Vertellingen van vroeger en later tijd

Chapter 2

Chapter 23,716 wordsPublic domain

En, nu men eens dit gebouw aan zijne oorspronkelijke bestemming had onttrokken, begreep men, op dien fraaien weg te moeten voortgaan, en had er eene reeks van herscheppingen plaats, aanzienlijk genoeg om een dubbeltal aan die, welke Ovidius bezongen heeft, toe te voegen. De zetel van de stadsregeering en der vierschaar was vroeger een, omdat beide lichamen tot eene en dezelfde macht behoorden: daarom werden zij dan ook, toen zij den Dam verlieten, in een zelfde lokaal overgebracht, en wel op 't Prinsenhof, waar voorheen de Admiraliteit bijeenkwam. De rechterlijke macht trok later elders heen; en zoo werd het Prinsenhof van een half Raad- tot een geheel Stad-, later tot een Gemeentehuis ingericht,--een Gemeentehuis, zoo gelukkig gelegen, dat men het, men kome van wat zijde men wil, niet genaken kan dan door stegen, of door eene straat, die nauwelijks dien naam verdient.

Het Oude-mannenhuis werd half aan 't Gasthuis getrokken, half in eene Academie voor beeldende kunsten omgeschapen.

De Vleeschhal is gehalveerd en eene stadsdrukkerij, eene vergaderplaats voor het Geneeskundig Toevoorzicht, een Commissariaat van Politie; de hemel weet wat al meer, geweest.

Het Staalhof is insgelijks gehalveerd, tot collegekamer en tot Commissariaat van Politie ingericht.

De St.-Antonies Waag werd een uitdragerswinkel.

De Regulierswaag een cachot.

De Waag op den Dam werd eenvoudig weggebroken, evenals de Jan-Rooden-Poorts- en Haringpakkers-toren.

Het Nieuwe-Zijds-Heeren-Logement werd een weeshuis.

Het Oost-Indisch Huis werd voor de helft aan het Bestuur der Rijks-Belastingen afgestaan, en voor de andere dient het tot een Werfhuis.

De Beurs werd weggebroken: om het gemis te vergoeden, bouwde men op de vischmarkt een Ionisch voorportaal en daarachter een Dorisch tempeltje.

Op de plaats, waar Costers Academie gestaan had, werd, nadat deze verbrand was, een huis gezet, dat tot Armenkantoor dient;--en in afwachting, dat men een nieuwen schouwburg zou stichten, plaatste men aan een uithoek der stad een houten loods, die daar weldra honderd vijftig jaar zal gestaan hebben.... altijd provisioneel.

Het Sint-Jorishof gaf logies aan 't Syndicaat; het Spinhuis aan de Politie.

Het geestig beeldwerk boven de poort van 't Tuchthuis werd onder een houten kast verstopt, en deze met een lauwerkrans versierd.

Maar het zonderlingst werd er gehaspeld met het Aalmoezeniers-Weeshuis: 2/3 er van werden ingericht tot Paleis van Justitie, en zulks met zooveel overleg, dat men altijd, om van 't eene gedeelte naar 't andere te komen, twee pleinen over moet--wat bij sneeuw of regen zeer vermakelijk is. Van 1/6 maakte men eene Stads-Bibliotheek; en van het laatste 1/6.... een Cholera-Hospitaal.

Voor de Beambten ter Griffie van het Hof, of voor hen, die aldaar iets te verrichten hebben, is het zeker eene ongemeene verstrooiing, de lijders in de ziekenzaal te hooren kermen en te zien zieltogen.

In 't kort, wie Amsterdam thans doorwandelt, zal moeite hebben om--op zeer enkele uitzonderingen na--de bestemming te raden van eene der publieke gebouwen, welke hij voorbijwandelt.

En dit is nog het minst; want over 't geheel is de uiterlijke gedaante dier gebouwen eenigszins bewaard gebleven; maar erger is het gesteld met die van de bijzondere woningen, wier eigenaardig karakter òf reeds verdwenen is, òf van lieverlede geheel te niet gaat.

De schilderachtige luifels, waaronder het huisgezin in de zomeravonden vergaderde, om een luchtje te scheppen en de kinderen speelden, bestaan niet meer dan in de herinnering: en evenzoo de uithangborden. Ook de stoepen zien wij langzamerhand wegbreken: de stoepen, op wier bank de huisvader zijne pijp placht te rooken, terwijl zijn gezin voor 't open raam zat. En, ware dit het ergste nog;--maar, wat ten hemel schreit, bij elke vertimmering wordt met den meesten ijver gezorgd, dat al wat aan het huis eenige originaliteit schonk, voor altijd daaraan ontnomen worde. Onze woningen waren, als ik reeds heb herinnerd, met snij-, beeld- en loofwerk op kwistige wijze overladen. De gevel liep piramidaalvormig met trappen op of in grillige festoenen, die, met een plat of driekant dekstuk bekroond, zich slingerden ter wederzijden van de zolderraampjes en van den hijschbalk, zoodat het bovendeel der woning ons niet zelden het borstbeeld van een onzer grootvaders met zijne deftige gekrulde pruik of van zijne gade met haar huiskapje herinnerde.

Aan deze wel phantastische, maar toch oorspronkelijke en pikante bouworde hebben onze nieuwerwetsche.... timmerlieden een verdelgingsoorlog verklaard. Simplex sigillum veri--"het eenvoudige is het zegel van het ware", is de spreuk, welke zij gekozen hebben, en die hen inderdaad ontslaat van de moeite om eenigen kunstzin ten toon te spreiden of om iets te vervaardigen, waaraan een bouwkunstig denkbeeld te herkennen is. En daarom vertoont de voorgevel van het gemoderniseerd (?) gebouw eenvoudig een naakten muur, met eene vierkante deur, en voorts, naar gelang der breedte, twee, drie, vier of meer ramen nevens elkander op de eerste verdieping: even zooveel op de tweede, op de derde enz. tot op de bovenste toe:--en boven dat alles een geel geschilderde kroonlijst, aan beide zijden rechthoekig afgezaagd, opdat men toch niet de illusie zou hebben, dat zij om 't huis heenliep, maar wel goed bemerken, dat zij alleen dient, om het daarachter loopend dak te bemantelen.

Ik voeg er bij, om de schildering te voltooien, dat, terwijl onze voorouders naar hunne woningen opgingen, wij thans soms naar de onze afgaan, daar de drempel niet meer boven, maar dikwijls onder den beganen grond wordt aangebracht. Zou dit dalen tegenover het vroegere rijzen, eene zinnebeeldige beteekenis hebben, en in verband staan met de historie van de welvaart der stad?

Dat alles is zeker heel vernuftig; doch het zal Amsterdam al zeer spoedig zijn ouden roem als eene der schilderachtigste steden van Europa doen verliezen niet alleen, maar al wie het voortaan bezoekt, doen vragen of de huisjes uit de kinderspeeldoozen het model tot den herbouw geleverd hebben.

Tot zooverre de huizen: nu wat de straten betreft:

Terwijl men vroeger, als gezegd is, daarover heen en weer spanseerde zonder gevaar van armen of beenen, misschien zijn leven, onder een rijtuig te verliezen, weet men thans, vooral op de hoeken van nauwe stegen, nauwelijks hoe zich te keeren of te wenden. De oude keuren, die niet dan met bijzondere vergunning het gebruik van eenig gewield voertuig gedoogden, zijn vervallen, als niet in verband met den geest der eeuw, die vooruitgang, liefst hollenden vooruitgang, eischt--wat echter voor den voetganger minder aangenaam is. Ongelukkig heeft men niet willen begrijpen, dat onze stad, evenmin als Venetië, gebouwd is voor hen, die per fors rijden willen. De waterwegen, waarvan men zich oudtijds bij voorkeur bediende, zijn in onbruik geraakt, zooverre het den vervoer van personen geldt, en in de plaats der jachten en tentschuiten, die vroeger zonder gerucht over het water gleden, snorren thans koetsen, glazenkasten en omnibussen over de straten. De draagkoets bestaat sedert lang niet meer; doch ook de toeslede, zoo veilig en zeker, wordt meer en meer vervangen door hossende vigilantes, bij welker afrijden van eene sluis het onzeker is, wie in den grootsten angst verkeeren moet, hij, die er in zit, of de voorbijganger. Ja zelfs de kruiwagens verminderen in getal, sedert de schuiteveeren vervallen, en maken plaats voor die vierkante bakbeesten, die men goederenwagens noemt, en wier bloot gezicht reeds een mensch den schrik op 't lijf jaagt.

In de meeste steden van het buitenland heeft men afzonderlijke trottoirs voor den voetganger: trottoirs, hooger dan de straat en waar men dus veilig is voor de rijtuigen: hier is geen keur machtig, deze laatsten te beletten, den voetganger van de kleine steenen te dringen en hem in nauwe straten te klemmen tegen het hekwerk voor een winkel of tegen de stijlen van een hoekhuis.--Van kleinere onaangenaamheden, als het slijk en zand, dat u om de ooren of over de kleeren spat, wil ik niet eens gewagen.

Wat elders ook voor den voetganger een toevluchtsoord aanbiedt, zijn de talrijke zoogenaamde passages, waar men veilig kan wandelen, koopen en flaneeren.--In alle groote steden bouwt men er nieuwe,--in Amsterdam is de eenige, die er bestond, de doortocht door 't Oude-mannenhuis,--in verval en de winkels sedert lang gesloten.

En toch ware er van de Kalverstraat eene passage te maken, die voor niet eene in de wereld zou behoeven onder te doen.

Ik sprak zooeven van het verval der waterwegen ten gevolge van het in onbruik raken der keuren tegen de rijtuigen; doch er is nog eene andere reden, waarom die wegen sedert lang verlaten zijn.--Ook nu nog is het gezegde van Huyghens, dat de vreemdelingh behoort te swijmen, volkomen van toepassing, ja in sterkere mate zelfs dan voorheen. Maar er is een onderscheid: indien hij nu swijmt, 't is niet ten gevolge van 't geen hij ziet, maar van 't geen hij ruikt. De zwanen zijn dan ook voor altijd weggereisd of gestorven, en dat wel zonder zwanenzang op Amsterdams vervallen liefelijkheid.

Aan het bezigen van den waterweg eigenden zich met recht de sierlijke kaaien, van steen of wel van net getimmerd hout vervaardigd, en door den bewoner van het daar tegenoverliggend erf bestendig in goede orde onderhouden. Zeker zou in vroegere dagen niemand gedroomd hebben, dat onderhoud te willen schuiven op de Gemeente: en de Overheid zou het hem, die zoo iets beweerd had, wel anders geleerd hebben. Ook zouden de bewoners van zijstraten en stegen met reden gevraagd hebben, hoe men hen in billijkheid kon noodzaken op te brengen voor kaaien, waarvan zij geen gebruik hadden.--Dan, gelijk ik zeide, die gedachte om zich van het onderhoud te ontslaan, was bij niemand opgekomen: immers tegenover het bezwaar stond het genot. Aan de kaai over zijne deur had ieder bewoner zijne ijzeren ringen, waar zijn jacht, zijne tent- of pakschuit, zijn turf- of houtschip aan vastgemeerd werd, en waar geen vreemd vaartuig het waagde, zonder zijne toestemming, aan te leggen. Dat alles is thans over. Eene uitspraak van den Hoogen Raad--van welke uitspraak men zeker niet kan zeggen, dat zij kant noch wal raakt--heeft de eigenaars der woningen, langs de grachten gelegen, ontheven van een servituut, vroeger door hen als een privilege aangemerkt. De arme gemeentekas is bezwaard geworden met het onderhoud der wallen: en de ingezetenen, uit wier beurzen de kosten toch per slot moeten komen, hebben er nu, behalve het equivalent, alleen dit bij gewonnen, dat de nieuwe schoeiingen--want geen anderen naam verdienen zij--in volkomen harmonie zijn met de stinkslooten, die daartusschen hare pestwalmen doen opstijgen.

Ik zou wel eens willen weten, wat de beroemde mannen onder onze voormalige stadgenooten, die Amsterdam in zijn vollen luister gekend hebben, wel zouden zeggen, als zij weder eens in levenden lijve over onze straten konden wandelen, mannen b. v. als Cornelis De Graef, Nikolaas Tulp, Bartholomeus Van der Helst, Joost Van den Vondel, Michiel Adriaensz. De Ruyter en Jan Claeszen.

Een hoofdstuk, dat tot een aangenamen overgang verstrekken moet, om het volgende hoofdstuk voor te bereiden.

De schrandere lezer, die ongetwijfeld door en door bekend is met de geschiedenis des vaderlands, zal hier gewis reeds hebben opgemerkt, dat ik mij ten opzichte van de volgorde, waarin ik bovenvermelde groote mannen geschetst heb, van een figuur heb bediend, welke men in de Rhetorica gewoon is een climax te noemen, en daarbij den graad hunner betrekkelijke vermaardheid heb in acht genomen. Ik ben toch niet volkomen zeker of gij u wel precies herinnert, dat Cornelis De Graef leefde in den tijd, toen de Raad zich met het bouwen van het Stadhuis bezighield en niet met het zoeken naar een equivalent, dat een zijner zonen den eersten steen van dat gebouw leide en hij zelf bij de inwijding als Burgemeester voorzat, dat hij talrijke diensten aan zijn Vaderland bewees, tweemalen een burgeroorlog voorkwam en den jongen Prins Willem III tot mede-voogd verstrekte.--Ik heb evenmin de overtuiging, dat gij Tulp anders kent, dan uit de schilderij van Rembrandt, en dat gij weet, hoe hij niet alleen door zijne verdiensten als geneesheer, maar ook door zijne wakkerheid als Regent, de hulde van tijdgenoot en nageslacht verdiende. Maar wat Van der Helst betreft, gij hebt ongetwijfeld zijn Schuttersmaaltijd gezien--naar welken onze Kaiser onlangs zulk eene voortreffelijke plaat heeft geleverd--hoewel gij misschien niet gelezen hebt, dat hij veel geld voor zijne portretten maakte en in zijn tijd meer in trek was dan Rembrandt.--Joost Van den Vondel kent gij evenzeer als den schrijver van Gijsbrecht, welk stuk alle jaren vertoond wordt. In 't voorbijgaan gezegd, hij was niet de schrijver van Kloris en Roosje,--uit welk kluchtspel men sedert eenige jaren al de oorspronkelijke liedjes, die geestig en naïef waren, heeft gebannen, om ze in watermelkdeuntjes te veranderen:--en dat zonder iemand te waarschuwen.

Wat De Ruyter betreft, gij hebt zijn graf in de Nieuwe Kerk en zijne levensbeschrijving in het boekje van 't Nut zeker wel onder de oogen gehad en hij zweeft u alzoo voor den geest als een zeeheld, die thuis gelijk een burgerman leefde en zich met geen politiek ophield.

Maar beter dan al de overigen kent gij Jan Claeszen, 't zij dat gij hem op uwe kinderpartijtjes in de vermaarde ronzebons van La Haye zijne kunsten hebt zien vertoonen, 't zij dat hij voor 't huis uwer ouders voor een zesthalf--neen, in uwen tijd, lieve lezeres! die nog jong en schoon zijt, voor een kwartje--eene representatie gaf, waarbij gij met uwe broertjes en zusjes of neefjes en nichtjes op de vensterbank geknield laagt, met de neuzen plat gedrukt tegen de ruiten, terwijl een troep groote of kleine kinderen van de straat het spektakel gratis aanschouwde, 't zij eindelijk, dat gij zelf--dit geldt u lezer!--op een der stadspleinen de vertooning stond aan te gapen en daarbij een eerbiedigen afstand bewaardet, niet zoozeer uit vrees dat "de vrouw" ook bij u met haar bakje komen zou, om uw duit op te halen, als wel uit zorg voor "uw fatsoen".--Gij allen kent dus Jan Claeszen, en hebt u er nooit over bekommerd, hoe die dubbel gebochelde, roodgeneusde, phantastische held, die oorspronkelijk Pucinello heette, doch wien de Italianen, Franschen, Engelschen en Duitschers, elk naar hun lievelingsgerecht, Macaroni, Jean Potage, Jack Pudding (later Punch) en Hansworst doopten--aan dien naam gekomen is, dien hij bij ons verkregen heeft. Zijt gij verlangend, hieromtrent iets te vernemen, dan wil ik gaarne uw weetgierigheid voldoen. Gij hebt wel gehoord--en kunt het anders bij Wagenaar lezen--hoe, na den dood van Prins Willem III, de aristocraten hier te lande in hunne wijsheid begrepen, dat zij 't evengoed zonder stadhouder konden doen. Zij vonden 't niet onaardig alle macht in den Staat tot zich te trekken, en zich ook die privilegiën en prerogatieven toe te eigenen, welke de Prins tot dien tijd bezeten had. Zoo werd, onder meer, door hen besloten, de voormalige Garde van den Prins te herscheppen in eene lijfwacht der Staten van Holland. Dit had echter geen plaats zonder dat men te dier gelegenheid verwijderde al wie onder dat korps van Prinsgezindheid werd verdacht gehouden; en onder hen, die men uit dezen hoofde afdankte, bevond zich ook een trompetter, Jan Claeszen geheeten. Deze, nu buiten dienst gesteld en verplicht eene andere broodwinning te aanvaarden, wijdde zich der kunsten toe, zette zich te Amsterdam neder en vertoonde aldaar eene ronzebons op straten en pleinen. Niet tevreden echter van zijne drama's op te voeren, zooals zij oorspronkelijk geschreven waren, doormengde hij die met grappige zetten en kwinkslagen, en lei zijne sujetten, vooral zijne hoofdpersonen, menigen zet in den mond tegen de toenmalige landsregeering. Ik durf niet verzekeren, dat zijne aardigheden even kiesch en vernuftig waren, als van een modern oppositieblad, doch zij waren wellicht te meer geëigend, om aan zijn publiek te behagen, en hemzelven tot de lieveling der Prinsgezinde burgerij te maken. En zoo werd langzamerhand hij zelf vereenzelvigd met zijn hoofdpersoon; de naam van Hansworst, dien de echtgenoot van Katrijn tot dien tijd gedragen had, werd door den zijnen verdrongen en in voortdurenden roem leeft bij ons de onsterfelijke Jan Claeszen.

Doch wat zeg ik?--Helaas! groot is mijne vrees, dat het met die onsterfelijkheid ook al mis is, en dat, evenals andere groote mannen, ook zelfs Jan Claeszen bij ons in 't vergeetboek dreigt te geraken. Hij, het echte type van den wijsgeer, de man, die geene zorgen kent en met den dag voortleeft, die zich over niets bekommert, mits hij den tijd doorbrenge met eten, drinken en deuntjes zingen; die met ieder in vrede is, maar ook niet uit zijne gelijkmoedige rust gestoord wil worden, noch door eene kijvende vrouw, noch door kinderen, die om brood janken, noch door een huisheer, die hem manen komt, noch door een werf-officier, die voor het verstrekte handgeld zijne diensten opvordert, noch door den barren Droes, die hem met zich mee wil pakken, en die tegen al die lastige kwelgeesten maar twee argumenten heeft, zijn holsblok en zijn stok--hij, dat echte toonbeeld van ware levenswijsheid, begint bij de directeurs van wandelende theaters reeds een deel van zijne originaliteit te verliezen, ja reeds houdt hij hier en daar op de hoofdpersoon te zijn. De oude ronzebons zelve, verbreed en vergroot, wordt verbasterd tot eene marionettenkast, met beweegbare figuren, tot een zouteloos théatre de métamorphoses. Nog onlangs stond ik bij avond op het Koningsplein te Amsterdam gedurende tien minuten naar eene zoodanige vertooning te kijken: in die tien minuten zag ik letterlijk niets anders dan een bordpapieren ruiter, wiens paard nu eens op de voor- dan weder op de achterpooten ettelijke kapriolen en evoluties maakte.--"Ik packte my van daer", zooals Gijsbrecht zegt, innig bedroefd over den verloop der tijden en tevens het geduld bewonderende der toekijkers, die van zulke flauwheden niet wegliepen. Ik bewonderde ook een klein weinig mijn eigen geduld, dat ik het nog tien minuten had uitgehouden.

Ik heb straks gezegd, dat Jan Claeszen (de trompetter namelijk) vreemd zou opkijken, als hij Amsterdam nu terugzag. Ik vrees, dat de tijd zal aanbreken en niet verre meer af is, waarin hij er niet alleen de jachten, de luifels, de zwanen, den Jan-Rodenpoortstoren, de toesleden, de haringpakkerij, de houten schoorsteenen, het Doolhof, de aansprekers, maar waarin hij er zichzelven niet meer zal terugvinden.

Maar dan zal ook Amsterdam wel voorgoed ten val zijn geraakt.

Over drie groote en miskende stadgenooten.

Ik heb in het vorige hoofdstuk, hoezeer dan maar in 't voorbijgaan, den naam van La Haye genoemd, en bij het herdenken aan al wat Amsterdam verloren heeft, zonder het weder vergoed te zien, is het mij eene behoefte, ook bij dezen beroemden man eene wijle stil te staan en zijne gedachtenis te verbinden aan die van twee andere illustratiën, wier taak en wier lust het evenzeer was, werkzaam te zijn tot nut en vermaak hunner jeugdige stadgenooten, en wier namen ik mij niet voor den geest kan brengen, zonder dat bij mij een zoet en aandoenlijk gevoel van dankbaarheid oprijst voor de genoegelijke uren, die zij mij verschaft hebben, uren, hoedanige geen latere leeftijd mij heeft teruggegeven:--Beekman en Laurens. Met La Haye vormen zij het schoonst en liefelijkst klaverblad, dat wellicht eens gebloeid heeft: een driemanschap, meer waardig bezongen te worden, dan dat andere driemanschap, eens te Rome door heerschzuchtige tirannen gevormd. Het was door moord, door plundering, door brandstichting, door al de gruwelen van den burgerkrijg, dat zich dit laatste berucht maakte: het waren dans en feestvreugde en gejubel, waar onze Amsterdamsche Driemannen hunnen naam door vestigden. Het Romeinsche Driemanschap omschanste zich met krijgsvolk en bundelbijlen: het onze voerde de Muzen, de Lachjes en Gratiën in zijn stoet. Klaroengeschal en wapenklank kondigden Octavius, M. Antonius en Lepidus aan: viool en lier vermeldden de verschijning van La Haye, Beekman en Laurens.--Toen ik hen kende, ging ik ter Fransche schole en wanneer ik 's avonds werd gehaald en naar den sterrenhemel zag, vestigde ik doorgaans mijne bijzondere aandacht op den Orion, vooral op de drie hoofdsterren van zijn gordel: en dan kwam het mij meermalen in den zin, dat, evenals de beroemde helden der oudheid, na hun dood een bepaald gesternte ter woon en onder hunne bescherming verkregen, de doorluchte Drie, die mijnen kameraden en mij zooveel genoegen verschaften, in dien gordel een hunner waardige plaats zouden kunnen bekleeden.

Of zij naar dien gordel verhuisd zijn, weet ik niet: wel, dat zij eene plaats verdienen in de galerij van beroemde Nederlanders, door den Boekhandelaar Coster geopend, en thans overgenomen en vervolgd door mijn geachten vriend, den Boekhandelaar Van Kampen. En, ten gerieve van hun toekomstigen levensbeschrijver, laat ik hier eenige bijzonderheden, hen aangaande, volgen, waaruit overvloedig zal kunnen blijken, dat de lof, hun door mij gegeven, in geenendeele overdreven is.

Wat, in de eerste plaats, La Haye betreft, ik ken zijne geboorteplaats niet en ik geloof evenmin, dat, gelijk dit plaats had ten opzichte van Homerus, zeven steden om dien eeretitel zullen kampen. Niet, dat hij dien wedstrijd onwaardig zou zijn; maar ik twijfel er aan of hij het eerste licht in eene stad aanschouwd heeft. Ik durf de gissing wagen, dat hij een regimentskind was, en dat hem zijne moeder in 't veld, achter eene haag ter wereld bracht, op welke bijzonderheid hij bij het kiezen van een naam zal gezinspeeld hebben. Wat zijn uiterlijk betrof, hij was kort en mager, had gekruld zwart haar, eene kale plek op de kruin en levendige grijze oogen. Zijn gezicht was kleurig--wat lasteraars aan het gebruik van brandewijn toeschreven; ofschoon mij uit geloofwaardige berichten gebleken is, dat hij de voorkeur gaf aan Schiedammer vocht,--en een weinig pokdalig. Zijne kleeding was thuis een belapt buis, en op partijen eene grijs blauwe frak met hoogen kraag en tinnen knoopen, eene hooge witte das, breed als een tafellaken, en voorzien met een monsterstrik, een rood vest met blauwe bloemen en gele strepen, eene nankingsche korte broek, grijs- en witgestreepte kousen en schoenen met linten--als overeenkomstig met de mode uit den tijd van het Directoire.--Natuurlijk trok hij zijn rok uit, als hij zich binnen zijn theater bevond.

Wat zijne sujetten betrof, hoezeer hunne voornaamste bezigheid bestond in elkander af te ranselen, zoo moet ik hun ter eere zeggen, dat zij, buiten het tooneel zijnde, hun Directeur nimmer eenigen last veroorzaakten: zij keven niet onderling, noch toonden eenigen nijd of jaloezie, maar slingerden naast elkander in de beste harmonie; gingen zich verder niet te buiten aan sterken drank en dreigden nimmer zich, indien men hun appointement niet verhoogde, aan een ander theater te engageeren. In één woord, zij vormden een volkomen tegenbeeld van alle mogelijke andere verledene en toekomstige tooneelgezelschappen. Van de tegenwoordige wil ik, om goede redenen, niet spreken.