Vertellingen van vroeger en later tijd
Chapter 29
En al die groote mannen, wat waren zij? schier zonder uitzondering zonen van die eeuw, waarin zich de burgers van 't vrijgevochten Vaderland, den weg ter eere wisten te banen. Geen vorst noch koningszoon rust hier; de boekdrukker ligt er naast den geneesheer, de winkelier naast de Stadsregenten, maar die boekdrukker, die geneesheer, die winkelier hebben zich een roem verworven, die menigen vorstenroem verdonkert, en die Regenten zelven, zij mogen met luidklinkende titels van aangekochte of aangeërfde Heerlijkheden pralen, zich met vreemde ridderteekens omhangen of zelfs geslachtslijsten ontrollen, om een ware of vermeende adellijke afkomst te bewijzen, de oorsprong van hun aanzien en gezag ligt alleen in hun poortrecht, als burgers van Amsterdam, dat hun de bevoegdheid gegeven heeft om op te treden als handhavers der vrijheden, als verdedigers der onafhankelijkheid, als bevorderaars van den bloei en de macht der stad hunner inwoning. Dat poortrecht, gevoegd bij de schatten, die zij of hunne vaderen in den handel hebben verworven, bracht hen in de Regeering, die Regeering weder in 't Staatsbestuur en zoo breidde zich hun invloed al verder en verder uit om overwegend te gelden in al de deelen der wereld.
Zoo hebben wij onze beschouwing volbracht en zoo wij ons vleien het bewijs geleverd dat de Nieuwekerk als een type van Amsterdam kan beschouwd worden.
't Is waar, drie malen heeft de Nieuwekerk eene plechtigheid binnen hare muren zien vieren, oogenschijnlijk bestemd om een anderen indruk te verwekken, dan die tot nog toe ontvangen werd.--Drie Koningen zijn er achtereenvolgens gehuldigd met de praal en den luister, onafscheidelijk van dergelijke plechtigheid. Dan zag men boven den opgerichten koningstroon het koningswapen blinken van onder het fluweelen verhemelte: dan zag men de Vertegenwoordigers der Mogendheden van Europa, in de luistervolle kleeding, passende aan hun rang, met breede ordelinten, vlammende sterren en schitterend borduursel overdekt, vereenigd, om getuigen te zijn hoe nu een nieuwe Regeerder op zou treden in de Vorstenrij, dan zag men de hooge Staatsambtenaren, de leden der Wetgevende Vergadering, de Hooge Colleges van Staat, de Staatslichamen, aan wier zorg de belangen van wetenschap en kunst, van handel en nijverheid en wat niet al meer, waren opgedragen, in plechtgewaad opgekomen, dan flonkerde het goud en zilver van de prachtige monteeringen der krijgsoversten en van de zwierige pronklivreien der hoogere en lagere hofbeambten; dan werd het oog verblind bovenal door al dat ruischende satijn, door al die wolken van gaas en zwanendons, door al die festoenen van kostbaar kant en gebloemte, die pluimen en zijde, door al die puikgesteenten en paarlen, waarmede het schoon verhoogd werd dier aanzienlijke vrouwen, met Neerlands nieuwe Koningin aan 't hoofd alhier verschenen, opdat aan den luister der plechtigheid niets ontbreken zou; dan kondigde de stem des Wapenkonings van de trappen des troonzetels den volke aan dat Nederland een nieuwen Koning had verkregen.
Maar wanneer wij, niet tevreden met de beschouwing van de oppervlakte der dingen, tot de zaak zelve doordringen, wanneer wij die plechtigheid op zichzelve nemen, in haar zin en strekking, ontdaan van dien feestelijken tooi, van al wat bloot uiterlijk vertoon en alleen bestemd is om de zinnen te bedwelmen, wat is dan die beteekenis, welke die driewerf herhaalde huldiging met zich bracht? Het gold hier het sluiten van een verbond tusschen den Koning en de Natie, waar wederkeerig eeden van trouw werden gegeven en ontvangen, en hier zweeft ons voor den geest het denkbeeld aan een maatschappelijk verdrag, aan instellingen, verkregen door de toepassing van die begrippen van vrijheid, verdraagzaamheid en verlichting, die in Nederland het eerst gepredikt, voorgestaan, verdedigd en gehandhaafd, allengs ook elders overgeplant en door tijdsverloop ontwikkeld werden. Inderdaad heeft alzoo die plechtigheid der huldiging zoomin iets, dat ons de majesteit van het souverein gezag voor oogen roept, als de straks besproken schenking van het Stadswapen door Graaf Willem IV, of die van de koningskroon boven dat wapen door Maximiliaan, integendeel is zij eene erkentenis, door den Vorst gedaan, dat hij voor en met de Natie regeeren moet, en niet van zijne geboorte alleen, maar ook van haar, zijn recht tot het opperbestuur ontleenen wil: eene hulde dus wederom aan dien geest voor onafhankelijkheid, waarvan Amsterdam aan de Oude Republiek zoo krachtig het voorbeeld had gegeven.
VAN AMSTERDAM NAAR PARIJS.
Van iemand, die voor het eerst van zijn leven Parijs bezocht heeft en daar dan slechts ééne maand heeft doorgebracht, kan men niet verwachten dat hij het publiek op de hoogte zal stellen van den toestand dier wereldstad, van het leven aldaar en van alles wat de belangstelling wekken kan. Het zou vermetel zijn om stoutweg te laken of te prijzen, zonder zelf de overtuiging te bezitten of men wel goed gezien en goed begrepen heeft. Wie een volk naar waarheid beoordeelen wil, moet er jaren onder geleefd hebben en den tijd hebben gehad om de vooroordeelen af te schudden door opvoeding, vooringenomenheid of betrekkingen, bij hem ingeworteld; maar wie, na een verblijf van slechts ééne of enkele maanden, het wagen durft een volk in zijne gebruiken te beoordeelen, kan slechts uiterst oppervlakkig werk leveren.
Om een verslag te geven van mijne ontmoetingen met beroemde en beruchte personen; te vertellen hoe zij mij ontvangen en wat zij met mij gesproken hebben; te schetsen hun aard en wandel en den indruk, dien zij bij mij achtergelaten hebben: men wachte dit niet van mij. Die menschen hebben mij beleefd ontvangen, mij een leunstoel en een kopje thee, ja somwijlen een goed middagmaal aangeboden, zich zelfs, wanneer de aard van het gesprek zulks toeliet, met openhartigheid jegens mij uitgelaten en zou ik nu tot belooning hen daarvoor in druk tentoonstellen? Dit zou ik als een misbruik van goede trouw beschouwen. Wacht alleen mijn wedervaren op mijne reis zonder sieraden of bijontmoetingen en zoo mijn verhaal niets belangrijks bevat, zal het ten minste deze zonderlinge eigenschap bezitten, dat het van het begin tot het einde letterlijke waarheid zal behelzen.
I.
Er zijn menschen, die altijd een uur te vroeg klaar zijn en anderen, die eeuwig den tijd hebben. Beide soorten van wezens maken mij ongeduldig, doch vooral de laatstgenoemden. Ik word knorrig, wanneer ik sommige lieden zie, die, wanneer zij te vijf uren hier of daar ten eten verwacht worden, reeds te halfvier uit hun partijtje loopen en naar huis gaan om zich te kleeden, zonder dat men aan hun toilet iets bespeuren kan, dat zulke zorg vereischte, maar ik spring uit mijn vel, wanneer ik, na tien minuten aan het bureau der diligence doorgebracht te hebben, op het oogenblik dat alles opgepakt is, terwijl de wagenknecht den laatsten lederen riem van het overtrek door den gesp haalt en de conducteur zich gereed maakt om op te stijgen, dezen of genen mijner vrienden aan het eind der gracht, met den bedaardst mogelijken stap, als had hij nog uren den tijd, zie aanwandelen, zonder dat het geroep van: "komaan, Mijnheer! wij moeten voort!" eenige versnellingen in zijne bewegingen kan teweegbrengen. Den wrevel alzoo kennende, welke ik tegen zoodanige lieden voed, zult gij niet verwonderd zijn van te vernemen dat het denkbeeld van zelf te laat te komen, mij het bloed doet koken en dat ik in het bijzonder op den 29sten April klokke vier uren op het punt was een zenuwtoeval te krijgen. Ik had--ik weet niet waarom--eene plaats genomen op den wagen, die te halfvijf van Amsterdam naar Rotterdam vertrekt, en daar stond ik op mijn stoep en wachtte vruchteloos op het rijtuig, dat mij en mijne goederen derwaarts zou voeren. Zeker moet ik aan mijne overburen een kluchtig schouwspel hebben opgeleverd, zooals ik daar stond, omringd van de mijnen, die vergeefsche pogingen deden om mij neder te zetten, en mij zochten te beduiden dat ik nog al den tijd had; troostgronden, die echter met elke minuut al flauwer en flauwer werden. Nu eens vloekte ik op den sleepersbaas en al zijne meiden en knechts, die de bestelling zeker vergeten of verkeerd verstaan zouden hebben en naar wiens stal ik reeds twee mijner knapen achtereenvolgens had heengezonden; dan eens riep ik de meid en verweet, haar, dat zij zeker de boodschap niet goed gedaan had; dan weder beknorde ik mijne goede vrouw, die, zeide ik, zeer wel wist dat de brommersman altijd te laat kwam en hem dus veel vroeger had moeten bestellen, dan wilde ik naar de diligence loopen en zond ik mijn knecht naar den kruier om het goed te halen, dan weder riep ik hem terug, bewerende, dat ik toch te laat zou komen; in 't kort, ik was gedurende dien tijd ondragelijk voor mij zelven en voor anderen.
Maar ik was eenigszins verschoonbaar. Miste ik de diligence, dan miste ik ook de stoomboot te Rotterdam en miste ik de stoomboot dan miste ik den spoortrein van Antwerpen en miste ik den spoortrein, dan miste ik ook de messageries en kwam eenen dag later te Parijs en een dag zegt veel, wanneer men slechts ééne maand verlof heeft en naar Parijs gaat.
Eindelijk echter kwam de zoolang verwachte vigilante en na een afscheid dat nu wel overhaast moest wezen, rolde ik naar de Oude Leliestraat, waar ik gelukkig nog juist intijds kwam om bezit te nemen van mijne plaats in de diligence van Van Koppen, Veldhorst en Co.
II.
O, hoe schoon was het weer en hoe lieflijk waren, op dien 29sten April, de zoomen van den grooten heirweg tusschen Haarlem en Den Haag. Nimmer, neen nimmer was mij Holland zoo bekoorlijk toegeschenen, als nu ik het voor een tijd verlaten ging. Overal stonden de boomgaarden in vollen bloei en waren de velden met de heerlijkste voorjaarsbloemen getooid, terwijl duizenden vogels door het malsche groen fladderden of in den top der boomen den lentezang aanhieven. Maar waarom pogingen aangewend om datgene te beschrijven, wat reeds duizenden malen en nooit naar eisch beschreven is. Genoeg zij het te zeggen, dat ik waarlijk op dit oogenblik berouw gevoelde, die verrukkelijke natuur vaarwel te zeggen, juist nu zij in haar schoonste tijdperk was.
Het was middernacht toen ik te Rotterdam aankwam en reeds een geruimen tijd daarover eer mijne goederen en die mijner reisgenooten op den handwagen geladen waren. Niet één dezer heeren had, gelijk ik, het plan om met de Boot te vertrekken en ik zag dus mijn ongeduld wederom op de proef gesteld en mij genoodzaakt om, alvorens mijne bestemmingsplaats te bereiken, hen een voor een aan hunne huizen of logementen te vergezellen en hun bagage te zien ontladen. Niettegenstaande het daardoor veroorzaakte oponthoud, kwam ik nog intijds aan de Boot, die mij weldra deed denken aan de Edimburgsche diligence, welke niet vertrok, dan nadat men de overtuiging bekomen had, dat er geen passagiers meer te verwachten waren. Er bestond echter een onderscheid tusschen de Edimburgsche diligence en de Rotterdamsche stoomboot; namelijk dat eerstgemelde vruchteloos op meerdere passagiers bleef wachten en dat in laatstgemelde, lang na het uur, voor het vertrek bepaald, nog een aanzienlijk gezelschap aankwam en wel niet meer of minder dan de leden der Fransche Opera in Den Haag. Die brave lieden konden dan ook wel niet vroeger komen, want toen ik Den Haag doortrok, stonden de rijtuigen nog voor den schouwburg en mijne aanstaande reisgenooten, die toch kwalijk in hun tooneelkostuum konden afreizen, waren dus verplicht geweest, zich, eer zij Den Haag verlieten, nog in hunne dagelijksche plunje te steken.
Wie de beschrijving eener stoomboot en van de gemakken, welke zij aanbiedt, wenscht te lezen, kan die aan mijn goeden vriend Hildebrand gaan vragen, die ze in zijn Camera obscura zoo geestig en tevens zoo naar waarheid heeft voorgesteld, dat het dwaas en vermetel zou zijn, eene poging te wagen, om hem te willen verbeteren. Dit alleen mag ik ten opzichte mijner bijzondere ondervinding zeggen, dat weinige dingen zich zoo onaangenaam en aanstootelijk voordoen, als de groote kajuit eener stoomboot bij nacht, het inhebbend gezelschap (zooals sommige couranten zouden zeggen) daaronder begrepen. Men late slechts zijne blikken rondweiden en neme zijne tochtgenooten in oogenschouw, voor zooverre het flauwe schijnsel der lamp, die in de meer en meer toenemende stiklucht gestadig flauwer brandt, zulks veroorlooft. Ieder ziet er even smerig, verveeld, vermoeid en landerig uit. Alle smaak, alle welstand, alle decorum, alle beleefdheid schijnt aan wal te zijn achtergelaten. Wie eerst komt, neemt de beste plaats in. Is het een man, hij strekt zich zoolang hij is op de bank uit en monopoliseert al de kussens, die onder zijn bereik zijn; vergeefsch is het dat men hem verzoekt een gedeelte der ruimte, welke hij beslaat, aan eene eerwaardige matrone of aan eene jonge schoone af te staan; hij heeft allen eerbied voor ouderdom en alle gevoel voor schoonheid verloren en zijn luid gesnork duidt aan dat hij slaapt of althans voor slapende wil doorgaan. Wie niet, gelijk deze innerlijk door het gezelschap vervloekten slaper, zich eene gemakkelijke ligplaats heeft weten te verschaffen, zoekt zich zijn toestand zoo dragelijk te maken als de omstandigheden zulks veroorloven; en al die verschillende houdingen leveren de zonderlingste doch meest alle onbehaaglijke contrasten op. Hier ziet gij een paar (waarschijnlijk jonggetrouwden) bij gebrek aan beter, beurtelings elkanders schouder tot kussen gebruiken; wat verder zitten er twee, die vermoedelijk reeds aan elkanders gezicht gewend zijn, rug tegen rug, en vormen een caricatuur van het wapen van Oostenrijk, (den dubbelen arend); sommigen liggen met het hoofd op de tafel, anderen gebruiken een der kolommetjes, waar het dek op rust, tot steun; enkelen liggen op den vloer uitgestrekt of leunen tegen het beschot. Niet min verschillend zijn de hoofddeksels, bij die gelegenheid gebezigd en men vindt er monsters van alle soorten, van den witten slaapmuts af tot den zijden foulard toe. En dan, tusschen al die slapende of rustende wezens in, zult gij er altijd drie of vier vinden, die nog honger en dorst hebben en nog brood verlangen en wijn, of grog of seltzerwater en die zich vlak bij u neerzetten en eten en drinken en praten en rammelen en u de eenige hoop op slapen, die u nog overschoot, voor goed ontnemen. Vergeten wij ook niet, dat er doorgaans eenige kinderen aan boord zijn die, omdat zij gewoonlijk te acht uren naar bed worden gebracht, het heel aardig vinden, ter dezer gelegenheid op te moeten blijven; kinderen, die gedurig verzekeren dat zij volstrekt geen slaap hebben en weerstand bieden aan al de pogingen van mama, die hun zoo graag beduiden wou dat het slapen in een stoomboot zoo dol plezierig is: die de kajuit tot een renbaan maken en, worden zij eindelijk met geweld op de bank gebracht, geen oogenblik stilzitten, u bij elke beweging, welke zij maken, een duw of een schop geven, en weer opspringen, juist op het tijdstip dat gij iets begint te gevoelen, dat naar sluimering zweemde. [82]
Ziedaar, hetgeen men doorgaans bij nacht in de stoombooten aantreft en wat mij ook op den 30sten April 1841 niet ontbrak. Daar al mijn reisgenooten zich echter den volgenden dag beleefd en vriendelijk jegens mij gedroegen, wil ik geen hunner ten toon stellen, door de plaats aan te wijzen, welke hij of zij in het hierboven opgehangen tafereel bekleedde. Ik zal mij vergenoegen met te zeggen dat ik blijde was toen het daglicht aanbrak en ik mij haastte, op het dek de frissche morgenlucht te gaan inademen. Daar het vrij koud was, zette ik mij tegen de kast van het raderwerk aan, waar ik tegen den wind beschut was, en de warmte genoot, die uit de machine opsteeg. De prima donna, een zachtaardig, vriendelijk vrouwtje, had reeds vóór mij aldaar plaats genomen met haar vierjarig zoontje, terwijl haar echtgenoot verdiept stond in de beschouwing der machinerie en in beraad scheen of hij zijn beroep niet tegen dat van ingenieur zou verwisselen. Niet lang duurde het of de overige leden van het tooneelgezelschap kwamen ook boven: men zag er een eersten Tenor met een geweldigen zwarten baard en een grooten New-foundlander, een Basso met een taankleurig gelaat en een vleermuismantel om het lijf; een Laruette met een zeer deftig voorkomen, een Seconde amoureuse van 50 jaren met haar man en twee dochters, waarvan de eene regelrecht naar Marseille trok om er lauweren in te oogsten en de andere een kind van vijf jaren was. Behalve deze artistis dramatiques bevond zich nog een oude Franschman aan boord, voorzien van een wit pokdalig gezicht, een karpoetsmus, een pluisjas, eene dochter en een witten poedel, welke laatste tegen den New-foundlander dien afkeer, met vrees vermengd, scheen te voeden, welke de middelmatige wezens in 't algemeen tegen de meer verhevene bezielt. Voorts hadden wij nog een Duitscher, die een iegelijk beurt aan beurt noodzaakte de mooie vogeltjes te bewonderen, welke hij in twee kooien op het dek had staan: een gehuwd paar, dat het te druk met elkander had, om zich met de rest van 't gezelschap te bemoeien, en een zeer beschaafden, hoogst wellevenden Vlaming, met wien ik een zeer aangenaam onderhoud had. Er was ('t geen op zoodanig eene reis zeer vreemd is) niet ééne kennis bij, behalve de stoomboot zelve, die ik, ofschoon zij, de oude coquette, haar naam veranderd had en hare jaren wenschte verborgen te houden, weldra voor dezelfde herkende, waarmede ik vroeger meermalen den Rijn was opgevaren. Zij was dan ook op haar ouden dag slecht ter gang geworden, en liet ons al den tijd om de Zeeuwsche stroomen op ons gemak te bewonderen; ja, eens zelfs bleef zij, ofschoon er niets bijzonders te zien was, geheel stil liggen en was niet dan met veel moeite te bewegen om verder te gaan.
Er waren dan ook reeds twaalf uren sedert onze afreis verloopen, eer wij ons op de Schelde bevonden, en wij begonnen reeds te wanhopen om Antwerpen tijdig genoeg te bereiken; in allen gevalle was het duidelijk dat wij, zoo wij van den trein van vier uren gebruik wilden maken dat er dan geen tijd meer zou overschieten om te Antwerpen het middagmaal te gebruiken. De vraag, of wij aan boord zouden eten, werd dus, hoewel niet zonder morren over de traagheid van den voortgang der reis, door de meesten toestemmend beantwoord. Het leed dan ook niet lang, of wij zaten aan den disch, en ik moet zeggen, dat aan de weltoebereide spijzen behoorlijke eer werd aangedaan. Geen der passagiers kweet zich echter zóó dapper van zijne taak als onze New-Foundlander. Wel had onze Tenor, toen de hofmeester hem vroeg, of er niets voor den hond moest klaargemaakt worden, geantwoord dat zulks niet noodig was, en dat hij-zelf hem wel na den eten een schoteltje zou bereiden; maar de schrandere zanger had wel van te voren berekend, hoe hij het trouwe dier buiten zijne kosten zou doen smullen. Van alle zijden vlogen stukken van biefstuks, karbonaden, rundvleesch, ham en worst van de borden der passagiers in den muil van het reusachtige dier, waar zij als in een bodemlooze kolk verzwolgen werden, en toen eindelijk de beloofde hutspot hem door zijn meester werd voorgezet, sloeg hij die binnen met eene uitdrukking van onverschilligheid op het gelaat, welke duidelijk aantoonde, dat hij 't alleen uit beleefdheid deed om den goeden man niet te bedroeven.
Intusschen waren wij op de hoogte van Lillo gekomen en dáár, zeide men, zoude de Belgische douane aan boord komen. "De douaniers terwijl wij aan tafel zitten," riep ik, "dat is een ongeluk"!--"O, dat is niets," zeide de Tenor, "ik ken den Officier der Douanes zeer goed en dat zal wel losloopen" en meteen zag hij rond met een blik, die te kennen gaf dat hij ons allen in zijn hooge bescherming nam. Nu, dat hadden wij ook wel aan hem, althans aan zijn New-Foundlander verdiend.
Nog zaten wij aan het nagerecht toen inderdaad de Luitenant der Douaniers de groote kajuit binnentrad; een man met een zeer beschaafd voorkomen en een zeer bevallige uniform. Hij verzocht ons beleefdelijk, ons niet te dérangeeren, ging de tafel rond om onze paspoorten op te halen en drukte in 't voorbijgaan zijn vriend, den Tenor, de hand. Niet zonder eenige bekommering zag ik, of verbeeldde mij althans te zien dat hij mijn paspoort met een bijzondere opmerkzaamheid beschouwde. "O wee!" dacht ik nu zullen mij het Dorp aan de grenzen en alle dergelijke aardigheden worden ingepeperd! Dat ik ook over België moest gaan!"
Intusschen viel het geheel anders uit: eenige minuten waren voorbij, het middagmaal was afgeloopen en ik zat met den Vlaamschen heer op het dek te praten, terwijl ik somtijds zijdelings naar den Luitenant keek, die met den Tenor in gesprek was. Opeens draait de Belg zich om, laat den Tenor staan, over wien hij zich niet verder bekommert en komt naar mij toe. Hij zet zich naast mij neer, spreekt mij bij mijn naam aan, vangt een belangrijk en onderhoudend gesprek met mij aan en zet het voort tot aan de kaai van Antwerpen toe; terwijl hij, vernemende dat ik haast had en nog dien avond verder wilde reizen, mij met zooveel hulpvaardigheid behandelde, dat ik reeds in den spoorwagen zat, toen de bagage van onzen Tenor nog onder de handen der Douaniers was.
Het was ongeveer halfvier uren toen ik van mijn reisgenooten afscheid nam. Het was echter niet heelhuids, dat ik de stoomboot verlaten mocht. Bij het opnemen van een valiesje, dat ik in de kajuit had laten liggen, voelde ik plotseling eene geweldige pijn aan den voet en nederziende, ontdekte ik den poedel van den Franschman, die, zeker wanende dat ik zijne meesteres beleedigen wilde, zijne tanden op eene geduchte wijze in mijn vleesch had gezet.
--Och, Mijnheer! vrees niets!--zeide de juffer--mijn poedel zal u niet bijten!
"Neen, Mevrouw! want het is al gebeurd en ik ga nu maar heen, om te maken dat hij zich niet opnieuw schuldig maakt."
III.
Mijn Vlaamsche stoombootkennis had met mij het voorrecht gehad van spoedig gevisiteerd te zijn geweest, en wij zaten dan ook weldra naast elkander achter den locomotief in een dier rijtuigen, waaraan wij in plaats van de Nederlandsche benaming wagen de daarvan afgeleide van waggon geven, 't geen omtrent even zot is als om fiche voor vischje te zeggen. De ondervinding heeft mij deze soort van rijtuigen doen verkiezen. Door den grooteren last van passagiers, dien zij voeren, zijn zij minder aan schudden en stooten onderhevig: zij zijn geheel open en men heeft er bij meerdere lucht minder tocht; men kan er in rooken ('t geen in een damprijtuig zeer eigenaardig is) het gezelschap is er meer gemengd en amusanter en bij al die voorrechten komt nog dit dat men er beterkoop in zit.
Te Mechelen is, gelijk bekend is, het brandpunt, waar al de ijzeren spoorwegstralen zich naar geheel België verspreiden en waar zij terugkeeren; en merkwaardig is, naast de oude stad van hout en steen, de nieuwe ijzeren stad, die aldaar als met een tooverslag is opgerezen. Vreemd zeker is de eerste indruk, die haar beschouwing op u verwekt. In plaats van straten ziet men onafzienbare rijen van rijtuigen en locomotieven, naast elkander staande als de kermiskramen op een markt;--daaromheen--in stede van paleizen of publieke gebouwen--fabrieken, smederijen, stookplaatsen, magazijnen, ontzettend van getal en omvang, en--in stede van torens--schoorsteenen, hoog als Oostersche minarets en sierlijk als antieke kolommen. Dat alles is treffend, grootsch, prachtig, maar gelijk alles, wat nieuw en extra-nuttig is, alles behalve schilderachtig.