Vertellingen van vroeger en later tijd
Chapter 22
Binnengaande, vinden wij hier rechts 't "Comptoyr," waar wij ieder ons lootje nemen!--tweemalen in de week wordt er gespeeld, 's Maandags en Donderdags; wij stappen het binnenplein over en treden, door de tweede poort, die van 't gebouw zelf, het portaal binnen. Hier mangelt het voorwaar niet aan verzen: lees dit maar, al wederom van Vondel, en dat u meteen de verklaring geeft van de twee borstbeelden boven den ingang:
Tooneelspel quam in 't licht tot leersaem tijdverdrijf, Het wijckt geen ander spel, nocht konincklijke vonden, Het bootst de weereld na: het ketelt siel en lijf; Het prickelt ze tot vreughd of slaet ons soete wonden, Het toont in 't klein bestek al 's menschen ydelheyd, Daar Demokryt om lacht en Heraklyt om schreyt.
en dan dat andere, van den glazenmaker Jan Vos:
De Godsdienst roept de ziel: het lijf de zorg voor 't leven, Elck heeft haer eygen tijt, wie die hier tegen streven, Wie tijt in tijden vint, wort geen tooneel ontseyt. Zoo leert men door het spel noch deught in ledigheyt.
Vindt gij, zooals ik, die regels wat volle hoogdravend, en daardoor wat duister, zoo lees deze, die zijn eenvoudig en verstaanbaar; doch zij zijn ook weer van Vondel:
Geen kind den Schouburgh lastigh sy, Tobackspijp, bierkan, snoepery Nocht geenerley baldadigheyd. Wie anders doet wordt uytgeleyd.
Eene nuttige waarschuwing inderdaad! Boven in de vleeschhal zaten zij niet zelden onder hun pijpje en hun biertje naar de Kameristen te luisteren; maar hier hebben de Regenten begrepen, dat wie op zijne tabak en zijne kan verzot was, naar de kroeg kon gaan, en alleen beschaafde lieden hier behoorden te worden toegelaten. En nu gaan wij links deze breede trap op naar de Regentenkamer. Zie, 't ruime vertrek staat vol met beelden van goden en godinnen, die nog van de "Oude Kamer" hierheen zijn verhuisd, en boven de ruime Schouwe leest gij dit raadseltje van Vondel:
Geluckigh is het Land, Daer 't kind sijn moer verbrant.
Hierboven zijn de woonvertrekken van den kastelein; daar zult gij niet veel vinden, om uwe belangstelling op te wekken. Wij keeren dus maar naar 't portaal terug, en gaan, langs de trap tegenover de poort, de schouwburgzaal binnen.
Wij bevinden ons nu in 't "ruim," waar de kijkers mogen staan, doch in vergoeding vrijheid hebben heen en weer te loopen; wij zullen dan ook gedurende de vertooning hier niet blijven, maar ons zetten in een van die "cierlijke huisjes of kamerkens," die, ieder tusschen twee fraaie pilasters in Korintischen stijl, in twee rijen boven elkander, om 't "ruym" heenloopen. Daarboven is de gaanderij, met oploopende banken, voor hen, die niet verkiezen te staan, en voor wie die "huisjes" te duur zijn. Achter de banken, tegenover het tooneel, is een halfrond kerkraam, dat, als de dagen lengen, vrij wat licht geeft en vrij wat kaarsen spaart; echter is de kerkkroon, die in 't midden hangt, bereids opgestoken.
Van het tooneel is nog niets te zien, behalve de voorgrond, waar de muren aan weerskanten als gevangenis geschilderd zijn. De achtergrond is afgesloten door het groote gordijn, waarvan de banen met de stadskleuren afwisselen, zwart, wit en rood, en dat daar van dien ijzeren dwarsstang afhangt. Moet het tooneel eene gevangenis voorstellen, dan blijft het gordijn hangen; anders gaat het open en men ziet.... wat gij zien zult. Maar van boven kunt gij over 't gordijn heenzien, en bemerkt alzoo, dat de zoldering, die zich in 't midden tot een hoog gewelf verheft, over zaal en tooneel doorloopt. Pas op! daar beginnen al langzamerhand toekijkers op te dagen. Zie, die man daar op de gaanderij, met zijn donker uitzicht, zijn platten neus en smallen, doorloopenden knevel, dien gij voor een Oosterling zoudt aanzien, en die toch een geboren Amsterdammer is, ja geen andere taal spreekt dan zijne eigene, is Jan Vos, de schilder-glazenmaker, wiens verzen gij zooeven gelezen hebt, en die jonkman met dat levendige oog, die met hem spreekt, is de boekverkooper Otto Barentsz Smient. Hij heeft, twee jaar geleden, eene der uitgaven van Vondels "Gijsbreghd" bezorgd; maar het is niet als uitgever van boeken, dat hij zijn naam zal vereeuwigen; neen, hij herkauwt een plan, waar hij nu nog om wordt uitgelachen, maar dat hij eenmaal, zij het ook na jaren, zal verwezenlijken: [64] hij wil namelijk eene "loopmare" of courant uitgeven, die niet, gelijk nu, bij bijzondere gelegenheden alleen, maar eens, ja meermalen in de week, de nieuwstijdingen, zoo uit het vaderland als van elders in de wereld, mededeelt. Gij schudt het hoofd, gij acht het onmogelijk, dat een dergelijk ontwerp ooit tot stand kome: gij vreest, dat de schrijver van eene zoodanige courant zich dikwijls verlegen zal vinden, om geschikte stof; maar Smient is vol moed en voorspelt zelfs, dat er eenmaal een tijd zal komen, waarin de courantiers het formaat hunner bladen vergrooten zullen, wanneer die bladen niet meer eens of tweemalen 's weeks, maar dagelijks in 't licht zullen komen: wanneer hun getal bestendig zal toenemen, zonder dat de concurrentie hinder doet aan 't debiet: wanneer zij eene macht in de wereld zullen worden, opwegende tegen die van Vorsten en Parlementen en legers, en wanneer men de beschaving van een land zal afmeten naar het getal zijner couranten, en dan zal het voor ons land geene geringe eer zijn, het eerste gewest te zijn, dat geregelde, goed geschrevene en met juiste berichten voorziene couranten geleverd heeft.
Maar dat afdwalen naar de toekomst, die de "loopmaren" wacht, moet ons niet doen vergeten, dat wij in den schouwburg zijn, en dat gij nog wel andere personen wilt leeren kennen dan Jan Vos of Otto Barentsz Smient. Gij kijkt naar die Juffer, die daar zoo meteen in een der kamerkens van de benedenste gaanderij heeft plaats genomen: nu! ik kan het u niet ten kwade duiden; de fiere Katharijne Baeck is, al telt zij reeds 38 jaren, nog altijd
levend, helder, welgedaen, [65]
en
Die schrander, snel en even jeughdigh siet, [66]
eene der schoonste onder de Amsterdamsche schoonen. Zij is de dochter van den rijken koopman Lourens Baeck, en zoowel zij als haar vader en al de zijnen hebben altijd veel vriendschap aan Vondel bewezen: wat hij hun dan ook ruim vergolden heeft door de bevallige gedichtjes, die hij hun heeft toegezongen, of waarmede hij hunne hofstede Schei-beek bij de Beverwijk vereeuwigd heeft. Hij plaagde er haar vroeger mede, dat zij alle vrijers afsloeg; doch was zij lang
Katrijn, die met Diaen ten reie ging, [67]
zij schijnt begrepen te hebben, dat er een tijd voor alles is; althans op 18 November j.l. heeft zij zich onder 't juk begeven, en wel met dien deftigen Heer, die achter haar zit, den directeur Hillebrand Bentes. Vondel heeft, als te verwachten was, een bruiloftslied op hen gemaakt, en nu komen zij hem hun dank bewijzen, door bij de eerste vertooning van zijne "Gebroeders" tegenwoordig te zijn. Er behooren nog twee heeren tot haar gezelschap: de oudste is de geneesheer De Haes uit de Beverwijk, de ander is haar broeder Joost, de zwager en boezemvriend van den Drost. Of de Drost zelf zal komen, daar zou ik schier aan twijfelen. Er is, sedert dat Vondel, nu eene maand of wat geleden, tot de Roomsche Kerk is overgegaan, wat verkoeling ontstaan in de vriendschap, die Hooft hem vroeger bewees; niet dat deze juist zoo streng Gereformeerd is: ik geloof, om de waarheid te zeggen, dat hij tot geheel geene Kerk behoort; maar hij is afgepast en voorzichtig in handel en wandel, en een vijand van al wat naar manifestatie en ostentatie zweemt. Bij hem wordt het hart altijd door het hoofd beheerscht, bij Vondel regeert het hart het hoofd: en zoo zullen die twee het op den duur nimmer samen kunnen vinden. Maar wie in zijne genegenheid voor Vondel onwankelbaar blijft is de grijsaard, die daar een paar kamertjes verder komt zitten, de geleerde professor Vossius. Onze dichter heeft hem zijn treurspel opgedragen, en na de lezing bracht Vossius er zijn oordeel over uit met twee woorden: scribis aeternitati. [68] Dat lief en tenger meisje, dat met hem gekomen is, is zijne zeventienjarige dochter Johanna, aan welke hij, sedert het noodlottig omkomen van hare begaafde zuster Cornelia, [69] in dubbele mate gehecht is. Arme vader! geen drie maanden zullen er verloopen zijn, of eene kwaadaardige koorts zal u ook deze telg van 't hart scheuren en van geheel uw eenmaal zoo bloeiend gezin niet eene enkele overblijven, om u de oogen te sluiten. [70]
Wilt gij nog meer bekenden van onzen puikdichter zien, zoo wend uwe oogen eens eene verdieping hooger naar het echtpaar, dat in 't vierde kamertje van het tooneel af gezeten is. De man is de waterschout Nikolaas Van Buyl, de vrouw is Truitje Roemer Visschersdochter. Zij had zich nog gevleid, dat hare zuster Tesselschade uit Alkmaar zou overkomen, maar die keurde het seizoen minder tot reizen geschikt: de lucht stond naar sneeuw, en als het sneeuwt, is de toegang tusschen Alkmaar en Haarlem doorgaans belemmerd. Toch heeft de weduwe Crombalgh zich aanbevolen om bericht, hoe 't stuk voldaan had; want al onderhoudt Tesseltje voortdurend nauwe betrekking met hooggeplaatste lieden als Huygens en Hooft, zij vergeet toch haar ouden vriend Vondel niet; en 't zou haar ook kwalijk passen, nu hij haar onlangs zijn "Elektra" heeft opgedragen en haar geloofsgenoot geworden is bovendien. Zie, de grijsaard nevens Juffrouw Van Buyl, is haar neef Cornelis Van Campen, van wien ik u zooeven sprak, en twee plaatsen van hem zit Abraham De Wees met zijne familie, de boekverkooper op den Middeldam, [71] die thans bij voorkeur door Vondel met het drukken van diens gedichten begunstigd wordt, wat hem geen windeieren leit. Op dezelfde rij wijs ik u een tal van vrienden en verwanten van Vondel, meest buren uit de Warmoesstraat, maar toch ook van den Nieuwendijk, van 't Rok-in en elders. Daar hebt gij, om te beginnen, 's mans zwager Hans De Wolff, die zich de zijde-kramer noemt, ofschoon hij wel handelaar mag heeten, als men de uitgebreidheid in aanmerking neemt der zaken, die hij drijft: bij hem zit zijn zoon, die Hans heet als hij, maar zich liever Joan laat noemen, en diens aanstaande, Cornelia Block, en daarachter, ja waarlijk, daar houdt onze dichter zelf zich schuil. 't Is opmerkelijk, hoe de man, die met de pen in de hand zoo stout is en voor niemand terugdeinst, zich in gezelschap zoo schroomvallig toont en zich liefst op den achtergrond plaatst. Intusschen, dat ziet men meer. Zie, daar verder op, nevens hen, die ik noemde, hebt gij nog drie zijdehandelaars: David Rutgers en Daniël De Neufville, en den ouden Abraham van Halmael, met zijne dochter Sara en haren man, Warner Van Lennep, van Emmerik, wien de booze wereld nageeft, alleen om hare hand te bekomen Mennist geworden te zijn en het bedrijf van goudsmid opgevat te hebben, tot groote ergernis van zijne familie. Zijne vrouw is machtig op 't comediespel gesteld: de tooneelspeler Adam Carelsz. heeft dan ook nog onlangs haar lof hemelhoog verheven in de opdracht eener bij hem gedrukte vertaling van Horace, een treurspel van zekeren Corneille, die in Frankrijk naam begint te maken als tooneeldichter, welke vertaling het werk is van zekeren Jan De Witt van Dordrecht. De verzen zijn juist niet te best; maar men zegt, dat de jonkman in andere dingen niet onknap is en zijn weg wel maken zal. Om tot Juffer Sara terug te keeren, gij ziet, dat zij hare kinderen vroegtijdig smaak in de kunst wil geven, want zij heeft hare beide zoontjes, Jacob en Jan, en haar dochter Betje meegebracht. 't Zal te bezien staan, of zich de liefhebberij in haar nakroost zal voortplanten. Die brunette daarnevens is Maria Ansloo, dochter van Jan Claesz. Ansloo, kruidenier op 't Water, en de jonkman achter haar is haar vrijer, Anselmus Hartsen van den Nieuwendijk. Maar pas op, daar komen de Regenten van de godshuizen, die 't tevens van den Schouwburg zijn, hunne plaatsen innemen. Daar hebt gij, van 't Weeshuis, Nicolaas Van Campen, den bouwmeester, Cornelis Jan Witsen, Willem Van Loon en Guillaume Lindemone;--van 't Oude-Mannenhuis Tijmen Jacobsz. Hinlopen, die, evenals zijne geheele talrijke familie, veel met Vondel opheeft, en hem dikwijls te Eikhof op zijn buitengoed bij Bussum noodigt; voorts Gijsbert Michielsz. Hoppesack, Dirk Aertse Koek en Jan Michielsz. Blaeuw. Gerbrand Claesz. Pancras behoorde ook vroeger tot de weesvaders, maar hij zit nu in hooger waardigheid--daar komt hij het kamertje binnen, voor Burgemeesteren bestemd, en met hem zijne ambtgenooten Abraham Boom en ridder Willem Backer, vanouds begunstigers der Remonstranten en daarom bij Vondel in goeden reuk. Wat Jan Cornelis Geelvinck betreft, ik geloof niet, dat wij hem zullen zien; die valt niet erg comedieachtig. De vierde man in hun kamertje is de Schout, Dr. Jan Ten Grootenhuis: nog altijd dezelfde, die Vondel er door geholpen heeft, toen deze wegens zijn Palamedes vervolgd werd en men hem naar den Haag opeischte, om hem te hangen. En daarachter hen ziet gij het vroolijke gelaat van den Stads-secretaris Daniël Mostert, Vondels grooten vriend, en die beter dan eenig tooneelist de kunst verstaat, om 's dichters verzen voor te dragen, dat zij roeren en treffen. Het Kamertje daarnevens is voor de Schepenen bestemd. Daar ziet gij Dirk Tholinx, die met de zuster van Hooft is getrouwd, en Henrick Dircksz. Spieghel, die eerlang tot hooger waardigheid klimmen zal, en Reinier Joan Huydecoper, die meer dan iemand er prijs op stelt, als een kunstminnaar erkend en gevierd te worden. Maar ook de Vroedschap is heden avond niet slecht vertegenwoordigd: daarover ons zit de grijze Jacob De Graeff, die, in 1619 uit den Raad gezet, in 1630 daar weder inkwam op den eed, door hem in 1603 gedaan; wat verder de oud-burgemeester Gerard Schaep, die op de Bloemmarkt woont, met zijne nog altijd bekoorlijke vrouw, Maria Spieghel, die als kind op Vondels schoot gezeten heeft, toen hij nog bij haren oudoom, den beroemden zededichter, verkeerde. Het verloop der jaren en het veranderen der omstandigheden hebben een grooten afstand doen geboren worden tusschen de vrouw van den aanzienlijken Regent en den eenvoudigen winkelier, maar toch betoonen man en vrouw zich jegens hem minzaam als altijd en schuilt er achter den eerbiedigen toon der verzen, die Vondel hun toewijdt, toch eene vroolijke scherts, die van gemeenzaamheid getuigt. Eindelijk wijs ik u nog Jan Claesz. van Vlooswijck, denzelfden, om wiens benoeming tot Kapitein bij de schutterij elf jaren geleden zooveel te doen was en heel wat volks ontschutterd werd. [72] Maar 't zal nu wel haast vier uren zijn, zoodat wij ook een gemakkelijk plaatsje innemen: het spel zal wel zoo aanstonds beginnen.
Ja waarlijk! de gordijnen worden over de dwarsstang heengeslingerd. Nu! wat zegt gij? is 't niet een fraai tooneel, met zijn prachtigen troon in 't verschiet, tusschen standbeelden in nissen? Dat borstbeeld boven den troonhemel is dat van Prins Frederik Hendrik, en hooger nog ziet ge op een schilderij de goden van den Olympus, en in 't frontespies de Bijkorf. De zijwanden worden gevormd door uitspringende balkons, met kolommen en pilasters van Korintische bouworde. 't Is waar, het eene balkon is nu gedekt door een geschilderd rotsscherm, dat er tegen aangezet is; wat te kennen geeft, dat de handeling in de open lucht voorvalt; gij moet u alzoo den troon en al 't getimmerte wegdenken en u voorstellen dat gij in een bergachtig landschap kijkt. Een weinig verbeelding is er bij noodig: maar bovendien, Vondel zorgt altijd in zijne stukken, dat zijn personages aan den toeschouwer eene dichterlijke en toch zeer juiste en nauwkeurige beschrijving geven van de plaats, waar zij zich bevinden. Pas op! daar vertoont zich de Hoogepriester Abjathar met zijne priesters op 't in een rots verkleed balkon; hij wordt ondersteld nedergedaald te zijn van den bergtop, waar Gabaa gelegen is. Gij zoudt voorwaar in dien deftigen grijsaard, wiens hoogepriesterlijks kleeding Vondel zelf tot in de kleinste bijzonderheden heeft voorgeschreven, den vroolijken offeraar aan de godin Bierana en den god Brandemoris, Harmen Van Ilt, niet herkennen. Die voor de Rei van Priesteren 't woord voert, is de letterzetter Frans Schuylingh. En daar treedt van de andere zijde, zoo 't heet uit de vallei, de bontwerker Jan Lemmers te voorschijn als Koning David, die den Hoogepriester komt raadplegen over de middelen, om Gods toorn te verzoenen en de droogte te doen eindigen. Voor de Levieten, die hem volgen, spreekt Adam Carelsz. van Zjermesz, dezelfde, die ik u zooeven noemde als uitgever van den vertaalden Horace--een uitmuntend tooneelspeler. En nu geluisterd....
Het eerste bedrijf is uit. Heerlijke verzen, niet waar? en hoe prachtig is niet die beschrijving van de driejarige droogte en de daaruit voortgesproten rampen! En hebben zich die vier zangers, Barend Van Hoorn, Jacob Willemse, Jan en Jelis Noseman, niet voortreffelijk van hunne taak gekweten? Ofschoon ik beken, dat ik de Reien liever hoorde zeggen dan zingen; er gaat met dit laatste te veel van de woorden verloren. Nu zullen die wraak- en moordlustige Gabaonners optreden, voorgesteld door Thomas De Keyser, van wien Gansneb Tengnagel zong:
't Cieraad onzer treurtoneelen, Tomas Keyzer meen ik, die Ziel en zinnen plagt te streelen, Ik, als Keyser, naad'ren zie
Die de wereld zoo verbeelde, Stem noch uytspraaks weerga had, Zelf ook met zijn wesen speelde, Als hij maar 't toneel betrad.
Hoor! de Gabaonners zijn verlangend te weten, welk antwoord de Koning van God ontvangen heeft; doch hunne nieuwsgierigheid wordt maar half bevredigd. Maar nu komt David zelf uit het heiligdom en meldt hun, dat Gods toorn alleen te stillen is door verzoening van het kwaad, aan die van Gabaa door Saul gedaan. Dat is den Gabaonners koren op hun molen en zij vorderen nu bloed--den dood van Sauls onschuldige zonen. De Koning is alles behalve geneigd, om hun dien harden eisch toe te staan; maar de Hoogepriester wijst hem op Gods geopenbaarden wil, en Benajas--door Paulus Pierson voorgesteld--voegt er politieke redenen bij.
Nu hebben wij 't derde bedrijf. Daar komen Rispa en Michal, Sauls weduwe en dochter, in zwart en wit rouwfloers uitgedost. Voor Rispa had De Bray moeten spelen, die uitmunt in de vrouwenrollen; maar hij heeft het tooneel verlaten en nu neemt Isaac Verbiest zijne plaats in. Michal is Jacobus De Villiers: beiden zijn goede tooneelisten; doch 't is te hopen, dat er eens een tijd komt, waarin wij de vrouwen ook door vrouwen zien vertegenwoordigen. Nu komen die niet anders op het tooneel dan als er gezongen moet worden; maar in een hoofdrol heeft tot nog toe geene vrouw zich gewaagd. [73]
Volgt het gevangennemen der zeven gebroeders, voor wie Jan Heerhuyzen de barbier het woord voert, en de jammerklachten der bedrukte moeders, die in 't vierde bedrijf tot radeloosheid overslaan, wanneer zij van David geen genade hebben kunnen verwerven en de zeven gebroeders aan de Gabaonners overgeleverd en door hen ter strafplaats geleid worden.
De gordijnen worden nu nedergehaald; zeker zal er aan den toestel veranderd moeten worden. Ik hoor al dat er gesjouwd en getimmerd wordt.
Daar gaat het tooneel weer open; ja, ik dacht wel, dat ons eene verrassing bereid was: daar hebben wij zoowaar een tusschenspel! Daar hangen de zeven broeders--net eene galg vol--van Gabaonners, Staatsjuffers en Levieten omringd. De Keyser zegt er de verzen bij op, die wij op het aanplakbiljet lazen. Zie! daar treedt eene van de staatsjuffers voor, om eene weeklacht uit te boezemen. Hoor, hoe er in de handen geklapt en gejuicht wordt! Ja, zulke vertooningen kan ons publiek niet buiten:--hoe gruwzamer en hoe akeliger hoe mooier, en ik ken er zelfs onder de zoogenaamd deftige lieden, die, wanneer zij hun hart recht uitspreken, zullen bekennen meer vermaak te scheppen in zulk een poppenspel, dat eigenlijk bij Lingelbach in 't Doolhof thuis behoorde, dan in 't aanhooren der fraaie verzen van onzen puikdichter. Maar ik merk, dat gij niet van dat gevoelen zijt, gij wordt bleek: dat schouwspel maakt u wee en gij verlangt naar frissche lucht. Goed! dan zullen wij de rest maar voor gezien houden en zoowel den Schouwburg als het jaar 1639 verlaten.
III.
De herbouwde Schouwburg.
Nauwelijks vijf en twintig jaren zijn verloopen, sedert dat wij ons bezoek aan den Schouwburg brachten; maar als te Amsterdam een gebouw 25 jaren gestaan heeft, dan heeft men tegenwoordig er al genoeg van, en dan moet het noodwendig veranderd, verfraaid of, liever nog, geheel hernieuwd worden: adres aan het Pesthuis, dat pas gezet was of het werd weder elders opnieuw herbouwd, aan de geheel van gedaante veranderde Beurs, aan het spiksplinternieuwe Stadhuis, aan het Zeemagazijn, aan de Heiligewegs- en andere stadspoorten, die, pas gebouwd, weer gesloopt werden, om door fraaiere vervangen te worden. Neen! men houdt in Amsterdam niet van lapwerk! bevalt iets niet, dan moet het weg, om voor wat beters plaats te maken, en ieder gebouw moet zijn eigen en passend karakter hebben. Zoo behoort het ook en lang moge het zoo duren!
Evenals met zoovele andere gebouwen is het ook met den Schouwburg gegaan. Zie, zulk een vast tooneel, dat voldeed op den duur niet langer; altijd op zoo'n troon te kijken, ook al kwam er in 't stuk geen troon te pas, en dat nog wel sedert dat men in Italië beweegbare schermen was begonnen te maken en zulks te Parijs en elders was nagevolgd. 't Is waar, men had zinkluiken, om geesten te doen opkomen, en eene wolk, met het opschrift: Jupiter omnibus idem, om goden en engelen te doen nederdalen; maar dan was ook het voornaamste gezegd. En dan was er, wanneer 't vol liep, gebrek aan zitplaatsen, terwijl fatsoenlijke lieden er voor bedankten om in 't ruim onder 't gepeupel te staan. Om aan deze en andere bezwaren te gemoet te komen, vonden Regenten dan ook maar goed, geen halve maatregelen te nemen: zij smeten 't gansche gebouw onder den voet en op 24 Maart 1663 lei Mietje Vos, het dochtertje van den dichter, den eersten steen van de nieuwe stichting. Niets bleef er bewaard van wat er geweest was, dan alleen de beelden van Melpomené en Thalia, die naast den troon plachten te staan en nu den voorgrond van het tooneel versieren. En willen wij 't nieuwe gebouw, nu 't voltooid is ('t heeft f 36,663 gekost: 't getal des Beestes tusschen twee drietjes, zeiden de vrome lui), niet weder eens gaan bekijken?--Tot uwen dienst; maar dan wachten wij, zoo 't u hetzelfde is, liever nog eene goede honderd jaren: ik breng u dan in de zaal op een merkwaardiger tijdsgewricht en ik geef u meteen een kort overzicht van wat er intusschen met betrekking tot den Schouwburg is voorgevallen.