Vertellingen van vroeger en later tijd
Chapter 30
Met een spoortrein reist men niet, maar men verplaatst zich en ik zal dus ook niets vertellen van mijn tocht naar Brussel, waar ik een paar uren in het prachtige hotel de l'Univers uitrustte en mijn gewonden voet verbond, op den witten poedel vloekende, die mij zoo leelijk had beetgehad. Ik voorzag dat ik den volgenden dag slechts een sober, althans een haastig maal zoude doen, en dat het voorzichtig zoude wezen op het voorbeeld der kameelen, wanneer zij de woestijn ingaan, een goeden ballast in te nemen en hoewel ik te twee uren in de boot reeds zeer goed gegeten had, hield ik mijn goeden Vlaming, die zulks verzuimd had, gezelschap aan een tweeden disch, terwijl hij, ter viering onzer kennismaking, mij op La Fitte onthaalde, dien ik allen kan aanbevelen, wie het toeval in het voortreffelijke hotel van den heer Pieron voert. Om tien uren zat ik in de coupé van de Messagiers La Fitte et Caillard, waar zich reeds een heer met zijn vrouw in bevond. Ik sprak hem in 't Fransch aan: het accent, waarin het antwoord gegeven werd, wekte terstond een vermoeden bij mij op, dat spoedig daarna bevestigd werd, toen de Heer tot zijne echtgenoot zeide:
--Ik moet toch ook eens in dat hoekje zitten.
--Of, zeide ik, indien Mevrouw nu en dan ter afwisseling eens mijn hoekje probeeren wil?...
Beiden berstten in een schaterend gelach uit.
--'t Zal misschien even gemakkelijk zijn, Hollandsch te spreken, vervolgde ik, mede lachende.
Maar hoewel ik lachte, was ik in mijn ziel knorrig als een spin: want ik ging niet op reis om landgenooten te ontmoeten, die ik te huis genoeg kan zien. Intusschen had ik het slechter kunnen treffen: want mijne reisgenooten waren hupsche, hartelijke menschen, die zich tot Parijs toe alleszins beleefd en gedienstig jegens mij gedroegen.
Het is met de Fransche diligences als met de Engelsche: is men er eenmaal in gezeten, dan behoort men zich zelf niet meer, maar men wordt, met al wat men bij zich heeft, een meubel van de Onderneming, en men moet zijn eigen ik, zijn individualiteit volstrekt verloochenen. Op het bepaalde uur de wisselplaats te bereiken, ziedaar het eenige waar de conducteur op doelt; of hij de passagiers onderweg verliest, of zij van de Impériale vallen en hals en beenen breken, of wel in de rotonde een beroerte krijgen, dat scheelt hem, zooals de oude Maerland zegt, niet een twint. Gelukkig zijn de Franschen over 't algemeen zeer sober, en hebben zij geene behoefte aan die kopjes koffie, boterhammen, bittertjes en andere versnaperingen, welke onze Hollandsche reizigers aan onze wisselplaatsen zoo gretig verorberen. In het gebied der Messageries mag niemand denken om eten, drinken, of de gevolgen van dien, tenzij daar, waar de Onderneming goedgevonden heeft hare vaste pleisterplaatsen te bepalen.
Klage wie wil over den last en het oponthoud, door de Douane veroorzaakt, mij was het een rechte verademing, toen mij op de grenslinie veroorloofd werd, den wagen uit te stappen, de frissche morgenlucht in te ademen en mijne verstijfde leden te bewegen.
Het onderzoek der goederen was gestreng en niets werd ongeopend gelaten, doch ik moet aan de Fransche Douaniers de eer geven, dat zij alles met voorzichtigheid behandelden en na de beschouwing netjes weder inpakten.
Te Valencyn was de eerste pleisterplaats. Daar werden onze paspoorten tegen verlofbrieven verwisseld, kneusde ik mijn arm bij het uitstappen, en verschroeide tong en verhemelte door het te haastig gebruik van heete bouillon. Het was de eerste Mei, de feestdag van den Koning der Franschen; het garnizoen maakte zich gereed om parade te gaan houden en uit de ramen der publieke gebouwen en van enkele huizen staken vlaggen uit, of liever vuile lappen, met dien naam bestempeld, en machtig verschillende met het sierlijke dundoek, dat bij dergelijke gelegenheden zoo statig over onze straten golft.
Wat mij, als merkwaardigheid, meer trof dan al wat ik overigens in die oude vestingplaats zag, was een affiche voor de poort van den schouwburg, inhoudende dat de heer N. N. Professeur de Magnétisme te dier plaatse, een vertoog over die wetenschap zou geven en met proeven staven, terwijl de heer Auguste*** Premier Somnambule, zoude antwoorden op de hem gerichte vragen, geheimen uitvorschen enz. Van premier funambule had ik gehoord, maar premier somnambule was iets nieuws.
Wij verlieten de stad toen de conducteur begreep dat het tijd was, en zonder dat een der nauwelijks van het politie-bureau teruggekeerde reizigers zijn vrijbrief nog bekomen had, 't geen ons geene kleine ongerustheid veroorzaakte, te meer, daar de voerman, zoodra hij de laatste poort uit was, zijne paarden in den galop zette. Onze zorg bleek echter ijdel te zijn, want een kwartier buiten de stad haalde een politiedienaar (die zeker de bijpaadjes geloopen had) den wagen in en stelde ons de onmisbare documenten ter hand.
Het was warm, zelfs drukkend weer; ik had de beide vorige nachten geen oog toegedaan en was nu eindelijk, ten gevolge van de hitte, in den dut geraakt, toen ik mij opeens bij den arm voelde trekken en mij een barsch: "Komaan, Mijnheer! gij moet er uit!" hoorde toeduwen. Versuft en halfdronken van den slaap stond ik op en stapte uit den wagen, zonder het minste besef te hebben van hetgeen men verlangde. Het was een nieuw bezoek van de Douane, die nu het rijtuig doorsnuffelde, alles betastte en bevoelde en geen werkmandje of breizak ondoorzocht liet, de passagiers middelerwijl op den grooten weg latende staan, ten prooi aan de zon en de bedelaars. Na dit lastige bezoek werd het overige gedeelte van dien dag en van den daaropvolgenden nacht door niets opmerkenswaardig gekenmerkt en men zal mij gaarne ontslaan van te spreken over het eentonige landschap, of over de leelijke vuile steden, welke wij doortrokken. Het was ongeveer zes uren in den morgen, toen wij de voorstad bereikten van Parijs, dat, wanneer men van die zijde binnenrijdt, niets bekoorlijks of treffends heeft en de grootsche verwachtingen, welke men gevormd mocht hebben, geheel onbevredigd laat. Een uur later waren wij op het binnenplein der Messageries.
Nu was ik te Parijs, maar dat belette niet, dat ik mijn toestand alleronaangenaamst vond. Daar stond ik, vermoeid, versufd, versoezeld, bestoven, omringd van al de drukte, welke op dat morgenuur aan de Messageries heerscht, en verplicht om aan honderd dingen te denken, nu ik zoo gaarne aan niets gedacht zou hebben. Met veel moeite zocht ik uit de ontladen bagage mijn eigen goed bijeen, maar nauwelijks had ik het ter zijde gezet of er kwam eene nieuwe diligence met geweld binnenrijden en noodzaakte mij mijn koffer, wilde ik dien niet verpletterd zien, van plaats te doen veranderen; en pas had ik dit gedaan, of een derde wagen kwam en wierp zijn vracht af en zoo ging het voort, terwijl er geen middel was om weg te komen. Het was acht uren eer ik mij zelf en mijn eigendom in een fiacre gepakt en op weg was naar de Rue Racine, waar mijn vriend Marmier mij een paar allerliefste kamers had besproken. Waarom ik aldaar, in het quartier latin en niet in de nabijheid der drukke Boulevards een verblijf had verlangd, zal ik hier niet ontvouwen, daar het mijn verhaal nutteloos rekken zou en den lezers tamelijk onverschillig zal zijn.
Na mij in het bad en met een goed ontbijt verkwikt, mijn bagage ontpakt en naar huis geschreven te hebben, ging ik uit, bezocht den Luxembourg en de Tuileries, legde eenige bezoeken af, rustte in den schouwburg uit en wandelde tegen middernacht huiswaarts. Dat ik, na in drie nachten niet uit mijne kleeren geweest te zijn en slapeloos doorgebracht te hebben, naar een goed bed verlangde, zal wel niemand verwonderen, maar ach! die zoete rust zou mij zoo spoedig niet geschonken worden en ik had eerst nog te ondervinden, welke teleurstelling hem wacht, die niet met de Parijsche gewoonten bekend is.
Aan de deur van mijn hotel gekomen, schelde ik aan; maar hoewel ik zulks twee, drie reizen herhaalde, nog zag ik niemand komen. Verbaasd, bekommerd en verlegen, gelijk wijlen Patroclus [83] zag ik reeds met schrik het vooruitzicht te gemoet, om, deed men mij niet open, den nacht op straat door te brengen en het corps de garde tot eenig toevluchtsoord te hebben, toen ik, de handen tegen de deur slaande, bemerkte dat deze, misschien reeds sinds een geruimen tijd, door een onzichtbare hand geopend was. Toen herinnerde ik mij aan hetgeen ik wel gelezen had nopens zeker koord, door middel waarvan de portier zonder zijn loge te verlaten, de deur weet te ontsluiten. Ik trad binnen, liep naar achteren, maar.... vond niemand. Ik riep, schreeuwde, vloekte:--geen antwoord. Eindelijk kwam madame la concierge uit haar slaapvertrek voor den dag, bromde eenige onverstaanbare woorden tegen mij, waaruit ik alleen begreep dat ik vroeger had moeten thuiskomen. Terwijl ik van mijn kant te kennen gaf, dat ik volstrekt niet beloven kon, in 't vervolg beter op mijn tijd of liever op haar tijd te zullen passen, ging plotseling de gaslamp uit, die de trap verlichtte, en slechts (gelijk ik later begreep) tot 12 uren branden mocht. Wij stonden in volkomen duisternis; de portierster verliet mij en snelde naar boven. Ik volgde op den tast, onwetend waar mij heen te wenden en zonder besef, hoe dit eindigen zoude. Terwijl ik mij aldus op een der portalen bevond en de koude nachtlucht mij, die mooi bezweet was, door een open venster tegenwoei en mij het vooruitzicht op eene duchtige verkoudheid schonk, ging er, vlak bij mij, eene deur open, en uit een kamer, welke ik meende de mijne te zijn, kwam een hoofd met een slaapmuts en een bloote arm met eene kaars voor den dag.
"Wilt gij uw licht aansteken, Mijnheer?"
"Pardon, Mijnheer! ik wacht op mijne kaars en mijn sleutel: men zal ze mij zeker dadelijk brengen."
"Ah zoo!" zeide de Heer: weg ging zijn hoofd; de deur ging dicht en ik stond weer in 't donker.
Toen hoorde ik boven aan de trap zware rusie.
"Dat is hier niet pluis," dacht ik, "hoe zal dat afloopen?" Eindelijk kwam de knecht beneden met licht. Ik begreep de zaak als een grap te moeten beschouwen en voegde hem lachend toe:
"Welnu, Dominique! is het te Parijs de gewoonte de menschen op het portaal te laten verkleumen, voordat men ze veroorlooft naar bed te gaan?"
"Och, Mijnheer!" antwoordde hij: "het is niet om mee te lachen; de onnoozele portierster wist niet dat gij hier overnachten zoudt en heeft een anderen heer op uwe kamer gebracht."
Het was werkelijk de deur van mijne kamer, waar ik voor stond en waar die vreemde Heer zijn neus had uitgestoken. Wij gingen binnen en hij moest vertrekken.
"Hij vermoedde reeds iets," zeide hij, terwijl hij zich aankleedde. Nu dat was geen wonder, want mijn goed lag uitgepakt en op tafels en stoelen verspreid.
Den volgenden morgen kwam de juffrouw van den huize mij hare verontschuldigingen aanbieden.
DE OMROEPER.
Oudtijds, en voor het bestaan der nieuwsbladen, was de omroeper zeker een der onontbeerlijkste stadsbeambten, en zijne verschijning op 's heeren straten bracht bij het publiek geen minderen indruk te weeg, dan die van den befaamden Jan Claaszen of den liedjeszanger met het nieuw beschilderd bord, ja, de klank, dien hij deed hooren, lokte meer nieuwsgierigen dan de muziek van den wandelenden orgelman. O! het was schoon, hem te zien, zooals hij, in zijn deftig gewaad, waar het stadswapen op prijkte, met het koperen bekken achteloos aan den linkerarm gehangen, het bekken, dat door vorm en glans den beroemden helm van Mambruno in het geheugen terug riep, en met den metalen stok, hem meerder waard dan een veldheersstaf, in de rechterhand, de straten afliep, altijd vergezeld van een bont en talrijk gevolg, dat wel is waar, niet door achtbaarheid en kleederpracht uitblonk, maar welks gewone straatjongensbaldadigheid verdween en zich oploste in eerbied en bewondering voor den achtbaren man, wiens voetstappen het drukte. Op elken kruisweg, bij elke sluis of dwarsgracht, stond het gewichtige personage stil; hij liet den ernsthaftigen blik om zich heen weiden, langzaam hief hij het koperen armschild op, en het metaal, op het metaal herklinkende, verkondigde zijne tegenwoordigheid en riep de aandacht der vrome burgers in op de woorden, die hij spreken zoude.
Dan stroomde van alle zijden de goede gemeente toe, en zelfs de bewoners der naastbijstaande huizen vergaten hun beroep en bedrijf, om te hooren wat er gaande was. De kuiper, die zijn winkel in de nabuurschap had, nam de pijp uit den mond en bleef met opgeheven hamer staan; de rijknecht, die het paard naar de smidse had gebracht, en de smid, die het beslaan zoude, traden toe op dat geluid, zonder zich te bekreunen over de ongemakkelijke houding, waarin de arme viervoet hun terugkomst stond af te wachten; de winkelierster, die achter de toonbank bezig was een lood snuif af te wegen, en de oude keukenmeid, die voor de toonbank in haar knipje frommelde om het vereischte getal duiten te zoeken, braken, als bij wederzijdsch akkoord, haar handel voor een oogenblik af en bleven met uitgerekten hals staan luisteren:--de sleeper, die voor het wijnhuis aan den hoek zijn halfje kocht, toefde met den roemer aan de lippen te brengen, uit vrees dat het klokken van den jenever hem een woord zou doen missen;--overal, uit voor- en pothuizen, uit kelder- en zoldervensters kwamen hoofden en aangezichten te voorschijn; terwijl in diepe stilte en gespannen verwachting, elk de ooren spitste om de orakeltaal des gewichtigen mans te vernemen.
Eindelijk, wanneer deze den kring, waarvan hij het middelpunt vormde, genoegzaam zag aangegroeid, opende hij den mond: en met een langzame, slepende, eentonige, maar toch luide en verstaanbare stem, ontvouwde hij het doel zijner zending.
Soms was het een publicatie der achtbare Magistraat;--en dan, helaas! was het niet zelden bedroevend om te aanschouwen, hoe de meesten der toehoorders, die het toeval hier verzameld had, het hoofd weer omwendden, hun bedrijf en bezigheden hervatteden, en even weinig oplettendheid aan het gesprokene schonken, als de hedendaagsche dagbladlezers toewijden aan de eerste kolom der officieele couranten.
Soms was het de aankondiging eener te houdene verkooping, een oproeping van werkvolk, een bericht, den handel, de zeevaart, de visscherij, de nijverheid betreffende:--en, ofschoon dan de massa meer belangstelling toonde, teleurstelling of onverschilligheid waren op menig gelaat te lezen.
Maar, wanneer de aanhef luidde: er is verloren! en wanneer het slot: al wie dezelve terug brengt bij den stads-omroeper, wonende enz., met de belofte eener ruime belooning sloot, dan was en bleef de aandacht gespannen, dan ging men vergenoegd uit elkander, dan vertelde men rond wat men gehoord had: en menigeen streelde zich reeds met de gedachte, dat het ook hem zoude kunnen gebeuren, de gelukkige vinder te zijn.
Soms ook wekte de eenvoudige voordracht des omroepers meer levendige aandoeningen in de gemoederen der omstanders op: wanneer hij sprak van vermiste kinderen, door bedroefde ouders vergeefs gezocht: van uit het water opgehaalde lijken, waaromtrent men naricht verlangde; van jongelingen of jonge dochters, die het ouderlijk huis heimelijk verlaten hadden: van voortvluchtige boosdoeners of deserteurs, wier signalement hij opgaf: in 't kort, wanneer het een dier onderwerpen gold, geschikt om de nieuwsgierigheid te prikkelen, tot gissingen aanleiding te geven en voor veertien dagen lang stof te verschaffen aan de babbelarijen en commentariën der buurwijven.
En, wanneer nu de redenaar zijn mededeeling had ten einde gebracht, dan, zonder zich te bekommeren over den indruk, dien zij had achtergelaten, liet hij den linkerarm zakken, stapte met groote schreden dwars door den terugwijkenden en zich verspreidenden volkshoop heen, en begaf zich, van een nieuwen zwerm omstuwd, weder verder, om op een volgenden viersprong zijn litanie te herhalen.
Die aankondigingen, op last des Bestuurs, der Admiraliteiten, der Compagniên, der Gilden enz. gedaan, die bestendige berichten van bijzondere personen, welke hij te vermelden had, leverden aan den omroeper een ruim en deftig bestaan op: en meer dan een onder de beambten, die sedert eeuwen het woord op pleinen en straten voerden, vond zich bij zijn dood in staat een aanzienlijk kapitaal aan zijn erven na te laten. Maar wat is op aarde bestendig? De invallen der Barbaren hebben den Romeinschen adelaar de wieken geknot, en de nieuwerwetsche beschaving heeft den luister van het bekken des omroepers doen tanen. De drukpers, die door het verspreiden van liedeboekjes en zedespreuken, den minnezanger en spreukspreker deed zwijgen, die, door het vermenigvuldigen van caricaturen en kleine journalen, den hofnar deed verdwijnen, de drukpers met haar duizend stemmen heeft den met slechts éénen mond voorzienen omroeper overschreeuwd. Welk nut zoude het in hebben, hem op alle hoeken kennisgevingen en aankondigingen te doen uitkraaien, welke, op gebouwen en wachthuisjes aangeplakt, dank zij de hoogte van het hedendaagsche onderwijs, door den minsten ambachtsman kunnen gelezen worden? Wie zoude hem voortaan belasten met het vermelden van geleden verliezen, die hij slechts ter kennisse van enkelen brengen kan, nu talrijke en overal verspreide nieuwsbladen de gelegenheid verschaffen, die aan duizenden gelijktijdig te berichten?
Schaars wordt dan ook meer het ministerie des eenmaal zoo onmisbaren mans ingeroepen: zelden meer lokt het helklinkend geklep van zijn staf de nieuwsgierigen aan het venster: en de menigte ziet hem met onverschilligheid aan, wanneer hij nog enkele malen, van zijn vroegeren luister beroofd, en zonder gevolg, zich aan haar vertoont als een verschijnsel uit den verledenen tijd, als een herinnering aan die vroegere dagen, toen de kappers met pruikedoozen op den rug liepen, en de slagersknechts driekante hoeden droegen.
HET WAFELMEISJE.
Wie kent het wafelmeisje niet, het nette, het zindelijke, het minzame wafelmeisje, met haar Frieschen kap, haar zilveren oorijzer, haar glanzend jakje, haar helder boezelaar, haar groene muiltjes en het bord in haar hand, waarover een blank servet is gespreid, dat de
Wafels diep gheruyt, Wel ghesuyckert, wel ghecruyt, Wel met boter overdroopt,
tegen den invloed der lucht en de snoepzucht der vliegen beveiligt?--Als de ooievaar of, wilt gij 't liever, als de zwaluw, die in het voorjaar terug komt en ons tot een voorbode strekt der lentevreugd, zoo ook keert het wafelmeisje jaarlijks in hetzelfde seizoen, op dezelfde plaats terug om er haar woning te bouwen en aan een ieder te verkondigen, dat de kermis-vermakelijkheden een aanvang hebben genomen. Alles op deze wereld is voor verandering en veroudering vatbaar; maar, wat ook de tijd doe wisselen of vervallen, of te niet gaan, naar het wafelmeisje heeft hij zijn hand nooit uitgestrekt: nimmer heeft hij de leliën op hare wangen doen verwelken, noch rimpels op haar glinsterend voorhoofd doen rijzen, noch de luchtigheid van haren tred veranderd, noch haar vlekkelooze kleeding bezoedeld. Met iederen jaarkring treedt zij even vroolijk en bevallig weer te voorschijn, blozend als de bloemen op het veld, maar niet vatbaar, gelijk deze, om te verwelken. Al wat op kermis en jaarmarkt onze aandacht trekt, wordt afgesleten, verouderd, vernieuwd of vervangen; de Saqui's, de Opré's, de Baptistes, de Martins, en zoo veel meerderen, zijn afgetreden en hebben voor anderen plaats gemaakt; maar het wafelmeisje blijft, altijd jeugdig, altijd hare gaven ronddeelende, onveranderlijk en onvergankelijk als het noodlot.
En niet zij alleen, maar al wat zich om en nevens haar beweegt en bevindt in de tent, waar binnen haar zwervend bedrijf wordt uitgeoefend, is even onwankelbaar, even onsterfelijk als zij zelve. Ondervraagt slechts uw geheugen, kermisbezoekers! Heeft niet die wafelkraam altijd uit dezelfde planken bestaan, van buiten grijs, van binnen kanariegeel geschilderd? Treedt gij den houten vloer op, gij ziet tegenover u de, u sinds jaren bekende, glad gewreven commode of chiffonnière, rechts en links geflankeerd door een prent in gele lijst, de ramp van Leiden, den watervloed, de historie van den verloren zoon of die der schoone Genoveva voorstellende: op de commode herkent gij de witte kopjes met gouden randen en den ruiker van papieren bloemen: daarvoor, de stoelen met matten zittingen; in den hoek, het sijsje in zijn kooi; rechts, het eikenhouten beschot, van twee boogsgewijze ingerichte toegangen voorzien, op de Oostersche manier met gordijnen afgesloten en tot twee kamertjes geleidende, als de roef eener trekschuit geheel ingenomen door een smalle tafel en een rondloopende bank. Links, door toonbank en fornuis van de straat gescheiden, zit de bakster bij het vuur, de bakster, die er altijd gezeten heeft en nooit hare plaats verlaat: en nevens haar, het wafelmeisje. Wanneer ik zeg, het wafelmeisje, dan meen ik: de drie wafelmeisjes; want, even als er drie Gratiën, drie Parken, drie Furiën, drie Cyklopen zijn, zoo zijn er ook altijd drie wafelmeisjes, die de voorschreven bakster moeder noemen. Wat een vader betreft, dien ziet men niet en die is er waarschijnlijk nooit geweest: en hoe de baksters het aanleggen, om juist altijd drie dochters, nooit meer noch minder te hebben, zal wel altijd een raadsel blijven. Bewijs genoeg, dat zij en haar maagden en haar kraam, alles, als de Myrmidonen van ouds, gelijktijdig zijn ontstaan.
Van de drie wafelmeisjes zal ik er slechts ééne beschrijven; want, wie er eene ziet, heeft ze allen gezien: en de bloemen des velds en de wafelen, die zij rondbrengen, kunnen onderling niet meer gelijkenis hebben dan zij.
Het wafelmeisje is welgevormd van leden, regelmatig van gestalte, schoon eenigszins overhellende tot gezetheid, en haar bewegingen hebben een bevalligen zwier; haar vel is blank en doorschijnend; malsch als zijde, maar niet zeer veerkrachtig; haar lichtblauwe oogen hebben een kalme, zachtzinnige uitdrukking, die getuigt, dat in het hartje, 't welk achter dien donzigen boezem klopt, geene driften noch stormen gewoed hebben. Van het haar zal ik niet spreken; want daar het bestendig onder den nijdigen kap verborgen blijft, kan men alleen bij gissingen besluiten, of het zwart dan blond van kleur is. Uit de donkere tint der wenkbrauwen zoude ik het eerste opmaken; maar ik onderwerp mij gaarne aan de beslissing van al wie beter onderricht is.
Het karakter van het wafelmeisje is geheel lijdelijk; zij gehoorzaamt aan de bevelen en wenken der bakster, en brengt de wafelen naar de plaats van haar bestemming: zij dekt de tafeltjes in de vertrekjes, zij bedient de bezoekers, en wanneer zij niets te bezorgen of niemand te bedienen heeft, dan gaat zij zitten voor de meergenoemde chiffonnière, dus vlak over den ingang. Maar gaande of staande, loopende of rustende, bezig of ledig, nooit raakt haar gelaat uit zijn plooi, en niets is in staat de rustige kalmte van haar gemoed een oogenblik te verstoren. Zij hoort met denzelfden glimlach de bestellingen der gasten, de zoutelooze kwinkslagen der jolige dienstmeiden, de ruwe scheldwoorden des dronkaards, de suikerzoete vleierijen van den ouden vrijer en de meer duidelijke voorstellen des opgewassen schoolknaaps aan. Met denzelfden onverschilligen blik ziet zij de liefkozingen van een vrijend paar, en den strijd van twee pakkendragers om een nieuwe Helena. Nog meer! Een dartele jongeling, niet te vreden, van haar zijn liefdebrand met woorden te hebben geschilderd, zal, om aan zijn betuigingen meerdere kracht bij te zetten, haar poezel handje vatten; zij zal het niet terugtrekken; maar ook den handdruk niet beantwoorden; de vermetele zal zich nog meer verstouten; haar mond, haar wangen met gloeiende kussen bedekken; zij zal hem stil laten begaan; maar op eens bespeurt hij met verbazing en teleurstelling, hoe weinig hij haar zinnen of zelfs haar aandacht boeide, en hoe zij, hem als een schim ontweken, bezig is een glaasje anijs over te reiken aan een naaistertje, dat met een kantoorknecht in een der vertrekjes een tweede dozijn wafels zit te verorberen.