikken minst verloochent;--maar het is niet over de ijdelheid der naastbestaanden, het is over den Aanspreker, dat ik u onderhouden moet. Zie hem en zijn gevolg aan weerszijden op de trappen van die stoep geschaard, terwijl de dragers, in verschillende groepen verdeeld, op straat staan, en de lijkkoets een paar huizen verder vertoeft. Elke bloedverwant, die het sterfhuis binnengaat, moet de gelederen der zwarte bende door: de punthoeden vliegen af bij zijn naderen, maar beschrijven nu den halven cirkelboog vol uit, terwijl het aangehechte krip met bevalligheid golft, en het bovenlijf zich eerbiedig nederbuigt. Alles is gereed: de kist wordt uitgedragen: de lijkkoets ontvangt haar vracht, en weldra neemt de optocht een aanvang.
Voorheen zag de Aanspreker, wanneer hij aan 't hoofd der lijkstaatsie optrok, met welgevallen rond op de talrijke schaar, die aan alle kanten kwam samengevloeid, om met gretige belangstelling de prachtige livreien, de fraaie paarden en de glinsterende koetsen te bewonderen: of wier nieuwsgierige blik, op het gelaat der achteraan volgende erfgenamen, de mate van hun rouw zocht te beoordeelen: maar och! en tot zijn groote ergernis, de Aanspreker heeft die tijden overleefd, en beklaagt er zich bitter over, hoe men tegenwoordig zich den nauwelijks gestorven bloedverwant reeds schijnt te schamen, en, in stede van het lijk te volgen, langs een anderen weg op snellen draf de plaats der bestemming bereikt! Dit is voorzeker treurig: maar kan men ook niet van den Aanspreker zelven zeggen:
Quantum mutatus ab illo?
't Is waar, nog bestaan de punthoed, de lamfer, de korte broek; maar waar is de majestueuse, de eerbiedwekkende, de in talrijke batterijen verdeelde, de wit gepoederde pruik gebleven? Waar is zij?--De echo antwoordt: Waar?
In de kerk, op den Godsakker, wordt de optocht herhaald; maar nu wordt de baar op de schouders der dragers rondgevoerd, en de bloedverwanten sluiten den omgang. De kist wordt nedergelaten in 't graf: de Aanspreker en chef deelt aan de, langs hem defileerende Aansprekers, Dragers, Dienders en Dekkers de verzegelde pakjes uit, welke hun loon bevatten: elk hunner, na zijn gift ontvangen te hebben, gaat de bloedverwanten voorbij en maakt een meer of minder zwierige buiging: en alles gaat uiteen; de Aansprekers, om nieuwe sterfgevallen te gaan verkondigen; de bloedverwanten, om de te huis gebleven familie te gaan vermelden, dat alles volbracht is: de dragers, om naar de kroeg te loopen. Wat de dienders doen, weet ik niet: en al wist ik het, ik zoude het niet durven zeggen.
DE HOLLANDSCHE WERKMEID.
Onder de zoodanige typen, welke men alleen op Hollandschen bodem ontmoet, en welke mitsdien in een galerij als deze niet kunnen gemist worden, komt voorzeker een eereplaats toe aan de Hollandsche Werkmeid. Ook zij heeft recht om op te treden, als vertegenwoordigster van ons zedelijk volkskarakter, en biedt ons in haar bedrijf twee eigenschappen aan, welke van oudsher die van onze natie zijn geweest: werkzaamheid en zindelijkheid.
Van de eerste dier eigenschappen behoeven wij niet te spreken, noch zelfs haar aanwezen bij de Werkmeid te betoogen, daar zij reeds in den naam zelven ligt opgesloten en luie Werkmeid een anomalie, een contradictio in adiecto zoude wezen. De dienstmaagd, waar wij van spreken, heet Werkmeid, omdat zij is aangenomen om werk te doen, en dus niet verondersteld kan worden anders dan werkzaam te zijn. Is zij dit niet, dan valt zij zoomin onder onze beschouwing, als een knaap, die niet rijden kan, in een werk van Engelsche typen, onder de rubriek Jockey zoude kunnen bedoeld worden.
Zij is dus werkzaam,--en het doel van haar werk is--aan al wat zij aanraakt een knap en helder voorkomen te geven. De zindelijkheid, waarvan zij de type is, moet dus minder beschouwd worden als een aangeboren hoedanigheid, als een deugd, welke haar versiert, dan wel als een gevolg van haar bestemming; men prijst in de Werkmeid niet zoozeer haar zindelijken aard, als het zindelijk werk, dat zij levert; en ten dezen opzichte vooral is zij een afschaduwing onzer Hollandsche natie.
Immers, men moet zich van de Hollandsche zindelijkheid geen verkeerd denkbeeld voorstellen, noch er te luide op roemen, gelijk meermalen uit verkeerden trots gedaan wordt. Zindelijk was vanouds bij ons minder een deugd, dan een noodzakelijkheid, een voorwaarde van ons bestaan. In een vochtig klimaat als het onze zouden de planken spoedig wegrotten, de goten opgestopt raken, het water in de bakken bederven, de kelders vol paddestoelen, de zolders vol schimmel, de stoepen vol modder staan, indien men eens dorst afzien van dat aanhoudend schrobben en boenen en schuren en wrijven. Maar, heeft men die uiterlijke zindelijkheid van huis en huisraad dikwijls tot een belachelijk uiterste gedreven, men heeft van een anderen kant in ons land de zindelijkheid op zichzelven misschien te weinig toegepast: en niet geheel zonder grond beweren de Engelschen, ja zelfs de Franschen, dat zij van nature netter zijn dan wij. Wel zijn bij hen de huizen verveloos, de stoepen en gangen niet zoo blank geschuurd als bij ons, de trappen niet zoo zuiver van stof en smet, de koperen ketels niet zoo glanzend;--maar daarentegen zijn kapsel, baard, handen, nagels, ja het geheele lijf, meer dan bij ons, het voorwerp hunner bestendige zorg, en halen zij van verbazing de schouders op, wanneer zij vernemen, dat in de hoofdstad van Nederland slechts eene bad-inrichting kan bestaan, welke bij uitsluiting door reizigers, en door stedelingen niet als bij ordonnantie van den geneesheer, bezocht wordt.
Maar, keeren wij tot onze Werkmeid terug. Zij is gehuurd om het huis met aanhoorigheden en meubelen schoon te houden, en deze bezigheid, welke zij in den aanvang louter als plicht beschouwt, gaat weldra bij haar tot liefhebberij, tot hartstocht over. Zie slechts, hoe zij, ondanks de barre winterkoude, reeds lang voor den dag het koesterende bed verlaat, om geknield voor den haard, die haar geen warmte geeft, de asch van den vorigen avond weg te ruimen en voorts, de kruimels, de pluisjes en todjes en al die andere naamlooze voorwerpjes, welke ook in het knapste huishouden zich over het vloerkleed verspreiden, op haar blik te vegen. Dit werk is volbracht: de stoffer wordt in haar half bevrozen handen door den wrijflap vervangen: en, nog altijd geknield, beijvert zij zich de plaat te schuren en aan het koper van kachel of vuurhaard den getaanden luister terug te geven. Eindelijk rijst zij op en verlaat het vertrek: nu worden de trap, de gang, de stoep, al de meest beloopen plaatsen, aangeveegd of gestoft. Zij treedt op de plaats, of bij gemis van die, op straat, met vloer- en gangmat: en de teenen klopper gaat klapperend op en neer. Nu moeten de kleeden er aan: een kameraad, of wel een gedienstige buurvrijster, door het geklop oplettend gemaakt, komt haar hulp bieden, en de kleeden worden uitgeslagen, onder een vrolijk gelach ten koste van den armen voorbijganger, die op zijn even te voren uitgeschuierde plunje een duim dik stof bekomt.
Ziedaar, met het beddenopmaken en ruimen der slaapvertrekken, (voor zooverre dit ook tot de attributen der Werkmeid behoort) de bezigheid van het morgenuur: maar dit is slechts een voorspel van het eigenlijke werk, dat nu eerst beginnen zal. Elke kamer in het huis heeft haar beurt: 't zij eens in de week, 't zij om de veertien dagen: en naar die kamer begeeft zich thans de Werkmeid, als naar haar koninkrijk, waar zij oppermachtig heerscht, en, benevens haar, tocht en stof en theebladen en koude en ragebol en verwarring. Wee den onbezonnene, die het waagt er binnen te treden: met schrik zal hij terugdeinzen, bij het zien dier opeengestapelde stoelen, dier uit haar plaats verschoven tafels en kastjes, dier door elkander gehutselde boeken en papieren en sieraden en nondescripts: het is een chaos; maar, als de Werkmeid het vertrek weer verlaat, zal uit dien chaos alles schooner en heerlijker te voorschijn zijn gekomen.
Maar wie de Werkmeid in haar volle kracht wil aanschouwen, wandele op een fraaien Zaterdag-morgen de Amsterdamsche hoofdgrachten langs. Dan staan alle voordeuren open, al wijst ook de thermometer 10 graden onder nul: dan stroomt het water bij emmers vol over stoep en gangen, al moest het zich terstond herscheppen in een vloer van ijs, waar het halve huisgezin op uitgleed en den hals brak: dan schijnt er aan het boenen en schrobben geen einde te zullen komen. En o! dan is zij heerlijk te aanschouwen, de Werkmeid, met haar blanke kornet, die echt nationale dracht, met haar geruit boezelaar, haar opgestroopte mouwen, haar witte kousen en hare holsblokken, welke juist de minst sierlijke deelen van haar lichaam aan het oog onttrekken: dan is elke beweging, welke zij aanneemt, geschikt om de vormen van haar kloeke gestalte voordeelig te doen uitkomen: 't zij, dat zij den emmer in de eene hand dragende, de heup aan de tegenovergestelde zijde met zwier doet rijzen; 't zij dat zij, voorover gebukt, de rokken tusschen de knieën geknepen houdt en tot model voor een studiebeeld verstrekt: 't zij, dat de ronding van den arm bevallig uitkomt bij het hanteeren van den luiwagen: 't zij eindelijk, dat zij den glazewasschersspuit, dat oorspronkelijk Hollandsch werktuig (hetwelk eens heel Bordeaux in opschudding bracht, toen een Hollandsche vrouw, welke zich aldaar had neergezet, het, benevens haar Werkmeid, met zich bracht), in handen neemt en het geheele lichaam zich (zooals Bilderdijk het ergens uitdrukt)
Slingert en buigt en verwringt.
Wat beklaagt men zich dan, dat er in onze voorname steden geene fonteinen zijn? 's Zaterdags is elke burgwal, elke hoofdstraat een fontein, waar honderden stroomnajaden, niet van brons of marmer, maar vol kracht en leven, het water in sierlijke bogen naar boven persen, het met vrolijk geklater tegen de hooge glasruiten doen ruischen, en door de geheele buurt frischheid en koelte verspreiden.
DE KRUIER VAN AMSTERDAM.
Indien men zich buiten 's lands het type van den echten Hollander voor den geest wilde brengen, dan stelde men zich de beeltenis voor van een wel doorvoeden burgerman, met een onbewegelijke tronie, driedubbele kin en vooruitpuilenden buik, het dikke hoofd met een pruik en punthoed bedekt, een korten broek, kuit- en schoengespen, en de onmisbare lange pijp in den mond, zittende aan een tafeltje, waarop een kwispeldoor, een glas jenever, een koopmansjournaal en eenige geldzakken, als passende zinnebeelden paradeeren.
Wat mij betreft, ik wil tot type onzer natie een ander voorwerp kiezen, en haar voorstellen onder de gedaante van den eenigen man, die in onze verbasterde eeuw nog de hoedanigheden vereenigt en bewaart, welke aan onze voorouders eer, achting en rijkdommen hebben doen verwerven: in den Kruier van Amsterdam.
Vlijt, bedaardheid, nauwkeurigheid, spaarzaamheid, zindelijkheid, matigheid, eerlijkheid vooral, ziedaar de deugden, welke onze natie van ouds gekenmerkt hebben: ziedaar de deugden, welke wij terugvinden in den man, wiens beschrijving wij ons hebben voorgesteld: de hoofdtrekken van zijn karakter, de voorwaarden van zijn bestaan. Men oordeele:
De Kruier is vlijtig:--Men versta mij echter wel: hij loopt het werk niet na, noch dringt zijne diensten met onbescheidenheid op.--Neen! Ook hierin verloochent hij zijn landaard niet: men wachte zich ook, hem met den sjouwerman te verwarren; de man, dien wij bedoelen, is, in zijn stand, een deftig burger, die zijn fatsoen weet te bewaren: in zijn pothuis gezeten, wacht hij af, welke boodschappen zijne kalanten verkiezen hem op te dragen; maar ontvangt hij die, dan zijn zij ook dadelijk volbracht.
De Kruier is bedaard: hij loopt, maar draaft niet; want hij weet, dat hij, na de boodschap, welke hij verricht, er nog vele andere zal te verrichten hebben: en hij wil zich niet buiten adem brengen of noodeloos vermoeien: is hij aan den mangel, aan de wasch, aan een verhuisboel werkzaam, hij volbrengt zijn plicht in stilte, en zonder noodelooze opschudding of beweging; hij stoeit en dartelt niet met de dienstmeisjes, waarmede zijn beroep hem in gedurige betrekking brengt, noch geeft aan de eene de voorkeur boven de andere; want hij weet, dat dit een bron is van nijd en van krakeel: en hij moet meesters en dienstboden beiden te vriend houden. Daarom behandelt hij de eersten met bescheiden eerbied, de laatsten met terughoudende minzaamheid, en het is veel, indien hij in het koffij- of etensuurtje zich een onschuldige boerterij veroorlooft.
De Kruier is nauwkeurig: hij is een man van de klok, en op het bepaalde uur aanwezig, geen minuut vroeger of later. Geeft men hem een mondelinge boodschap, hij luistert met aandacht, en geen letter zal, bij het overbrengen, ontbreken. Heeft hij goederen te bezorgen, geen pakje, geen mandje, hoe klein ook, dat onder zijn waakzaam oog verloren gaat. Heeft hij zijn arbeid te verrichten in eene, te voren hem onbekende, woning, hij let op alles, slaat elke inrichting, elke gelegenheid gade, en kent, bij het uitgaan, het huis, de verdeeling der kamers, de plaats van elk meubelstuk zoo goed, als ware het zijn eigendom; want hij weet, dat hij er weer zal worden geroepen, en gebeurt dit, dan zal hij er thuis zijn, en zijn handen zullen niet verkeerd staan.
De Kruier is spaarzaam: hij is het op zijn tijd; want ook hij weet, hoe kostbaar die is, en hoezeer het er op aankomt, daarmede te woekeren. Zijn hem vele, uiteenloopende boodschappen opgedragen, zijn geest heeft de woonplaatsen, de afstanden, dadelijk berekend: en alles wordt volbracht, zonder dat hij met terugloopen of heen en weer gaan een oogenblik verliest. Hij is spaarzaam op zijn woorden; want hij weet met Salomo, dat in de veelheid daarvan de overtreding niet ontbreekt. Daarom ook is hij een vijand van klappen en van uit het eene huis in het andere te praten, en het noodwendig vertrouwen, dat in hem gesteld wordt, te misbruiken. Maar ook met zijn verdiensten is de Kruier spaarzaam; want hij wil gaarne aan zijn kinderen een burger kapitaaltje nalaten: en dat moet hij met dubbeltjes bijeenkrijgen: hij doet dan ook geene noodelooze uitgaven; maar is zuinig op zijn dagelijksche en onveranderlijke plunje: alleen des Zondags, wanneer zijn bezigheden hem vergunnen, met de zijnen naar de kerk te gaan, toont hij zich, wel niet zwierig, maar toch netjes, ja deftig uitgedost.
De Kruier is zindelijk: zijn linnen buis is altijd helder: zijn gelaat moge door de zon verschroeid zijn en zijn handen vereelt, maar geen van beide zijn immer zwart of onrein: en ook de teêrste pakketjes, de op rose papier geschreven briefjes, kunnen veilig aan die handen worden toevertrouwd, zonder dat men vrees behoeft te voeden, dat eenige vlek of smet die zal bezoedelen.
De Kruier is matig: een dronken Kruier is iets onbekends. Moet hij niet eenmaal 's jaars helpen verhuizen? Eenmaal 's maands den mangel bestieren? Eenmaal 's weeks mejuffrouws hondje dragen, als zij van haar salet komt? Viermaal 's daags de kinderen naar en uit de school geleiden? En wie zoude zijn meubelen, zijn mangel, zijn hondje, zijn kinderen toevertrouwen aan iemand, die beticht kon worden, van zich slechts eenmaal aan sterken drank te buiten te zijn gegaan?--Neen de Kruier is als de vrouw van Cesar: op hem moet zelfs geen vermoeden rusten.
Maar bij en boven dat alles, de Kruier is eerlijk. Waar treft men elders, ik zeg niet, in geheel Europa, maar in de geheele wereld, de stad aan, waar iemand, wie hij zij, burger of vreemdeling, aan een hem onbekenden man, dien hij te voren nooit gezien, van wien hij te voren nooit gehoord heeft, maar dien hij, op den hoek van de straat, uit zijn pothuis roept, een som gelds ter bezorging, een wissel ter ontvangst, een bankbriefje ter verwisseling kan toevertrouwen, zonder dat hij eenige vrees behoeft te koesteren voor schade of bedrog? En ziedaar, wat te Amsterdam dagelijks plaats heeft, zonder dat de ondervinding van achtereenvolgende eeuwen door een enkel voorbeeld heeft kunnen aanwijzen, dat er misbruik is gemaakt van het goede vertrouwen, in den Kruier gesteld.--Ook ten dezen opzichte heeft hij den roem volkomen gehandhaafd, door zijne natie verdiend.
Eere den Hollandschen geest!
Eere den Kruier!
DE KWEEKELING VOOR DE ZEEVAART.
Al had ook, na de roemrijke dagen van Willem den III, ons vaderland zich niet weten te handhaven in den rang, welken het onder de natiën van Europa bekleedde: al had het, bij zwakheid van bestuur, bij overvloed en weelde, de kracht, die naar buiten werkt, verloren: al voerden zijn legers in het veld, zijn gezanten aan de hoven, zijn vloten op den Oceaan niet meer dien toon van overwicht en gezag, waar vroeger koningen naar luisterden: toch toonde nog somtijds het door overdaad verslapte, door gebrek aan oefening versletene lichaam enkele oogenblikken, waarin de oude veerkracht scheen te herleven: flikkeringen, welke aan den glans van een schitterend verleden deden herdenken: phosphorische schokken, die nog voor een tijd lang de ontbinding tegengingen, schoon zij die niet wisten te voorkomen.
Niet een echter van die verschijningen, welke getuigden, dat het levensbeginsel nog niet was uitgedoofd, deed, toen zij plaats vond, een treffender uitwerking dan de zeeslag bij de Doggersbank: een wapenfeit, door beide partijen met den, aan elk betwistbaren, naam van overwinning bestempeld, en dat, ofschoon het, als zoodanig, niet slechts geen beslissend voordeel, maar een materieel verlies met zich bracht, echter niet geheel zonder uitkomsten bleef. In de eerste plaats deed het zien, dat de naneven der Trompen en De Ruiters nog niet van hun voorgangers waren ontaard; en, dat, zoo onze zeemacht niet meer zoo geducht was als voorheen, de schuld daarvan althans niet bij het zeevolk moest gezocht worden. In de tweede plaats streelde het de eigenliefde der bevolking, welke in dit luisterrijk voorval den dageraad van een nieuw tijdperk, en niet het avondrood zag van een tijdperk dat eindigde: het wekte den nationalen trots uit zijn sluimering op, opende een blij verschiet voor velen, en deed aan de ouderen van dagen met meer gelatenheid het hoofd ter ruste leggen. Ten derde schonk het gelegenheid tot het aanrechten van prachtige maaltijden en blijde volksfeesten: tot het uitdeelen van eeredegens en medailles: tot het vervaardigen van fraaie vuurwerken en slechte verzen. Eindelijk, en dit was van al die resultaten het beste en duurzaamste: het gaf aanleiding tot het stichten van de Kweekschool voor de Zeevaart.