Vertellingen van vroeger en later tijd
Chapter 23
Wij verplaatsen ons alzoo naar het jaar 1772 en wel naar Maandag den 11den Mei van dat jaar. Wederom staan wij op de Keizersgracht voor den ingang, die zijne gedaante nagenoeg behouden heeft, doch Herakliet en Demokriet zijn van boven de poort verdwenen en de lantaarns tegen de zijmuren aangebracht. Ook het kantoortje, waar wij onze lootjes nemen, bevindt zich nog op de oude plaats. Het voorplein overgaande, bevinden wij ons, evenals voorheen, voor eene tweede poort, naar welker bovenlijst de beide zooeven genoemde borstbeelden in 1668 zijn verhuisd. En nu treden wij nogmaals het portaal binnen en geven links onze plaatsbewijzen aan 't kantoor af. Helaas! geen verzen hier meer aan de muren; doch daarentegen, in stede van eene, drie deuren tegenover ons, die naar de zaal geleiden, en links eene deur en eene trap. Die trap opgaande, komen wij in de Regentenkamer boven 't portaal, een fraai en ruim vertrek, nog onlangs, in 1765, rondom vergroot, met kasten voorzien en prachtig beschotwerk, en van boven koepelsgewijze bepleisterd. De schoorsteenmantel is geheel naar den nieuwerwetschen smaak opgebouwd en versierd; maar daarbij zijn ook alweer de twee regels van Vondel verdwenen, en evenzoo is 't het geval met al het beeldwerk, dat vroeger aanwezig was.
Eer wij de Regentenkamer weer verlaten, een enkel woord over de veranderingen, die de wijze van bestuur heeft ondergaan. Behalve de Regenten der godshuizen, die niet altijd komediegangers waren en zeker niet allen verstand van tooneelzaken hadden, waren er oorspronkelijk ook letterkundigen (of die er voor doorgingen) als Jan Vos en dergelijken, door Burgemeesteren tot hoofden van den Schouwburg aangesteld. Doch juist deze lieden, van wier medewerking men zooveel goeds hoopte, gaven aan alle zijden stof tot beklag. Vondel moest op zijn ouden dag ondervinden, dat men zijne treurspelen door tooneelisten van den tweeden en derden rang en met versleten kleeren spelen liet, en de ernstige lieden riepen wraak over de goddelooze stukken, die men vertoonde. Dat de klachten niet ongegrond waren, bleek daaruit, dat in 1672 de Regeering den Schouwburg deed sluiten, die eerst in 1678 weer geopend werd. Maar ook toen ging het in de eerste jaren met het bestuur daarvan alles behalve vlot: 't eerste jaar vertrouwde men het aan zes personen, van stadswege aangesteld; maar toen klaagden de Regenten der godshuizen, dat zij niets te zeggen hadden, waar 't hunne eigen stichting gold, en men gaf hun deel aan 't bestuur, ja men droeg hun in 1680 het geheele bewind over de ontvangsten en uitgaven op, waardoor nu op hunne beurt de andere hoofden ontevreden waren en hun afscheid namen. Maar 't zij dat die van de godshuizen, nu zij alleen weer meester zijnde, begonnen in te zien, dat zij voor hunne taak min geschikt waren: of dat die hun te lastig viel, 't zij, dat zij eene zekere boven eene onzekere rente verkozen, zij verhuurden in 1681 den Schouwburg voor f 20,000 in 't jaar. De huurders maakten er echter geene rekening bij; in 1687 verzochten zij vermindering van den huurprijs tot op f 17,000 en in 't volgende jaar finaal ontslag. Zoo namen de Regenten der beide godshuizen het bewind weer tot zich, doch kregen een paar bezoldigde assistenten of directeurs onder zich, om hun behulpzaam te zijn in het aannemen van stukken en in de huishoudelijke beschikkingen, en zoo is de toestand nog.
Dat er keuren betreffende den Schouwburg gemaakt zijn, behoef ik u niet te zeggen: niet alleen ten opzichte der levenmakers en rustverstoorders, die, als zij 't te grof maken, achteraf gebracht worden; niet alleen ten opzichte van de acteurs en actrices, die, als zij hunne verbintenissen niet nakomen, met boete, onthouding van gage, en, als zij den eerbied te buiten gaan, aan 't publiek verschuldigd, met een verblijf van soms 24 uren in de kortegaard gestraft kunnen worden; maar ook ten opzichte der poëten, aan wie het volstrekt verboden is, ten nadeele van den Schouwburg samen te spannen (!) Maar bedenk ook, welke voorrechten die heeren genieten. Wanneer Regenten iemand als Poëet erkennen, dan heeft hij voor een jaar en zes weken vrijen toegang tot den Schouwburg; en bovendien, als er een stuk van hem gegeven wordt, krijgt hij, wanneer 't een voorspel in vijf bedrijven is, zes lootjes, en is 't een nastuk of kluchtspel, drie. Voorts geschiedt hem nog de eer, dat zijn stuk buiten zijne kosten gedrukt, maar dan ook uitsluitend en onaantastbaar eigendom van den geprivilegiëerden schouwburgdrukker wordt. Men ziet, het is aanlokkelijk genoeg, poëet van den Schouwburg te zijn.
Maar dit tot daaraan toe: wij gaan de trap weder af, en de deur links binnentredende, nemen wij een kijkje in de woning des kasteleins. Hij, die thans met deze betrekking begunstigd is, waaraan, behalve vrije woning, vuur en licht en eenige percenten op 't bespreken der plaatsen verknocht zijn, is niemand anders dan de beroemde acteur en plaatsnijder Jan Punt. Kijk! daar hangt zijn portret, in 't karakter van Achilles, met Griekschen helm en gepoederde pruik, schild en witte das, rijk versierde tuniek, in den vorm van een hoepelrok en kanten lubben, sandalen en cabretten handschoenen--keurig uitgevoerd, niet waar? en daartegenover hangt zijn jong en aardig vrouwtje, Cornelia Fokke, die de première amoureuse speelt, in 't karakter van Zaïre, met een tulband en eene stijve panier. Nog andere platen en vooral vignetten zien wij hier, door de bekwame graveernaald van Punt vervaardigd, en nog vrij wat meer zou hij u kunnen toonen, als hij zijne kunstboeken voor u ontsloot. Ook heeft hij bij de schilderloods, die achter het tooneel aan de noordzijde gebouwd is, eene rijke verzameling teekeningen en schilderijen. Doch de tijd van de vertooning begint te naderen en wij willen dan ook maar binnengaan. Van de drie deuren in 't portaal brengt die aan 't noorden naar de loges (zooals men tegenwoordig noemt wat men vroeger "kamertjes" of "huisjes" heette) en de middeldeur naar den bak. Zij, die op de gaanderij of op de staanplaats moeten wezen, gaan de deur ten zuiden in, doch als de voorstelling is afgeloopen, verlaten zij den Schouwburg langs eene trap, die naar een keldergang en zoo in een zijgang voert, welke laatste op de Prinsegracht uitloopt, wat het gedrang en tevens de vrees voor zakkenrollers, heel wat vermindert. Dat alles is in 't vorige jaar zoo geschikt, nadat de zaal vrij wat vertimmering had ondergaan.
Wat ons betreft, wij zullen de deur ingaan, die naar den bak geleidt: wij hebben daar het beste overzicht van 't geheel.
Zooals gij ziet, er zijn twee rijen, en achter de bovenste eene gaanderij, waarvan de zitbanken tot aan de zoldering oploopen. In plaats van het "ruim," waar men vroeger staan moest, hebben wij nu den "bak," met een aantal ruime zitplaatsen, en de staanplaats is naar achteren gebracht, tegenover het tooneel en diep onder de loges, zoodat, al maakt men er wat rumoer, het geluid gedempt wordt en voor de rest van 't publiek niet hinderlijk is. Heden avond zal 't ons echter in geen geval storen; 't is eene voorstelling met verhoogde prijzen en de staanplaats wordt niet gebruikt. Het orkest, dat vroeger ter zijde van het tooneel was, is nu daarvoor gebracht, en, terwijl het tot voor een paar jaren slechts het middelste gedeelte daarvan besloeg, beslaat het thans de geheele breedte. En let eens op die fraaie beelden van Melpomené en Thalia tusschen de Korintische kolommen van 't portiek, van achteren met pilasters gedekt, en op de goede uitwerking, die de als wit marmer geschilderde ornamenten doen tegen den roodgevlekten grond. Gij ziet, dat het gordijn nog de vereeniging van de Academie met de Oude Kamer herinnert, als vertoonende den Bijenkorf, omvlochten met den bloeienden egelantier, daarboven het woord yver, daaronder de regels van Vondel:
De Byen storten hier het eêlste datze lezen, Om d' ouden stok te voên en d' ouderlooze weezen.
En mij dunkt, op de verlichting valt ook niet aan te merken: vijf kroonen, die van den boog hangen, ieder met twaalf kaarsen: twaalf luchters, ieder met drie kaarsen, langs de bovenste loges, en even zoovele lantarens langs de zijmuren van den bak, om nog niet eens van het voetlicht te spreken: ik verzeker u, dat kaarsesnuiter en lampeknecht hunne handen vol hebben.
Maar zie! er begint al vrijwat volks te komen, en uitgelezen gezelschap daarbij. In de loges, in den bak, tot zelfs op de 12stuiversplaats de elegantste damestoiletten: altemaal nieuwe voorjaarsmodes en juweelen bij de vleet. Geen wonder: het Vlaamsche Operagezelschap van Neyts, dat met verlof van Regenten gedurende den zomer zijne gaven hier ten toon zal spreiden, geeft heden avond zijne tweede voorstelling, en zoo het groote ergernis geeft aan de gestrenge voorstanders van het nationaal tooneel, het lokt den beau monde hierheen.
't Mag nog al toevallig heeten, dat wij hier weder onder de toeschouwers lieden van denzelfden naam en hetzelfde geslacht aantreffen als die wij bij de voorstelling van "de Gebroeders" opmerkten. Die jongeling met zijn bruinen rok, in gindsche loge, is Joan De Wolff, en heeft, evenals zijn voorzaat, een Joost tot zwager, wel geen Joost Van Vondel, maar een Joost Van Eik, van de Heerengracht over de Driekoningenstraat, die met zijne vrouw en drie kinderen nevens hem zit. Die dikke man vlak boven hen op de gaanderij is Bram De Haes, kantoorbediende bij Colonius en achterkleinzoon van den dokter in de Wijk. Vlak bij u in een bak zit Koo Van Lennep, ook al een afstammeling van die Sara, die gij in 1639 zaagt, en, nevens hem, Cornelia Bierens, zijne echtgenoote, met hun' zoon en dochter. Om u nog eenigen der aanwezigen te noemen: die heer, die daar een bank verder zit, is Govert Lubs, die rijk uitgedoste dames zijne vrouw en dochter en die jongeling zijn zoon: die vrouw met dat prachtige garnituur is Mevrouw Teixeira De Mattos, eene vermogende Portugeesche jodin, en om hare weldadigheid bekend: die heer met zijn gouden knop aan zijnen rotting is de rijke Waalsche koopman Louis André, van over de Gouden Ketting; die vrouw in het parelgrijs, de weduwe Van Oostveen, van de Leliegracht, met hare zoons; die.... doch genoeg!.... de orkestmeester heeft zijne plaats ingenomen en het voorstuk, "de kwalijk bewaarde dochter," gaat beginnen.
De opera-buffa is afgespeeld. Het spijt mij, dat u hedenavond de middelmatige zang en het Vlaamsch accent dier operisten niet bevalt; zeker hadt gij er meer belang in gesteld, Jan Punt te hooren en den zeventigjarigen, maar nog altijd voortreffelijken Isaak Duim, en de uitmuntende tragédienne Cornelia Bouhon, of een blijspel te zien, waarin Nicolaes Evers in de karakterrollen, Pieter Zuyderhout als Frontin en Maria De Bruyn als soubrette uitmunt; maar dat kan nu niet, en ik heb bovendien mijne reden, waarom ik juist den avond van heden heb uitgekozen, om u hier te brengen.
Ziezoo! de twee eerste bedrijven van Sedaines bevallige opera "de Deserteur" zijn afgespeeld. Ik hoop, dat gij op de fraaie decoratiën gelet hebt, waar onze verdienstelijkste schilders aan gearbeid hebben. Wij hebben nu in het derde bedrijf weer, om te beginnen, de gevangenis, en dewijl het tooneel donker moet zijn, heeft men de schuiven voor de smeerkokers tusschen de schermen laten vallen. Ik hoor reeds menschen klagen, dat die Vlaamsche troep, uit zuinigheid, een slechter smeersoort gebruikt dan de gewone, en zeker riekt het alles behalve liefelijk; er is een walm, die iemand tegen de borst slaat, en Mevrouw Teixeira heeft al driemalen in de vijf minuten haar kostbaar gouden, met robijnen omzet lodderein-doosje aan den neus gebracht. Wij willen hopen, dat het ongerief zal ophouden, als, bij 't vijfde tooneel, de gevangenis in een landschap verandert, en 't weer licht moet worden. Maar zie! merkt gij dat vlammetje wel, dat daar aan de noordzijde van 't portret schuins boven 't beeld van Thalia flikkert? Ha! er zijn er meer, die 't merken. Daar stijgen de lieden rechts en links en overal met bleeke aangezichten van hunne plaatsen op: daar hoort men hier en daar een kreet van angst; maar zacht! Most, die voor Montauciel speelt, poogt ons gerust te stellen. Een van de Regenten heeft een suppoost geroepen, en na ontvangen inlichting verklaart de man ons uit zijne loge, dat er geen stof tot bezorgdheid is; en daar komt de Directeur van de stads-gebouwen, Rauws, ons dezelfde verzekering geven. Een van de vaste tooneelknechts heeft een bak vol water gehaald, om dien in de smeerkamer over de vlam te gieten; maar o wee! het ophalen van de schuif heeft lucht in den koker gebracht en daar slaat de vlam bruisend tegen de zoldering aan! daar heeft zij reeds het eerste scherm bereikt! Haal neder dat scherm, eer het het volgende aansteke! "Brand! brand!" klinkt het uit honderden van monden: geen enkele kreten meer, een algemeen noodgegil doet zich hooren en ieder is op 't middel bedacht om zich langs den kortsten weg door de vlucht te redden. De acteurs hebben 't eerst het hazenpad gekozen, de muzikanten springen uit het orkest op het tooneel, om langs den uitgang op de Prinsegracht weg te komen, de toeschouwers uit de loges snellen naar de trap. Op het tooneel woedt de vlam voort. De friezen en zijschermen branden lichterlaie: daar heeft het vuur de koorden, waar de lichtkronen aan hangen, aangetast en zij storten, de eene voor de andere na, brandende naar beneden: daar valt ook het gordijn: wij zien eene wijl niets anders dan de flikkering daarachter; maar de verblindende damp dringt tot ons door: hoor dien slag! 't is een der evenwichten, dat naar beneden stort. En nog een!--nog een!--friezen, schermen, wolkgevaarten, al wat het vuur bereikt, ploft met donderend geweld op en door elkander op den vloer.
En toch, op 't gevaar af van verplet te worden, zijn er wakkere mannen, die zich wagen in dien gloed. De Directeur Rauws, de grijze tooneelmeester Brinkman, de machinist Teffers en twee der vaste timmerlieden blijven op het tooneel het woedend element trotseeren en pogen te redden wat te redden is. Doch weldra zien de beide laatsten het vruchtelooze in hunner pogingen; zij vluchten en 't gelukt hun door een open raam in den zijgang te springen, en de Prinsegracht te bereiken. Maar vergeefs hadden zij, eer zij zich op weg begaven, de drie anderen zoeken over te halen, van hun ijdel waagstuk af te zien: het heldhaftige drietal blijft zich in dien laaien vuurgloed, in die wolken van stikdamp, tot in het uiterste kwijten: eerst over zeven dagen zal men hunne schier onkenbare overblijfselen van onder 't smeulend puin kunnen opdelven.
Maar om ons heen, in de zaal zelve! De snelle voortgang van den brand, de drift om het gevaar te ontvlieden, de angstige bezorgdheid, door echtgenooten, ouders, kinderen, vrienden en verwanten voor elkander gevoed, alles loopt te zamen, om eene verwarring te weeg te brengen, die den nood nog vermeerdert. Wijd genoeg is de deur, zoo die uit den bak als die uit de loges naar buiten geleid; maar de samenpersing van dien hoop menschen, die gelijktijdig een uitweg zoeken, belemmert den doortocht: ieder wil de eerste zijn en de eene houdt den ander tegen; menigeen raakt in 't gedrang onder den voet: anderen vallen duizelend neder, half gestikt door den ingeademden damp. Sommigen zoeken zich een uitweg over de staanplaats; doch daar, aan den buitensten uitgang gekomen, vinden zij dien gesloten en zij moeten op hunne schreden terugkeeren naar die hel van smook, die zij verlaten hebben, en, nu de achterste zijnde, achten zij hunne kans op lijfsbehoud nog verminderd door de gedane poging, om die te verbeteren.
Maar nog erger is het op de bovenste gaanderij gesteld. De deur aldaar, door welke de toeschouwers gekomen zijn, is gesloten; de deur naar de Prinsegrachtzijde, langs welke zij 't gebouw verlaten moeten, is nog niet geopend. Radeloos hollen zij heen en weder en vergeefs pogen zij de deur op te loopen. Daar trachten sommigen zich in de loges neder te laten; daar waagt de zwaarlijvige De Haes een sprong naar beneden: hij valt op de vloertegels in den bak en, helaas! om nimmer weder op te staan.
Ha! eindelijk hebben zij de deur opengerammeid. Als onzinnigen stormen zij naar beneden, en meer dan een raakt in 't nederdalen van de been, en komt dan gekneusd en hinkend op 't portaal.
Maar ook zij, wien 't gelukt is, van verschillende zijden dat portaal te bereiken, zijn daarom hun leven nog niet zeker. Zoo heftig is het samenhorten van hen, die hier uit drie deuren komen aanstroomen, dat ook hier de eene den ander het verder gaan belet. Nog erger! evenals de opene sluisdeuren door 't geweld van den daarachter tegen op stuwenden waterstroom, zoo sluiten zich hier achtereenvolgens de beide halve buitendeuren door 't geweld der golvende menschenstroomen, die er van achteren tegen worden opgedrongen en die zich zelven alzoo een uitweg versperren, dien zij zoeken. De ontzetting, de schrik, vermeerderen met ieder oogenblik, en, ik ijs op het verhaal: bij de ijselijkheid van hun toestand, voegt zich nog de tegenwoordigheid van booswichten, die, geen gevaar ontziende, waar zij hunnen rooflust bevredigen kunnen, als echte duivels, naar deze hel als naar hun element zijn toegesneld en nu aan weerlooze vrouwen hare versierselen, haren kostbaren tooi van hoofd en hals afscheuren, of, onder schijn van hulp te willen bieden, in de woning van den kastelein dringen en zich meester maken van al wat eenige waarde bezit. [74]
Het aan stukken slaan van het raam aan de noordzijde van 't portaal, waardoor men naar buiten klautert, en het verminderen hierdoor van het gedrang heeft ten gevolge, dat de buitendeuren weder open geraken; dit verschaft eindelijk den uittocht aan de menigte, in het portaal te zamen gepakt. Maar, zoo verreweg de meesten, zoodra zij het voorplein bereikt hebben, zich haasten dat oord van schrik te verlaten en hunne bezorgde huisgenooten gerust te gaan stellen, talrijk is nog het getal van hen, die hier vertoeven en dooreen dwalen, om de naaste panden te zoeken, van welke zij gescheiden zijn. Hoe ontzettend is de vertwijfeling van hen, die vruchteloos om hunne geliefden roepen, hoe blijde de vreugdekreet van hen, die ze behouden wedervinden!
"Waar is uwe moeder?" vraagt Van Lennep aan zijne kinderen, die hem in de armen snellen.--"Was zij niet bij u, vader?" klinkt de wedervraag, die hem door 't hart snijdt.--"Mijn God! uwe moeder!" roept hij: "eene halve ton voor wie mijne vrouw redt!" schreeuwt hij luide. "Gij, redt u van hier, ik moet haar wedervinden!" en onder 't geroep van "Keetje! Keetje!" snelt hij terug naar de plaats des onheils. Hij dringt binnen, hij klieft de walmende rookwolken door, hij stort zich in den bak, ja.... daar bij den ingang vindt hij haar, die hij miste, maar spraak- en roerloos nedergezegen. Hij poogt haar op te heffen: de leden zijn reeds verstijfd, en terwijl hij in radeloozen angst haar omhelst, bedwelmt ook hem de stikdamp: morgen zal men beider samengeklemde lijken terugvinden.
"Waar is Piet?" krijt angstig Mevrouw Van Eik. Zij zelve heeft een harer kinderen, haar man het andere met zich gered; zij vinden elkander, zij vindt haren broeder op de straat terug, doch waar is haar zevenjarige Pieter? Van Eik, even bezorgd als zij, wil zich weder naar den brandenden Schouwburg begeven, doch zijn zwager De Wolff houdt hem terug. "Gij moet voor vrouw en kinderen gespaard blijven," zegt de edelmoedige jongeling; "maar ik ben een vrijgezel, aan wien niets gelegen is. Ik zal gaan en zonder hem niet keeren!" En met deze woorden van Arend Van Aemstel verlaat hij hen: doch beter dan Arend Van Aemstel, die terugkeerde, maar zonder Gijsbrecht, houdt hij zijn woord: hij keert niet, en eerst aanstaanden Zondag zal men zijn lijk en dat van het kind van onder de ingestorte balken halen.
Waarom ben ik niet in staat, bij de namen van die beide slachtoffers ook den naam te vermelden van dien knecht des Heeren Verhamme, die, tot hulp zijns meesters, zich in het brandende gebouw waagt en er den dood vindt? of dien van den knecht van Mevrouw Teixeira, die tot tweemalen toe het doodsgevaar trotseert ter wille zijner brave meesteres, en niet terugkeert dan na de overtuiging te hebben, dat alle verdere nasporing onmogelijk ware. [75] Waarom niet de namen dier beide timmerlieden, die, gelijk wij straks vermeld hebben, door de achtergang gevlucht waren, en die gij wellicht van laffe zelfzucht verdacht hieldt. Neen, na hun leven te hebben gered, willen zij ook dat van anderen redden. Nauwelijks op straat, zijn zij de Runstraat omgesneld, naar de Keizersgracht, en zoo weder langs den vooringang binnen het gebouw. Geen damp, geene benauwdheid schrikt hen af; zij zoeken het portaal rond, zij vinden nog hier en daar een bedwelmde of machtelooze liggen, dien zij ophelpen en in veiligheid brengen: onder hen een Oud-Regent, dien een hunner op de schouders neemt en naar 't belendende huis van den schepen Hope draagt. Met het reeds verrichte niet tevreden, keert hij terug, ontsteekt eene kaars en begeeft zich daarmede in den nu stikdonkeren bak. De hier heerschende damp doet het licht uitgaan; maar de onverschrokken man wil zijne taak voortzetten: hij gaat en keert terug, deze reis met eene lantaarn. Wederom dooft de stiklucht de vlam, nog geeft hij den moed niet op: ten derdenmale bezoekt hij den bak met zijn brandend licht, telkens keer op keer roepende: "Is hier nog iemand? dan zal ik hem helpen." Maar eindelijk hoort hij overal om zich heen de binten kraken: hij hoort de onzichtbare vlammen langs de zoldering, over de gaanderijen sissen, schuifelen, gonzen, loeien: de wanden dreigen in te storten en in spijt van zich zelven is hij gedwongen, die plek, waar hij geen nut meer stichten kan, te verlaten, en nauw is hij in het voorportaal gekomen of alles achter hem stort in puin en asch over den bak dooreen. [76] In minder dan twee uren tijds is de prachtige Schouwburg met al zijn toestel in rook en vlammen opgegaan. Maar is het onmogelijk geweest, den voortgang van het vuur daarbinnen te stuiten en is het zelfs aan den ijver der brandmeesters, straks van overal met hunne spuiten toegesneld niet mogelijk geweest, tijdig genoeg te komen, om te beletten, dat de brand ook een paar belendende stallen in asch lei en eenige der naaste huizen aanstak, toch heeft men te twee uren 's nachts allen verderen voortgang van de vlam gestuit. [77]
Evenals ik u, waarde lezer, den Schouwburg heb binnengeleid, om u getuige te doen wezen van akelige en hartverscheurende tafereelen, [78] had ik u aldaar bij de viering van vroolijke en heuglijke feesten kunnen doen tegenwoordig zijn; doch mijn doel was, u den opgang, den voortgang en den uitgang van den eersten Schouwburg te schetsen en dat doel meen ik in deze schets bereikt te hebben. Ik besluit die met u te doen opmerken, hoe die Schouwburg, die gedeeltelijk zijn ontstaan te danken had aan eene Vlaamsche Kamer, naar Amsterdam overgekomen, weder te gronde ging ten gevolge, althans bij gelegenheid, der overkomst van Vlaamsche operisten. [79]
PLAT AMSTERDAMSCH.
Samenspraak tusschen
Den Verhaler, een verver Haarlemmerdijkers. Schele gijs, een tapper Zwarte Sander, een Oostindie-vaarder Kattenburgers. Klaas de Bobbert, Matroos om de Noord, en Hein Rip, een Heerenknecht