Vertellingen van vroeger en later tijd
Chapter 25
Verder, deelzans, diligence; conterleur, conducteur; prommenadepot, pommadepot. Het ligt in den geest van elke taal om vreemde woorden door eene kleine verandering tot hare eigene kinderen te maken; het voorbeeld van loopende motief, voor locomotief is zeker wat buitensporig, maar eene menigte geijkte woorden zijn aan dit beginsel hun bestaan verschuldigd. Onder deze behoort buffel voor duffel, en Jan, het is een jan, in houding vol moed en kracht, voor nan, gelijk nog de Friezen, van Goth. nanths, andax; Oud Ned. nenden, andere. Het woord grobbejanus is niet alleen Amsterdamsch, maar ik mag wel zeggen Nederlandsch, het beduidt een groven lomperd van lichaam en manieren beide, en het Hoogduitsche woord grob, in plaats van het Holl. grof, is hier tot thema gekozen, omdat de Westfaalsche grasmaaiers in dit land als onbeschofte botterikken aangeteekend stonden.--Verder beteekent een sekure iemand, die voorzichtig is tot bangheid toe, en trankiel, wat wij met een even onduitsch woord kordaat noemen, van het Fransche tranquille, stil, die niemand stoort, doch hier genomen in den Nederlandschen zin van rustig, die door geen gevaar in de kalmte en vastheid zijns gemoeds gestoord wordt.
De overige aanmerkingen, die onder geene hoofdsoorten te brengen zijn, zal ik thans naar de orde der woorden, op welke zij gemaakt zijn volgen laten.
Lol, pret. Thee-lol, theebezoek met het noodige gekakel. In dien zin is lol uit lodel samengetrokken. Lodel is gezang, van het frequentativum lodelen, contr. lollen, lullen, bij Kiliaan numeros non verba canere; frivola loqui. Lol, lul, ratio harmonica. Het primitivum is 't Goth. linthon, canere, waarvan 't Holl. luit; (luden) luiden. Van luden is ludelen, contr. lullen.--Van lol is ook lollig, prettig.
In Beijeren geldt nog ludel, sauggefass für kleine Kinder. Bij ons lul, de koperen pijp aan de slangbrandspuit, en veretrum.
Nog is er een ander lol, segnities. Eng. to lull, recumbere; lolle-pot, een stoof met vuur, waarover men zich lui zit te koesteren: lollen, over een stoof met vuur zitten.--In de geslachtlijst van Bilderdijk zijn deze thematha onder elkander geward.
Loizig, bezet met luizen. Een lichaamsplaag veranderd in een vloek, zooals afgemiterd, belazerusd, bezukt, enz. alles tot versterking der beteekenis, gelijk het Fransche peste, of ons duivelsch, bliksemsch, enz.
Jou, u, dat. en accus. van nom. Jij, Gij, Friesch Jou, Eng. You, id.
Klante, klanten, uit het Fransche Chaland.
Zen, de regelmatige dativus van zij, gelijk hun van hij. Zij, illi, behelpt zich anders in de casus met de verbuigingen van hij, hun, hen. Oud Nederlandsch, plur. si, illi; dat. hem, thans zij, hun.
Veul, veel, stad-Friesch feul, in eenige oude land-dialecten van het Friesch füle, Twentsch fulle. Oud Nederl. voel, waaruit veul, gelijk uit togen is teugen contra. De eu heeft zich in den loop der eeuwen verplat tot e. De oude vocaal in de wortelsyllabe was o, welke men hoort in het Gr. polus, het land-Friesche folle, multum, het Scandinavische met den voorslag der i, fiöl, die eindelijk de oorspronkelijke vocaal van hare plaats drong.--Goth. Oud Hd. filu. Hd. viel. Bij de Angelsaxen goldt oorspronkelijk de a, die nog in het Estnische palio, veel, is. Angels, feala, waaruit feola, het Friesch der oude wetten, fel.
Ie, hij. De h in hij heeft reeds het oudste bekende Nederlandsch, en toch is die aspiratie betrekkelijk nieuw, gelijk men hoort in het Goth. is, Oud Hd. ir, Oud Sax. he, maar in gen. nog is dat, imu, acc. ina. Reeds in het Angels, en oud Friesch treedt ook de h voor in alle casus. Het Grieksch heeft in dit woord de aspiratie hos hê maar het Latijn, dat ouder is, niet, is, ejus. De Amsterdammer onderscheidt het aan- en afwezen der aspiratie in de uitspraak zeer nauwkeurig. Hij zal nooit zeggen de has in de aardkolk, zoo als hier; de ie is dus een oude vorm, des te verwonderlijker omdat hij tegen het bestendig gebruik der Amsterdammers ook de oude waarde der i, die thans meest ei is, bewaard heeft.
Zoopie, slok jenever. Ik zuip. praet. ik zoop, van waar zoop-ken, stad-Friesch soop-ke, Holl. zoopje, zoopie, uit zoap-tsje. De Fries zegt ik sûp (soep) ik zuip, met eene zuivere u, de Hollandsche oe; maar in praet. ik sûep, (soep) met eene uitgehaalde meer door de o aangedane u. De oude Friezen zeggen daarom ien sûepke (saepke) en de Hindelopers ien sûep (soep) een slok haustus. Scand. sûp, jusculum, Fransch soupe; Friesch sûpe, (soepe) karnemelk.
Top, aangenomen! Het zij zoo! Topp heeft het plat Duitsch in dezelfde beteekenis. Het woord is zoo oud als toen de Franken, Nederduitschers van afkomst, dit woord in Gallië brachten, waarvan nog overig is het tusschenwerpsel tope, j'y consens, en toper, consentir à une proposition. De laatste Fransche etymologisten leggen dit woord af van het Hebreeuwsche TOV, goed, en Hull haalt tot voorbeeld aan dat Bathseba door Adonias gebeden om aan Salomo voor hem Abisag ten huwelijk te vragen, antwoordde, TOV, c'est bon. Goed! Best! Het is mij onmogelijk eenen Franschman in zijne geleerde vlucht te volgen, en mij wat korter aan den Germaanschen grond houdende zie ik in top het overblijfsel der vergrijsde gewoonte om met de toppen der duimen elkander te stooten, gelijk men thans elkander in de hand slaat, bij het sluiten van koop of overeenkomst. Outsen heeft nog in Noord-Friesland gezien, dat een oude grootvader met zijn kleinzoontje overéénkwam, dat zij elkander woord zouden houden, en ten teeken daarvan de duimen omkeerende de toppen op elkander drukten. Outsen. Glossarium der Friesischen Sprache, in voce Topp. Daarom zegt men in Osnabrug mit einem toplichten, voor het met iemand houden. Top, ook tipp holden, zijn woord houden, overal in het Platduitsch. Bij Haltaus op het woord aufstippen vindt men mit oren vingheren upstippen, met hunne vingeren tegen elkander stooten ten teeken der waarheid, ook alleen upstippen. De handpenning dien men elkander gaf ten teeken van geslotenen koop, of verhuring, noemde men daarom ook topschilling. Nu verstaat men ook wat het in het Fransch wil zeggen: Je lui tape la main. De herkomst en de ware beteekenis dezer gewoonte moet gezocht worden bij de volken, die uit midden-Azië opgerukt een tijdlang aan de boorden der (Pontus Euxinus) Zwarte Zee gewoond hebben, en van daar verder voortgestooten, als onze vroegste voorouders, onder verschillende benamingen in Europa gevallen zijn. Onder die volkeren of hunne naburen behoorde een deel van het rijk van Mithridates, van wier koningen Tacitus verhaalt, dat zij, een verbond aangaande, de eene zijne rechterhand sloot in die des anderen, waarna men vervolgens beide duimen wel vast aan elkander bond. Nadat op deze wijze het bloed in de toppen der duimen gedreven was, opende men door eenen lichten slag eene wonde, waaruit het vloeiende en zich mengende bloed door beiden gelekt werd. Oorspronkelijk was het dus een verbond door de plenging en nuttiging van het wederzijdsche bloed bevestigd, hetwelk zich tot het opleggen van de toppen der duimen zonder wijders beperkte. Taciti Annales XII. 47.
Een taaie, een sterke kerel, die het lang uithoudt, hier voor een glaasje sterken drank of jenever genomen.
Geskrokken, thans geschrikt, Ik schrik, praet. ik schrak, ik schrok. Dit is het ware praeteritum door misbruik in de gelijkvloeiende overgegaan en als zoodanig in de boekentaal met duizend andere dwaasheden opgenomen.
Euiwt-drinke, voor uit. De u ontwikkelt hier hare eigene consanantische lipblazing w. Ook in het Friesch van Gijsbert Japix, die steeds uwt schrijft. Deze eigenschap klimt op tot in de spraak van het hooge Noorden; want de IJslander spreekt hûs, ût, dûkr uit alsof er stond huvs, uvt, duvkr, hetwelk G. Japix spelt huws, huis, uwt, uit, doek, doek. Zie Anvisning till Isländskan af E. C. Rask. p. 12.
We peipe reis an, wij steken de pijp eens aan, het Duitsche anpfeifen.
Koetjes en Kallefies, deze spreekwijze, in gebruik door geheel Nederland, is herkomstig van die oude eenvoudige tijden, toen de bewoners dezer landen zich met het melken van een paar koeien geneerden, en hun gewoon dagelijksch gesprek over hunne koetjes en kalfjes liep. Koeties kent de Amsterdammer niet.
Ikke, voor ik, evenals datte voor dat, wanneer men met eenigen nadruk van zich zelven spreekt. De Fries vraagt verbaasd, als hij beticht wordt, Ikke? Ik heb dezen vorm in de Germaansche talen nergens aangetroffen dan in de Glossen van Kero, Ihha, egomet. Overigens is het klaar, dat uit ego moest worden eko, en dat dus het Goth. ik, Scand. ek, Angels, ic enz. de tweede lettergreep verloren hebben. Het Skrt. akam, ik, heeft ook twee lettergrepen.
Foef, schijn van welstandigheid om een ander te misleiden; pots, grap. Overijsel, foefe id. Foef is gezegd voor foech, door eene gewone verwisseling van ch met f. Hanover fiecheln, valsch spelen, vleijen. Bij Frisch fuckeln, vleijen. In het Pruissische wegfûkeln, wegmoffelen; tofukeln heimelijk in de handen steken. Het schijnt met foeken één te zijn, dat oorspronkelijk vouwen, in de vouw slaan, schikken, plooien, passen of betamen beteekent. Neder-Saxisch, Twentsch, Overijselsch foeke, een zak b. v. in een behang, valsche plooi in een kleed: Osnabr. fuken, passen, betamen. Kil. foeken accommotare, decere. Ital-foggia, forma, modus, ritus.
Niks, ook de stad-Friezen, voor niets. In het oud-Saxisch is het nowiht; Angel-Saxisch nawiht; oud Hd. niwiht, uit ni en wiht, eene zaak, wezen, schepsel; geen ding, dus. Bij de samentrekking van den genitivis niwihtes, verloor de volkstaal de t in niks, en de boekentaal de k in niets.
As, voor als, gelijk de Friezen en Engelschen. Hetzelfde lot heeft de andere liquida der tong r voor de s bij de Friezen, die waes, baes, voor waers, baers, warsch baars, zeggen.
Karreweitje, verkleining van karwei, het Fransche corvée. Karrewei voor karwei, en ballekon voor balkon.
Hacchie, leven. Hack, hak, beteekent het uiterste puntje, het uiteinde van een ding. Scand. haki, extremitas alicujus rei. Hachje, vleesch, spek, gelijk men zegt hoekje voor een stukje en in Noordholl. een endje stik voor een boterham;
"Dat hachje leijter toe, het mach er ligge rotte, 't Is beter daer as voor de muysen of de rotte."
Tr. Corn Klucht 1345 Hier voor endje leven. Hij schoot er het hachje bij in, is zooveel als het endje leven, zijn leven. Kil. hacke, ultimus, extremus, postremus, meest zegt Kil. in eenen kwaden zin. Vandaar buitensporig, die in uitersten loopt, onberaden. Scand. hackr, homo praeceps, vehemens. Ons hachie, waaghals, in oud-Nederl. hach, het uiterste gevaar; thans nog over in hach-lijk.
Poi, pui, thans balkon, het uitstek aan den gevel van een stadhuis, vanwaar de raadsbesluiten en wetten afgelezen worden; later het gedeelte van den gevel onder de puie, waarvoor de pilaren stonden, die de pui ondersteunden.
Van den prins geen kwaad weten. Iedereen heeft op prinsen en hun bestuur wat te zeggen. Die van den prins dus in 't geheel geen kwaad weet, moet wel zeer argeloos zijn en van niemand kwaad vermoeden. Misschien dagteekent deze spreekwijze van de worstelingen der zoogenaamde Loevesteinsche factie tegen de prinsen van Oranje.
Schilderen, verven. Fijnschilder, schilder. Het Amsterdamsch neemt schilder nog in den ouden oorspronkelijken zin, toen dit woord iemand beteekende die de krullen, kleuren en figuren op een schild verfde, hetwelk meer fabriek- dan kunstwerk was. Nadat eindelijk de schilderkunst hieruit geboren was, noemde men hare beoefenaars in tegenoverstelling der ververs van schilden, fijnschilders. Fijn is in oud Nederduitsch, wat in zijne soort het toppunt van kunst en bevalligheid bereikt heeft. Zie Kiliaan.
Drieselig, huiverig, schril, schrikachtig. Eng. dread, vreezen. Oud Hd. ih, intratu, vereor, er intriet, verebatur, in welk praeteritum de ie van drieselig teruggevonden wordt. Van dried heeft waarschijnlijk een verbum frequentativum driedelen bestaan, zooals van het Friesche griza, afgrijzen, gevoelen, grizelen, waaruit driedelig of drieselig en griezelig, rillende van koude of angst.
Tra-amonta-ane. Tramontane, de overbergsche, namelijk, wind en ster bij de Italianen die door berg hier verstaan het Alpische gebergte, waarover te hunnen opzichte de Noordstar schijnt en van waarover de noordenwind komt. Perdre la tramontana zeggen de Spanjaarden, voor de noordstar uit het gezicht verliezen, en dus niet weten in welke richting op zee te sturen. Figuurlijk, zijn hoofd verliezen, radeloos worden. De Spanjaards hebben deze spreekwijze hier in de gewone taal gebracht.
Perdoes, hals over hoofd, ook bij de Friezen gebruikelijk. Het is het Fransche perdu, of liever het Italiaansche perduto, verloren. De Engelschen hebben perdu in den zin van eene wacht in hinderlage op eenen gevaarlijken post. To lay perdue.
Donderement. Op zijn bliksem of donder krijgen, is in matrozentaal, op zijn lichaam krijgen, namelijk slagen. Naar sacrement, fondament, element, enz. vormde het gemeen uit donder, donderement.
Afzakkertje, een glas jenever om de plassen koffie en thee, welke men geslurpt heeft, af te drijven. In het laatst der zeventiende eeuw [80] begon men hier de thee en de koffie niet in te voeren, of dadelijk won de leer veld, dat men al dat warm water afdrijven en de verslappende kracht er van herstellen moest door sterken drank. Van dat oogenblik dagteekent het dagelijksch gebruik van den schandelijken jenever, die thans, en dieper, en zekerder, en duurzamer verwoestingen in ons volksleven slaat, dan alle nationale rampspoeden der laatste 50 jaren met elkander, en het zal eene der eerste en allerdringendste werkzaamheden van den Nederlandschen wetgever, die de voortduring van het onafhankelijk volksleven zijns vaderlands beoogt, moeten uitmaken, om aan dezen kanker van zedelijkheid en nationale kracht eindelijk paal en perk te zetten. Onze eerzucht heeft hoop ik, nog een edeler doel te beschieten, dan de eerste natie van dronkaards in Europa te zijn.
Koite, kuiten. Het Scandinavisch heeft van dit woord twee vormen, eenen met k, en een anderen met g voorop. Kyta en gytn, of gota, in den zin van den eijerstreng der wijfjesvisschen, piscicum ovarium, terwijl het Scand. zegt at gióta, gyt, praet. gaut, voor het ter wereld brengen der jongen van vogels en visschen. De oude Nederl. vorm was kijte en kiete, zie H. Junius Nomenclator, 73, en Kil. Eng. cut, Fris. kunta, pudendum muliebre. Grimm (Gram. II. 19.) brengt dit tot Goth. giuntan, ons gieten, in den zin van het Latijnsche fundere telen. Ags. geotan praet. geat, pl. guton, fuderunt. Vandaar met eene u gudsen, gutsen, geweldig vloeien, Vlaamsch gusselen, fundere. Landfr. guusje, guwsje, (vloeien) weenden. Deze vorm heeft ook het Zeeuwsche guus in den zin van kroost aangenomen; de guus is zoowel het kind als de kinderen. Gieten wordt hier dus toegepast zoowel op het kroost van menschen als van vogelen en visschen, evenals kind bij de Scandinaviers zoowel een dier als een kind, dus ieder schepsel beteekent. In al deze woorden heerscht dezelfde ellypsis; het Friesche barn, bern, van bera, ferre uterum, baren is voluit [81] moeder-baren (moederschepsel) zooals het bij de oude Nederlanders luidde. Oud Sax. kind proles, samengetrokken uit kinned (Ags. cennan, parere, cenned, productus), beteekent bij de Scand. een mensch, wanneer het met man samengesteld, mankind (mensch-schepsel) luidt, en gelijk kinned zoo wel het geteelde als den geteelde aanduidt zoo is mankind den Engelschen het menschdom. Kind luidde bij ons in deftigen stijl nog voluit menschen-kind, om een mensch-schepsel, dat is, mensch aan te duiden. Vergelijk Huydecoper op M. Stoke. I. 243. Andreae Lex. 144, en het Glossarium Saxonicum op den Heliand door den voortreffelijken Schmeller op kind.
Maar welk verband is er nu tusschen vischkuit (ovariam piscium) en het kuit (sura) van den mensch? de kuiten, en den naamsoorsprong tusschen onze kuiten, en krulhaar? Men moet de kuiten eerst een zeker voeder geven om krulhaar te krijgen!--De kuiten hield het algemeen volksbegrip voor een der zetels van de teelkracht, even als het kuit in de visschen er het voortbrengsel van was, en dus niet slechts voor het sieraad, maar ook voor de kracht des mans, terwijl kuiteloos en ontzenuwd voor woorden derzelfde beteekenis golden. Hja binne murg in kuwten quyt, zij zijn merg en kuiten kwijt, zegt Gijsbert Japix van de lichtmissen in de steden. Wie zijne kuiten had verspeeld kon als man niet meer optreden in de res venerea. Aan krulhaar verbond men niet zoo zeer het denkbeeld van dadelijke kracht als wel van wulpschheid, zoodat iemand met krulhaar als bijzonder proclivis in venerem geacht werd. Van daar ook het spreekwoord, Krul haar, krul zin, Krul leven zit er in. Doch niets bevestigt de waarheid van dit verband meer, dan het relletje, dat de Friezen den onbekende lieten uitspreken, om te weten of hij Fries was: Der is myn klirck sa krol as Klyrkamster krolheerede klirck; aller klyrcken is hi to krol. Idsinga, Staatsrecht I. 251. Daar verder lust de dochter van kracht is, had men de kuiten slechts braaf te voederen om het haar sprong en tier bij te zetten. Holl. Krolsch, salax; krolsche kater. Kil. krol, fastuosus.
Toitert, op den horen blaast. Tuiten, canere cornu; van waar het frequentativum tuiteren, Amst. toitere. Dit woord is ten minste 15 eeuwen oud; reeds Ulfilas gebruikte het in zijn bijbelvertaling op 1 Cor. XV 52, en 1 Thess. IV 16 voor salpinx, bazuine; thuthaurn, zegt hij, bij Kiliaan tuythoorn.
Met mijn krullen in de krulle van; Krullen omdat eene vocaal volgt; Krulle, omdat een consonant volgt. Zie de algemeene aanmerkingen boven.
Smeerde men al maar deur, dit men, mij, versterkt de uitdrukking; zoo ook jen als de 3de persoon optreedt. Dat gaf je daar een stank om te bezwijken; dat zuipt je daar als tempelieren.
Ik heef, ik heb. Zij die niet verder zien dan hun spelboek, trekken zeker van dezen vorm den neus op als een grof misbruik in den mond van het gemeen. Ondertusschen is heef even regelmatig als heb. Ik heb conjugeert immers den 3den persoon nog hij heeft, van het oude ik heef. Zoo ook het Ags. habbe, ik heb; haefst, gij hebt; haefth, hij heeft. Doch het Scandinavisch heeft de f door de 3 personen en beide numeri heen; hefi, ik heb; hefir, gij hebt, hij heeft; höfum, wij hebben; hafith, gij hebt; hafa, zij hebben. Landfr. ik haf, dou heste, hi het; wi jimme, hja hauwe, etc.
Opfrissertje, als 't den hemel belieft! De jenever strijkt 's morgens den dauw van de maag en doodt de pieren! De jenever beschermt den mensch tegen de guurheden der buitenlucht! De jenever is voor de maag wat de zweep voor een oude knol is, en doet ons lekker eten! De jenever bezorgt ons een lekker knippertje na den maaltijd! De jenever is een hond, die ons bijt en geneest tevens: hij doet ons delicieus en copieus theedrinken, en zet de thee weder af! En onder alle die zegenrijke werkingen voor onze gezondheid verschilt hij nog hierin van de Apothekers dranken, dat hij heerlijk smaakt, en wat veel, oneindig veel, zegt, in de ellende en armoede den doffen geest opfrischt. Er is maar ééne ziekte en één geneesmiddel, en dat is de jenever!
Gunter, ginder: t en d beiden goed. Ginder is uit het oud-Hd. gendra; maar het Goth. heeft 2 vormen jaindré, en jainthro, die gewis ook in het oud Nederlandsch gebloeid hebben. Uit jainthro is gunter.
Koudt, dood.
Bakbiest, eigenlijk, een spekbeest, een zwaar varken. Kil. back, porcus. Eng. bake, spek.
Den ouwe, de oude, d. i. de kapitein van het schip. Het bij alle volken heerschende denkbeeld, dat ouderdom regt tot gebieden geeft, heeft deze beteekenis aan dit woord gehecht: de matrozen noemen daarom dan ook eenen Kapitein van 25 jaren den oude.
Geloof jij die, Gijs? Algemeen laat de volksspraak in Nederland de t (oudtijds th in plur.) achter de f weg in den tweeden persoon als er gevraagd wordt, geloof jij? is het bevestigend dan blijft t, jij gelooft; maar in den derden persoon en hij gelooft en gelooft hij, beiden met t.
Slaapmussie, slaapmutsje. Men zet eene muts op om te beter te slapen, en men drinkt bij het te bed gaan een glaasje jenever om te beestachtiger te slapen. In het woord mutsje is echter deze speling, dat het zoo wel een maatje van sterken drank als een hoofddeksel aanduidt, men zegt immers een mutsje jenever. In den laatsten zin is het mudde, koornmaat; diminut, muddeke, muddetje, contr. mutsje.
Kromhouts gast, een scheldnaam aan boord voor reizigers, die medevaren. Een matroos is op het dek of klimt in het want; een soldaat of ander kerel, die als passagier medevaart, is onder deks, en dus tusschen de kromhouten, die als de ribben van het schip zijn. Een kromhouts gast is dus een soldaat of ander landkrab, die op zee zijn verblijf tusschen de kromhouten heeft; hier is 't in figuurlijken zin een naam van verachting, welken Sander aan den Chinees geeft, hoewel een zeeman.
Slinger-perdoen; perdoen is een touw, hetwelk tot stevigheid aan de stag vast is, en ter zijde der puttings door een perdoens blok wordt vastgemaakt. Thans geldt perdoen aan boord ook wel voor touw in het algemeen. Slinger perdoen is een slingertouw, waarmede Sander den langen staart van gevlochten hair bedoelt, dien de Chinees in den nek draagt.
Teugens, tegen, en teugen. Oud Hd. gagan, contra. Ags. gegen, gan, gean, gen; met an en on, angean, ongean, Eng. again. Ags. angeans. Eng. against. Uit gegens is ons jegens, maar uit het Ags. to geanes en to genes is dit togens of tegen met verrukking van den klemtoon, die op gens ligt, naar to. Teugens is ook weder stad-Friesch; het oude Friesch heeft het Eng. again verzacht in aien, door de Land-friezen verkort tot jin. Maar bij de verkorting van to gen laten zij gen, waar de accent op valt, onaangeroerd en versmelten de o van to in tsjn. Het Ags. geanes is een genitivus zoo als wij van voort, voorts, van een, eens, van regt, regts maken.
Angieren, met eene kromme bocht ergens tegen aanzwaaien. Zeer eigenaardig wordt het gezegd van een voorwerp, dat aan een touw zit en zich dus in eenen cirkelboog beweegt om het punt dat het touw vasthoudt. Dus zegt men een gierbrug, en de Chinees door Sander bij zijnen langen staart gegrepen en geslingerd, gierde tegen zijne zolen aan, dat is tegen zijne, den Chinees trappende, voeten. Van gyrus, kring, hebben de middeleeuwen gevormd girare, eenen steen met eene bocht uit eenen slinger werpen. Oud Fransch girer, thans virer. Van daar Giro, lacinia. Fransch giron, de bogt van den schoot eens zittende.
Noordoost, geheel verslagen, in onmacht. Deze uitdrukking is plaatselijk. Hier te lande van eenen boozen wind sprekende noemt men bij uitnemendheid den zuidwesten wind; waarvan de stormhoed der zeelieden, die met breeden rand achter over den nek hangt, nog den naam van zuidwester voert. Wie nu door den Zuidwesten wind op strand geworpen wordt, valt Noordoost. Van iemand die in zwijm ligt, zegt men op dezelfde wijze, dat hij buiten westen is.
Klabaaispringers, Klabaien even als klabaerden bij Kil. is geraasmaken door een of ander werktuig. De Chinezen dansen al springende op de hurken, waardoor de schelletjes die zij op het hoofd dragen, bengelen.
Toang bagoes! Mooie heer! Een compliment, een eerenaam, dien de Chinees aan den Europèer geeft, wien hij bedriegen wil.
Zwabber-kappetijn; van het oud-Hoogd. suebon, in de golven omgesold worden, is het frequentativum suebaron, heen en weder dobberen; ons zwabberen, over land en zee her- en derwaarts omgevoerd worden, zwalken. Een zwabber, is ook een scheepsdweil aan het einde van een stok gebonden, anders stokdweil genoemd. Zwabber-kapitein is hij, die meester van den zwabber is, d. i. de aanveger der vuiligheden op het schip.