Vertellingen van vroeger en later tijd

Chapter 21

Chapter 213,885 wordsPublic domain

"Ik heb vroeger gezegd, en zeg het nog," hervat Witsen, "dat, waar het de belangen van den godsdienst geldt, men die Gode alleen behoort over te laten.--Houdt de meerderheid in Engeland krachtig aan de Protestantsche Kerk vast, dan zal zij ook bij machte zijn, de Paperij te weren, en desnoods Koning Jacobus te behandelen als zij vroeger zijn vader heeft gedaan.--Als wij echter de zaak niet als theologanten, maar--wat geloof ik, onze plicht is--als staatslieden beschouwen, dan komt zij mij voor, eene minder aanbevelenswaardige zijde te hebben. De onderneming gelukke al of niet: wij maken ons Frankrijk ten vijand, dat enkel op een voorwendsel wacht, om den krijg te hervatten: en, hebben wij herhaaldelijk met roem oorlog gevoerd, een land van commercie, als het onze, heeft behoefte aan vrede."

"De Heeren," zegt Bentinck, "hebben mij echter vroeger de verzekering gegeven, dat zij zich niet tegen het verleenen van onderstand zouden verklaren."

"Ongetwijfeld," zegt Geelvinck: "en de Heer Witsen wil alleen het gevoelen uitdrukken van hen, die de zaak bloot van een politieke zijde beschouwen."

"Wel," hervat Bentinck, "verbeuren wij de vriendschap van Frankrijk, waar toch al niet veel op te roemen valt, wij verzekeren ons van die van Engeland:--en 't is vooral dat Rijk, onze mededinger op zee, waar wij in goede harmonie mee moeten leven. Verdeeld hebben wij alles te vreezen: dit heeft 't jaar 72 genoeg geleerd:--vereenigd kunnen wij geheel Europa tarten."

"Wij zullen," zegt Witsen, "dan wachten tot wij officieel worden uitgenoodigd, de Vroedschap te raadplegen, en dan wil ik den Heer Bentinck gaarne ons voornemen mededeelen, 't welk strekken zal te verklaren, dat, zoo de Prins volhardt in zijn plan, wij het betamelijk achten dat de Regeering hem ondersteune, mits men met de Engelsche Natie op een goeden voet blijve, en, zoo mogelijk, worde schadeloos gesteld voor de opofferingen, ten haren behoeve gedaan.--En nu, mijne Heeren! het avondmaal wacht: de Heer Bentinck zal niet weigeren het geringe voor lief te nemen en voor eene wijl, aan mijn disch, met ons, alle staatszorgen en politieke quaestiën aan eene zijde te stellen en ons 't een en ander te vertellen van het merkwaardige, dat hij op zijne reizen bespeurd heeft. Hij is toch een Ulysses

mores hominum qui vidit et urbes [60]

en wij kunnen van hem vernemen, hoe het in die Duitsche steden er uitziet, sedert wij ze in onze jeugd bezochten."

Bentinck buigt zich, wel inziende, dat voor 't oogenblik elke poging om tot het behandelde onderwerp terug te keeren, geheel vergeefs zou wezen, en de vier Heeren begeven zich naar de eetkamer, waar een prachtige en overvloedige maaltijd is aangerecht. Wat onder het nuttigen daarvan gesproken wordt, hebben wij hier niet te vermelden: alleen dit, dat, als op het nagerecht Bentinck aan de beide Burgemeesters afvraagt of zij niet met hem een roemer willen ledigen op den goeden uitslag der onderneming, zij zich beleefdelijk daarvan verschoonen.

De tijd van scheiden komt. Bentinck, die zijne bekomst heeft van het schokken en hossen in de toeslede, en niet bevreesd is, dat nu, bij donkeren nacht, hem iemand herkennen zal, verkiest zich te voet naar den Overtoom te begeven, waar de karos hem wacht, die hem naar Honselaarsdijk bij den Prins zal brengen. Hij neemt afscheid van de Burgemeesters en vertrekt, met De Wildt, die hem tot buiten de poort vergezellen zal.

"Slechte troost, die men mij gegeven heeft," zegt hij, zoodra zij op straat zijn, tot zijn geleider.

"Wees niet bekommerd, mijnheer!" antwoordt deze: "de Heer Witsen is--wat zelden voorkomt--tevens een man van strenge nauwgezetheid en een doorslepen diplomaat. Hij wil niet bepaald afraden wat wellicht ten voordeele van den godsdienst strekken kan, en evenmin kans loopen, dat men hem, als de onderneming verkeerd uitvalt, ten laste legge, die met woord of daad te hebben aangemoedigd, maar wordt eens de zaak in de Vroedschap aangebracht en aldaar, waar ik niet aan twijfel, tot het ondersteunen van den Prins besloten, dan zal hij, dan zullen de Heeren Van Waveren en Van Castricum, niets onbeproefd laten wat dienen kan, om die ondersteuning zoo krachtig mogelijk te doen zijn. Overhaasting alleen had ons voornemen kunnen verijdelen: de zaak moet zooverre gevorderd zijn, dat het terugtreden onmogelijk is, en de Stads-Regeeringen zelven dit inzien."

En de uitkomst leerde dat De Wildt de waarheid had voorspeld. Toen de Raadpensionaris Fagel bij omzendbrief van 9 September aan de Steden verzocht, haren Afgevaardigden ter dagvaart te gegelasten, een besluit te nemen tot verdediging van den Staat, en te Amsterdam de regeerende Burgemeesters benevens eenige Gemachtigden uit den Raad werden verzocht van voorlichting te dienen, werd zoowel door dezen geadviseerd als bij de Vroedschap begrepen, dat, onder de bestaande omstandigheden, er geene keuze meer overbleef dan aan den Prins den verlangden steun op de meest afdoende wijze te verleenen: en hoe zich Witsen daarin tot genoegen zoowel van den Prins als van zijne Vaderstad kweet, bleek daaruit, dat hij, toen, gelijk men weet, de onderneming met goeden uitslag bekroond was, tot Buitengewoon Gezant naar Engeland werd afgevaardigd, om den nieuwen Koning met zijne troonsbestijging geluk te wenschen, en dat deze hem, tot loon voor zijne diensten eene baronie wilde verleenen en het Curatorschap der Leidsche Hoogeschool. Hij bleef echter ook toen zich zelven gelijk en sloeg titel en waardigheid af, geen rang of voorrechten voor zich begeerende te trekken uit eene gebeurtenis, waarvan het bevorderen aan zijne stadgenooten wel veel eer en oogenschijnlijk ook veel blijdschap had gegeven, maar tevens, door den oorlog met Frankrijk, die nu ontstond, onmetelijke nadeelen had toegebracht.

I.

Costers Academie.

Wij willen nu, van het huis van Witsen naar de overzijde gaan, om stand te houden voor dat poortje, tusschen de Run- en Beerestraten, en eens te zien, wat op die smalle strook papier te lezen staat, die er is aangeplakt en de aandacht van de voorbijgangers niet weinig schijnt te trekken. Daar zijn wij er, en, vergeet dit niet, het is op een Decemberdag van 't jaar. Zie maar; gij behoeft er uw bril niet voor op te zetten: de letters zijn groot en duidelijk genoeg. Er staat:

I. v. Vondels Gebroeders, Treurspel.

't Gerecht des hemels haet het gruwlijck bloedvergieten, Verdelght al Sauls huis en zijn gedachtenis. Al schijnt het aen den tijd hier jaren lang te ontschieten, Hoe langh de wraeck vertrecht, zij komt in 't end gewis.

Ten vier uren presijs [61].

Eilieve! een stuk van den ouden Joost! dat zal wel de moeite waard zijn, dat wij 't eens gaan kijken. Maar 't is nog geen drie geslagen: wij hebben nog den tijd, en terwijl wij een straatje omwandelen, zal ik u inmiddels eens vertellen, waar wij Amsterdammers dien schouwburg, die daar nu eerst sedert drie jaren staat, eigenlijk aan te danken hebben.

Gij weet, naar ik onderstel, dat, reeds vóór de hervorming, het in de Nederlanden krioelde van zoogenaamde Kamers van Rhetorijke, of Rederijkers-Gezelschappen, in welke men moralisatiën of "Spelen van Sinne" vertoonde, prijsverzen opgaf en beantwoordde, plechtige optochten hield en zich en anderen op verschillende wijze poogde te vermaken. De geestelijke heeren, die toen juist allen geen heiligen waren, kregen er in die zedespelen niet zelden ongenadig van langs: en zij getroostten zich dat: al sedert de dagen van "den vos Reynaert" waren zij het gewend, dat men met hen schertste. De leus van Mazarin: "laat ze gerust zingen als zij maar betalen," was ook toen de hunne, en zoolang noch hun gezag noch hun inkomen schade leed, lieten zij dat Rederijkersvolkje gerust zijn gang gaan, ja vermaakten zich nog wel over de uitgekraamde zedelessen en schimpscheuten, die zij, natuurlijk ieder op zijn frater, en niemand op zich zelven toepasten. Maar zie! daar kwam Luther; daar vond zijne stem, en die zijner medestanders weerklank hier te lande, en dat wel bijzonder in de Kamers van Rhetorijke, die, hoezeer dan op kleine schaal, toch de critiek vertegenwoordigden, evenals in latere eeuwen de dagbladpers. Nu veranderde de zaak van natuur. Wat men uit den mond van de predikers der hervorming niet hooren wilde, dat wilde men even zoomin hooren van de Rederijkers: en zoo werden op vele plaatsen de kamers verboden en de leden gestraft. Te Amsterdam, waar in 1553 eene dier Kamers een batement of blijspel vertoond had, in 't welk de zeden der geestelijken wat onvoorzichtig waren doorgestreken, werden de negen liefhebbers, die 't stuk gespeeld hadden, tot eene bedevaart heel naar Rome veroordeeld: wat hun althans belette, in de eerste maanden zulk een waagstuk te herhalen.

Van dien tijd af schijnen alle Kamers voor eene wijl uit Amsterdam verdwenen te zijn, op eene na, die, ook na de Regeeringsverandering in 1578, in stand bleef, en de "Oude Kamer" genoemd werd. Zij voerde, tot blazoen, een kruisbeeld met een egelantier onder de doornen, en tot zinspreuk In Liefde Bloeyende. Werkelijk bloeide zij dan ook, niet enkel door het getal en het aanzien harer leden, waaronder schier al de voornaamste Regenten geteld werden, maar ook door hare werkzaamheden, als een school, waar de regelen der schrijftaal door mannen als Coornhert, Spieghel en Roemer Visscher onderzocht en het Nederduitsch, zooals wij het thans spreken en schrijven, gevormd zou worden.

In 't jaar 1585, na 't overgaan van Antwerpen, kwamen twee Brabantsche Kamers vandaar naar Amsterdam over. De eene, die niet lang in wezen bleef, had tot blazoen "het Vijgeboomken," met de zinspreuk Het zoet vergaeren: de andere heette "De Witte Lavender," met de zinspreuk Uit levender jonst. Tusschen deze laatste en de "Oude Kamer" ontstond alras groote naijver: op de Oude Kamer werden sommige stukken van Hooft, op de Brabantsche in 1612 Vondels "Pascha," op beide de geestige kluchten van Bredero vertoond. Maar de naijver ontaardde in twist, eerst tusschen de beide Kamers, toen tusschen de leden onderling; het personeel was van lieverlede niet meer wat het vroeger geweest was; schier alle mannen van aanzien en smaak hadden zich onttrokken aan een gezelschap, waar lieden zonder opvoeding den boventoon voerden. De gelijkheid van allen op het gebied der kunst is op zich zelve eene schoone zaak; maar evenals elke andere gelijkheid, mist zij veelal hare toepassing, wanneer zij in practijk gebracht en aan vaste regelen moet onderworpen worden. Het mocht een schoon denkbeeld heeten, dat in de Rederijkerskamer de nederige ambachtsman zich eene plaats kon verschaffen naast den vermogenden handelaar of den deftigen regent: dat, waar alleen iemands letterkundige verdiensten in aanmerking kwamen, de winkelier Vondel of de smid Krul eene hoogere plaats innamen dan deze of gene Schepen of Commissaris; maar niet alle winkeliers en ambachtslieden, die in de Kamer werden opgenomen, waren mannen van bekwaamheid en studie als Vondel en Krul. Velen waren onbeschaafd, lieden, die handwerk en huisgezin verwaarloosden, om zich toe te geven aan onbeduidende rijmelarij: lieden, die geen behoefte naar onderricht, geen zucht tot veredeling van hunnen smaak, geene liefde tot de kunst als zoodanig naar de Kamer dreef, maar het verlangen om lof in te oogsten voor hun erbarmelijk broddelwerk, om hunne ijdelheid gestreeld te zien door zich in denzelfden kring te bevinden met hunne Magistraten, of wel, wat nog erger was, om zich bij kroes en kan te vermaken in gezelschap van "vroolijke jongens" gelijk zij. Was het wonder, dat, toen die "vroolijke jongens" den boventoon kregen, de meer beschaafden zich allengs terugtrokken? Was het wonder dat een man van kiesche vormen en keurig in zijn omgang als Pieter Corneliszoon Hooft, toen in 1611 de Schepen Dr. Jan ten Grootenhuis eene poging aanwendde tot herstel der Kamer, zijne medewerking alleen verbond aan de voorwaarde, dat "den onnutten en ongebondenen, die alleen tegen de geregeltheid schoorvoeten, uit naam der Heeren Magistraten beluit werden, op boete van geweldt, haar der Kamer te onthouden." Hoe weinig ook de vroolijke blijspeldichter Gerbrand Adriaensz. Bredero, van wien men anders een min gestreng oordeel over de leden der Kamer verwacht zou hebben, met hen was ingenomen, bleek uit de benaming van

Dit wraeck-goed, dat uitschot, dees onwetende buffels,

die hij den toenmaligen toongevers naar 't hoofd wierp, en uit de naastvolgende vergelijking, welke hij tusschen de vroegere en latere leden der Kamer maakte:

Besiet de kaerten self en overleest de namen Van over twintigh jaer, gy zult schrickend u schamen, Dat ghy nu met dit schuym soudt wonen hier ten pronck Of in de schouplaets, daer eerst niet dan goud in blonck.

Toch was er een man, blakende van liefde voor de kunst, en die er niet aan wanhoopte, door zijne pogingen aan de Kamer eene betere toekomst te bereiden. Die man was Dr. Samuel Coster. Met echt Hollandsch overleg begreep hij, dat, wilde men eene goede uitkomst verkrijgen, men vóór alles moest beginnen met de financiën der Kamer op een geregelden voet te brengen.

Vroeger had de Stad de onkosten gedragen, die op het spelen liepen; nu wisten Coster en zij, die hem ter zijde stonden, met de Regenten van het Oude-mannenhuis eene schikking te treffen, die aan weerszij de voordeeligste uitkomsten opleverde. Men liet de toeschouwers eene kleinigheid betalen en stond de ontvangen penningen af aan het genoemde gesticht, uit welks inkomsten daarentegen de kosten vergoed moesten worden tot het spelen gemaakt. Het voordeelig slot van rekening had omstreeks 't jaar 1615, in minder dan tien maanden tijds, f 2000 beloopen; terwijl de Kamer, nu geene uitgaven hebbende, in dien tusschentijd merkelijk verrijkt was geworden. De verkregen uitkomsten moedigden Coster aan, met des te meer kracht de handen aan 't werk te slaan, om eene algeheele hervorming der Kamer tot stand te brengen. Wel is waar, de tegenkanting, die zijne pogingen ondervonden, was niet gering. Aan de eene zijde had hij te kampen met velen uit de Rederijkers zelven, die hij voor een troep "moolikken" schold: aan de andere zijde verhieven de kerkelijken hun krachtige stem. De dominees hadden, tevens met de onverdraagzaamheid der priesters en der monniken, ook hun haat tegen de Rederijkers overgenomen, en bij hun afkeer van alle wereldsche vermaken konden zij het aan Coster niet vergeven, dat hij in zijn treurspel "Ifigenia" de geestelijke heerschzucht in den persoon van Eurypilus had tentoongesteld. Maar Coster was de man niet, om zich aan het gekef van ontevreden Rederijkers of aan het gebulder van vergramde predikanten te storen: te minder, daar hij een krachtigen steun vond in de "politieken," gelijk men de zoodanigen noemde, die het evenwicht tusschen de partijen zochten te bewaren, en den Staat buiten of liever boven allen kerkelijken twist te houden. Coster scheidde zich met zijn aanhang af van dien ordeloozen hoop en richtte de Kamer van nieuws af op, onder den naam van "Academie," en wel in een gebouw, op zijne kosten gesticht op het erf, dat wij zooeven verlieten, en dat hem de Regeering daartoe had afgestaan. Inmiddels was tusschen hem en de Regenten van het Burger-Weeshuis op 23 September 1617 eene overeenkomst gesloten, waarbij bepaald werd, dat het Weeshuis al de kosten dragen en gedurende de eerste zes jaren een derde gedeelte van de ontvangsten genieten zou, en hij de overige twee derden: na verloop dier zes jaren zouden partijen de winsten gelijkelijk deelen.

Nog in 't zelfde jaar 1617 werd de Academie ingewijd met een voorspel, "Apollo" genaamd, en vervaardigd door zekeren Siffridus Sixtinus, na hetwelk men het treurspel gaf van G. Van Hoogendorp "de Moord beghaen aan Willem Prince van Oranien." Des anderen daags vertoonde men "Warenar met de Pot," die allervermakelijkste klucht van Hooft.

Of nu, toen de termijn, bij de overeenkomst bepaald, begon te naderen, Coster geld noodig had, of zijne praktijk als geneeskundige hem geen tijd genoeg overliet, om zich met de beslommeringen van eene tooneeldirectie te bemoeien, dan of hij er door andere redenen toe genoopt werd, zeker is het, dat hij op den 9den Augustus 1622 aan het Weeshuis het erf, den opstal en al den theatralen toestel overdeed voor eene som van--schrik niet!--f 6850, en eene kusting van f 3200 ten behoeve van Lammert Lammertsz., die er op kleefde en ten laste van 't Weeshuis werd overgeteekend. En ik kan er u bij vertellen, waar die theatrale toestel in bestond: ja, 't was niet min, en de merkwaardigheden van 't Doolhof zelf konden er niet bij halen. Luister maar:

1º. Eenige geschilderde omdraaiende doeken. 2º. 22 wapens van de voornaamste prinsen, op ovalen geschilderd. 3º. 9 vierkante wapens van de Unie en 6 prinsenwapens op doek. 4º. 3 groote schilden, daar de lampen aan hingen, aan de andere zijde geschilderd, met hunne blokken en koorden. 5º. Het dalende hemelwerk met zijne loopstangen, koorden en blokken. 6º. 3 tafels, met hare schragen en banken. 7º. Nog eene tafel, wat kleiner, met twee schragen. 8º. 3 stukken, daar het tooneel mee vergroot wordt. 9º. Eene gevangenisdeur, traliesgewijze gemaakt. 10º. Twee groote houten traliën, in het spel van Hersilia gemaakt. 11º. De blaffeturen, gemaakt tot hemelwerk. 12º. 2 groote zwarte linnen gordijnen, daar het tooneel mee gesloten wordt. 13º. Al de losse deelen op de hoogste zoldering. 14º. Het graf van Achilles. 15º. De triumfwagen. 16º. Het vierkante autaartje. 17º. Vormen van tienwerk, op zolder liggende.

Ziet ge, al dat moois, die blaffeturen en dat graf van Achilles, die ovale wapens en die gevangenisdeur, en wat er meer op den catalogus stond, met nog een huis en erve op den koop toe, voor even f 10,000! Men kan niet zeggen, dat Dr. Samuel die Heeren te erg het vel over de ooren gehaald heeft.

Maar terwijl de Academie nu voor rekening van het Weeshuis speelde, bleef dat gedeelte van de leden der Oude Kamer, dat Coster niet gevolgd was, zijne vertooningen in zijn oude lokaal boven de vleeschhal in de Nes voortzetten voor rekening van het Oude-mannenhuis: en wat men al praten moge van de voordeelen eener vrije concurrentie, goede tooneelspelers zijn zoo dik niet gezaaid, dat men ze maar voor 't vragen heeft, en dewijl de stukken van onze vrienden Hooft, Coster, Bredero, Vondel, enz. doorgaans elk voor 't minst een dozijn bekwame tolken vereischen, wat al zooveel was en nog is als de stad met moeite oplevert, zoo spreekt het wel van zelf, dat men met den bestaanden voorraad van goede tooneelspelers maar op zijn best één schouwburg gerieven kon, en dat, zoolang de bestaande krachten tusschen twee wedijverende Kamers verdeeld waren, geen van beiden meer dan half werk kon leveren. Zoo sukkelde men aan weerszij een jaar of wat voort: men poogde elkander zooveel mogelijk de loef af te steken en men onttroggelde elkander de goede spelers; gaf men in de Nes een nieuw stuk, dan moest men het op de Keizersgracht ook geven; hield men hier optochten bij feestelijke gelegenheden, dan moest ginds ook hetzelfde groot spektakel vertoond worden: 't ging hard tegen hard: de Regenten over en weer konden elkander niet langer luchten of zien, en de beide godshuizen leden er niets dan schade door. Burgemeesteren begrepen eindelijk, dat het zóó niet langer gaan kon en drongen er op aan, dat de twee inrichtingen, de Oude Kamer en de Academie, goedschiks of kwaadschiks, zich tot één lichaam zouden vereenigen; maar het duurde toch nog tot in 't jaar 1635, eer die zaak haar beslag kreeg en het Weeshuis een derde gedeelte van den Schouwburg met diens toebehooren, aan het Oude-mannenhuis verkocht. Eens echter, tot een vergelijk gekomen zijnde, begreep men, geen half werk te moeten doen, en, in plaats van de houten loods, waarin men tot nog toe gespeeld had, een fiks gebouw van kalk en steen te zetten: en de Regenten der godshuizen konden met te meer gerustheid daartoe besluiten, omdat zij in hun midden den bouwmeester bij de hand hadden, wien zij 't werk konden opdragen: den Mederegent van 't Weeshuis en Vroedschaps-Lid Nicolaas Van Campen.

Aan den naam van Van Campen hecht zich bij u, als bij iederen Amsterdammer, menige herinnering, niet waar? en misschien wenscht gij te weten of en in hoeverre de man, dien ik u noemde, met den beroemden bouwmeester van 't Stadhuis in betrekking stond. Gelukkig ben ik in staat tot zekere hoogte aan uwe nieuwsgierigheid te voldoen. Er leefden in de zestiende eeuw twee gebroeders, Willem en Jacob, en eene zuster, wier doopnaam ik niet gevonden heb. Willem was de grootvader van den bovenvermelden Nicolaas, Jacob had twee zoons, Cornelis en Pieter. Cornelis, in 1564 geboren, was een man van hooge beschaving en fijngevormden smaak; op gevorderden ouderdom was hij, bij zijn verbazend geheugen, nog de vraagbaak van velen. Vondel zong hem zijn "Koninklijke Harp" toe en Hooft raadpleegde bij 't schrijven zijner Nederlandsche Historiën hem over al, wat betrekking had tot hetgeen te Amsterdam in de Spaansche tijden en bij 't "geus worden" der stad was voorgevallen. Hij, Cornelis, was getrouwd geweest met Catharina Quekels, die hem twee kinderen schonk, Jacob, in 1598 geboren, en de bekoorlijke Machteld, haar, die door Constantijn Huygens bemind werd, en op wier dood in 't bloeien harer jeugd Vondel zulk een alleraandoenlijkst gedichtje schreef. Pieter, de broeder van Cornelis, in 1568 geboren, had bij zijne vrouw, Gerritje Claessen, vrouwe van Randenbroek, twee dochters, Margaretha en Geertrui, en een zoon, Jacob, den bouwheer van 't Stadhuis.--En nu de zuster van Willem en Jacob? Ik zeide u, dat haar naam mij niet bekend was; maar des te meer die van haren man en hare drie dochters. Die man was Roemer Visscher, de drie dochters Anna, Geertrui en Tesselschade.

Gij ziet alzoo, dat de familie zich over hare leden niet te schamen had, en gij ziet tevens, dat, toen ik u bij eene vorige gelegenheid [62] verhaalde, hoe 't op Tesselschades bruiloft toeging, ik recht had, Machteld Van Campen aldaar als speelnoot in te leiden, wier vader, hoewel toen reeds bij de zestig, een volle neef was van de jonge bruid.

Het was dan aan Nicolaas Van Campen, dat, als ik u straks zeide, het bouwen van den nieuwen schouwburg werd opgedragen. Die bouw, waaraan ruim f 29,000 besteed werden, was in 't jaar 1637 voltooid. Op 3 Januari 1637 werd het gebouw ingewijd, en wel, gelijk gij weet, met de vertooning van Vondels Gijsbrecht van Aemstel, en in tegenwoordigheid van Schout, Burgemeesteren, Schepenen en Raden--wat natuurlijk niet weinig ergernis gaf aan de predikanten, die al zoo tegen de Academie geijverd hadden. Hoe voortreffelijk de bouwmeester zich van zijne taak gekweten heeft, zou ik u kunnen aantoonen uit de verzen, die Vondel tot zijn lof zong; doch 't is eenvoudiger en beter, dat gij er met eigen oogen over oordeelt en, dewijl wij nu de plek weer genaderd zijn en wij, al zijn de twee groote lantaarns boven de poort reeds opgestoken, nog een half uurtje den tijd hebben, kunnen wij dit besteden, om de localiteiten op te nemen. Ik ben bij Regenten en suppoosten bekend en kan u overal binnen brengen, ook waar 't publiek geen toegang heeft.

II.

De nieuwe Schouwburg.

Hier hebt gij nu, om te beginnen, de hardsteenen poort, van Dorische orde gebouwd, en zeer eenvoudig, wat ook niet meer is dan naar behooren; want maakt men den ingang van een gebouw te mooi, dan valt somtijds het binnenste af. Kijk, die twee borstbeelden boven de poort zijn Herakliet en Demokriet; in het frontespies leest gij het woord "Schouwburg," en daaronder, in gouden letteren, de gouden spreuk, door Vondel berijmd:

De wereld is een Speel-Tooneel, Elck speelt sijn rol en krijgt sijn deel, [63]

wat onlangs een spotter aldus parodiëerde:

De wereld is een pijp kaneel, Elk zuigt er aan en krijgt niet veel.