Vertellingen van vroeger en later tijd

Chapter 26

Chapter 263,611 wordsPublic domain

Onze matrozen houden de Chineezen voor aanbidders van den duivel, wien zij dagelijks allerlei lekkere beetjes voorzetten, latende, God aan eenen kant, en zulks om reden, dat God, uit zich zelven goed zijnde, niet behoeft aangeroepen te worden om hem genegen tot ons te maken, terwijl men den duivel moet vereeren, opdat hij ons geen kwaad zal doen. Daarom is de Chinees hier een zwabberkapitein van den duivel, die aan boord van den duivel het werk van scheepsjongen doet. Dien duivel noemt de Chinees joosje, volgens onze matrozen, die uit onze Oostersche bezittingen dien naam overgebracht hebben op den duivel van Europa; in de wandeling daarom joost genaamd. Ieder kent de joosjes thee, den naam voor de perelthee, de beste soort van groene thee.

Pluimgraaf, eertijds een hoog ambtenaar bij den graaf des lands, die de heffing der tollen bewaakte, en tevens zorgde, dat niemand zwanen hield dan met zijne toestemming. Het scheepsvolk heeft dezen hoogen titel volgens zijnen gewonen stijl toegepast op den varensgezel, die voor de hoenders en de varkens van den kapitein zorgt. Evenwel werd het woord ook elders op lagere bedieningen toegepast, gelijk in Overijsel op de mannen, die het beheer der gemeenteweide hebben, welke men weidegreven noemt. In den oorsprong beteekent dit woord ook in het algemeen: die een ander ten dienste staat. Het is buiten twijfel, dat reef het thema des woords zij, en ge het bekende augmentum. Het Engelsche reeve, voor steward, bewijst het onbetwistbaar; want reeve zou niet van ge kunnen gescheiden worden, indien ge tot het thema behoorde. Het Angels, heeft dan ook ge-refa, graaf, en in eene menigte verba, waar de Angelsaxen ge voorzetten, missen het de Nederlanders. De Fries heeft feer waar de Angels heeft gerefa. Wat is nu refa? Het is één met het Scand. rifr, largus; Neerl. rijve, id. Fris. ri, id. De oude vocaal was echter e, gelijk wij zien uit het perfectum van e in ge-rijven, commodare, officium proestare; praet. geruf; thans verloopen tot gerijfde. Ge-refa is dus, qui officium praestat. Mijn vriend Grimm volgt een geheel ander gevoelen, te vinden Rechtalt. 753. Tegen deze e in gerefa staat dikwerf een Hoogduitsche a over als in grafo Gr. I. 91, 361.

Snertbalie, Balie is eene scheepstobbe, snert noemt men aan boord groene erwten, voor het snarren, snerren, snerten, crepitum ventris edere. De snert-balie, de bak met gekookte groene erwten wordt door den pluimgraaf, die liever boutjes lust, met eenen viezen lach aangekeken.

Alree. De Engelsche zeelieden zeggen daarvoor, All clear! wanneer niets meer in den weg ligt om eene scheepsmanoeuvre ten uitvoer te brengen. In jachten en boeiers, die laveren, roept de man te roer, op het oogenblik, dat hij wenden wil, aan den fokkeman, Ree! of Alree!

Rijstkadraaijen, met een klein vaartuig de rijst van de kust afhalen. Kadraai is in de scheepstaal het vaartuig, waarmede zoetelaars aan boord van groote schepen varen om hunne ververschingen uit te venten; ook zulk een zoetelaar zelf. Dewijl deze zoetelaars alle kaaien omvaren, waar schepen liggen, en om die schepen hengelen en draaien, worden zij kadraaien genoemd, zegt Winschoten in zijnen Zeeman op dat woord.

Praauwmajang: een kleine prauw.

Veertig-percenter, woekeraar, die 40 ten honderd neemt, iets dat onder de Chinezen niet ongewoon is.

Zwarte boek, schuldboek.

Zee-Deventer-koeken, inboorlingen van het eiland Bali ten Oosten van Java, Deventer koeken genaamd, om hunne bruine kleur, en zee-Deventer koeken om hunne geschiktheid voor de kustvaart.

Vrouwe-verdriet, de westmoesson, die de terugkomst van het scheepsvolk in het vaderland tot verdriet hunner vrouwen vertraagt.

Breuidseuikers, zijn de zakjes met suikererwtjes enz. welke de rijken voormaals aan hunne vrienden en bloedverwanten door de knechten brengen lieten, als zij trouwden. Thans is het nog in zwang bij burger- en boerenlieden, terwijl rijke bruidegoms hypokras zenden. Het huwelijk oudtijds een koop zijnde, waarbij de bruid uit de macht van vader, voogd, broeder, of wie recht op haar had, tegen zekeren prijs losgekocht werd, zoo schijnt het schenken dezer zoetigheden door den bruidegom aan de bloedverwanten der bruid nog een overblijfsel van het losgeld te zijn voor de bruid, waarom het dan ook waarschijnlijk bruidssuiker genoemd wordt.

Sluis, gelijk bekend is, te Amsterdam elke steenenboog, die tot brug over het water dient. Sluis, geboren uit het Middeleeuwsche exclusa, of sclusa, beduidt anders eene afsluiting van water, door middel van schutdeuren; maar sedert sluis elken vrijen doortocht van water beteekende, die door eenen steenen boog gedekt is, viel men in den pleonasmus om schutsluis voor eene waterschutting door middel van deuren te zeggen; woordelijk eene schutafsluiting. De Fries gebruikt het Germaansche woord sile, in de steden verlaat, beide voor schutsluis.

Valle van de panne, breken van het tuig, dat hem op het hoofd dreigde te vallen.

In mijn nek keek, de zee stortte over de achterplecht, dat is, in den nek van het schip.

Moeders bont-boeselaar; in de boezelaars of voorschoten der Hollandsche vrouwen, wanneer zij fijn uitgedoscht waren, was voortijds eene uitgelezene pracht. De voorschoten waren bont, dat is, geruit, vooral met roode kleuren van verschillende diepte. De Oostindische bonten waren te dien einde de gezochtste, en voor een lapje, waaruit een smal voorschootje kon gemaakt worden, betaalde men tot 60 gulden toe, wanneer het staal keurig en zeldzaam tevens was. De Hindelopers, die midden in hunne steigerende welvaart de Nederlandsche dracht nog aanhielden, waren bij uitstek weelderig in deze bonte boezelaars, en schoon mijne verzameling nog op verre na niet volledig zij, bezit ik echter nog over de honderd bekende stalen, elk met zijnen eigenen Hindeloper naam. Wanneer nu de moeder een schoon aanminnig kind had, en met dat kind, netjes in de punten, op haren Zondagschen bont-boezelaar zat te prijken, dan voorspelde zij zich van den knaap eene toekomst van goud en geluk; maar die volgens het volksgeloof eene toekomst van tegenspoed en ontijdigen dood werd, wanneer alles zich zoo uitstekend fraai liet aanzien. Dewijl men al te schoone kinderen voor de voorwerpen der afgunst van tooverkollen hield, waren de Friesche bakers voorheen gewoon, om zulk een lief voorwerp in het gezicht te spuwen; dan immers had de nijd van kwade geesten geenen vat op hen. Nu begrijpen mijne lezers, waarom Sander, toen hij op het punt van verdrinken stond, zeide, "Genacht, Sander! Je bent ook 'n lief kind op je moeders bont-boeselaar geweest!"

Dingsig, akelijk, misselijk, een soort van wee-gevoel, waarvoor men geenen naam weet, en hetwelk men met den algemeenen naam dingsig aanduidt, die van ding afgeleid is. Zoo zegt men van iemand, wiens naam men zich niet herinnert, Mijnheer dings. De Franschen gebruiken in het dagelijksch gesprek dikwerf, Va dire à chose, zeg aan Mijnheer dings. Ding wordt ook gebezigd van deelen, welke de welvoeglijkheid niet bij hunnen eigenen naam wil genoemd hebben. Zie Kil. op dingh in de noot.

Baaitje, duffelschen overbuis van eenen matroos in Friesland, onderborstrok, die over het hemd aangetrokken wordt. Dit woord is weder buiten den regel met zijne b, die p behoorde te zijn als in het Goth. paida, rok, en het Oud-Saxische péda. Het Grieksche woord immers is baita, een rok van vellen. Zie Pollucis Onomasticon p. 1364. Ed. Hemsterhusii.

Murg-pijpen, mergpijpen, schenkels, waardoor hij zijne beenen verstaat; ik knielde, wil hij zeggen.

Gallig, Goth. galga. In de algemeene aanmerkingen hier boven, heb ik de diastole in dit en andere woorden opgemerkt. De Engelschen doen hetzelfde maar met verandering der g in de verwante w. Uit zwelgen (swalgen) is hun swallowe, to swallow, en uit galges gallowes, gallows. Ihre leidt dit woord te recht af van gagl, tak van eenen boom.

Ribbekast, lichaam, ook ribbejak genoemd.

Pitjalling, als ik mij niet bedrieg, in het Maleisch een vaartuig.

Alvorens deze aanmerkingen te sluiten, wil ik den lezer nog verwittigen, dat de Heer Van Lennep alleen op mijn aanzoek de Samenspraak heeft opgesteld. Om het oogmerk mijner letterkundige vrienden te Berlijn te bereiken, heb ik den beroemden schrijver de dubbele taak opgelegd, om eene proeve van den plat-Amsterdamschen tongval te leveren, en tevens door deze proeve, die in haar onderwerp van zijne eigene vinding behoorde te zijn, zooveel mogelijk den Amsterdamschen gesprekstoon uit te drukken. Niemand mijner aanzienlijke vrienden in de hoofdstad zal zich, hoop ik, ergeren aan dat woord Amsterdamsch. Bij den navorscher van oude talen en gebruiken, (en in dat karakter trad ik hier op) is het gemeen eigenlijk het volk, omdat het zingt gelijk het gebekt is, en zich aan den voorgang van vreemden in het minste niet gewoon is te storen. De taal ontspringt hier aan de bron der ruwe nationaliteit zelve. Het aanzienlijker deel der maatschappij daarentegen volgt in dezen, iets, waarover men in de zoogenaamde bonne Société is overeengekomen, eene conventionele taal, die van alle belang voor de taalvorschers ontbloot is. Door Amsterdammers kan ik hier dus geene anderen verstaan dan burgerluitjes, die den tongval der hoofdstad op den oudsten en allerplatsten toon uitbrengen.

Wat mij betreft, ik ben van oordeel, dat de Heer Van Lennep zich door deze samenspraak in eene rij geplaatst heeft met twee der aanzienlijkste staatsmannen en doorluchtigste geesten van het oude Nederland: ik meen met den Ridder Hooft, toen hij zijnen Warenar, en met Constantijn Huygens, toen hij de klucht van Tryntje Cornelis schreef. Mochten echter onze tijdgenooten, die niet zeer gemakkelijk te voldoen zijn, deze gelijkheid berispelijk vinden, zoo neem ik alles, wat zij in de samenspraak ruw en onwelvogelijk vinden, voor mijne rekening. Ik heb het uitgelokt: ik alleen moet er voor boeten. Zoo ben ik, Lezers! Ik moet anderen de eer laten om smaak te vinden in de taal der zakkenrollers en lichtekooien van Parijs, voor wier schoonheden ik gansch ongevoelig ben. Ik houd meer van die platte taal, waarin de bevelen gegeven, overgebracht en ontvangen werden, toen onze kanonnen Neerlands macht en glorie over den Oceaan uitdonderden, hetzij bij het verbranden van den Royal Charles op de rivier van Chatham, hetzij in den driedaagschen zeeslag, hetzij in zoovele watergevechten, waarbij de Jantjes van Amsterdam of de Friesche tsirlen de vlag van den mast der vijandelijke schepen streken. Ik weet, ik belijd openlijk, dat ik mij daarmede zwaar tegen den tijdgeest bezondigd heb, en ik buig deemoedig het schuldige hoofd om de berisping en den hoon te ontvangen, welke ik meer dan verdiend heb.

LAURENS REAEL.

Gij zult zeker wel eens gehoord hebben, mijne Lezers! of misschien zelven wel hebben opgemerkt, dat de geschiedenis van meest alle beroemde natiën een bijzonder tijdvak oplevert, van al de overige onderscheiden door de ontwikkeling van volkswelvaart, door den bloei van kunsten en wetenschappen, door het opkomen van groote en beroemde mannen; een tijdvak, bij hetwelk men, onder het lezen of bestudeeren der geschiedenis, met welgevallen vertoeft, en 't welk men zich te gemakkelijker herinnert, omdat het doorgaans den naam draagt van het doorluchtigste personage, dat er in leefde. Zoodanig tijdvak was, voor Griekenland, de eeuw van Perikles: voor het oude Rome, de eeuw van Augustus: voor het latere Italië, de eeuw der Medicissen: voor Frankrijk; de eeuw van Lodewijk XIV: voor ons vaderland, de eeuw van Frederik Hendrik.

Ik onderstel, dat het u niet onbekend zal zijn tot welk een hoogen trap van welvaart, roem en macht ons jeugdig en krachtvol Gemeenebest zich gedurende het leven van Frederik Hendrik verheven had, en welke uitstekende mannen het had voortgebracht. Gij zult u inderdaad geen vak van kunst of wetenschap voor den geest kunnen brengen, waarvan Nederland in die dagen niet een vertegenwoordiger opleverde, wiens roem voor of na hem schaars geëvenaard, veel min overtroffen werd. Denkt maar aan Oldenbarneveldt, aan De Groot, aan Maarten Harpertszoon Tromp, aan Hooft, aan Vondel, aan Rembrandt, aan zoovele anderen, die in verschillende opzichten medewerkten tot het bevorderen van den luister van ons vaderland. Van de mannen, die ik u daar noemde, hebt gij zeker meermalen hooren spreken, hun levensgeschiedenis, hun werken, hunne verrichtingen zullen u niet geheel onbekend zijn;--maar buiten hen leverde die eeuw van Frederik Hendrik nog zoo menigen staatsman, krijgsman, dichter, geleerde of kunstenaar op, wien gij nooit of niet dan terloops hebt hooren vermelden, en die toch evenzeer verdient, dat gij met hem bekend raakt. Welnu! ik wil u een kort overzicht geven van het leven en bedrijf van een man uit dat tijdvak, die tevens staatsman, krijgsman, dichter en geleerde was, en die zich in elke dier zoo uiteenloopende hoedanigheden de bewondering en de achting zijner tijdgenooten verwierf. Die merkwaardige man was Laurens Reael.

De vader van Reael was een rijke graanhandelaar, van Hollandsche afkomst. Hij had eerst kantoor te Dantzig gehad, doch zich omtrent de helft der zestiende eeuw nedergezet te Amsterdam. In dien tijd en nog lang naderhand hadden de meeste menschen nog geene familienamen: de een onderscheidde zich van den ander, òf door het aannemen van zekeren bij- of toenaam, aan de plaats zijner geboorte, aan zijn beroep of aan andere bijzondere omstandigheden ontleend; òf en dit in de meeste gevallen, door eenvoudig den naam zijns vaders achter den zijnen te plaatsen. Zoo noemde de een zich Jan Pieterszoon, de ander Klaas Dirkszoon, een derde Harmen Tijmenszoon en zoo heette ook onze graanhandelaar, toen hij te Amsterdam kwam wonen, Laurens Jakobszoon. Dan, sedert hij een huis had betrokken op het Water over de Papenbrugsteeg, in den gevel van welks huis een gouden reael was afgebeeld, gaf men hem, ten einde hem niet te verwarren met andere Jakobszonen, den toenaam van Reael.--Gij weet, hoop ik, wat een reaal was en hoevele oude duiten, zulk een geldstuk gold.

Laurens Jakobszoon Reael had niet lang te Amsterdam gewoond, toen de onlusten ter zake van den godsdienst een aanvang namen. Gij weet ongetwijfeld, hoe onder Karel V en vooral onder Pilips II de Inquisitie alle pogingen in 't werk stelde, om de Hervorming, die hier te lande vele aanhangers telde, te onderdrukken. Reael behoorde ook onder hen, die de leer der Hervormden omhelsd hadden, en hij wist zelfs, met vier andere vermogende burgers te bewerken, dat het aan hunne geloofsgenooten werd toegestaan, openbare godsdienstoefeningen binnen Amsterdam te houden. In weerwil daarvan bleef hij zeer gezien bij de toen nog Roomschgezinde Overheid der Stad, en niet zonder reden. Het was gedeeltelijk aan zijne bemoeiingen te danken, dat de beeldenstorm, die elders zoo hevig woedde, te Amsterdam geen plaats had: en hij wist op verzoek der Regeering, zelfs met levensgevaar, een oproer te stillen. Ook blonken zijn beleid en voorzichtigheid uit in het bevorderen der rust ten tijde van Brederodes kortstondig verblijf te Amsterdam. Prins Willem I had aan hem groote verplichting; onder andere leende Reael hem eens f 10,000--in die dagen, toen het geld vrij wat meer waarde had dan tegenwoordig, een aanzienlijke som. Toen Amsterdam in 1578 tot 's Prinsen partij overging en een nieuwe Magistraat koos, behoorde Reael tot de leden der nieuwe vroedschap en handhaafde, in 1587, als kolonel der Burgerij, krachtdadig het gezag der Stad tegen den Graaf van Leicester.

Reael had bij zijne vrouw, Grietje Nieuwes Pietersdochter, verscheidene kinderen gekregen, waarvan Laurens, die op den 22sten October 1583 geboren werd, de jongste was. Zijn aanzienlijk vermogen stelde hem in staat, aan die kinderen een goede opvoeding te geven en hij spaarde daartoe ook geene kosten. Zoo leerde onze Laurens, behalve de Latijnsche en Grieksche talen, wier kennis in die dagen hoog noodig was, ook de Fransche, Engelsche en Italiaansche. Wel had hij het ongeluk reeds in 1600 zijn vader te verliezen; doch hij vond vaderlijke vrienden in zijn oudere broeders Jakob en Pieter, en vooral ook in den man van zijn zuster Lijsbestjen. Deze laatste was getrouwd met den Hoogleeraar Jakobus Arminius, denzelfden, die zich zoo bekend maakte door zijn godgeleerde twisten met Gomarus, en naar wien de Remonstranten wel eens Arminianen genoemd worden. Ik moet u echter in 't voorbijgaan waarschuwen, dat, ofschoon men wel de benaming "Lutherschen" of "Mennisten" bezigen kan zonder aanstoot te geven, die van "Arminiaan" voor een scheldnaam gehouden wordt, en gij u dus moet wachten, dien te gebruiken.--Arminius nu trok zich zijn jongen zwager bijzonder aan, er boezemde hem een groote zucht in voor de wiskunst, waarin de jonge Laurens dan ook bijzondere vorderingen maakte, welke hem later uitmuntend te stade kwamen. Hij studeerde bovendien te Leiden in de rechtsgeleerdheid.

Maar bij dit alles toonde Reael, reeds van jongs af, veel aanleg voor de poëzie, en vervaardigde al vroeg, zoowel in zijn moedertaal als in 't Latijn, verdienstelijke gedichten. Zoo vereerde hij onder anderen, toen Arminius in 1606 overleed, diens afbeelding met een Latijnsch bijschrift, 't welk evenzeer van zijn bekwaamheid als van zijn dankbaarheid getuigde.

De vader van Reael was zelf een niet ongelukkig beoefenaar der dichtkunst geweest, en had omgang gehad met vele lieden van smaak, met wie nu ook de zoon in kennis kwam. Onder de zoodanigen behoorde Roemer Visscher, wiens woning een verzamelplaats was van schrandere vernuften. Roemer Visscher had twee dochters, beiden nog beroemder dan hij zelf. De oudste, Anna, was van de jaren van Reael, de andere, Tesselschade, vrij wat jonger: beiden waren dichteressen, in verscheidene talen bedreven, zongen en speelden verrukkelijk, wisten fraai te borduren, letters en figuren in 't glas te snijden, in 't was te boetseeren: in 't kort, zij hadden allerlei begaafdheden: doch waren tevens, wat nog meer zegt, hoogst beschaafd van manieren, braaf van karakter en alleraangenaamst in den omgang. Geen wonder alzoo, dat men haar gezelschap zocht, en dit ook van den gunstigsten invloed was op Reael. Er is niets, dat voor jonge lieden zoo heilzaam en nuttig is als de omgang met welopgevoede, verstandige en deugdzame vrouwen; en zoo Reael naderhand een goed figuur gemaakt heeft aan de Hoven van Vorsten en Grooten, hij heeft dit gewis daaraan voornamelijk dank mogen wijten, dat hij van jongs af in zoo goed gezelschap had verkeerd.

Ten huize van Roemer Visscher ontmoette Reael den grooten dichter en geschiedschrijver Pieter Corneliszoon Hooft, die van zijne jaren was, en met wien hij een vriendschap sloot, die hun leven lang voortduurde.

De betrekking, die tusschen Arminius en Reael bestond, had dezen al vroeg in kennis gebracht met aanzienlijke Remonstrantsgezinden, als De Groot, Uyttenbogaert, en anderen, en hierdoor ook met den beroemden advocaat van Holland, Mr. Joan Van Oldenbarneveldt. Deze, die spoedig zag, wat er in iemand school, begreep van de bekwaamheid des jongen Reaels partij te moeten trekken en bezorgde hem een ambt bij de geldmiddelen, ten gevolge waarvan Reael zijn woonplaats naar 's Gravenhage overbracht, waar hij tot in 1611 vertoefde om een nieuwe en nog luisterrijker loopbaan in te treden. Ik zal u verhalen wat daartoe aanleiding gaf.

Onder andere belangrijke diensten, welke Oldenbarneveldt aan het vaderland bewezen had, was ook deze, dat hij een der voornaamste bevorderaars was geweest van de stichting der Oost-Indische Maatschappij. Onze macht in de Oost was toen nog niet wat zij later werd, noch waren onze bezittingen zoo uitgebreid: de inrichting was nog in haar beginselen en het vestigen van het gezag der Hollanders in die verwijderde gewesten was alles behalve een gemakkelijke taak. Men had in de Oost te kampen niet alleen tegen de doorgaande vijandige Mahomedaansche, Indische of Chineesche ingezetenen, maar ook tegen de Spanjaards en Portugeezen, die mede in die streken bezittingen hadden, welke zij begeerden te behouden, ja uit te breiden. Zelfs toen het twaalfjarig Bestand in 1609 met Spanje gesloten, en alzoo in Europa de strijd tusschen de oorlogvoerende partijen gestaakt werd, bleef die in de Koloniën voortduren. De middelen van gemeenschap tusschen Holland en de Oost waren nog traag, ongeregeld en onzeker, en er moest veel worden overgelaten aan hen, die zich ginds aan 't bestuur der zaken bevonden. Ongelukkig waren velen onder de bevelvoerders louter gelukzoekers, die meer hun eigen belangen dan die der Maatschappij voor oogen hielden, die de bevelen van den Gouverneur-Generaal niet nakwamen of zelfs tegenwerkten, en die door hun onbehoorlijke handelingen de Hollanders bij de Oosterlingen in een kwaden naam brachten. Dit kon naar het oordeel der Bewindhebbers zoo niet blijven voortduren. Er moest eenheid in het bestuur komen, en het bevel over de volkplantingen niet worden toevertrouwd dan aan mannen, die aan moed en bekwaamheid ook eerlijkheid en braafheid paarden, in één woord, op wie men vertrouwen kon. Zoodanig een man meende Oldenbarneveldt in Reael gevonden te hebben, en hij beval hem daarom den Bewindhebbers aan, die eerlang besloten, hem het bevel over een onderneming, naar de Oost bestemd, toe te vertrouwen. Zeker was het geen geringe eer voor iemand van nog zoo jeugdigen leeftijd, met een zoo gewichtige zending te worden belast; maar tevens behoorde er moed en zelfvertrouwen toe bij iemand, die tot nog toe de stille, rustige betrekking van ambtenaar aan een landsbureau bekleed had, zoo op eenmaal de taak van krijgshoofd te aanvaarden. Reael zag hier echter te minder tegen op, omdat zijn wiskunstige studiën hem er als van zelven toe gebracht hadden om zich ook in de zeevaart- en krijgskunde te oefenen. Hij nam dus het hem opgedragen bevel aan, en stak, in 1611, als Commandeur over vier schepen in zee. Overeenkomstig de bevelen, welke hij van de Bewindhebbers ontvangen had, stevende hij naar de Molukken, die gedeeltelijk in handen der Spanjaards waren en welke het hem was opgedragen, geheel onder het gezag der Maatschappij te brengen. Zich in Ternate gevestigd hebbende, gaf hij aldra blijken van kloekheid en beleid. Het eene fort voor, het andere na, wist hij op de Spanjaards te veroveren; verscheidene kleine eilanden werden door hem bezet; met de meeste Inlandsche Vorsten ging hij overeenkomsten aan in 't belang der Maatschappij, en hij vestigde den handel in landen, waar vroeger de Hollandsche naam nauwelijks bekend was geweest.--Wel rustten de Spanjaards een vloot in Manilla uit, bestemd om de onzen te verdrijven uit hunne bezittingen; doch Reael had al de plaatsen onder zijn gebied in zulk een goeden staat van verdediging gesteld, dat de onderneming geen gevolg had.