Vertellingen van vroeger en later tijd

Chapter 27

Chapter 273,845 wordsPublic domain

Geen wonder was het, na zulk een voordeeligen uitslag, dat het Gouvernement over de Molukken, hetwelk Reael eerst maar voorloopig gevoerd had, hem door de Bewindhebbers bepaald werd opgedragen; geen wonder, dat, toen in 1616 de Gouverneur-Generaal Reynst overleed, Reael met eenparige stemmen tot zijn opvolger gekozen werd. Deze keuze werd algemeen gebillijkt: alleen waren er, die het gevaarlijk vonden, juist voor zijn groote bekwaamheid, dat hem zulk een groot gezag werd toevertrouwd: immers, beweerden zij, men waagde, dat hij zich van alles meester zou maken, en zich tot onafhankelijk hoofd der Koloniën verheffen. Die vrees bleek echter door de uitkomst ijdel en onnut te zijn: want Reael was niet alleen bekwaam maar ook vroom en getrouw.--Hij rechtvaardigde volkomen de goede verwachtingen, welke zijn lastgevers van hem hadden opgevat. Zoolang hij in de Oost het bewind voerde, wist hij het gezag der Maatschappij te doen eerbiedigen. Met zijn bondgenooten leefde hij in vrede en aan zijn vijanden boezemde hij zulk een ontzag in, dat zij het niet waagden de rust te verstoren. Dit een en ander was iets geheel nieuws in de geschiedenis onzer volkplanting, waar, tot dien tijd, voortdurend strijd was gevoerd geweest.--Maar Reael deed nog meer; hij wist het vertrouwen der Inlandsche vorsten en volkeren te winnen, in de eerste plaats door zorg te dragen dat hetgeen men hun verkocht van goede hoedanigheid was, en al wat men kocht prompt betaald werd:--in de tweede plaats, door de ambtenaren binnen de grenzen van hun plicht te houden en elk vergrijp streng te straffen. "Dat heet eerst regeeren!" zeide Hooft van hem. De wijsheid en rechtvaardigheid, door Reael aan den dag gelegd, droegen spoedig goede vruchten: het krediet der Hollanders rees boven dat der Engelschen en Portugeezen, en het beloop der retouren--of terugvrachten--gedurende zijn bewind naar het Moederland gezonden, bedroeg bijna het dubbel van dat van vorige jaren.

Reael was echter niet gezind, zijn leven in de Oost te slijten. Hij verzocht en verkreeg zijn ontslag en droeg in Juni 1618 het gezag op aan zijn opvolger, den beroemden Jan Pietersz. Koen. Echter verliet hij de Oost niet, voor dat hij dezen behoorlijk in 't bestuur gevestigd zag. Hij ging daarom met hem over Amboina naar Jacatra, bleef bij hem, tot dat deze plaats veroverd was, en beraamde met hem de noodige maatregelen tegen de vijandelijke Javanen en tegen de Engelschen, die hen opstookten. Zoo legden zij samen de grondvesten van Batavia, met welks stichting eigenlijk de vastheid der Maatschappij haar aanvang nam.--In Augustus 1619 zette Reael weder koers naar het vaderland, waar hij in 't begin des volgenden jaars behouden aankwam.

Allerluisterrijkst was de ontvangst, die hem te Amsterdam te beurt viel: alles liep uit om hem te zien en te verwelkomen. Dan, hoezeer de bewijzen van achting en genegenheid, welke hij van zijn stadgenooten ondervond, hem bijzonder streelden, hij moest van een anderen kant vrij wat smart en teleurstelling ondervinden, bij 't zien, hoe de staat van zaken intusschen veranderd was. Zijn beschermer Oldenbarneveldt was veroordeeld en ter dood gebracht: velen onder zijne vrienden, als De Groot, Uyttenbogaert en anderen, ten lande uitgeweken: en er was weinig kans, dat de partij, die thans aan 't hoofd was, hem vooreerst tot staatsbedieningen roepen zou. Hij zelf kon niet verlangen een Regeering te dienen, met welker inzichten hij niet overeenstemde.

Voor iemand, die alleen staats- of krijgsman ware geweest, zou het leiden van een ambteloos leven op zijn zeven en dertigste jaar allervervelendst zijn geweest: maar niet voor Reael, die in zijn uitlandigheid de zucht voor de fraaie letteren niet verleerd had, en in hare beoefening bezigheid en troost kon zoeken. Hij begaf zich op zijn hofstede in de Beverwijk, waar hij, onder andere genoegens van het buitenleven, de nabuurschap genoot van den geleerden Amsterdamschen koopman Laurens Baeck en diens kinderen, allen groote minnaars van poëzie en letterkunde. Vondel was bij Baeck een welkome gast; hij had vroeger Reael bij Roemer Visscher ontmoet, hernieuwde thans zijn betrekking met hem en droeg hem, onder andere bewijzen van vriendschap en hoogachting, zijn meesterlijk dichtstuk: "het lof der zeevaart" op. Met Vondel en den gewezen Pensionaris van Zeeland Antonis De Huybert, legde Reael geregelde bijeenkomsten aan, waar hij zich gewoonlijk toelegde op het stellen van regels, betreffende de taalschikking, de woordvoeging, de bepaling der geslachten en de spelling, alle zaken, waarover men tot dien tijd nog weinig gedacht, veel min geschreven had; ook hielp hij Vondel aan de vertaling van het treurspel de Troas, uit het Latijn van Seneca.

Doch al wist Reael zijn ledigen tijd dus op een aangename en nuttige wijze met letteroefeningen te korten, hij bleef daarom niet onverschillig omtrent de algemeene belangen, en, kon hij den Staat niet dienen, hij deed in verschillende opzichten dienst aan zijn geboortestad Amsterdam. Deze moest, vanwege den toenemenden aanwas der bevolking, gedurig vergroot en uitgelegd worden: en hoe Reael daartoe medewerkte blijkt uit het in zijnen tijd met huizen volgebouwde en naar hem genoemde Reaelen-eiland.

Zoolang Prins Maurits leefde, en nog een wijl na zijnen dood, bleef Reael een ambteloos leven leiden. Niet alleen stelde Hooft vruchtelooze pogingen in 't werk om hem in 1623 tot Gezant te Venetië te doen benoemen, maar zelfs, toen in hetzelfde jaar onderhandelingen waren aangevangen tot vereffening der geschillen tusschen de Engelsche en Hollandsche Oost-Indische Maatschappijen, werd hij, de gewezen Gouverneur-Generaal, die meer dan iemand hier te lande ondervinding en kennis van het onderwerp bezat, niet bij de onderhandelaars gesteld. Het duurde echter niet lang meer, of men begon het onbillijke en verkeerde in te zien om iemand van zijne bekwaamheden buiten betrekking te laten. Het gebeurde, dat de Staten-Generaal noodig keurden een vloot in zee te zenden, die, gezamenlijk met een Engelsche vloot, de Spanjaards op hun eigen kusten bestoken zou. Willem Van Nassau, zoon van Prins Maurits, was destijds Admiraal van Holland; de Staten achtten het noodig, hem een Vice-Admiraal toe te voegen, die kunde paaide aan moed en beleid--en zij droegen die betrekking op aan Reael. De zeetocht had plaats, doch had niet die uitkomsten, welke men gehoopt en verwacht had, en de vloten keerden terug zonder iets bijzonders te hebben uitgericht. Dit was niet de schuld van Reael, die zich op lofwaardige wijze van zijne taak gekweten had, maar van verschil van meeningen tusschen de bevelhebbers der beide vloten; en in 't algemeen ziet men zelden iets goeds komen van ondernemingen, waarbij legers of vloten van verschillende natiën moeten samenwerken. Nationale zoo wel als persoonlijke jaloezie en wangunst brengen dan meestal teweeg, dat die gewenschte samenwerking in tegenwerking verandert.

Hoe men de verdiensten van Reael nu erkende, bleek daaruit, dat hij, schier onmiddellijk na zijn terugkomst, tot Bewindhebber der Oost-Indische Compagnie werd aangesteld, in welke betrekking hij--gelijk men zegt--in zijn element was en de belangrijkste diensten bewees. In 1626 werd hem een nieuwe eerepost opgedragen, namelijk om Koning Karel I van Engeland, bij diens kroning te begroeten. Dit was, zult gij zeggen, nog al geen moeielijke zending; het is toch een zoodanige, welke men niet opdraagt, dan aan menschen, die zich zekeren naam hebben verworven en zich door het gemakkelijk spreken van onderscheidene talen, door goede manieren en fijnen smaak, onderscheiden. Maar bovendien had Reael, behalve deze openbare zending, nog een geheimen last, namelijk om de belangen zijns vaderlands bij de Engelsche Oost-Indische Maatschappij voor te staan en hij kweet zich daarvan op loffelijke wijze. Koning Karel I erkende zijn verdiensten door hem tot Ridder te slaan en in den adelstand te verheffen.

Twee jaren later werd aan Reael een nieuwe zending opgedragen, die van min gemakkelijken aard was. De Keizer van Duitschland, toen in oorlog met de Protestantsche vorsten, had verscheidene plaatsen aan de Oostzee bezet, en dreigde zelfs zich meester te maken van de Sond. De Staten besloten Reael naar Denemarken te zenden, ten einde den staat van zaken te onderzoeken, en de noodige betrekking aan te knoopen om zich tegen de aanslagen van den Keizer te verzetten. Hij ging scheep naar Kopenhagen, ter welker gelegenheid Vondel dit gedicht onder zijn afbeelding vervaardigde.

Zoo maelde Keizers hand den wackeren Reael. Den Ridder, den Ghezant, den grooten Generael, Voorzien met breijn in 't hoofd, met heldenmoed in 't harte, 't Was hij, die Spanjen op sijn eyghen bodem tarte. Vaer heen, ghelauwerd hoofd! geluckighlijck door zee, En brengh voor 't vaderland ontelbre kranssen mee.

De wensch van den dichter werd niet vervuld. Wel genoot Reael aan 't Deensche Hof een beleefd onthaal, maar het gelukte hem niet, den Koning van Denemarken tot een gemeenschappelijken oorlog tegen den Keizer te bewegen. Het was al spijtig genoeg voor hem, dat hij het doel zijner zending miste, maar de tocht was bestemd om op alle manieren noodlottig voor hem af te loopen. Op de terugreis van Kopenhagen had hij met schipbreuk te kampen. Het vaartuig, waar hij zich op bevond, strandde op de kust van Jutland, en te nauwernood kwam hij levend aan wal. Hier vervolgde hem zijn ongeluksster; want dat gedeelte der kust was met Keizerlijke troepen bezet, die hem gevangen namen en, als een prijs van aanbelang, opzonden naar Weenen.

Wel wendden de Staten-Generaal ernstige pogingen aan, om zijn ontslag te bevorderen; doch de Keizer wilde in den aanvang van niets hooren. Groot was de bekommernis der talrijke vrienden van Reael en ook zij lieten 't niet aan aanzoeken ten zijnen voordeele bij invloedrijke lieden aan 't Duitsche Hof ontbreken. De gevangenschap van Reael was intusschen zeer dragelijk: niet alleen genoot hij vrijheid zich te Weenen ongehinderd te bewegen, maar ook werd hij aldaar met de meeste achting en voorkomendheid behandeld: ja ieder stelde er eer in, beleefdheden te bewijzen aan een man, die zich op zoo veelsoortige wijzen roem verworven had, en zijne vriendschap te winnen. Men vindt zulks bevestigd door een schrijver van dien tijd, die onder anderen van Reael vertelt, dat hij te Weenen gekomen als een gevangene, er vandaan ging als een vorst. Zijn ontslag had plaats in 1629, wanneer hij, in 't Vaderland teruggekeerd, aan de Staten-Generaal verslag deed van zijn verrichtingen, en deswege op eervolle wijze werd bedankt.

Het schijnt dat Reael nu echter genoeg had van zendingen buiten 's lands en liever tot een rustig burgerleven wenschte terug te keeren. Althans hij trouwde nog in datzelfde jaar met zekere juffer, Suzanna De Moor geheeten, en weduwe van H. De Pikker; terwijl hij zich in het volgende liet welgevallen tot lid van den Raad der stad Amsterdam benoemd te worden. Acht jaren lang leefde hij nu stil en ongestoord voor zijn huiselijke en burgerlijke betrekkingen, weinig uitgaande dan om zijn ambtsplichten te vervullen, zoodat zelfs zijn nauwste vrienden, als Hooft en anderen, klaagden, dat zij niets meer aan hem hadden. In 't jaar 1637 echter scheen zich voor hem weder een nieuwe en glorierijke loopbaan te zullen ontsluiten. De betrekking van Luitenant Admiraal van Holland was opengevallen en er moest een nieuwe keuze door den Prins worden gedaan. Te dien einde werd hem een lijst van zes personen aangeboden, aan wier hoofd zich Reael bevond. De Staten van Holland bevolen hem zeer bijzonder aan, en gewis ware hij tot die luistervolle bediening geroepen geworden, indien de Voorzienigheid het niet anders beschikt had. Een besmettelijke ziekte, die op dat tijdstip Amsterdam teisterde, trof ook zijn huis. Zijn beide zoontjes, Laurens en Bartholomeus, werden hem ontrukt, en hun dood schokte hem zoozeer, dat hij tot volslagen lusteloosheid verviel. Bij die ongesteldheid voegde zich een heete koorts, die hem op den 10den October 1637, ten grave sleepte. Zeker was zijn dood te bejammeren en toch, kan men daaruit wederom leeren, hoe wijs de wegen der Voorzienigheid zijn. Immers nu werd tot Admiraal benoemd Maarten Harpertszoon Tromp, die na Reael op de lijst stond, en die, zoo hij al in andere opzichten voor Reael moest onderdoen, hem in ondervinding en praktische kennis van 't zeewezen en den zeeoorlog ver overtrof, ja een zeevoogd was, wiens gelijke de wereld nauwelijks opgeleverd heeft.

Met dat al, de dood van Reael was een bittere slag voor het vaderland, voor de Oost-Indische Maatschappij, voor de stad Amsterdam, voor 's mans gezin en ook voor de wetenschap. Wel is waar, hij had deze laatste meer bevorderd door haar overal ijverig voor te staan, dan door iets in het licht te geven, want hij verzuimde nooit de werkzaamheden, welke zijn plicht of zijn betrekking hem oplegden, voor enkel liefhebberijwerk. Vandaar liet hij maar weinige lettervruchten na, van welke er nog vele verloren zijn gegaan, en onder deze laatste eene latijnsche elegie of klaagzang over de rampen van zijn tijd, na zijn terugkomst uit de Oost vervaardigd, een werkje, getiteld Raad voor hen, die zich naar Indië willen begeven; eenige Observatiën over den Magneetsteen, of de magnetische kracht der aarde, en een briefwisseling met den beroemden Galileï: Over het vinden van de lengte op zee. Wij bezitten nog van hem allerliefste minnedichtjes, door hem in zijn jeugd vervaardigd, en het grafschrift op den zeekapitein Cornelis Jansz., bijgenaamd het Haantje, dat nog in de Oude Kerk te Amsterdam op diens graf te lezen staat en aldus luidt:

Hier rust de helt, die van zijns vijants schepen In sevenmaal quam seven vlagghen sleepen, En gaf voor 't laatst op twee so dapper vonck Dat 't eene vloot en 't ander bij hem sonck.

DE NIEUWEKERK TE AMSTERDAM.

Nog steeds wordt Amsterdam bij den vreemdeling aangemerkt als vertegenwoordigende het land, waarvan het de Hoofdstad heet; minder echter om die reden, dan wel uithoofde der herinneringen, die zich aan de stad verbinden, als voortdurend de voorgangster en leidsvrouw, niet zelden de gebiedster der voormalige Republiek. Datzelfde type, 't welk Amsterdam als zoodanig biedt op uitgebreide schaal, biedt ons, meer dan eenig ander gebouw, binnen zijn muren, de Nieuwekerk op een verkleinde schaal aan. Worden in de hoofdkerken van andere Rijken veelal de herinneringen bewaard van Vorsten, die er gezalfd werden, of wier gebeente er onder marmeren gedenksteenen rust, wekt haar beschouwing bij den bezoeker de gedachte op aan monarchieën, die te niet zijn gegaan, aan koninklijken luister en bisschoppelijke praal, bij hem, die de Nieuwekerk te Amsterdam binnentreedt, rijzen, 't zij hij hare stichting en lotgevallen overdenke, 't zij hij de oogen om zich heen sla, geene andere denkbeelden voor den geest, dan die in verband staan met de ontwikkeling van vrije en krachtvolle burgers. Hoeverre die kerk dan ook in de oogen van oppervlakkige of onkundige toeschouwers schijne achter te staan in belangrijkheid bij gebouwen als de Abdijen van Westminster en St.-Denis, zij mag, vooral wie zich door uiterlijke pracht noch hoogklinkende namen laat bedwelmen, een gelijken rang innemen met beide; immers zij ook bewaart de overleveringen van vroegere grootheid en macht; en rusten onder haar zerken geen Koningen of Vorsten, zij bevat het stoffelijk overschot van hen, die Koningen en Vorsten ontzag inboezemden; zij is het Westminster en St.-Denis van den Derden Stand.

Verlangt men bewijzen dat ik hier niet overdrijf, dat geene dwaze ingenomenheid met een der weinige praalgestichten, die Amsterdam nog aanbiedt, mij doet spreken, ik hoop mijne gezegden te handhaven en aan te toonen dat het geene ijdele machtspreuk was, die ik mij heb veroorloofd.

Beschouwen wij daarom in de eerste plaats de stichting der Kerk, eene stichting, die reeds als eene profetie kan aangemerkt worden van hare latere bestemming.

Het was in den aanvang der 15de eeuw: nog in die dagen, toen de geschiedenis der volkeren niet veel meer scheen te zijn dan de geschiedenis hunner regeerders en de krijg niet gevoerd, noch de vrede gesloten werd om de belangen eener natie maar om die van den Souverein of van het regeerende stamhuis te dienen. Men had toch in de Nederlanden, bij de uitbreiding van handel en nijverheid, reeds sedert meer dan een eeuw de stem der burgerijen, en reeds dikwijls luid en krachtig doen hooren en ook in Holland was de invloed der groote steden begonnen tegen dien van den adel op te wegen. De Vorsten hadden leeren inzien hoe hun waar belang het medebracht om zich van de toegenegenheid der poorters te verzekeren en de jammerlijke moord door verbitterde edellieden aan Floris V gepleegd, had zijne nazaten op den gravenzetel niet afgeschrikt om zijn voorbeeld te volgen. Het bloed der martelaren is altijd vruchtbaar.

Met dat al, indien de Graven van Holland, die voor Willem VI kwamen, het niet beneden zich geacht mogen hebben, nu en dan bij iemand van onedele geboorte te rade te gaan, niet één hunner had het nog gewaagd, een zoodanige te bekleeden met een dier eerambten of hooge staatsbedieningen, die bij uitsluiting voor den adel schenen weggelegd. Groot was derhalve de verbazing, de verontwaardiging, de verbolgenheid der Hollandsche Edelen, toen in 1410 de Gentenaar Willem Eggert, die zich te Amsterdam had nedergezet en er handel dreef, door den genoemden Vorst tot Trezorier van de Grafelijkheid werd benoemd. Wel had de Amsterdamsche koopman, zoogoed als zij, mannen van wapenen uitgerust om den Graaf in den Arkelschen krijg te dienen: wel had hij bovendien door aanzienlijke voorschotten in geld, den Graaf in de mogelijkheid gesteld dien krijg te voeren, maar die gedachte zelve, dat een eenvoudige poorter meer doen kon en ook meer deed dan zij, moest reeds strekken om hen tegen Eggert te verbitteren, en de overweging dat iemand, die aan finantiëele kennis een helder doorzicht in zaken en een onkreukbare eerlijkheid paarde, beter dan een van hen geschikt was om de orde in de verwarde geldmiddelen te herstellen, gold weinig bij lieden, die tot dien tijd juist die betrekking van Trezorier hadden aangemerkt als een middel om hem, die haar bekleedde,--en niet het Land--te verrijken. De gift, van de Ambachtsheerlijkheid van Purmer en Purmerend, waardoor de Trezorier het recht kreeg een adellijken titel te voeren, was niet geschikt om de afgunst van 's Graven evenknieën te verminderen: ja er was, om de uitbarsting van hun wrevel tegen Eggert te voorkomen, eene uitdrukkelijke verklaring van Willems zijde noodig, "dat hij 't op hen verhalen zou, indien zijn vriend een tegel van het dak op 't hoofd viel."

Maar zoo Willem Eggert, 't zij als gedeeltelijke en billijke voldoening zijner schuldvordering, 't zij om zijn doorluchtigen beschermer niet voor 't hoofd te stooten, de giften, hem gedaan, in dank had aangenomen, niet voor zich zelven alleen had hij partij getrokken van 's Graven dankbaarheid; 't was voornamelijk Amsterdam, dat er de vruchten van genieten moest. Verknocht aan de stad, waarin hij gastvrij ontvangen was, en zijne rijkdommen verworven had, was het voor haar meer dan voor zichzelven dat hij de goede gezindheid zijns meesters inriep, en werkelijk gelukte het hem zulke treffelijke privileges voor haar te verwerven, dat naar de uitdrukking eens kroniekschrijvers nooit eenig burger dezer stad "profytelijcker ofte aengenaemer" is geweest dan hij.--Doch dit was hem niet genoeg. Oordeelende dat zijne kinderen na zijn dood genoeg zouden vinden om onbekrompen te leven, besloot hij, al wat zijn ambt hem bezorgde, en een aanzienlijk deel zijner overwinsten uit den handel bovendien, te besteden aan eene stichting, waar Amsterdam, bij den toenemenden aanwas van bevolking, behoefte aan begon te gevoelen. Hij liet ten dien einde een boomgaard rooien, die niet verre van zijne woning te Amsterdam, aan den Nieuwendijk gelegen was en op dien grond was het dat in 1414 met den opbouw eener kerk aangevangen en 't werk met krachtigen spoed werd doorgezet. Drie jaren verliepen er en nu barstte boven 't hoofd van Willem Eggert het onweer los, dat zoolang had gedreigd. Op 31 Mei 1417 overleed zijn Vorstelijke beschermheer en nauwelijks had deze de oogen gesloten of de lang bedwongen gramschap gaf zich lucht, en uit alle adellijke sloten stroomden ontzeg- en uitdaagbrieven den Heer van Purmerende tegen. Bij de smart over het verlies van zijn weldoener paarde zich nu in Eggerts hart de angst, dat hij nergens meer veilig wezen zou en reeds op 15 Juli 1417 bezweek hij onder 't gewicht dier dubbele gemoedsaandoeningen. Maar vóór zijn dood had hij voor 't minst zijn stichting voltrokken gezien, en was hij op het Purmerslot gestorven, het was in zijn geliefd Amsterdam, binnen de gewijde muren van de Kerk, door hem gebouwd, dat hij zich een graf bereid had. Nog rust daar zijn gebeente, ter zijde van het koor, waar zijn grafschrift luidt:

"Anno MCCCC ende XVII den XV dagh in Julio sterft den eerbaeren Heer Willem Eggaert, fundateur van dese Kapelle, gedoyteert met twee Vicariën, medefondateur van dese Kerck, die begraven is onder deze blauwe serck."

Zoo had dan de Nieuwekerk het aanzijn te danken aan den vromen zoon des volks, die niet alleen als koopman, den bloei der jeugdige stad tot eene vroeger ongekende hoogte had gebracht, maar die ook, als bekwaam en eerlijk raadsman zijns Vorsten, den deerlijk vervallen toestand der schatkist had weten te verbeteren, daarbij de eerste der handelaren, die in Holland heerlijke rechten bekwam en uitoefende. Met hem mag men alzoo die lange reeks doen beginnen van regenten uit den handelsstand, die, twee eeuwen na hem, zich koningen gelijk stelden.

En wie waren 't die, toen Eggerts ontijdige dood belette dat de Nieuwekerk zoo treffelijk volbouwd en voltooid werd als in het oorspronkelijke plan des Stichters gelegen was, wie waren het, die verder tot haar opluistering bijdroegen? 't Waren, behalve de gilden, die er de koren en altaren stichtten, naar hen genoemd--meest poorters en poorteressen als Eggert, begeerig als hij, om aan den openbaren Godsdienst een voornaam deel te wijden van hetgeen handel en nijverheid hun hadden doen verkrijgen. 't Waren, om hen 't eerst te noemen, zijn zoon Jan, die reeds in 1418 twee eeuwige kapellerijen, en zijn nazaat Willem, die in 1509 twee vicariaten in Willem Eggerts kapelle stichtte; 't waren ten tijde van de eerste vestiging der Kerk, de kooplieden Jan Dirksz. Sill Jacob Meeuwszoon en Jacob Aemsz. Verburg, 't waren zoo ter dier gelegenheid als bij twee latere, leden uit het burgemeesterlijke geslacht van Loen en uit dat van Boel, welks bloed door de aderen van al de toekomstige Amsterdamsche Patriciërs stroomen zou; 't waren in de 15de de regeeringsleden Bartel Doos Dirksz., Jan De Waal, Jacob Van Berck of Berge, Meeuw Gerbrantsz. en Arent Barendsz., en de Apotheker Huygen Jansz. en Geert Jacob Bickersdochter zijn huisvrouw; de Priesters Willem Bruynincx en Pieter Bije Jacobsz. en Katharina Bicker, Weduwe Meeuw Gerbrantsz; in de 16de de Priesters Willem Cloes en Vechter Dirksz., de Weduwe van Jan Duijn, Anna Bruning, Niclaes Steyn Niclaesz., man en voogd van Wendelmoet, dochter van Heijman Van IJlp; 't waren op min bekende tijdstippen Gerijt Paeuw, Grebber Dircksz., Albert Gerritsz., Jacob Florisz., Steven Reijersz. en zoovele anderen meer; maar onder al die namen, min of meer bekend, ja, waarvan sommigen later beroemd werden, geen, die niet aan nederige poorters of ingezetenen behoorde--geen enkele naam van eenig, 't zij wereldlijk, 't zij kerkelijk Vorst of Heer--wat zelfs te Amsterdam met opzicht tot een paar andere kerken het geval is--verbindt zich aan de stichting of voltooiing der Nieuwekerk, maar, even gelijk de Burgerstand, aan wien zij haar opkomst te danken had, den Adel boven 't hoofd wies, evenzoo verhief zich haar roem boven dien van menige andere kerk, die op aanzienlijker stichters bogen mocht.