Vertellingen van vroeger en later tijd

Chapter 20

Chapter 203,849 wordsPublic domain

Jan vertrekt en beneden gekomen, poogt hij door dubbelen spoed den beganen bok weder goed te maken; zoodat hij alras in staat is het verwachte bericht te brengen. De beide Heeren begeven zich hierop naar beneden, in de rijk gestoffeerde zaal, waar talrijke waslichten, van de groote hangkroon, van de luchters voor den schoorsteen en van de zilveren kandelaren, haar helder licht verspreiden. Op de tafel spiegelen zich in het gladgewreven ebbenhout een flesch Rijnsche wijn, twee zilveren blaadjes, waarvan het eene een viertal groene roemers van het fijnste glas draagt, het andere twee zilveren trommeltjes, die gesneden Deventer koek en bitterkoekjes bevatten, een mandje van fil de grain, tot aan den rand met klontjes suiker gevuld, en een lepelkistje van 't zelfde. Aldra slaat de klok halfacht: bijna op 't zelfde oogenblik houdt voor het huis eene toeslede stil, waaruit twee heeren stappen, die terstond worden binnengelaten en naar de zaal geleid. Daar gekomen, blijft de oudste van de twee in bescheiden houding op den achtergrond staan, en laat den jongere vooruittreden naar het midden van 't vertrek, waar reeds de beide Burgemeesters hem zijn tegemoetgegaan. Uit de eerbiedige wijze, waarop de machtige Regenten den bezoeker, die hun zoon kon zijn, begroeten, kan men afleiden, dat zij hem als een personage van gewicht beschouwen, en werkelijk hebben wij hem slechts aan te zien, om ons overtuigd te houden, dat hij de onderscheiding, die zij hem bewijzen, niet onwaardig is. Al is zijne kleeding doodeenvoudig, als die eens reizigers, zijn gansche voorkomen duidt den man van geboorte aan, die, gewoon in de hoogste kringen te verkeeren, zich overal op zijn gemak gevoelt:--zelfs tegenover Burgemeesters van Amsterdam. En geen wonder: indien Alexander eenmaal van Hephestion zeide: "deze is een tweede Alexander," zoo ziet ook Willem III zijn anderen ik in Hans Willem, Baron Bentinck. En hij doet dit op goede gronden; want geen vorst heeft immer hartelijker blijken van trouw en verknochtheid genoten, dan die Bentinck aan den Prins gegeven heeft. Vraagt gij mij, waarin die bestaan hadden, dan wijs ik u op de enkele naden en pokputten, die dat anders zoo fraai en regelmatig gelaat schijnbaar ontsieren, maar inderdaad, voor al wie er de geschiedenis van kent, er een luister aan geven zoo schoon als ooit een borst ontleende aan ster of ridderketen. En welke is die geschiedenis? In April 1675 werd Willem III door de kinderziekte aangetast, en het stond te vreezen, dat hij het slachtoffer worden zou van die zelfde gruwzame kwaal, die eenmaal zijn vader op schier gelijken leeftijd ten grave had doen dalen. Immers de pokken wilden niet uitkomen, en de geneesheeren wisten geen ander middel daartoe aan de hand te doen, dan dat een jong, gezond persoon, na het innemen van een zweetmiddel, zich bij den zieke te bedde lei en, door zijne natuurlijke warmte, bij dezen de uitwaseming opwekte. Nauwelijks zou men met kracht van goud iemand gevonden hebben, die zich liet overhalen, om een dienst te bewijzen van zoodanigen aard en die hem den dood kon kosten; Bentinck, toen een van 's Prinsen kamerjonkers, bood zich vrijwillig daartoe aan, en werkelijk had het middel den gewenschten uitslag. Maar al kwamen de pokken voor den dag, de zieke was nog verre van buiten gevaar. Nu echter voltooide Bentinck zijn werk: zestien dagen en zestien nachten week hij niet van de sponde des lijders, en de Prins getuigde na zijn herstel, niet te weten of Bentinck al dien tijd geslapen had of niet, maar wel, dat hij nooit zijn naam genoemd had, zonder altijd een vaardig antwoord van hem te hebben gekregen. Maar 't gevolg was dan ook geweest, dat, toen de Prins weder op de been was, Bentinck naar huis ging, om eenige dagen welverdiende rust te genieten, deze zelve door de kinderziekte aangetast werd en in doodsgevaar verkeerde. Zijn gezond en sterk gestel had echter de bovenhand, zoodat hij zelfs in staat was, zij het dan nog maar half hersteld, reeds in Mei den Prins bij 't heropenen van den veldtocht te vergezellen. Was het wonder, dat de Prins van toen af aan Bentinck al zijne dankbaarheid had gewijd, en dat hij, de meest geslotene onder alle vorsten, voor Bentinck alleen geene geheimen had. Zijne dankbaarheid had hij hem bewezen, door hem, toen hij de Heerlijkheden Drimmelen en Rhoon verkregen had, ofschoon geen geboren Hollander, in de Ridderschap van Holland te doen beschrijven en zelfs de eerste plaats bekleeden: zijn vertrouwen, door hem naar Engeland te zenden, om de hand van Prinses Maria voor hem te verwerven, en hem telkens in gewichtige onderhandelingen te bezigen; gelijk dit ook thans weder het geval was geweest. Wel is het dan ook aan Witsen en aan Geelvinck bekend, dat zij hier niet een blooten zendeling of lasthebber van den Prins voor zich hebben, maar diens vertegenwoordiger in den volstreksten zin des woords; en die bewustheid geeft hun tevens het natuurlijke richtsnoer aan de hand, hoe zich tegenover hem te gedragen.

Maar geen mindere belangstelling verdient van onze zijde, al houdt hij zich bescheiden op den achtergrond, de man, die aan Bentinck tot geleide strekt. Wij kennen Huib de Wildt uit de keurige afbeelding, die Ferdinand Bol van hem geleverd heeft--en die wij, óf ten huize van 's mans waardigen nazaat, óf voor eenige jaren op de tentoonstelling van oudheden in Arti hebben kunnen zien--óf althans uit de teekening door Couwenberg daarnaar gemaakt en gesteendrukt in De Jonges "Geschiedenis van 't Zeewezen." Wel is waar, sedert dat De Wildt voor Bol gezeten heeft, zijn er eenige jaren verloopen. Hij telt er thans een en vijftig; maar nog teekent zijn gelaat dezelfde wakkere opgeruimdheid, dezelfde schranderheid van geest, als u uit zijne afbeelding tegenblinken. Is de kruin al meer en meer kaal geworden en heeft het hoofdhaar een zilveren tint gekregen, de lokken golven nog in weelderigen overvloed over hals en schouders; en ook in zijn deftig zwart gewaad heeft De Wildt nog altijd een vlug en innemend voorkomen.

"Wij vinden ons zeer vereerd met uw bezoek, mijnheer Bentinck," zegt Witsen, "alleen doet het ons leed, u te moeten melden, dat onze ambtgenoot, de heer Hudde, door onpasselijkheid verhinderd is, bij dit mondgesprek tegenwoordig te zijn."

"Ik wil niet hopen, dat de ziekte van den Heer Hudde van ernstigen aard is," zegt Bentinck.

"Hij lijdt aan zijne gewone kwaal, de jicht," herneemt Witsen, om alle vermoeden van eene voorgewende ongesteldheid weg te nemen: "Ik heb nog heden morgen tijding van hem vernomen; hij is buiten en kan zijne kamer niet verlaten.--Mijnheer De Wildt, ik verheug mij, u te zien."

"Hoe maakt het de Heer Secretaris?" vraagt Geelvinck, aan De Wildt de hand reikende: "wij zien elkander tegenwoordig, tot mijn leedwezen, zelden meer."

"Ik wenschte," zegt De Wildt, "dat dit leedwezen zoo groot ware, dat zich de Heer Geelvinck genoopt voelde, bij de Admiraliteit terug te keeren, die hij ter kwader ure verlaten heeft."

"Vergun mij vóór alles," zegt Bentinck, terwijl hij op den hem aangeboden armstoel plaats neemt, en ook de overige Heeren zich zetten, "eene onbescheiden vraag; maar de campagnes, die ik heb medegemaakt, hebben mij geleerd, dat het bij alle gelegenheden goed is, te weten, niet alleen hoe men ergens aankomt, maar ook hoe men er weder vandaan raakt, en daarom veroorloof ik mij, mij bij uwe Achtbaarheden te vergewissen, of ik heden nacht de stad zal kunnen verlaten?"

"De Heer De Wildt had mij onderricht, dat het uw wensch was," zegt Witsen, "en de noodige bevelen zijn dienaangaande gegeven. En thans," vervolgt hij, de roemers volschenkende, "zij het mij vergund, mijn edelen bezoeker welkom te heeten in 't vaderland en te mijnen huize. De Heer Bentinck heeft zoo pas het land verlaten, waar de wijnstok groeit, en zal ongetwijfeld beteren wijn gedronken hebben dan ik hem kan aanbieden."

"Ik ben den Heer Witsen grooten dank schuldig voor zijne heusche ontvangst," zegt Bentinck: "voor 't overige kan ik wat zijn Ed. Achtbare zegt niet opvatten dan als eene loutere scherts; de bovenlanders weten zeer goed, als zij den edelen wijnstok planten en snoeien, dat het beste druivennat uitsluitend bestemd is, om de kelders der Heeren van Amsterdam te voorzien; maar wat daarvan zij, ik ben, ja, aan den Rijn geweest, en zelfs nog een weinig verder: en 't is om aan de Heeren verslag te doen van mijn wedervaren aldaar, dat ik zoo vrij ben geweest, bij hen gehoor te verzoeken."

De beide Burgemeesters buigen zich zwijgend, en de spreker, dit stilzwijgen aanmerkende als eene vergunning, om voort te gaan, vervolgt aldus:

"Ik behoef niet aan de Heeren te herhalen wat hun bekend is, dat Z. Hoogheid, bewogen met den toestand der Kerk in Engeland, en bovendien bezorgd voor alle inbreuk op de rechten, welke aan de Prinses krachtens hare geboorte toekomen, het zich tot plicht heeft gerekend, aan de roepstem gehoor te geven, die van over zee tot hem gekomen is, en die, in 't voorbijgaan gezegd, zich al luider en luider doet hooren. Zou het opzet gelukken, dan waren er drie dingen noodig: schepen, krijgsvolk en geld; en dat een en ander--wat de zaak niet gemakkelijker maakte--op de meest bedekte wijze te zamen gebracht. Wat de scheepsmacht betreft, die moest uit den aard der zake aanzienlijk wezen; immers men mag de kans niet loopen, dat 's Konings vloot aan de onze te gemakkelijk het landen belette. Hoe men heeft beproefd, te dezen opzichte in de behoefte te voorzien, is aan de Heeren grootendeels bekend, inzonderheid aan den Heer Van Castricum, door zijne betrekking als Lid der Admiraliteit?"

"Wellicht weet de Heer Bentinck niet, dat ik met Mei als zoodanig ben afgetreden," zegt Geelvinck.

"Ik weet dit," hervat Bentinck, "doch ook, dat de gewichtigste maatregelen aldaar nog met uwe voorkennis genomen zijn. Intusschen, de Heer De Wildt is bij machte, aan de Heeren, gelijk Z. Ed. dit reeds aan mij gedaan heeft, volkomen opgave te doen van de hier en elders verkregen uitkomsten."

"Met genoegen," zegt De Wildt, "indien de Heeren 't mij vergunnen. Behalve de een en twintig schepen van oorlog, die, volgens hetgeen in December van 't vorige jaar besloten was, zijn uitgerust en met Mei gereed waren, om zee te kiezen, is, overeenkomstig den last, door Z. Hoogheid in 't laatst van Februari aan de Admiraliteiten verstrekt, zorg gedragen, alle schepen van oorlog, zonder onderscheid, in bruikbaren staat en onder hun want te brengen, en nu drie dagen geleden is mij een ander bevel van Z. Hoogheid geworden om al degene, die nog hier beneden de 145 voet aanwezig zijn, naar de zeegaten op te zenden."

"En dat nader bevel vond gewis mijn wakkeren vriend niet onvoorbereid," viel Geelvinck in, wel wetende, hoe, in al wat het zeewezen betreft, Willem III, evenals vóór hem Jan De Witt, niets besluit of beveelt, zonder voorafgaand overleg met De Wildt.

"Ik had er iets van gehoord," antwoordt De Wildt met een glimlach, "en daarom ook zorg kunnen dragen, dat, van heden af, bij tusschenpoozen, om geen opzien te verwekken, niet alleen dagelijks eenige schepen kunnen vertrekken, maar dat bovendien ieder schip zal voorzien zijn van ettelijke gewapende sloepen, bekwaam om bij eene landing gebezigd te worden, en van andere vaartuigen, om voor branders of adviesjachten te dienen; terwijl ik tevens onder de hand door vertrouwde lieden onderscheiden galjoten en fluiten heb doen huren, tot transport voor krijgsvolk, paarden, vivres en ammunitie.--Naar mijne berekening, opgemaakt uit hetgene mij van de Maas en van 't Noorderkwartier bekend is, zal de vloot kunnen bestaan uit omstreeks 50 schepen van oorlog en fregatten, en, als men daaronder rekent de branders, adviesjachten, transportschepen enz., uit omstreeks 400 zeilen. Daarmede is in allen gevalle wat aan te vangen, en is de tijd daar, dan zullen er nog wel eenige pinken kunnen bijgevoegd worden om de landing te bevorderen."

"De werkzaamheid van den Heer De Wildt is ons genoeg bekend," zegt Witsen, "alsmede, dat wat hij voorneemt ook geschiedt, zoo hier als in 't Noorderkwartier, ja zelfs aan de Maze."

"Het zal," herneemt Bentinck, "aan de Heeren bekend zijn, dat het commando over de vloot bij instructie van 22 Mei j.l. is opgedragen aan den Luitenant-Admiraal Evertsen, volgens welke instructie zij alleen moet dienen, om onzen handel te beschermen en inzonderheid te waken tegen de Algerijnen; en in zooverre heeft zij dan ook aan den last voldaan, als reeds, volgens de laatste berichten, de retourvloot behouden voor Texel is aangekomen."

"En," vraagt Witsen, "heeft de Heer Evertsen, behalve die officiëele instructie, waar UEd. van spreekt, geen geheimen lastbrief ontvangen omtrent de ware bestemming van de vloot?"

"Dit is nog niet raadzaam geoordeeld," antwoordt Bentinck: "de Heer Tromp alleen is in 't geheim; doch hij zal niet met het uitvoeren van den tocht belast worden;--en dit acht hij, met den Prins, in 't belang der zaak zelve."

"Hoe kan dat zijn?" vraagt Witsen.

"Ik heb," voegt Geelvinck er bij, "hooge achting voor de verdiensten van den Heer Tromp; maar ik kan toch niet vermoeden, dat hij, de Luitenant-Admiraal-Generaal, de belangen der onderneming beter zou verzekerd achten in de handen van een ander en die nog wel een minderen rang bekleedt."

"Dat is ook het geval niet," zegt Bentinck: "maar de Heer Evertsen zal evenmin het bevel voeren over de onderneming."

"Niet?" roept Witsen: "ik hoop toch niet, dat men de fout begaan zal, die den Staat eenmaal zoo duur kwam te staan, van het opperbevel der vloot toe te vertrouwen aan een Generaal der Landmacht?"

"Neen, dat niet," antwoordt Bentinck; "maar de Prins heeft geoordeeld, dat, wil men de gevoelens der Engelschen niet krenken, alle schijn moet vermeden worden, alsof men als vijand, en met eene veroveringsvloot kwam aanzetten. Die vloot moet alle waarborgen aanbieden, dat zij ter hulpe opdaagt geheel voor een Engelsch belang: en geen betere waarborg was daarvoor uit te denken, dan door haar onder 't commando te stellen van een Brit. 't Zal den Heeren niet bevreemden, wanneer ik hun zeg, dat die Brit geen ander zijn zal dan de Admiraal Arthur Herbert, die zich, als bekend is, sedert eene maand hier te lande bevindt. De Heer Tromp heeft zelf de aandacht op hem gevestigd: de zaak heeft haar beslag en zijne benoeming tot Luitenant-Admiraal-Generaal zal weldra plaats hebben. Hij heeft een tal van vrienden op 's Konings vloot en het is zijne en onze verwachting, dat, zoodra zij weten, dat hij op onze vloot het bevel voert, geen hunner zich genegen zal betoonen eenigen weerstand te bieden, ja dat wij spoedig de helft der Officieren en matrozen tot ons zien overkomen. Het eenig bezwaar, dat zich zou kunnen voordoen, bestaat in de wijze, waarop ons zeevolk en vooral onze Vlootvoogden de zaak zullen opnemen; doch ik vlei mij, dat ook dit vraagpunt eene gunstige oplossing zal bekomen. De Heeren Evertsen en Almonde zijn verstandige lieden, en de Prins bezit de gave der overreding--althans," voegt hij er bij, "wanneer hij met geene al te zwaartillende Heeren te doen heeft."

"Zeer waar," zegt Witsen: "er behoort moed toe, om 't met Z. Hoogheid oneens te blijven."

"Dit nu," vervolgt Bentinck, "wat de Zeemacht betreft; met opzicht tot de troepen had het verzamelen daarvan wel geen bezwaar in, maar wel de kunst, om dit zoo te doen, dat er geen achterdocht ontstond. Z. Hoogheid rekent 9000 voetknechten en omstreeks 4000 ruiters noodig te hebben voor den tocht: die waren licht te vinden; doch door ze uit de bestaande krijgsmacht te nemen, zou men deze te veel verzwakken, en 't ging niet aan, Engeland te verlossen, om zelve de prooi van een ander te worden. Bovendien, die vermindering onzer krijgsmacht kan niet geschieden buiten bewilliging der Staten: en om deze te verkrijgen, zou de Prins hen van zijn oogmerk hebben moeten doen kennis dragen, en, ware dit geschied, de Markies van Albeville, althans de Graaff d'Avaux, had er spoedig de lucht van gehad. De Prins rekende op zijne geluksster en die was gunstig: het binnentrekken der Franschen in Keulen gaf een geschikt voorwendsel: en de wensch, dat de grensplaatsen zouden versterkt en ons grondgebied behoorlijk beveiligd worden, werd uitgesproken door de Staten zelven."

"Wat hun Fagel had ingegeven," zegt Geelvinck, binnensmonds.

"Aan de Heeren, die tot dat einde gecommitteerd werden, en waartoe ik," vervolgt Bentinck, "ook behoorde, ontdekte de Prins zijn toeleg, en nu, terwijl Keulen de dekmantel was, bevorderden zij met hem het verzamelen van krijgsvolk."

"Wij hebben zoo iets vermoed," zegt Witsen, zich de kin wrijvende.

"Intusschen," herneemt Bentinck, "het werven van krijgsvolk is een werk van langen nasleep en onzekeren uitslag en dat in ons geval te veel gerucht zou gemaakt hebben; er moest dus een ander middel gevonden worden, om ons doel in dezen te bereiken, en Z. Hoogheid droeg mij de taak op, dat middel te beproeven. Ik werd naar Berlijn afgevaardigd, quasi om bij den nieuwen Keurvorst den rouw te beklagen over zijns vaders dood; doch inderdaad, om hem bekend te maken met onzen toeleg en zijn bijstand te verzoeken. Met die zelfde boodschap heb ik de Hertogen van Lunenburg-Zels en van Wurtemberg, en den Landgraaf van Hessen bezocht, en allen bereid gevonden, om 's Prinsen toeleg te begunstigen, in geval van oorlog met Frankrijk de Staten bij te staan, en desnoods de manschap aan te vullen, die van hier over zee gezonden wordt."

"Ik twijfel er niet aan," mompelt Geelvinck; "of men zal die Duitsche Vorsten steeds bereid vinden, hun onderdanen in te wisselen tegen Hollandsche dukaten."

"En wat meer is," vervolgt Bentinck; zich houdende of hij de aanmerking niet gehoord had, "de Hertog van Hanover zal niet aarzelen in elk geval partij voor ons te kiezen."

"Hoe?" vraagt Witsen, eenigszins verrast: "in weerwil van zijne verbintenis met Frankrijk?"

"Wanneer ik zeg, de Hertog," herneemt Bentinck, glimlachende, "dan meen ik, onder ons gezegd, de Hertogin. Zij heeft niet vergeten, dat zij eene kleindochter is van Koning Jacobus I, en, bij 't afsterven van de Prinses van Oranje en die van Denemarken zonder wettig oir, de naastgerechtigde tot de kroon van Groot-Brittannië. De gesprekken van den Heer Burnet hebben de staatzuchtige vrouw vuur doen vatten en zij heeft haar Vorstelijken gemaal zoodanig weten te bewerken, dat ik hem, bij mijn bezoek, geheel op onze hand vond.--Voeg hier nu bij, dat wij op het bondgenootschap van Zweden kunnen rekenen, zoodat eerstdaags een tractaat met Koning Karel XI staat gesloten te worden, waarbij het ons zesduizend man toezegt, die in onze soldij zullen komen.--De Heeren zien dus, dat twee der hoofdbezwaren bereids zijn overwonnen, en het was Z. Hoogheid nuttig en noodig voorgekomen, mij hierheen te schikken, om hiervan Uwe Achtbaarheden kennis te doen dragen."

Wederom eene wijl stilte. De Burgemeesteren zien elkander een oogenblik aan, als wilde de een den ander de eer laten om 't woord te voeren: eindelijk vat Witsen, als gastheer, het op.

"Ik geloof ook in naam van mijn ambtgenoot te spreken, wanneer ik Uwe Edelheid dank zeg voor de ons bewezen eer; maar ik geloof evenzeer in zijn naam te spreken, als ik er bijvoeg, dat Uwe Edelheid zich de moeite der reis had kunnen sparen. De Heer Bentinck versta ons wel; zijn bezoek is ons welkom en zijne tegenwoordigheid vereert ons huis; maar de mededeeling van nieuwe en meer staatsgeheimen verzwaart den last, die al reeds op ons drukt en ons hoe langer hoe meer in eene valsche stelling doet verkeeren tegenover onze mederegenten, wie wij niet mogen waarschuwen voor de kans, die zij loopen, om hunne schepen of goederen in Frankrijk of Engeland te zien in beslag nemen. Hadden wij tot de onderneming geraden of ons zelfs bijzonder gunstig daarover uitgelaten, de zaak ware verschillend; doch, wat mij althans betreft, ik heb daar ten allen tijde bedenkingen tegen aangevoerd, en ik geloof, dat de Heer Van Castricum daarover niet anders denkt dan ik."

"Ik dank den Heer Witsen voor zijne rondborstigheid," zegt Bentinck; "doch hij zal mij wel willen toegeven, dat een iegelijk onverstandig handelt, die, als hij zijn vertrouwen iemand schenkt, hem zijne geheimen maar ten halve mededeelt: en dewijl nu de Heeren van den aanvang af door Z. Hoogheid zijn geraadpleegd geworden, geboden plicht en noodzakelijkheid, dat zij niet onkundig bleven van den tegenwoordigen stand der zaak. Maar bovendien, ik heb gezegd, dat twee der voorwaarden, zonder welke de onderneming niet kan doorgaan, zijn vervuld: over de derde heb ik nog niet gesproken. De zenuw van den krijg is--geld:--en Amsterdam heeft de koorden van de beurs in handen."

"Ik verbeeldde mij," zegt Witsen, "dat de geldzaak in orde was, althans geen bezwaar kon maken."

"Ja, en neen.--'t Is waar, de Admiraliteiten hebben ter dezer gelegenheid goedgunstig toegestaan--iets wat zelfs de Heer De Witt indertijd nooit van haar heeft kunnen verkrijgen--de uitrusting bij wijze van voorschot voor hare rekening te nemen;--doch de huur der transportschepen, de soldij van het te verwachten krijgsvolk en de hemel weet hoeveel meer nog, moet betaald worden, en daartoe zal geld, en niet weinig ook, benoodigd zijn."

"Dat zal te zijner tijd aan de Staten dienen gevraagd te worden," merkt Witsen aan.

"Ja, dat zal kunnen geschieden, als eens de Staten in 't geheim zijn genomen; doch de tijd daartoe is nog niet geboren--en het is den Prins thans maar alleen te doen, om te weten, of, naar de meening van de Heeren, Amsterdam genegen zal bevonden worden, om ter Staten-Vergadering tot onderstand te raden, en desnoods de middelen aan te wijzen, om de zaak te bevorderen."

"Ik heb vroeger," zegt Witsen, "reeds mijn twijfel te kennen gegeven, of een voorstel in dien geest hier bij de Vroedschap wel zou doorgaan."

"Dat weet ik," herneemt Bentinck: "maar er zijn sedert dien tijd twee maanden verloopen en de verontwaardiging over de tirannieke handelwijze van Koning Jacobus heeft meer en meer veld gewonnen: de gemoederen zullen wellicht thans meer ten voordeele der onderneming gestemd zijn, dan vroeger het geval is geweest."

Hier vat De Wildt, die tot nog toe bescheiden gezwegen heeft, het woord op, om 's Prinsen vertegenwoordiger te steunen: "Ik weet zeker," zegt hij, "dat bij niet weinigen een kruistocht ten behoeve der Protestantsche Kerk als eene Gode behaaglijke daad wordt beschouwd."

"Juist!" voegt Bentinck er bij: "en men vergete niet, dat, toen de Heeren 't eerst over deze zaak onderhouden werden, er geen Prins van Wales meer verwacht werd, dewijl het gerucht vrij algemeen liep, dat de Koningin een miskraam had gehad. Mocht men toen de hoop voeden, dat de staat van zaken in Engeland alleen van tijdelijken aard was, en dat, als, na het overlijden van den Koning, Prinses Maria de kroon aanvaardde, alles daar weder op den ouden voet zou terugkeeren, thans is alles veranderd; men is op eene wijze, die ik niet zal qualificeeren, voor den dag gekomen met een Prins van Wales: komt morgen Jacobus II te sterven, er is niets veranderd, men behoudt een Jezuïeten-regeering, en, in stede van een Protestantsch, een Roomsch Engeland. Daartegen dient gewaakt, en kon men vroeger beweren, dat alleen de belangen van Z. Hoogheid, als echtgenoot der Prinses-royaal, in de zaak gemengd waren, thans is het onze geheele Republiek, die belang heeft, een einde te maken aan den toestand, die ginds bestaat."