Vertellingen van vroeger en later tijd
Chapter 3
Het répertoire van La Haye bood weinig verscheidenheid aan. Behalve de gewone huislijke oneenigheden tusschen Jan Claeszen en zijne wederhelft, daaruit voornamelijk ontstaande, dat hij, volgens haar beweren, naar anisette, en zij naar klare jenever met suiker rook, en de minnarijen van den schoonen Lujander met de bekoorlijke wederhelft van den Ouden Heer, een lief schepseltje van "zeuventien d'half jaren en zeuven maanden", hadden wij altijd de vermakelijke vertooning van Jan Claeszen, die in zijn slaap gestoord wordt door de kapelletjes, die zich op zijn neus zetten, en welke hij, wakker geworden zijnde, onder 't geroep van "witje, witje! hoog, hoog! witje, witje! laag, laag!" vervolgde, zonder ze ooit te kunnen krijgen. Doch de scène, die ons de meeste pret verschafte, was die, waarin Jan Claeszen, in de bakkerij geslopen, den oven bestal, en zijn roof--onder zijne handen in ulevelletjes en chocolaadjes herschapen--met volle armen over ons uitstrooide. Dan kwam de bakker, met zijne gebloemde japon en de slaapmuts op 't hoofd, vond zijn oven ledig, en zocht den dief, die altijd achter het linksche gordijntje wegschool, wanneer de bakker achter het rechtsche keek en omgekeerd. Dan riepen wij den bakker toe, waar hij zoeken moest; doch de man kwam gedurig te laat; totdat Jan Claeszen, meer en meer vermetel, zich verstoutte hem op allerlei wijze te foppen, door hem achterna te volgen, bij de muts, bij het staartje in zijn nek te trekken, dit laatste in brand te steken, enz. en zich dan spoedig weer weg te maken. Eindelijk kreeg de bakker hem: zij raakten handgemeen en het slot was, dat, tot ons groot vermaak, de bestolene in zijn oven verbrand word. Ik weet niet, hoe 't mijnen speelmakkers gegaan is, noch of zij later, bij het zien van een honderdtal melodrama's, waarin altijd de deugd triomfeerde en de misdaad gestraft werd, bij de ontknooping even koel zijn gebleven als ik doorgaans was; maar dit weet ik, dat, bij die van het drama in de ronzebons, wij allen de zegepraal der misdaad, die dansende en zingende wegtrok, met schaterend gejuich en handgeklap aanschouwden.--'t Is waar; de ulevellen en chocolaadjes hadden ons tot medeplichtigen gemaakt.
De eenige afwisseling, welke ik mij herinner, dat de voorstellingen van La Haye opleverden, was deze, dat hij als tusschenspel--intermède choregraphique zou men het thans noemen--twee mooren, nu eens met bekkens, en eene andere reis met waskaarsen, liet dansen. Tot schande voor mijn goeden smaak moet ik zeggen, dat mij die dans altijd verveelde. Reeds toen--en het is mij later bijgebleven--moest ik de menschelijke stem hooren of eene dramatische actie zien; maar al wat bloot vertooning was en wat lang duurde, heeft mij nimmer kunnen behagen: en ik herinner mij, bij den dans van Taglioni gegaapt te hebben en in den dut te zijn gevallen bij het fraaiste carrouselrijden in 't paardenspel; terwijl ik, wat balletten betreft, nog altijd het meeste vermaak schep in eene Harlekinade.
Verder geloove men niet, dat een uit het publiek, 't welk de vertooningen van La Haye bijwoonde, naar de opvoering van iets nieuws verlangde. Neen, met hetzelfde genot, waarmede thans een dilettant voor de honderdste maal de Norma, de Barbier of de Freischutz ziet opvoeren, naarmate hij een voorstander is van Bellini, Rossini of Weber, zagen wij telkenreize het tooneel, waarin Jan Claeszen zich doof houdt tegenover den huisheer, en Katrijn dezen met stokslagen betaalt; en dat andere, waarin de acteurs een voor een in de kist worden gestopt, met hernieuwd vermaak terug: ja wij waren geheel niet tevreden, indien er in het gewoon programma eenige verandering plaats had.
Over de verdiensten van La Haye als directeur van den dans, zal ik kort zijn: zij waren ongetwijfeld vele; doch ik was toen nog te weinig ingewijd in de geheimenissen der Choregraphie om ze naar waarde te schatten: dit alleen geloof ik te kunnen aannemen, dat zij niet gelijk stonden met zijne verdiensten als theater-directeur. Nu--het is niet iedereen gegeven in alle vakken uit te blinken, en hoezeer le devin de village eene lieve operette zij, was Rousseau ongetwijfeld grooter als prozaschrijver dan als componist.
Nu een woord over Beekman. Deze was een Amsterdammer pur sang en sprak, dacht, liep en zag er ook uit als een Amsterdammer. Zijne donkerbruine kleeding, eenvoudig en net, en zijn hoofd, met eene bruine, rechthoekige naturel versierd, alles duidde in hem den man aan zonder pretentie. Als violist en dansdirecteur stond hij wellicht op dezelfde hoogte als La Haye; doch gelijk deze door zijn ronzebons, was gene groot door zijne Chineesche schimmen, welke hij, met behulp van zijn zoon, een bleeken jongeling, met een grijs en blauw gestreept vest, vertoonde. De tooneelstukken, welke hij te voorschijn bracht, waren talrijk en classiek: althans vertrouw ik dat gij, mijn waarde lezer! voor zooverre gij in de literatuur van het théâtre des Séraphins geen vreemdeling zijt, ze alle kent. Hij gaf ons de voorstelling van het woud met de wilde dieren, den jager, die ze vervolgt, den struikroover, die den armen reiziger om hals brengt en berooft, maar later zelf door den levenden Nikker wordt weggevoerd: die van den buitensingel, met den visscher, die in zijn totebel talrijke stroombewoners vangt: die van de straat, in welke de wandelaars met parapluies uitgaan, waar de wind in vat, zoodat zij met hunne eigenaars de lucht ingaan: die van het hol, waar de toovenaar allerlei veelsoortige verschijningen oproept: die van het huis met de duiventil, waar twee stoute kinderen, ondanks alle verbod, zich op wagen, en die onder hunne zwaarte wegbreekt en met hen instort: die van de gebroken brug met de eendjes, enz. enz. Maar de drama's, die ons 't meest plachten te behagen, waren de twee volgende: het eene, dat, waarin twee huisbrekers bij nacht een huis leeg stelen en het vervolgens in brand steken; terwijl de oude podagrist met zijne huishoudster, die het bewonen, niet dan met moeite ontkomen;--het andere, dat van de kat, die den schapebout steelt; terwijl Mietje, die er op passen moest, met haar buurknaap is loopen spelen; hetgeen haar dan ook eene welverdiende kastijding van hare moeder bezorgt.
Habent sua fata libelli, zegt de Latijnsche dichter; wat zooveel zeggen wil: "'t loopt al raar met de reputatie van een werk":--de waarheid dezer spreuk vinden wij opnieuw bevestigd door de merkwaardige omstandigheid, dat treffelijke tooneelstukken als de hierboven genoemde, reeds sedert een paar eeuwen in alle hoofdsteden niet alleen, maar zelfs in kleine dorpen, waar het slechts kermis was, eene welverdiende vermaardheid hebben bekomen, zonder dat iemand in staat zij den naam des genialen schrijvers te noemen, aan wien wij ze te danken hebben.--'t Is waar, dat, van een anderen kant er vele beroemde schrijvers gevonden worden, wier namen overal bekend zijn, doch wier voortbrengselen niemand leest.
De Chineesche schimmen werden bestendig achtervolgd door een Chineesch vuurwerk, dat zeer fraai was; doch dat mij, om eene hierboven reeds aangehaalde reden, veel minder vermaakte dan de vertooningen.
Groot waren La Haye en Beekman!--doch ze stonden in evenredigheid tot Laurens gelijk Le Brun en Cambaceres tot hun medeconsul Buonaparte. Zoo ik van de beide eerstgenoemde theaterdirecteurs de voornamen niet heb kunnen opsporen, ten opzichte van Laurens is het mij niet gelukt met zijn geslachtsnaam bekend te worden. Naar alle waarschijnlijkheid heeft hij er ook geen bezeten en zal hij alleen bij dien zijns vaders zijn bekend geweest, gelijk Mozes, Cyrus, Socrates. Alexander de Groote, en--met wien ik hem in de eerste plaats had moeten vergelijken--Orpheus.--Met dezen toch had hij nog andere punten van overeenkomst. Orpheus bespeelde een antieke, Laurens eene moderne lier: Orpheus trok alle menschen en dieren, Laurens alle kinderen tot zich. Orpheus was het grootst, toen hij in het rijk der schimmen zulk een beweging maakte; Laurens behaalde ook daarmede zijn voornaamsten roem: ja zelfs overtrof hij Orpheus in dit opzicht; want de schimmen, welke hij in beweging bracht, had hij zelf doen ontstaan.
Evenmin als Vondel had Laurens te Amsterdam het eerste levenslicht aanschouwd; evenals gene was hij in een Bisdom geboren, Vondel in dat van Keulen, Laurens in dat van Luik. Evenals Vondel bracht Laurens zijne mannelijke levensjaren door te Amsterdam en verwierf er zijn roem. Eindelijk besteedde Laurens, evenals Vondel, den tijd, dien hij niet aan de schoone kunsten wijdde, met de uitoefening van een beroep: en had Vondel een kousenwinkel in de Warmoesstraat, Laurens had een parapluiewinkel in de Wijde Heisteeg--die, in 't voorbijgaan gezegd, zoo nauw is, dat men haar maar van ééne zijde mag inrijden.
Nimmer is de verschijning van een Romeinschen veldheer, als hij zijne zegepraal te Rome vieren zou, nimmer die van een geliefd vorst in eene zijner goede steden, nimmer die van een lang verwachten keizerlijken erfgenaam in dit tranendal, nimmer die van een gemaskerde studentenstoet op een academiefeest met meer ongeduld te gemoet gezien en met hartelijker gejuich verwelkomd, dan die van Laurens op eene kinderpartij. "Daar is Laurens! daar is Laurens! goeden avond, Laurens!" riep dan uit éénen mond de jubelende schaar, die al huppelende om hem heendrong, tegen hem opsprong, en hem in de overmaat der vreugd schier belette verder voort te treden en zich te ontdoen van zijne dubbele vracht.
Ik zeg, zijne dubbele vracht; want, zonden La Haye en Beekman hun theater vooruit, Laurens--en hier blijkt wederom hoe ware grootheid steeds met nederigheid gepaard gaat--droeg het zijne op den rug; terwijl hij nog bovendien van voren met zijn lierekast was bezwaard.
Eindelijk was het niet, zonder moeite den grooten man gelukt de kist, waarin zijn tooverlantaren en de daarbij behoorende glazen besloten waren, neder te zetten en zich een weg te banen tot aan de vrouw des huizes. Bevallig en deftig tevens was daarbij zijne houding, en in overeenstemming met zijn kostuum. Had La Haye in zijn voorkomen iets, dat aan den voormaligen Carmagnool herinnerde, was Beekman de type van den Amsterdamschen burgerman, zij, die Laurens zagen, en niet wisten, dat hij een Luikerwaal was, wilden er op zweren, dat hij tot de émigrés behoorde. Zijne kleeding toch was, tot in de kleinste bijzonderheden, ancien régime. Het haar, met een weinig poeder bestrooid, was en aîles de pigeon gekapt en van achteren tot een staartje of zoogenaamd "schorseneeltje" vereenigd, dat, vastgebonden met een blauw zijden lint, in eeuwigdurende beweging was. Hij droeg het habit français, lichtbruin, met breede opslagen en knoopen als drieguldens: tusschen een donkerkleurig vest met breede panden vertoonde zich het hagelwitte linnen, van een geplooiden jabot en manchetten voorzien: op de korte zwarte broek hing een breede stalen horlogeketting: en de bruine floretten kousen staken in lage schoenen met breede spinsbekken gespen. Dat hij bij dit alles, wanneer hij over straat ging, een grooten punthoed droeg en een stok met een zwaren knop, behoef ik nauwelijks te vermelden.
Maar dan zijn gelaat! Zeker had de uitdrukking daarvan iets, dat aan allen vertrouwen, en aan de kinderen bovendien hartelijke genegenheid inboezemde, met eerbied gepaard: tot bewijs van dit laatste behoef ik slechts aan te voeren, dat ik ook den ondeugendste onder hen zich nimmer heb zien verstouten in zijne tegenwoordigheid eenige onbetamelijkheid te bedrijven. 't Is waar--mij is verteld dat eens een kleine bengel de ongehoorde vermetelheid zou hebben gehad, hem aan zijn staartje te trekken. Ik kan het feit niet gelooven;--doch zoo 't werkelijk heeft plaats gehad, dan moet ik het er voor houden, dat de knaap, die 't bedreef, zich vooraf was te buiten gegaan aan eenig glas wijn of punch, dat voor de groote menschen bestemd was:--of, indien zoodanige jeugdige booswicht zich werkelijk aan het feit heeft schuldig gemaakt, zonder iets anders gebruikt te hebben dan slappe thee of orgeade, dan verkondigt zulks bij den schuldige op zijnen leeftijd òf eene vroege verdorvenheid, òf een vroegen overmoed, en is hij op mannelijken leeftijd òf aan de galg òf aan een ministerie geraakt.
Dan ik wil mij in geene gissingen omtrent zulke droevige uitkomsten verdiepen, waardoor ik het genoegen zou bederven, 't welk gij, lieve lezeres! ongetwijfeld smaken zult in het lezen, gelijk ik in het opstellen der beschrijving van een dier aangename avonden, zooals Laurens ze ons wist te schenken. Zie! de pret gaat beginnen. Laurens draait aan zijne lier: rijing, rijing, rijingerijingerijing, vat aan iedere hand een klein ventje of meisje, en een groote rondedans vangt aan. Na den eersten toer volbracht te hebben, staat hij stil, en allen met hem.
"Een been," roept hij, steekt het zijne vooruit, en allen volgen zijn voorbeeld.
Na de tweede roept hij: "Een been, ander been!" en beide worden achtereenvolgens door hem en door de dansers uitgestoken. Na de derde ronde luidt het: "Een been, ander been, één knie!" en de geheele troep ligt als hij geknield. De "andere knie" komt er na den vierden toer bij: vervolgens op gelijke wijze "een hand--andere hand," en eindelijk, bij de laatste ronde: "allemaal om," bij welken uitroep allen, nu op vier voeten voorover liggende, het hoofd buigen en met den neus op het tapijt liggen, niet anders dan of zij ter audientie waren bij den Keizer van Japan.
Na die ronde, een "patertje", de liefste dans, die ooit is uitgevonden--zeker de oudste en meest nationale bij ons: een dans, die de zoetste herinneringen achterlaat.--Ik ken jongelieden, die in polka en mazurka schitteren, en die toch verre van afkeerig zijn van een patertje, wanneer het eens--zoo geheel onder ons--wordt voorgesteld. Ik ken evenzeer jonge dames, die een afschuw hebben van den Baal-Peors-dienst en daarom ook van geen bal willen weten--welk laatste woord in hare meening van het eerstgenoemde afstamt;--maar die toch zich altijd met genoegen laten vinden om--altijd zoo geheel onder ons--een patertje mee te doen.
Na het patertje, een marsch:--een plechtige, statige marsch, Laurens voorop, al de kinderen achter hem, elkander bij de slippen der jurk of bij de punt van het buisje vasthoudende: de grooten voorop, de kleinsten achteraan. O! die zoo gelukkig was, den grooten Laurens zelven bij de rokspanden te mogen vasthouden. Haal u voor den geest den persoon, die u 't meest benijdenswaardig voorkomt: den gast, die eene eereplaats bekomt aan 's Konings disch, den danser, die uitgenoodigd wordt om met eene Prinses van den bloede den cotillon te dansen: de min, die een Keizerlijk kind mag zogen, den adjudant, die de geboorte van het gezegde kind gaat boodschappen, de prima donna, die hare mededingster hoort uitfluiten--o! het gevoel van eigenwaarde en zelfvoldoening, dat die allen bezielt, kan niet opwegen tegen dat, 't welk de borst doorstroomde van den gelukkige, wien 't onschatbaar voorrecht ten deel viel de rokspanden van Laurens te mogen vasthouden bij 't "hansje sjokken" spelen.
En als dan de deftige marsch lang genoeg geduurd had, gaf doorgaans Laurens het sein tot het eindigen met deze woorden, op Mefistofelistischen toon uitgesproken:
"Nou motte ikke al de meisie soene."
Dan was het een gegil en een gelach en een gegiegauw en geginnegap van al die vijf- tot zevenjarige Dafnees en Atalantes, die de vlucht namen--en de rij was verbroken.
Natuurlijk was deze bedreiging van den eerzamen Laurens niets dan scherts, en dit wisten de nufjes ook zeer goed; want bijna allen hadden die bij vorige gelegenheden meer gehoord: doch zij wisten tevens, dat het tot hare rol behoorde, bij die gelegenheid op de vlucht te gaan, alsof zij wonderwat te vreezen hadden.
Dan stil: het tafellaken wordt tegen den wand gespeld: de tooverlantaarn daar recht tegenover op een tafel gezet en het publiek zet zich neder:--de grooteren op stoelen aan weerszijden in een halven kring: de kleintjes daartusschen in, op stoven: hier en daar eene gouvernante of kindermeisje nevens het voorwerp harer zorg.
Laurens steekt het licht aan in zijne tooverlantaarn: geen gas, geen lamp, geen waskaars zelfs, waarde lezer!--eene loutere vetkaars;--maar ook de vetkaars heeft hare rol in de vertooning.
En nu worden de overige kaarsen uitgesnoten of weggezet (lampen waren toen nog niet in gebruik) en wij zitten in 't stikdonker, de enkele stralen niet medegerekend, die uit de reten en gaatjes der lantaarn ontsnappen.
En nu vangt, op de wijze der antieken, Laurens met een prologus of voorafspraak aan:
"Eeren en Daam! wat wit is is niet swart;--en wat swart is is niet wit. Sie je nix, ik ook nix, hé, hé, hé, Juffrouw! Nou sel je kommen te sien die mooi tooferlantaar, fraai kurieus o so mooi! en as ik spreek mot jylui swyk en as ik sink mot jylui mee sink..." En werkelijk, zoolang hij sprak, was er--op twee of drie uitzonderingen na, waarvan nader--eene stilte, dat men eene speld kon hooren vallen.--Sommigen hebben dit verschijnsel psychologisch willen verklaren en die stilte toegeschreven aan de duisternis, welke in 't vertrek heerschte. De zoodanigen meenen zich tot staving van hunne meening te kunnen beroepen op 't geen plaats heeft, wanneer men met den spoortrein plotseling in eene tunnel komt, en het levendigste gesprek terstond gestaakt wordt. Ik heb zelf dit laatste meermalen ondervonden; doch altijd iets geschoven op de omstandigheid, dat het gedruisch van den trein in eene tunnel vertienvoudigd wordt en alzoo belet, dat de een den ander versta. Wat daarvan zij, zeker is het, dat wij bij de vertooning van Laurens zwegen, niet omdat het duister was, maar uit eerbied voor den man: en ik behoef hier geen ander bewijs voor, dan het feit, dat wij allen trouw meezongen, zoodra hij zijne stem verhief.
De inleidende aanspraak is geëindigd. Laurens draait het dekstuk van den lichtkoker af en daar tegenover verschijnt op het witte linnen de ronde, verlichte schijf, die het tooneel is, waarop zijne gekleurde schimmen zich zullen bewegen.
En nu volgen de vertooningen, door hem telkenreize beschreven in de hierna volgende bewoordingen, waar ik jota noch tittel af of bijdoe:
"Ter ebje nou Mijneer de Son, met zijn kleine neus, zijn kleine mond, sa beauté, sa magnificence. Sieje niet oe 'y zijn ook beweek.--En ier ebje Mefrou de Maan, met aar kleine neus, aar kleine mond.--Ier ebje Adam en Efa in 't Paradijs, naakt en bloot, met zijn b.... bloot.--Ier ebje de slank, die keef de appel aan Efa. Daar neem Efa die appel van de slank: daar keef zij die appel aan Adam. Adam, Adam! pas op, datje strak niet op je bloote b.... krijk--Daar hebje den engel, die jaak Adam en Efa et Paradijs uit. Heruit, je motter uit, je selt er uit, je motter uit. Rtt! se sijn er uit, en Louwtje is er ook uit."
Men bemerkt uit deze laatste woorden, dat Laurens zuiver in de leer was.
"Ier selje nau kom te sien die alkemeene sontvloet. Daar ebje die arke Noë: Daar ebje die beeste, die kaan in de ark twee an twee. Daar ebje twee kanse, twee an twee, daar ebje twee eend: daar ebje ram en skaap: daar ebje twee farke, twee an twee: daar ebje os en koei: mijn kroote kameraten, twee olikante--ik verspreke mij--twee olifante."--N.B. deze verspreking, waarop wij altijd voorbereid waren, veroorzaakte telkenreize dezelfde vroolijkheid.--"Daar ebje Noë en sijn famielje, die drijven die beeste na die ark. Daar ebje die alkemeen sontvloet! daar ebje moeder met kindj'--en kindj' met moeder!--Kijk die kwaai jonk, die leit niet sijn bloote b.... in 't water.--Herr-Rtt! weer op een andere kane bier! Hê, hê, hê, Juffrouw!"
"Ier ebje nou die kroote Turk, die sal een klas wijn drink op die kesontheid van die eer en die daam. Messieurs et Mesdames, j'ai l'honneur de boire à votre santé. Nok eens!--nok eens!--nok eens!--ier ebje die oude frou, die die appele verkoop.--Ok froutje lief! een appeltje assebies."
Hier had regelmatig eene interruptie plaats en riepen wij: "Asje blieft moet je zeggen." Doch Laurens stoorde zich aan onze terechtwijzing zoo weinig als een Minister van 1855 aan een discours van de "kleine partij" in de Kamer, en bleef' al doorpraten:
"Ok froutje lief' een appeltje assebies!--Ier ebje die dans van die erder en erderin:
El e lou maîre E que me marida! Quand sera grande Quand te fera dansa Tiri la. El e lou maîre Quand te fera dansa, etc."
Dit lied nu zongen wij niet mede, omdat wij geen Luikerwaalsch verstonden.
"Ier ebje de geskiedenis van die ferlore soon. Ier ebje die ferlore soon. Ier ebje de ferlore soon, die sijn keld fraak en op reis kaat. Adjés liefe Papa!--adjés liefe soon! pas tok' op datje niet bij de mooie meisie kom.--Ik ben er een kroot liefhebber van, papa!--Tjk, tjk, tjk! daar rijdt ie wek.--Rt! daar issie bij de mooie meisie.--Daar ebje de een, die skenk um een glas wijn in; terwijl karesseer die ander sijn beurs met kelt wek--daar jaak zij um de deur uit, naak en bloot: herruit, je selt er uit, je mot er uit!--daar sit 'y bij de fark, soo bedroef, ja nok slimmer dan Pietje Bedroef, en denk: ak! was ik maar bij mijn koeie ouwe fader kebleef; daar ad ik alle daak vol op.--Daar komt 'y bij sijn fader en fal op sijn knie. Ak liefe papaatj' ik sel 't nooit weêr doen.--Ja soo sek die kwaai jonk, als sy kwaad kedaan eb.--Daar kom die koeie ouwe fader en fal om sijn 'als: Pw, pw, pw! (dit drukt het geluid van kussen uit).--Daar ebje die snijer die bestel is om een nieuw rok te maken: daar ebje die slakter, die 't vette kalf slak om eene koeie maaltijd te maak.... Hrtt! weêr op een andere kanebier."
"En nou sel je sien, 'oe Loutje sijn kaars snuit."
Bij deze woorden nam Laurens den lichtblaker uit de lantaarn, snoot zijne kaars en draaide zijne lichtbuis, die verschoven was, weder goed; bij welke gelegenheid hij, om zijn handen vrij te hebben, den blaker op zijn hoofd zette:--een tusschenspel, 't welk ons altijd ongemeen vermaakte.
En nu volgden, als de kaars weder op hare plaats was, de vertooningen van Jan Claeszen met zijne kindertjes, van de militaire evolutiën der soldaten, van den herder "met sijn soete liefe fogel, en de herderin met aar allerliefste liefe kouw," van de gebroken brug met de eendjes, die in 't water zwemmen, van Mijnheer Augustijn met zijn luchtballon, van Laurens zelf, die zijn tooverlantaarn vertoont, en misschien nog een paar, welke ik alle hier niet vermelden kan, doch die, wanneer eenmaal de biographie, waar de beroemde man recht op heeft, in 't licht zal komen, niet zullen mogen ontbreken. Voor alsnu stelle men zich tevreden met de beschrijving der laatste voorstellingen:
"Ier ebje die istori van Malbroek,--ier ebje Malbroek, die afscheid neem van sijn frou.--Adjés liefe frou! adjés liefe Malbroek, tjk, tjk, tjk! daar rije Malbroek wek."
Algemeen Koor.
Malbrouck s'n va-t-en guerre, Mironton ton ton mirontaine, Malbrouck s'en va-t-en guerre. En guerre il est allé (ter).
Il reviendra s-à Pàgues, Miron ton ton mirontaine. Il reviendra-s-à Pàques Ou à la Trinité (ter).
La Trinité se passe, Miron ton ton mirontaine. La Trinité se passe, Malbrouck ne revient pas (ter).
Madame à sa tour monte, Miron ton ton mirontaine. Madame à sa tour monte, Si haut qu'el' peut monter (ter).
"Ier ebje Mefrouw Malbroek op 'aar toor."
Elle aperçoit son page, Miron ton ton mirontaine. Elle aperçoit son page Tout de noir-s-habillé.
O page, mon beau page. Miron ton ton mirontaine. O page, mon beau page,, Quel nouvels's-apportez? (ter).
"Mefrou! Malbroek is dood--met zijn kleine schorseneeltje."
Dit "kleine schorseneeltje" had betrekking op den Page, die een staartje in den nek droeg, niet ongelijk aan dat van Laurens zelf.